Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.
Kitabı oku: «Paedagogische Overwegingen», sayfa 4
XVII DE GENOEGENS VOOR HET KIND *
Vierjarig Truusje noemt het gewoon weg „taartjesdag”.
Ze geniet hem of beter gezegd, ze ondergaat hem, behoudens buitengewone gevallen, gemiddeld eens per week. De verjaardagen van de Grootouders, ooms en tantes, alsmede de herdenking van hunne trouwdagen, de verjaardagen van nichtjes en neefjes, van Moeders intiemste vriendin, van het getrouwde dienstmeisje van Grootmoeder, het factotum in de familie, de verjaardagen en den trouwdag van het eigen gezin. Want Moeder neemt Truusje alle dagen mede op hare wandelingen en bezoeken. Truusje is toch bij niemand zoo veilig, meent ze. Iets, dat ik niet gaarne onderschrijf. Moeder laat het kind hare leefwijze volgen, terwijl ze juist in hoofdzaak rekening moest houden met de belangen en de behoeften van 't kind, die geheel verschillend zijn.
Ieder op zijn beurt vindt, dat Truusje bij zoo een bijzondere gelegenheid wel een taartje extra mag hebben. Ik ben aan de familie verwant en daardoor van tijd tot tijd in de gelegenheid Truusje op zoo een receptie waar te nemen. Ze gedraagt zich zeer bescheiden. Meestal in een crapaud gedoken zet ze een gezicht alsof ze overdenkt, dat ze de taartjes wel heel lekker vindt, maar de menschen toch erg vervelend.
Vanmiddag bracht het kind zelf, de Moeder van hare dwaze behandeling terug.
Het dienstmeisje van Grootmoeder, dat zeer veel van kinderen houdt en waarschijnlijk geen critiek van haar jeugdige gast verwachtte, loopt, terwijl nog aller oogen ter begroeting op Truusje gevestigd zijn, als hare hulde, met een glaasje limonade, waaronder een klein badje, onmiddellijk op het kind af.
Met een afkeurenden zijwaartschen blik, vergezeld van een wegwijzend handgebaar, stuurt Truusje haar terug, zonder een woord te zeggen.
Haar mimiek, zoo goed uitgevoerd, doet Moeder in een lach schieten. Zij alleen begrijpt de oorzaak van deze weigering, die ze het gezelschap nu verklaart.
Moeder heeft kort geleden een nieuw dienstmeisje gekregen, wier netheid bij het bedienen nog vaak te wenschen overlaat. Ze heeft haar reeds eenige malen, wanneer er bezoek was, op dezelfde wijze als Truus nu, met een kopje of glaasje teruggestuurd. Nadat het bezoek vertrokken was, had ze het meisje haar fout onder het oog gebracht. Truusje is daar meestal bij tegenwoordig geweest.
Het kind had de handeling van Moeder zoo volleerd nagebootst; dat ze die maar al te goed gevat moet hebben. Ze moet er zich op getraind hebben om haar bij de eerst voorkomende gelegenheid toe te passen, zoo natuurlijk was haar vergoelijkende, berispende uitdrukking bij de terugwijzing.
Men merkt daaruit ook weer, hoe verkeerd het is, kleine tekortkomingen van ondergeschikten in het bijzijn van kinderen te releveeren. We moeten het kind slechts op het goede in zijn huisgenooten wijzen. Het zal daardoor welwillend jegens hen worden en hen achten.
Dat is ook noodzakelijk voor het kind tegenover de oudere, die, in welke betrekking hij ook tot hem staat, altijd zijn meerdere is, die gehoorzaamd moet worden.
Truusje werd verlegen onder het algemeen gelach, dat op Moeders uitlegging volgde. Ze huilde bijna. Om zich een houding te geven, zette ze haar pop op den schoot rechtop voor zich en gaf haar den troostkus, waaraan ze zelve behoefte had.
Je bent een flink lief meisje, suste ik haar en leidde haar af door met haar te gaan spelen.
Truusje verschijnt voorloopig niet op de recepties. Moeder en ik hebben een poosje samen gesproken. Moeder heeft een ontwikkeld, liefhebbend meisje van zeventien jaar bij Truus tot gezelschap genomen. Het kind is sedert dien tijd veel normaler, veel vroolijker geworden, en minder critisch.
Dergelijke genietingen, als recepties, mogen een heel enkele maal plaats hebben. Het gewone eigen doen is een eisch voor het kind. Bovendien moeten de genoegens voor het kind onverdeeld zijn. Dat kunnen ze niet, wanneer ze voor groote menschen èn kinderen tegelijk bestemd zijn. Deze hebben verschillende eischen. Ze zullen het kind zeker nadeel toebrengen. Het kind wordt, eigenwijs, veeleischend, onvoldaan, kortom het gaat in elk opzicht physiek en moreel achteruit.
XVIII OP HET KLEINE KIND VALT NIMMER TE REKENEN *
Het is met groote Hansen lastig kersen eten, maar met kleine kinderen niet minder.
Corrie is bijna drie jaar, een slimmerdje. Ik ben bij het kleine meisje gelogeerd.
Volgens Moeder leert ze alles met een merkwaardig gemak.
„Corrie kan dit jaar nu wel zonder hulp kersen eten, ik doe er de pitten niet meer voor haar uit.”
Theoretisch zoo mooi.
Ze leert haar: Steeltje in de hand nemen, daarna de kers in den mond brengen, voorzichtig de helft der vrucht van de pit eten, de kers uit den mond halen, het steeltje er uit doen en op het schoteltje leggen, de ontvleeschde pit in het handje nemen en de rest oppeuzelen. Moeder doet het eenige malen voor en Corrie zegt het keurig na.
– Moeder is blijkbaar nog niet doordrongen van het groote onderscheid tusschen kennen en kunnen. Ze schijnt ook niet te weten dat het een verkeerd en dus ongeoorloofd middel is, kinderen door bang maken, tot een juiste handeling te brengen, anders zou ze stellig haar volgend commentaar achterwege hebben gelaten. —
„Je moogt de pit nooit in den mond hebben zonder ze vast te houden en ook niet afzuigen, nadat je de vrucht ervan hebt gegeten, want ze kan naar binnen glijden en dan gaat er een kerseboom in je buikje groeien”, plaagt ze.
Corrie zet een onverschillig en tegelijk ernstig gezicht. Ze gelooft er niet zoo heel veel van, maar… Moeder zei het zoo rustig… Moedertje weet het altijd wel, dat had ze ervaren.
„En groote menschen dan, Moedertje, die doen toch ook de kers in den mond zonder haar vast te houden.”
„Als je groot bent, dan kun je dat ook!”
– Moeder liet haar eenige kersen eten, ging weer aan het werk in de kamer en liet Corrie zich oefenen, in wat Moeder haar reeds eigen dacht. —
En… Corrie probeerde… de hartstochtelijke begeerte van „het kind” te bevredigen: ook groot te zijn, met het haast natuurlijke gevolg, dat de pit, den slokdarm binnenvloog.
Ze schreeuwde het uit, doodsangst beving het kind, ze wilde wegvluchten, maar werd door Moeder tegengehouden.
Het was aangrijpend het kind in die hevige opwinding te zien, die Moeder niet tot bedaren wist te brengen. Ze had het immers zelf verklaard „er zou een kerseboom in haar buikje groeien.”
Bij ingeving liep ik op het kind toe met een kers in de hand, slikte die in één oogenblik met de pit naar binnen, uitroepende „lekker gefopt, dom kind, lekker gefopt!!” en begon uitbundig te lachen.
Mijn comediespel bracht plotseling de gewenschte reactie. Corrie lachte zenuwachtig mede.
Daarna bracht ik het kind, door het af te leiden, spoedig tot geheele kalmte.
Laten opvoeders(sters) altijd bedenken, dat ze zelfs op het meest intelligente kleine kind in ernstige zaken nooit rekenen mogen vanwege het ongelijkmatige, het onverwachte, het impulsieve, dat elk kind in meerdere of mindere mate eigen is.
We moeten het kind bewaken van oogenblik tot oogenblik en bovenstaande leering, waar we dit kunnen, vooral de Moeders „uit het volk” trachten bij te brengen. Vele ongelukken, in onbewaakte oogenblikken, zouden niet meer plaats vinden, wanneer het bovenstaande door haar bedacht werd, door deze Moeders, die het kind als alle Moeders liefhebben.
Naschrift. Ik vind in dit schetsje het schrikaanjagen en dan nog wel met zoo'n ouderwetsch middel, het ergste. Een kersepit doorslikken is zoo verschrikkelijk niet. De kinderen altijd en overal bewaken, kunnen we eenvoudig niet. Maar wie het kind wat leeren wil, moet altijd iets wagen. Taak van den opvoeder is, te weten wat hij (zij) waagt en of dat niet te veel is.
Voorts komt het mij voor dat moeders misrekening vooral daarin school, dat zij niet genoeg rekening had gehouden met de natuurlijke zucht van het kind om „groot” te worden en al vast „groot te doen”, en niet begrepen had, dat zij door haar domme vermaning die zucht juist opwekte en prikkelde.
XIX WAT HIELP *
Op zijn zesde jaar kreeg onze Tom de eerste pet van zijn Moeder en op zijn dertiende, de tweede. Daartusschen, heeft hij alle, en het waren er vele, als zondeboeten uit zijn spaarpot moeten betalen.
Pet I, was in de gracht gewaaid. Pet II was onder het woeste vechten, door den vijand verscheurd. No. 3, had hij, gebukt over het portier van den trein, die in volle vaart reed, laten vallen enz. enz.
En wat had hij niet al meer moeten vergoeden! Het repareeren van de pendule, nadat hij om den verplichten tijd van het pianostudeeren wat te bekorten, den grooten wijzer een te fikschen draai had gegeven, een gegoten paraplustandaard, dien hij voor zijn acrobatentoeren had misbruikt enz., te veel om op te noemen. Bij elken verjaardag en voor een goed schoolrapport, werd zijn spaarpot wel weer wat aangevuld, maar deze werd allengs voelbaar lichter. Om de illusie voorloopig gaande te houden, verhielp hij dit gebrek, door het zilvergeld te verkoperen. Zoo rammelde zijn spaarpot zelfs nog meer dan die van de andere kinderen, hoewel arme Tom met zijn scherp ontwikkelde zintuigen, het klankverschil daarbij pijnlijk opmerkte. Edoch, terecht overdacht Tom hier, zoolang er leven is, is er hoop. Nog meer optimistisch tegenover de toekomst dan het doorsnee-kind, vergat Tom na elke uitbetaling heel gauw, dat zijn bezit kwijnde. Hij bekommerde zich slechts om den spaarpot op het oogenblik, dat er een schadebetaling plaats had. Ze waren werkelijk droeve momenten voor Tom, vol spijt en goede voornemens.
Luchthartige naturen als hij, moeten ter genezing van hun defect, tot meer intense gevoelens gewekt worden door de straf.
Na zes jaar kreeg Vader ten slotte die aanwijzing.
Moeders veertigste verjaardag was op handen. Reeds een maand tevoren vergaderden de kinderen van zes, acht, negen en onze elfjarige Tom elk vrij oogenblik, om dien dag extra te vieren. Ze waren vol ideeën. Ze wisten zoo goed, waarmede ze hun lief Moedertje blij zouden maken. Tom, de aanvoerder, had de meest royale voorstellen. Hij wilde bloemen èn een cadeautje geven. Ze mochten van Vader alles zelf bedisselen. Op een middag, toen Moeder was uitgegaan, trokken ze gezamenlijk naar Vader om voorschot en de geheele financieele questie met hem te regelen, want de plannen stonden nu vast.
Stelt u Tom's grooten schrik voor, toen hij na alle krachten beproefd te hebben op het door hem in opwinding ten slotte ontzielde varken, daaruit slechts dertien en een halven cent vermocht te putten, terwijl de zusjes en het broertje maar hadden te grasduinen in hun overvloed.
Vader maakte van dit voorval gebruik.
Hij vond het van zelfsprekend, dat Tom Moeder op geenerlei wijze kon verrassen. De zusjes mochten hem niet bijstaan. Trouwens onze fiere Tom, zou dat niet geduld hebben. Moeder een cadeautje geven van een andermans geld. Hij liep eenige dagen in zak en asch rond en kon geen uitkomst vinden.
(Moeder was door Vader inmiddels ingewijd). Op een avond, toen Tom reeds op bed lag, riep hij Vader bij zich. Onder heete tranen vroeg hij hem om raad.
„Je kunt het alleen nog door een groot offer goed maken,” opperde vader. „Over veertien dagen moet ik ƒ 2.50 betalen voor een kwartaal lidmaatschap van de korfbalclub. Ontzeg je dat genoegen en geef Moeder van dat geld een cadeautje. Zeg den jongens, dat ik het geschikter vind, dat je een poos niet medespeelt.” Het was een offer zoo groot, haast niet om te dragen voor een jongen van elf jaar en sportliefhebber als onze Tom. Zonder te aarzelen nam hij het voorstel echter aan. Na dien tijd is er een ernstige verbetering ingetreden in zijn onbesuisd gedrag. De spaarpot wordt nog maar alleen aangesproken voor zijn genoegens.
We mogen nooit laksheid bij de opvoeding betrachten. Vinden we niet spoedig het juiste pad, laten we verschillende bewandelen en geen sleurgangetje gaan.
Die zoekt, die vindt.
Naschrift. Dit laatste is zeer waar. Intusschen zou ik wel gaarne het oordeel van anderen over het hier geschetste opvoedingssysteem vernemen, dat mij, zoo oppervlakkig beschouwd, niet vrij schijnt te zijn van een zeker mercantilisme. Alhoewel het mij toch ook herinnerde aan het volgend voorval uit mijn eigen leven. Mijn twee bengels van 11 en 12 jaar, met wie ik, destijds weduwnaar, de slaapkamer deelde, hadden de gewoonte hun schoenen altijd zoo slordig buiten de deur te zetten, dat ik er iederen avond over struikelde. Vermaningen noch straffen hielpen, zelfs niet het in den slaap wekken en uit hun bed halen van de beide boosdoeners. Totdat ik mij op een dag in een bui van gemelijkheid liet ontvallen: „als het nu nog eens gebeurt, zal ik inhouden van je weekgeld” (dat niet meer dan eenige centen bedroeg!). Het was mij geheel ondoordacht ontvallen, maar het merkwaardige feit was, dat het euvel plotseling en voor goed ophield. Tot op den huidigen dag heb ik niet begrepen, wat eigenlijk die miraculeuze werking veroorzaakt heeft. (Sedert ik dit schreef, verzekerde mij een ervaren opvoeder, dat 't geld inderdaad vaak een merkwaardigen, haast mysterieuzen indruk op kinderen maakt, en dat hij ook in zijn eigen huis met zeer kleine boeten wonderbare resultaten bereikt. Hebben meer lezers ervaringen op dit gebied?)
XX TWEE VLIEGEN IN ÉÉN KLAP *
„Twee vliegen in één klap!”
Juffie is eigenlijk nog maar een groot kind. Waarschijnlijk juist daarom zoo geschikt voor onze kleine peuters. Met ons schattig, tweejarig vrouwtje kan ze het best vinden. Zus en ziekelijk broertje, kinderen van vijf en zeven, aanbidden haar. Maar aan onzen oersterken Ab heeft ze een broertje dood. Ze zijn dan ook twee contrasten. Juf teer, kalm, zwaartillend, het knaapje beweeglijk, impulsief, luchthartig. De eenige eigenschap, die ze gemeen hebben is: heerschzucht. Dat is jammer. Juf kan zijn rechtmatige kinderlijke vrijheid niet respecteeren. Met alle kracht, waarover Ab beschikt, komt de kleine geweldenaar steeds daar tegen op. Juf ziet ook niet in, dat ze het kind wel offers moet brengen, die lijnrecht met haar gevoelens in strijd zijn.
Tot Ab's voordeel is Juf physiek heelemaal niet tegen hem opgewassen. Toch loopt het nog vaak spaak tusschen hen beiden. We willen, dat Ab in zijn vrijen tijd met het broertje en de zusjes samen speelt. Dat achten we om vele redenen goed voor den jongen. Het geeft telkens heftige scènes tusschen Juf en Ab, die we, als we thuis zijn dadelijk vermogen te keeren. Moeder en ik durven echter nooit tegelijk van huis gaan en Ab bij Juf achter laten. Dat is heel lastig. Wat nu? Juf wegsturen, de arme achttienjarige wees, met hare vele goede eigenschappen? We kunnen er niet toe besluiten. Ab brengen, waar we hem hebben willen is een werk van langen tijd. Dus moeten we Juf trachten om te vormen. Ze voelt zich thuis bij ons en is ons innig genegen. Twee flinke hulpmiddelen bij de opvoeding van een pupil.
We beginnen met nog eens ernstig na te gaan, waar de zieltjes in conflict komen, om daarna te pogen voorloopig den onmiddellijken vrede te verzekeren, wanneer ze samen zijn.
Het gaat in hoofdzaak om de volgende verschillen. Ab, een jongen uit één stuk, wil absoluut zijn (rechtvaardige) afhankelijkheid van ons dragen, maar hij kan ze in het minst niet van Juf ondergaan. Juf wil ons in alles volgen, maar kan zich op geen enkel punt van Ab de wet laten stellen, zooals zij het noemt. (Wij verklaarden dit boven anders.) Welnu. We dienen het dus zoo te regelen, dat beiden niets in te brengen hebben. Hun omgang wordt tot in de kleinste détails volgens vaste wetten, van hoogerhand, door Moeder in overleg met mij bepaald. Er moet een macht regeeren, die boven hun rechtstreeksch afzonderlijk willen uitgaat. Ze gehoorzamen nu direct ons, die hun beider belangen zoo goed mogelijk hebben vereenigd. We leeren tegelijk Juf, Ab's kinderlijke persoonlijkheid eerbiedigen en Ab zich onderwerpen aan degene, die boven hem gesteld is. Het was een moeilijke taak, waarbij de omstandigheden ons hielpen. Alle te voorziene questies zijn door ons behandeld, als: Ab moet in de kinderkamer spelen, Juf wil hem dit altijd toestaan, maar hij zal streng gestraft worden, wanneer hij het (volgens ons althans) Juf lastig maakt. Juf zal hem toestaan elk spel voor den dag te halen, waarmede hij wil spelen. Ab is verplicht vóór zijn vertrek weer alles keurig op zijn plaats te bergen enz. enz. We hebben Juf duidelijk gemaakt, dat ze op den duur niet bij ons zal kunnen blijven, wanneer ze zich niet met Ab verdragen kan. Ab kent ook zijn boeten.
Het gaat een tijdlang bijzonder goed. Ze scharrelen rond zonder ooit onze inmenging te verlangen.
Moeder en ik wagen het hoe langer hoe meer samen afwezig te zijn. We gaan nu zelfs heen, zonder een enkele waarschuwing te geven.
Op een middag bij onze thuiskomst is echter weer „Holland in last”.
De deur wordt haastig opengedaan door het keukenmeisje, die Ab doodsbleek met gezwollen oogleden aan den arm heeft hangen.
Jufs behandeling had den jongen zoo overstuur gemaakt, dat het kind tot vandalisme was overgegaan.
We waren nauwelijks vertrokken, toen de impulsieve Ab, gesuggereerd door het zien van een plaat in „De Prins”, opeens in het hoofd kreeg een „Stadion” te formeeren. De beide zusjes, met wie Juf zoo rustig kralen zat te rijgen, werden door hem opgeëischt en opgewonden. Alle stoelen, de tafel, de naaimachine – wat is er niet noodig om een „grootsch” stadion te bouwen, gereed voor den a. s. wielerwedstrijd! – werden overhoop gehaald. Zelfs zijn fiets van den zolder. Dat was voor de kalme, ordelijke Juf opeens te veel. Ze ontsteekt in drift, en op het oogenblik, dat Ab voor de deur staat, grijpt ze hem onverwachts beet en sluit hem buiten.
In blinde woede bombardeert Ab de deur en schreeuwt. Zonder resultaat. Het keukenmeisje, afgekomen op het tumult, vleit Juf, belooft haar hulp, smeekt Juf den jongen toe te laten.
Juf blijft onverbiddelijk.
Om haar onrechtmatige overmacht te wreken, haalt hij een nieuw, voor haar kostbaar, blousje uit de kast, sleurt het door de modderige goot en werpt het voor de deur van de kinderkamer. Ze ontdekt het bij onze thuiskomst, als ze de deur ontsluit.
Juf verlangde een schadevergoeding uit Ab's spaarpot. We meenden zulks niet te moeten toestaan.
Het verlies van de blouse, was het gevolg van haar eigen onverantwoordelijk handelen. De jongen was haar in onze afwezigheid speciaal toevertrouwd. Ze wist heel goed op welke wijze ze Ab tot rede had kunnen brengen. Haar was geleerd hem af te leiden door zelf mede te spelen. Ze had den laatsten tijd steeds ervaren, dat ze hem dan tot haar vrijwilligen medewerker van het goede kreeg. Maar in een minder evenwichtig, wilszwak oogenblik had ze haar oude methode gevolgd en Ab geheel bebaasd. Dat was haar onmogelijk gebleken. Ab voelde dat als een onrecht. Ab moest er geleidelijk toe komen haar te gehoorzamen. Dat waren we overeengekomen.
Ze kreeg geen schadevergoeding. Haar werd de keuze gelaten „daar zonder” te blijven of er mede op tijd te vertrekken. Ze besloot tot het eerste voorstel.
Ab moest voorloopig zijn eigen kamertje missen. Dat was een groot verlies voor hem. Zoodra wij er zeker van waren, dat hij waardevolle zaken wist te ontzien en een anders bezit te respecteeren, zou hij het weer mogen betrekken.
Om te voorkomen, dat Ab wrok tegen Juf ging koesteren, lieten we haar, ze had het wel noodig na de verwikkelingen, dien avond na het eten naar bed gaan. We zeiden, dat Juf vanmiddag al heel ziek was geweest. Ze zou hem vast nooit meer buiten de kamer zetten. Ze zou ons liever zeggen, wanneer ze zich minder goed voelde, dan mocht ze rust gaan nemen.
Ab zag, toen hij kalm was, heel goed in, welke wandaad hij begaan had, door in woede eigen rechter te spelen.
Het ging daarna best tusschen hen.
Ze hadden beiden ter waarschuwing van het geweten een verlies te overdenken.
Ze waren door „schade” wijs geworden.
XXI EENTONIGE ARBEID *
Vader, die zijn minder bedeelde patiënten meestal slechts kon bereiken, langs steile, vettige, afgesleten trappen, had zich in het hoofd gezet, niet anders te moeten dragen, dan witte katoenen kousen. „Ik wil zien, of ze besmeurd zijn”, was zijn verontschuldiging. Want elke groote wasch die thuiskwam, verschrikte Moeder en de kinderen, door haar onbeschaamden stapel gehavende kousvoeten. Ze vertegenwoordigden voor ons, kleine meisjes, zoowat „de plak”. Ik geloof nu nog, dat mijn Moeder, naarmate de waschuitkomst op kousengebied grooter was, onbewust overging, tot spoediger en veelvuldiger straffen met: „Je breit morgen maar eens een halven of heelen voet aan, vóór je moogt gaan spelen”. Of zou ze bij intuïtie gevoeld hebben, de nuttige les, die ik er later uit mocht trekken, dat men het kind reeds jong moet wennen aan vervelenden arbeid, dien nu eenmaal elke levensloopbaan met zich brengt? Nog heden valt me het meest eentonige werk licht, vergeleken bij den onmetelijken witten voet, die mij, door mijn aard, meer dan den anderen zusjes ter reparatie deelachtig is geworden. Stelt u voor, de zon hoog, de bloemen in ons tuintje, in hare sobere steedsche pracht, terwijl de uitgelatenheid der zusjes weergalmde, met aangeboren blijden levenslust, op achtjarigen leeftijd te moeten zitten in het kajuitlage strafkamertje, met die gemelijke, zeurderige, centimeterslange … En of ik maar steeds losser breidde en mijn werk met alle macht in de lengte rekte, Moeder wist, door het monster een andere richting in te sturen, me telkens weer aanschouwelijk te maken, dat de voet in werkelijken zin, nog maar „even breed als lang” was en me met klem te overtuigen, dat het opgegeven aantal naadjes de juiste maat inhield. Niet zoodra was de taak volbracht of ik spoedde me naar buiten en speelde uitgelaten vroolijk met de kinderen mede. Pennen en naadjes waren vergeten.
Daarom juist kunnen we het kind met een gerust geweten aan het vervelendste werk zetten. Het laat geen deprimeerende sporen achter. Maar toch blijft er iets voor latere jaren „de herinnering”, die je eerst diep doet beseffen, het vroeger doorgestane leed. Je ervaart, dat het je voor je leven sterker heeft gemaakt. Ik geef u in overweging het bij uwe opvoedelingen toe te passen. Laten we hopen, met dezelfde goede resultaten.
