Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.
Kitabı oku: «Paedagogische Overwegingen», sayfa 6
XXVIII HUN ALTRUÏSME *
Mijnheer Frackers plotseling overleden! Het geheele gezin loopt samen op het schokkende bericht en is verslagen. Eén roep hooren we, van wat hij voor ons allen geweest is, de trouwe, eerlijke, hartelijke vriend.
Wat een zuchten, wat een klagen, wat een loftuitingen van alle kanten, ook van het personeel, waarvoor hij altijd zoo gul en minzaam was. Zelfs ons vijfjarig jongste baasje is er stil van. Dat treft ons. We oordeelen hem gevoelig, aanhankelijk.
Hij wordt geknuffeld, getroost.
Na het eten komt de kleine Remy als gewoonlijk een half uur bij mij spelen voor dat hij naar bed gaat.
„Huilt U omdat Mijnheer Frackers dood is?” vraagt hij belangstellend.
„Dat moet U niet doen, broertje vindt het zoo naar”, zegt hij op een ontstemden toon.
Ik herstel me spoedig en ga hem opgewekte verhaaltjes vertellen.
– Het kind is nog te jong, om onder den indruk te mogen blijven van een diep zieleleed. —
Op tijd komt Juf hem halen.
Bij het afscheid pakt hij mij nog eens innig en zegt dankbaar: „Nacht, zoete, lieve tante… ga nou maar weer huilen”, animeert Remy, terwijl hij van mijn schoot springt.
We mogen niet te gauw „victorie kraaien” bij het beoordeelen van de karaktertrekken onzer kleine kinderen en zeker nooit in hun bijzijn. Wat maar al te vaak gedaan wordt. Geef het kind slechts wat het toekomt. Waar noodig, eer minder dan meer. Hun altruïstische neigingen zijn meest in dienst van hun egoïsme.
We zouden door niet diep genoeg in hun wezen te dringen, het egoïsme bevorderen. We willen het tegendeel.
XXIX HET KORTE WOORD *
Een fiere jongen, onze oudste… 'n „Baasje” eigenlijk. Het is de eenige bijzondere aanmerking, die we op het kind maken. Misschien tilt Moeder hem wel wat over het paard, door hem reeds in vele ernstige zaken in te wijden.
Piet is heel verstandig, maar toch pas tien jaar. Hij spreekt zijn meestal goed oordeel te beslist uit en Moeder hecht er veel waarde aan. Wat hij merkt.
Rrrrrrrrrt… gaat de bel, zoolang tot er opengedaan wordt. Een opgewonden troepje stormt binnen.
„En een penkalapotlood van Rob, een fleschje kleurinkt van Bert, een pak chocolade van…” alle kinderen schreeuwen door elkaar. Op een verjaardag wordt door ons veel getolereerd. De twee prentbriefkaarten, die hij van zijn onderwijzer gekregen heeft zijn voor Piet wel het meest waardevolle geschenk. Hij ziet er gemeenlijk niet naar om, maar deze kaarten streelen zijn eigenwaarde.
„Nu komt nog de lekkerste verrassing”, grapt Moeder in haar vreugderoes. Het maakt de kinderen gulzig. Ze vallen haast aan, op het groote stuk taart, dat de ledige boterhammetjes, tot een koningsmaal verhoogt. „Zie toch eerst eens hoe leuk”, zegt Moeder argeloos en nadat Piet het opschrift van de taart gelezen heeft – Aan den jarigen zoon van mijn Dokter, uit dankbaarheid, Bakker N., in sierlijke suikerletters als gecalligrapheerd op het plateau – is hij doodsbleek en roept gekrenkt uit:
„Maar ik had ze zelf mogen deelen, de taart is van mij!”
Moeder, uit het veld geslagen, verweert zich (zeer onhandig) met „van jou is niets, ik heb over alles te beschikken.”
Piet loopt weg met tranen in de oogen, nog driftig uitstootende „ik wil niets van de taart eten!”
Hij spoedt zich naar zijn kamertje.
Moeder, wij allen, zijn ontdaan.
– Toen Vader vanmorgen bij een zijner patiënten binnenkwam, liep het jarige kind met een feeststrik op den schouder rond. Het ventje was pas hersteld van een ernstige ziekte. Hé, vertelt de dokter, mijn oudste jongen viert vandaag ook zijn geboortedag. De Vader van het patiëntje grijpt blijde de gelegenheid aan om zijn dokter te verrassen. —
„Ga jij eens met hem spreken. Je kunt hem wel kalmeeren”, stelt Moeder me voor.
„Nu liever niet! Met een opgewonden kind is niet te praten. Hij kan best een maaltje overslaan. Piet gaat stellig op tijd naar school. Daar zal hij kalm worden. Ik zal hem vanmiddag aan de deur opwachten.”
„Dag tante”, zegt Piet gemaakt vroolijk, als hij 's middags uit school komt. „Is er al bezoek in de huiskamer?”
„De tantes zijn er en Mevr. X.”… Hij aarzelt…
„Je kunt het toch wel zacht tot Moeder zeggen, dat het vanzelf sprak, dat zij de taart zou verdeelen. Dat is haar taak!” Wanneer ik als huisgenoote een taart krijg, zou ik ze immers ook door Moeder laten deelen.
„Maar hij is tòch van mij”, streeft hij tegen.
„Nu ja… krijg jij een geschenk van iemand die je heelemaal niet kent?.. Waarvoor is bakker N. je zoo dankbaar?.. het was een attentie aan Vader bewezen, het gezin ter eere van je verjaardag te tracteeren, dat voel je nu wel. Zoo vatte Moeder het op.”
Als uit een droom ontwaakt, kijkt Piet me met opengesperde oogen verhelderd aan.
„Maar Moeder zei dan toch, dat zij altijd over alles beschikken mocht en ik nooit zelf iets mocht bezitten.”
„Je deedt Moeder onrecht en daarnaar antwoordde ze. Heb je ooit ervaren, dat Moeder iets van je weggenomen heeft! Je moogt de chocolade, die je krijgt, toch altijd zelf deelen. Heeft Moeder ooit zonder je toestemming een ander kind met je speelgoed laten spelen?”
Verruimd vliegt Piet naar Moeder en maakt het voorgevallene op zijn eigen innemende wijze bij haar goed.
Het was treffend, 's middags aan tafel, terwijl hij het bijzondere portie taart zat te smullen, Piet te hooren uitroepen: „Lekker Moes!”… „dank U vriendelijk!”… „fijn Moes!”…
Allen waren heel tevreden en opgewekt. Moeder, Vader, Piet, de zusjes en broertjes en… ik niet het minst.
Geen lange redeneeringen, waarbij het kind altijd wel iets vindt, om zijn inzicht te verdedigen. Met het korte woord, dat aansluit aan zijn innerlijke ervaring heb ik altijd mijn opvoedelingen tot een juist inzicht weten te brengen. Dat woord moet slechts aangebracht worden wanneer het kind kalm is.
Naschrift. De geachte inzendster schrijft mij hierbij nog het volgende: „Ik heb het geval als „beschreven” behandeld. Daarna debatteerden we er nog met velen over, w.o. medici en juristen. De moraal verlangt natuurlijk, dat we aan de waarheid niets toevoegen of veranderen om voor haar te getuigen. Wat ik tot het kind zeg omtrent den bezitter van de taart is wel juist, maar juridisch is de taart zeker van het kind. In dat geval had Moeder wel kunnen wachten tot het kind thuis is en dan zeggen: „Nu, je vindt het zeker wel goed, dat ik ze verdeel” of zoo iets. Bij mijn redeneering tot het kind laat ik weg, dat de taart van hem is. Ik zeg wel: „nu ja…” waarmede ik bedoel: „de taart is wel van jou, maar eigenlijk van Vader”. Is mijn redeneering, die hier succes had, uit een paedagogisch-moraal oogpunt juist?” En dan vraagt zij mij, hoe ik er over denk en wat ik c.q. zou gezegd hebben.
Mijn antwoord is: als ik iets op dit verhaaltje aan te merken heb, dan is het zeker niet op de redeneering, waarmede Piet overwonnen werd. Want die acht ik volkomen juist. Eerder zou ik twijfel kunnen koesteren of Piet's gedrag wel volkomen historisch juist is voorgesteld. Want een zoo sterk juridisch begrip van eigendom is bij kinderen zeldzaam. Zij hebben wel een zeker begrip van eigendom, maar juridisch getint is het niet. Het is veel naiever, veel ruimer, hoe zal ik zeggen? veel vloeiender. Ook al gebruiken zij, bij gebrek aan andere, daarvoor dezelfde woorden, die wij voor den juridischen eigendom gebruiken. „Dat hoort van mij” beteekent in hun mond zoo iets als: „daarop heb ik een bijzondere betrekking, meer dan iemand anders. Daarover heb ik dus ook meer te zeggen dan iemand anders.” Wanneer er op een verjaardag een taart op tafel komt, dan gevoelt de jarige al heel licht daarop zulk een bijzondere betrekking, ook al staat er geen opdracht aan hem op. Een betrekking van juridischen eigendom is dat echter niet; mogelijk evenwel, dat het feit, dat er een opdracht op staat, er een ietwat meer juridischen tint aangeeft, vooral bij een kind, dat daarvoor aanleg en temperament heeft. Maar, de hoofdzaak is toch altijd, dat de taart in nauwere betrekking staat tot hem dan tot één van de anderen. Aan dat gevoel zal in de meeste gevallen voldaan zijn, wanneer bij de verdeeling de jarige het eerste stuk krijgt, wat geloof ik iedereen van zelf zal doen, zoo natuurlijk is het. Voor zelf-uitdeelen komt een taart uit den aard der zaak niet in aanmerking. Dat is goed voor een doos flikjes of confituren, die het kind op zijn verjaardag krijgt. Die is inderdaad „van hem” en daarvan deelt hij dan uit; dat is een deel – en als het goed is, niet het kleinste deel – van het genot, dat hij ervan heeft. Maar een taart in stukken deelen behoort niet tot de functies van een kind, en bovendien, wat belangrijker is: een taart is per se bestemd om te dienen als een tractatie voor de gansche familie. Dat weet ieder kind heel goed en daarom kan er ook geen sprake zijn van een juridisch eigendoms- en verdeelingsrecht over een taart, ook al staat er honderdmaal een opdracht op, en een kind, dat daarop aanspraak maakt, heeft m.i. ongelijk. In het onderhavige geval kwam er bij, dat de taart feitelijk een dankbetuiging was aan den vader, zooals dan ook zeer terecht Piet onder het oog wordt gebracht.
Dat alles neemt niet weg, dat Piet, in den bovenbedoelden zin, een zekere bijzondere betrekking had op de taart, en in zooverre is ongetwijfeld, – indien werkelijk (het verhaal is op dit punt niet overmatig duidelijk) de taart nog vóór dat die bijzondere betrekking tot haar recht was gekomen, reeds door moeder was in stukken gedeeld – een inbreuk gemaakt op het kinderlijk gevoel. Niet echter op het eigendomsgevoel (ook al gebruikte Piet zulke uitdrukkingen) maar op het gevoel, dat bij kinderen, gelijk Mej. Asscher ook weet, bijzonder sterk ontwikkeld is en altijd met verstand ontzien moet worden: het gevoel van recht en gerechtigheid.
Er is dan zeker een fout begaan, die verergerd werd door Moeders onhandig antwoord (als ook dit historisch is). Maar dat gaf Piet natuurlijk niet het recht om op te spelen. Nu hij het toch deed, moest hij terecht gebracht worden. Hoe? Wel, daarvoor zou ik geen betere manier weten dan de hier geschilderde, die m. i. in de slotopmerking ook volkomen juist wordt gemotiveerd.
XXX SNOEPEN *
Vermicellitaart was nu eenmaal een zwak van Prop en hij mocht er maar weinig van hebben, omdat de jongen te zwaar werd.
Waar de hartstocht spreekt, zwijgt het weinige verstand van het kind. Het handelt verkeerd.
Als regel is bij ons de provisiekast niet gesloten. We hebben betrouwbare dienstmeisjes, die reeds vele jaren bij ons in betrekking zijn. Nooit werd nog iets vermist.
Toen de vermicellitaart voor den tweeden middag op tafel kwam, vertoonde ze duidelijke sporen van sabotage. Moeder schrikte er van.
Prop's hevig protest, terwijl niemand hem beschuldigde, was voor allen een duidelijke aanwijzing, dat hij het delict gepleegd had. Met klem herhaalde hij steeds: „ik heb de taart sedert gisteren niet gezien!”
Daar we er kat noch hond op na houden, beslis ik, met den blik van verstandhouding, die gezinsleden onderling zoo goed verstaan, „Moeder, de muizen hebben stellig ervan gesnoept, gooi de taart maar weg”; en terwijl ik doe alsof ik de daad bij het woord wil voegen, grijpt Prop mijn arm en roept schreiend uit: „Ik ben er aan geweest, en ik zal het nooit, nooit weer doen!”
– De begeerte naar de taart, had het schaamtegevoel verdrongen. —
„Ik zal de taart toch maar tot morgen wegzetten, nu heeft er zeker niemand lust in”, stelde ik voor, ten einde tijd te winnen om te overdenken, hoe Prop moest aangepakt worden.
We waren nauwelijks met ons beiden alleen of het jonge moedertje riep wanhopig uit: „maar die ontdekking is vreeselijk, Prop oneerlijk!”
„Ze is heelemaal niet vreeselijk”, stel ik gerust. „Prop is pas zes jaar. Hij heeft zich niet beheerscht. We zullen hem nog moeten leeren weerstand te bieden aan een dergelijke verzoeking. Zijn leugen was een gevolg van de vrees niets meer van de heerlijke taart te krijgen, als zijn vergrijp ontdekt werd. Dat bleek toen hij bekende.”
„Maar ik heb als kind toch niet gesnoept”, jammert Moeder voort.
„Misschien herinner je je het niet meer.”
„O vast niet, ik werd er zelfs om geprezen.”
„Zie je wel, dat het niet snoepen bij een klein kind als bijzonder wordt aangemerkt.”
„Hij mag nu van de taart niets meer hebben.”
„Ik zou hem wel wat geven. Het kind heeft beterschap beloofd, laten we hem vertrouwen.”
„En dan voortaan alles angstvallig te moeten afsluiten.”
„Juist alles openlaten, als vroeger. Je taak is toch niet het kind het snoepen te beletten, maar hem er toe te brengen, het snoepen te laten. Ik geloof sterk in de macht van het vertrouwen. Door hem het vertrouwen te ontzeggen, vervalt hij van kwaad tot erger. Dat leert de ervaring.”
Ik kreeg het patiëntje in behandeling.
Eenige dagen later zitten we samen gemoedelijk zijn „Humpty Dumpty” te spelen.
Niet zoo gauw valt de domme August van zijn paard, of een clown rijdt er op weg.
„Hier”, beveelt Prop. „Ik zal je wel helpen”, troost Prop August en wipt hem meteen weêr op zijn eigendom, terwijl hij den dief in het zand doet tuimelen.
„Mag de clown ook niet eens rijden?”
„Ja-e, maar niet op August zijn paard!”
„Maar Pierre heeft er geen.”
„Dan moet hij August vragen of hij mag.”
Zijn overtuigd oordeel is zeer aanmoedigend voor mijn voorgenomen experiment.
„Wat hoest je”, merkt Prop op.
„Jammer, dat ik mijn witte dropjes heb vergeten mede te nemen”. – Prop versmaadt ze lang niet. – Ik aarzel… „Wil jij het doosje misschien voor me uit mijn kast halen? Zou je het kunnen? Maar breng vooral den sleutel weêr mede, en draag het doosje heel voorzichtig, dat de dropjes niet op den grond rollen. Je bent nu wel groot genoeg om zoo iets klaar te spelen.”
Met majestueuze langzaamheid, het sleutelbosje voor zich uit houdende, stapt hij weg.
„De kast is goed gesloten. Ik heb het doosje stevig dichtgedrukt en er nog een papier om heengedaan”, stelt Prop me gerust.
Als een slotvoogd aan zijn „Heer en Meester”, zoo plechtig overhandigt Prop me de sleutels weer. Wij blijven allen in Prop bijzonder vertrouwen stellen. Juist hem worden de gewichtige postjes opgedragen. Hij heeft zich sedert vier jaar niet vergrepen.
Prop zal later, even als zijn Moeder, kunnen uitroepen: „Men heeft mij er zelfs om geprezen!”
XXXI WAAGHALZERIJ
Des middags ging ik dikwijls een kleinen neef tegemoet, die bij den heer S. op de Reguliersgracht school ging. Een ander neefje, ruim zes jaar, hij zat in de tweede klas, vertrouwde zijn Moeder gewoonlijk toe aan een dienstmeisje. Het gebeurde wel dat dit meisje te laat kwam, dan holde Dirk maar vast naar buiten. Eens bemerkte ik bij mijn komst een heele opschudding dicht bij de school. Een vrouw uit het volk werd besprongen door een kleinen woesteling, die haar uit alle macht sloeg en schopte, tot leedvermaak van zijn vriendjes en de omstanders. Zij allen toch vonden dat het kind onrecht aangedaan werd. Zoodra Dirk mij in het oog kreeg, vloog hij op me af, klampte zich aan mijn rokken vast en brak in snikken uit. Daarop vertelde mij de vrouw, nog geheel overstuur, de oorzaak van zijn driftaanval.
De arme Moeder, diep bewogen bij het ophalen van hare pas geleden groote smart, overtuigde me, werkelijk haar plicht gedaan te hebben.
Drie maanden geleden was haar eenig kind, een jongen in den leeftijd van Dirk, dood thuis gebracht. Spelende langs het smalle, blauwe randje van de kade, was hij in de gracht gegleden en jammerlijk verdronken. Bij het plotseling ontwaren van Dirks waaghalzerij, had ze in moederlijke opwelling, den jongen naar het midden van de kade gesleept en hem een klap gegeven.
Ik kalmeerde Dirk door hem te doen begrijpen, waaròm die vreemde vrouw hem aldus behandeld had. Hij voelde nu wel, dat het hier geen machtsmisbruik was. Ik liet het kind de vrouw beloven, dat hij nooit meer op het kantje van de kade zou spelen.
Ook Dirk had niets misdaan.
Bestaat er één echte jongen, die niet telkens weer de moeilijkheden en het gevaar zoekt?
Het is zijn natuurlijke oefening in zelfvertrouwen, moed, zelfbeheersching, in zedelijke krachten.
Maar ik wil er voor waken, dat hij de juiste grens niet overschrijdt, n' en déplaise Jan Ligthart, die het begaan van elke gekozen waaghalzerij, een onmisbare factor acht voor het winnen in willen en kunnen.
Ik raad u, uw kleine jongens niet toe te staan langs de leuning van de trappen naar beneden te glijden, waar de afgrond gaapt, langs de dakgoot te wandelen of op het randje van de kade te balanceeren.
Evenals ik onzen achtjarigen Jo, die met een stalen gezicht zijn lepeltje chinine slikt – terwijl hij tegen zijn zusjes er op snoeft, dat ze zoo lekker smaakt —belet, de geheele flesch te ledigen.
Hij beweerde het gaarne te willen.
XXXII DE KLEINE KUNSTENAAR *
Johnney, aardig ventje, met lange dikke, blonde krullen is meest in het artistieke fluweelen pakje gestoken, waarop de antieke kanten kraag. Hij wordt in de wandeling „de kleine Lord” genoemd. Daarbij zingt hij mooi. Zelfs exploiteerde men hem onlangs op een weldadigheidsmatinée en moest het kind, na het zingen van een sentimenteel liedje, een ommegang doen voor de uitgehongerde oorlogskinderen.
Ik zou dat niet toegestaan hebben, maar het was mijn zaak niet. Wat wel mijn zaak was en er mede verband houdt, is het volgende.
Ik ben bij mijn neefje in Den Haag gelogeerd.
John weet, dat ik veel van muziek houd. En elken morgen ontplooit nu het nachtegaaltje, zonder éénige aankondiging, om half vijf, in mijn „nächste Nähe”, zijn stem. Meegesleept door zijn enthousiasme en in navolging van zijn groote zus, werpt hij zich op de meest vermetele modulaties, volgt de nieuwste en populairste liedjes, het zijn cadenzen om er den adem bij te verliezen. Opeens hoor ik de klanken dalen en in het diepst van zijn keel murmelen, als het stroomen van een beekje. Wat me hoop geeft op ons beider weer indommelen. Eilacie, even spoedig hoor ik zijn stem zich weer verheffen, meer en meer zwellen en ze is voor goed in mijn gehoorsfeer. Ze zingt opvolgend zacht, helder, schitterend, aandoenlijk, maar welk karakter ze ook weêrgeeft, de zang prikkelt me ondraaglijk na mijn vermoeiende dagreisjes. Daar moet ik een stokje voor steken, 't koste wat het wil.
Reeds aan het ontbijt stel ik zijn Moeder smeekend voor: „Zou U misschien willen zorgen, dat John 's morgens wat later begint te zingen, om zeven uur is wel vroeg genoeg en…”
„Ik zou het niet durven”, valt ze me angstig in de rede, „hij is er zoo trotsch op. Dat zou juist iets voor jou zijn om het hem te vragen. Ik stel het elken dag uit.”
Na veel en ernstig nadenken zet ik 's avonds eer hij naar bed gaat, met mijn liefste accent in, als wijlen La Fontaine's vos: „John, wat zing je 's morgens toch beeldig mooi!” – zijn borstje zwelt. – „Maar John, ik ben elken morgen nog zoo moe. Begin wat later en zing dan wat langer, dan heb ik er meer aan.”
Hoogst beleedigd, verontwaardigd slingert hij me nasaal terug: „Maar Nicht, dan kùnt u nog niet uit logeeren gaan, ik zing 's morgens vroeg.”
Dat komt er van als je kleine jongens als volwassen menschen waardeert. Op hun talenten valt nog allerminst te rekenen. Meestal worden bij zulk een behandeling dergelijke kinderen in hun later leven teleurgesteld.
XXXIII HET SPRAK VANZELF *
Willy zit met haar popje te spelen.
Tot mijn groote verbazing, doet het zachtaardige Moedertje niet anders dan haar kindje bestraffen. Maar popje is vandaag ook heel lastig. – Althans op de wijze zooals kinderen ook meestal lastig zijn, wanneer je het onmogelijke van ze verlangt. – Popje weigert haar dikke beentjes in de te nauwe kousjes te schieten, ze wil met haar te slappen lendenen absoluut niet rechtop blijven zitten, ze wil zelfs door een defect aan het mechaniek, niet meer „Mámá, Pápá” roepen, welke moeite Willy zich er ook voor geeft.
„Je bent een echte nare pop,” daarmede sluit Wil haar onwaardige séance en gooit vernederend haar telg in een hoek.
„Ja zeker, nu wil ik een poosje met Zusje spelen”, zeg ik. Ze zet zich lievig op mijn schoot.
„Oef! Weg! Je bent veel te zwaar”, vinnig ik en ik zet haar meteen op den grond.
„Dat kan ik toch niet helpen”, zegt ze pruilend.
„Maar Wil, Popje kon het ook niet helpen, dat haar beentjes te dik waren voor de kousjes, dat haar ruggetje niet sterk genoeg was, om zich recht op te houden enz. enz.”
„Nu doe ik nog liever met jou, dan jij met je eigen kindje deedt, want ik gooi je niet in een hoek!”
„O ja maar dat is nog al duidelijk, U bent ook tante E. en ik speelde, ik was juf.”
