Sadece Litres'te okuyun

Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.

Kitabı oku: «Paedagogische Overwegingen», sayfa 5

Yazı tipi:

XXII GEEN WIJZE REDENEERINGEN *

Ik was ongeveer acht jaar oud, toen Moeder met een harer zusters over „borgstelling” sprak.

„Een borgstelling? Wat is dat Maatje,” vroeg ik als elk weetgierig kind.

En diepzinnig door redeneerende bij hare verklaring, kwamen we tot de juiste beteekenis van het borgen zelf, waarbij Moeder mij de noodige moralistische waarschuwingen gaf, die allerminst tot mij doordrongen. De onmiddellijke idee „borgen” had me toch zóó verrukt. Het trof mij, die daar vroeger nooit van gehoord had, als een uiterst prettige en practische schikking bij een voorkomende gelegenheid.

Je koopt maar, neen, je borgt maar, wat je wenscht te bezitten. Je kunt het toch immers later wel betalen. De wereld behoorde mij! Ik had het altijd zoo bindend, zelfs drukkend gevonden, van Vrijdagmiddag tot Zondagmorgen niets te kunnen koopen. Juist op den vrijen dag, wanneer je de Luilekkerlandswinkeltjes zoo eens op je gemak kon raadplegen om „rouwkoop” te beletten. Zaterdag was mijn kooplust het sterkst. Dat ligt voor de hand. De dief vindt een gelegenheid.

Mijn jongste zusje, wat te zwak om geregeld de lagere school te bezoeken, werd op haar vijfde jaar op een voorbereidend schooltje van de dames Kroon geplaatst. Vader kon nu speciaal rekening houden met de gezondheid van het kind. Ze mocht daar op tijden gebracht en gehaald worden, die Vader goed dacht en… als Moeder haar personeel kon missen. Dit laatste was niet officieel overeengekomen. Ik kreeg in opdracht Vrijdagsmiddags, wanneer ik van de Joodsche lagere school om twee uur vrij had, en Moeder niet in de gelegenheid was met ons uit te gaan, het twee jaar jongere zusje uit school te halen. De scholen lagen vlak bij elkaar. Ik mocht dan, tot het schooltje uitging, bij de dames Kroon het onderwijs blijven volgen of het spel der kinderen medespelen.

„Heerlijk bij die schattige kindertjes!” En Moeder wist haar kinderen daar goed verzorgd.

Het was nog maar kort na mijn inwijding in de borgwetenschap, dat ik bij het verlaten van de dames Kroon, vol blijden moed en met de meest eerlijke beginselen in het hart, gemagnetiseerd werd door het fonkelnieuw, hel opgeschilderde buurwinkeltje, met zijn bijzonder prikkelende kleur- en geurrijke étalage.

„Wat een héérlijke, roode appeltjes”, riep het kleine teere Jetje opgetogen uit. „Ik heb wel geld in mijn portemonneetje, vier centen. Maar we mogen niet meer koopen, hè Eetje? Van onzen lieven Heer niet,” lispelde het kleine slangetje schuchter en verleidelijk… Niet koopen, maar wel borgen flitste plots door mijn brein, en als een ware Eva bezweek ik. Uit instinctmatige vrees, dat ik aan mijn kordate uitspraak zou gaan tornen, sleepte ik Jetje, die ik braaf aan de hand hield, meteen het winkeltje binnen.

– We waren voor de eigenares goede bekenden; we kochten er dikwijls drop voor het kleine verkouden zusje. —

Bevende voerde ik het woord. – De daad toch is eerst de voltrekking van het voornemen. Zij beslist.

„Juffrouw wilt u ons voor vier centen wat borgen? vroeg ik geheel buiten mezelve. Koopen mogen we niet op Zaterdag. Maandagochtend voor den schooltijd zal zus het u komen betalen.”

– Nooit heb ik in mijn later leven scherper accent op twee tegenstellingen gelegd. —

„Zoek maar uit lieve kinderen!”

„Als de Nederlandsche bank”, uitdrukking die ik eerst later begreep, wenkte ze haar vraagblikkenden echtgenoot toe.

Buiten het winkeltje werd ik ontnuchterd. Toen ik nog bovendien tot de ontdekking kwam, dat ik, overstuur door den angst, een gevolg van mijn slecht geweten, het verkeerde lekkers had gekozen, en dat Jetje maar drie in plaats van vier centen in haar portemonneetje had, overviel me een diepe weemoed.

Straks de plechtige inwijding van den Sabbat te vieren, Vaders zegen en Moeders hartelijken kus te ontvangen, met een schuldig geweten, – dat was voor mij niet te dragen. Op een drafje holde ik naar huis en nauwelijks binnengekomen, bekende ik Moeder mijn stoutmoedige, stoute daad.

„Je krijgt den cent niet, die je tekort hebt, een agent komt je straks halen”, plaagde de een. „Van borgen komt stelen”, vernielde een andere paedagoog me. Als een gevallen menschje stond ik benepen in een hoekje van de kamer te snikken.

Een moeder kan haar kind niet lang in zulke droevige omstandigheden laten. – Bovendien zag mijn verstandige, flinke Moeder dadelijk in, dat ze te wijs met me had geredeneerd dezen keer. Dat leidt onvermijdelijk tot verkeerde gevolgtrekkingen bij het kleine kind. Het is niet vatbaar voor een diepzinnige beschouwing van de zedenwet of voor welke beschouwing ook.

„Je moogt nooit meer iets koopen zonder het onmiddellijk te betalen, anders krijg je geen geld meer om er zelf over te beschikken. Wees nu maar weer vroolijk. Aaltje zal het Maandagmorgen wel betalen. Wat borgen is kunt je eigenlijk eerst goed begrijpen, wanneer je grooter bent.”

Dat had mijn lieve Moeder eerder moeten hebben ingezien.

XXIII DE GEVOELENS VAN HET KIND *

Ik had een eigen kastje gekregen. Wel heel caduc en leelijk maar… met dat zalige sleuteltje kon ik ieder beletten in mijn heiligdom te komen.

Natuurlijk niet Ma, Pa en Aal! Nu ja, die deden toch altijd alles, wat lief en goed voor ons was. Zij zouden geen misbruik maken. – Wanneer een kind aldus voelt, is de opvoeder „oppermachtig” in zijn rijk.

Ik had nu rechten, onbetwistbare rechten… als ik het sleuteltje maar op zak hield.

In Januari leerde ik op school haken. Ik kende 't gauw en kreeg opeens den inval, voor Moeder van eenvoudige sterren een sprei te maken, als St. – Nicolaascadeau. Dat wil wat zeggen voor 'n klein zevenjarig meisje.

„Daar ben je nog te jong voor,” zei de handwerkjuffrouw na mijn gewichtige mededeeling. „Hoe zul je aan al die katoen komen?”

„Van ons kindermeisje.”

„En waar zul je werken om de sprei klaar te krijgen, zonder dat Ma het merkt?”

„Op Aal's kamertje, Aaltje wil ons altijd helpen.”

„Je kunt in elk geval beginnen.”

Einde Augustus had ik van de zestig sterren dertien aan elkaâr. Een ongeluksgetal.

„Zóó zul je er niet komen”, spoorde de juffrouw aan, die het toch wel een aardig succes zou vinden.

En nu eerst werd ik met een ongelooflijken ijver bezield. Ik haakte vóór schooltijd, in het tusschenuur, na schooltijd. Zelfs op mijn wandelingen langs stille wegen. Het stapeltje in mijn kast verborgen beloofde steeds meer den goeden uitslag.

Einde October moesten er nog dertig klaar gestoomd worden. Daar zag ik geen kans toe. En ik liet me bepraten door Aaltje. Zij zou medehelpen. „Zelfs wanneer het uit zou komen, dan zou Ma het nog vlijtig vinden en heel blij zijn met zulk een verrassing.” Wat beteekent nu vijftien sterren op de zestig? De sprei kon best vijf en veertig sterren groot zijn. Ik stond toe, dat het kindermeisje er vijftien met een gedeelte van den kant voor hare rekening nam. Ze kreeg mijn sleuteltje.

De avond van St. Nicolaas kwam.

Het verging me als Blauwbaard's vrouw.

Moeder was aangedaan, verrast, ze kuste me hartelijk, toen juist het keukenmeisje – dat wegens brutaliteit tegen haar zin was opgezegd – met een pakje binnenkwam.

Onze intimiteit met het andere meisje ziende, ontbrandde ze in jaloezie en stootte eensklaps venijnig uit: „Kind laat je maar niets wijs maken; je Ma heeft de sterren en den kant zelf gehaakt!” En… Moeder moest bekennen, dat het meisje waarheid had gesproken.

Ik was verslagen, en kon dien avond niet meer vroolijk worden. Ma vermocht me niet te troosten. Een ondraaglijke desillusie, die lang nawerkte.

Toch heeft Moeder hier terecht kunnen aanvoeren, dat ze onwaar was geweest uit hartelijke liefde en goedheid voor haar kind. Het was niet te verwachten dat het dienstmeisje zich op deze wijze zou wreken. Aaltje had den tijd niet de ontbrekende sterren af te maken. Moeder begreep, welk een teleurstelling het voor me zijn zou, haar die groote verrassing, waarvoor ik zoo lang geijverd had, niet te kunnen bereiden. Ze had reeds den tweeden dag bemerkt, dat ik met de sprei bezig was. Voor moeder, die haar kinderen zoo goed waarnam, kón het geheim niet verborgen blijven. Overtuigd zijnde, dat het toch nooit zou uitkomen, vond ze het dus niet bezwaarlijk, het restje voor Aaltje te werken.

We moeten het met de kinderlijke gevoelens heel nauw nemen. Ze zijn heilig, als de onze. We mogen nimmer onwaar tegen kinderen zijn, al is het nog zoo goed bedoeld. Alles komt uit, vaak onverhoeds. Het geloof in den opvoeder kan hevig geschokt worden. En het gevoelige kind daar zeer onder lijden.

XXIV DE RECHTEN VAN HET KIND *

„Dus je wilt het wel voor me doen? Ik zal het heerlijk vinden. Het geeft me rust tijdens de reis, te weten, dat je voor hem zorgt. O, hij is heelemaal niet lastig. Maar „het kind” te begrijpen is voor een ander dan de Moeder zoo moeilijk. 's Morgens bijv. laat hij me na half zes niet één oogenblik meer slapen, tot hij om zeven uur door het meisje weggehaald wordt. Het mooiste speelgoed kan hem niet bekoren. Hij eischt me geheel. Dat is zijn recht.”

„Oho Mevrouwtje!”

„Kukelekuku!.. Kukelekuku!.. Ik is het haantje van de buren!.. Kukelekuku!.. Ku-ke-le-ku-ku!.. Kukelekuuuuuuu… Kukelekuuuuuuuw!..”

Als gehypnotiseerd lag ik tegenover hem.

Bob bracht nu zijn ééne beentje over den dicht geknipten neerslag van zijn ledikant, hield zich met de mollige knuistjes om den rand stevig vast en hoonde „…Kijk us, ik klim… ik gao faole… Je moet toch op me passe… Eetje…”

Niet één willekeurige spier van mijn lichaam bewoog zich. Behalve één oog lichtelijk om hem te kunnen volgen. Ik overtrof me zelf bij dien leuken snuiter.

„Plots” ligt hij op de mollige vacht. Onder hevig angstgeschrei had hij zich voorzichtig laten afglijden en kermde nu of hij zoowat al zijn ledematen had gebroken.

„En werd u niet boos?”

„Boos? Welneen. Hij was in zijn recht, juist! Want ik moest hem toch eerst leeren, dat wij, die ons met veel opoffering en liefde aan onze kinderen wijden, ook het recht hebben op de noodige rust, zonder welke we trouwens onze taak bij hen niet behoorlijk kunnen vervullen. Ook, dat in het leven zijn recht eens niet geteld zou kunnen noch moeten worden, waar de meer belangrijke rechten van anderen in het spel waren.”

Na zich een poosje vergeefs vermoeid te hebben, nam hij een stoel, klom zeer behoedzaam in zijn bedje en ging liggen uitrusten van zijn krijgsverrichtingen.

Allerlei verschillende geluiden, als van den spoortrein, de auto, de stoomboot, de vliegmachine, liet hij verder van tijd tot tijd met grooter tusschenpoozen en al mindere krachtsverheffing hooren.

Om zes uur genoot Bob den gezonden slaap, waaraan hij tot zeven uur nog behoefte scheen te hebben. Den volgenden morgen probeerde hij het nog met verschillende korte dialogen, als: „Ik ben zoet, jij Eetje is een slaapmuts.”

De latere dagen merkende, dat mijn standvastigheid grooter was dan zijn hardleerschheid, bleef hij doorslapen of rustig liggen tot het appèl.

Het was na drie weken een teeder afscheid tusschen den driejarigen Bob en mij. Daarom beloofde ik, als Moeder 's morgens vroeg tevreden over hem was, ik hem nog eenige malen Zaterdagmorgen om twaalf uur van de fröbelschool zou komen halen en dat hij dan tot Maandagochtend bij mij mocht logeeren.

Moeder verklaarde me dankbaar, dat ze nog nimmer een zóó afdoend succes met eene of andere behandeling bij hare kinderen had ondervonden.

XXV MUZIEK LEEREN *

Keesje wil graag leeren pianospelen. Als kindje van anderhalf jaar luisterde hij reeds met gespannen aandacht naar de liedjes, die ik voor hem zong en speelde. En, hij houdt veel van mij, zijn muziekonderwijzeres, want al kan hij mij niet als zijn suikertante waardeeren, toch wel als zijn suikertjestante, daar ik gewoonlijk de feesten, als, zijn verjaardag, St. Nicolaas, vacantiepretjes onder mijn presidium heb.

Mijn taak lijkt gemakkelijk.

Keesje wil graag leeren pianospelen. Maar kan de stakkerd het helpen, dat Moeder genoodzaakt is, de piano, zoover mogelijk verwijderd van Vaders kantoor, te plaatsen, juist aan de zijde van zijn paradijs?

Zijn paradijs! Een zeldzaam groote stadstuin, waarvan het voorgedeelte door de volle zon beschenen, den aanblik levert eener keur van bloemen en planten. Daarin een afgescheiden tuintje voor Keesje. Het einde van de laan, zoo mag ik waarlijk den langen tuin noemen, een lommerrijk plekje onder de eeuwenoude kastanje-, eike- en vruchtboomen. En last not least … het duivenpaleis, dat een woning biedt aan verschillende soorten, wel dertig. Dààr is voor Keesje het „al”. Ieder der beestjes, heeft naar aard en uiterlijk een naam van hem gekregen. Hij laat ze in zijn fantasie heel wat beleven. Geestdriftige verhalen krijg ik steeds te hooren over zijn uitverkorenen.

Maar Keesje wil graag leeren pianospelen. En daar gaat het dan toch maar, vol moed. Eéne, tweéë, driéë, éene, tweéë, driéë, dat al gauw in een lijzig, verveeld accent overslaat. Eìne, twèie, drèie, èìne, twèie, drèie…

Plots wordt mijn hals half omgedraaid, onder den uitroep: „kijk us, tàntetje, grijs doffertje is alleen uitgevlogen!”

„Gedeelde vreugde is dubbele vreugde”. Ik heb Doffertjes behouden Heimkehr medegenoten.

Langzaam, hem vriendelijk toelachend, draai ik mijn Keesje, door middel van de pianokruk weêr op zijn plaats.

Na een diepen zucht voor het doffertje en een hartelijken kus aan mij, hoor ik weêr gauw „Eéne, tweéë, driéë, éene, tweéë, driéë…”

„Leelijk beest!” „Fort!” „Weg!” Rood van opwinding en met gebalde vuistjes is Keesje naar het andere venster gestormd, toen hij het schrikbarende tumult hoorde. Aan zijn kant had ik reeds geprobeerd het gordijn neer te laten. Verbeeldt u toch, daar staat buurpoes met gekromden rug uit alle macht te blazen, tegen de angstig kirrende jongen, die door hare moeder in de til waren achtergelaten. Buurmans waakhond versterkt het orkest.

Ik stel Keesje gerust, door hem er aan te herinneren, dat de til zoo geplaatst is, dat de duifjes onmogelijk door een hond of een poes te bereiken zijn.

Nog grimmende onder den indruk van zijn pas ondervonden woede, laat het kind toe, dat ik hem, met mijn arm om zijn lijfje geslagen, op de kruk terugbreng.

Meteen zeg ik bij ingeving: „Nu benoem ik jou tot hoofdofficier”. Gauw hebben we de vingers naar mindere grootte, in afdalende rangen ingedeeld. Het wordt nu voor Keesje een eerezaak, dat niemand deserteert of zelfs uit den pas gaat. Binnen korten tijd hebben de vingertjes onder zijn, door mij beïnvloed commando, de verplichte houding aangenomen. En na eenige weken speelt Keesje „die Wacht am Rhein” – stukje uit een Liederkrans voor pasbeginnenden – zonder fout, met alleraardigste voordracht, uit het hoofd. Door het voortdurend inspecteeren van zijn troep, gingen de oogen maar steeds van het blad op de vingertjes. Zoo oefende hij zich in 't van het blad lezen, en uit het hoofd spelen.

De lessen werden voor Keesje een verheugenis. Kort daarop haalde ik hem van een partijtje bij een zijner vriendjes. „Wat speelde Keesje vanmiddag kranig het Duitsche volkslied. Zoo heelemaal zonder fout uit het hoofd!” De gastvrouw kwam me reeds in de gang tegemoet om haar opgetogenheid te uiten.

„Dat moet u Jan ook eens trachten te leeren. Hij is vandaag zeven jaar geworden en wil nu ook graag beginnen met muziekles te nemen.” Ik beloofde het de Moeder. Ik kon dat met goed vertrouwen doen.

Kees is een concertliefhebber.

Ik heb uit den aard der zaak van niet vele leerlingen „een pianist(e)” kunnen maken. Maar ik heb ze toch alle, behalve een paar abnormale uitzonderingen, muzikaal ontwikkeld. Dat is de opvoeder(ster) verplicht tegenover zijn (haar) pupil, om te voorkomen, dat deze, ouder geworden zijnde, een levensgenot zou missen, een tijdpasseering, die hem voor geestelijke en moreele afdwalingen zal kunnen behoeden.

Bij het onderricht geven is het noodig, dat men bij het kind belangstelling wekt voor de onvermijdelijke, vaak eentonige oefeningen. En daartoe is hèt middel, gebeurtenissen aanknoopen aan hunne persoonlijke waarnemingen en idealen.

XXVI IETS MOETEN DOEN EN IETS WILLEN DOEN *

Kleine Milly liet zich van aanleg als bijzonder zacht en volgzaam kennen. Plotseling, ze is nu twee en een half jaar, uit zich haar eerste ernstig verzet.

Milly wil 's morgens niet meer slapen gaan. Moeder geeft voorloopig toe. Telkens blijkt weer, dat het kind wel degelijk behoefte heeft aan een ochtenddutje. Wanneer ze 's middags met haar op de wandeling even stilstaat voor een winkel, dommelt de kleine vaak onverwachts in. Maar is er 's morgens sprake van het bedje, dan windt Milly zich zóó op, dat het geheele gezin er bij te pas komt en daarna is aan slapen geen denken meer. Moeder begint er de laatste dagen niet over, want het kind raakt er door van streek en is den geheelen dag voor niemand en niets meer toegankelijk. Op mijn raad wil ze toch nog maar eens een poging wagen en ik laat Milly's tegenstribbelingen eenige dagen onbemerkt langs me gaan. Den derden morgen stel ik de hummel voor, samen „huisje” te gaan spelen, in de groote kamer, waar bij dag haar ledikantje gezet wordt. Deze kamer is rustig gelegen. We halen zoowat haar geheelen speelinboedel voor den dag en het vrije gedeelte van den vloer wordt als huis ingedeeld. Een keurig salonameublementje is dadelijk in het centrum smaakvol gearrangeerd. Poppenbadje krijgt zijn plaats in de gefingeerde badkamer, waar geen onderdeel, al is het maar van papier geknutseld, gemist wordt. Een comfortabel ingerichte slaapkamer mag toch in geen enkele woning ontbreken, zou ik meenen. De aanwezige Indische stoel gauw maar tot mijn, respectievelijk Moeders bed gemetamorphoseerd en we hebben Milly's ledikantje vooral ook niet vergeten. Wat een werken en zorgen! Hè… We zuchten er beiden van. Alleen al de dagelijksche beurt, die Mina gewoon is te geven, heeft zooveel in. Kan het anders dan dat we moe worden, heel moe. Pseudomoedertje wel zóó erg, dat ze om half elf reeds naar bed verlangt. Nu wil het kleine „aapje” ook zoo graag gaan slapen. Zonder te mopperen, laat ze zich uitkleeden en in haar eigen bedje leggen. Ik haast me op de sofa. Ze koekeloert nog een poosje door de spijltjes naar me en valt in een rustigen slaap, waaruit ze na anderhalf uur wakker wordt, verkwikt voor den geheelen dag. Al korter duurt de volgende dagen mijn medespelen. Ten slotte voert Milly de komedie op haar eigen houtje op en gaat nog maanden daarna, op tijd, vol animo haar nuttig slaapje „spelen”.

Iets „moeten” doen en iets „willen” doen, kan dezelfde bezigheid tot een hel en een hemel maken. Zeker voor het kleine kind, dat nog geen plichtsbesef kent, de voor- of nadeelen van een handeling niet weet te overwegen en dat slechts rekening houdt met de lust- en onlustgevoelens, die door een of andere opdracht gewekt worden. De taak, die ons redelijk en gewoon toeschijnt, kan voor het kind soms onoverkomelijk zijn. Onze waardebepaling staat vaak lijnrecht tegenover elkaâr.

Wanneer we bij het normale kind een plotseling ernstig verzet, door verzet trachten te breken, bereiken we het tegendeel. We verbitteren onzen kleinen opstandeling, hij voelt zich miskend, onrechtvaardig behandeld en stelt zijn slechtst humeur er tegenover. Laten we hem, door geduld en liefde leeren de opgegeven taak te willen volvoeren. Met een beetje tact lukt het elke opvoeder(ster). Bij het abnormale absoluut onhandelbare kind, rest ons helaas vaak niet anders, dan het verzet, door het verzet te compenseeren. Doch ook bij hen slechts, mogen we daartoe overgaan, nadat we alle zachtere middelen vergeefs hebben beproefd. Deze gevallen zijn gelukkig „de uitzonderingen” voor mijn overweging.

Naschrift. Dit is een staaltje van de paedagogiek van „met een zoet lijntje”, onderdeel der omkoopings-paedagogiek, die ik voor mij – in het algemeen gesproken – voor een gevaarlijk falsifikaat houd.

XXVII DE KUNST VAN BEVELEN *

Mevr. X. deelde eenige dagen mijn kamer in plaats van twee kleine nichtjes van acht en tien jaar.

„Hoe is het mogelijk!” riep ze verbaasd uit, toen we 's avonds van een concert thuiskwamen.

Er lag op mijn nachtkastje van ieder kind een briefje, met een trouw verslag van hun doen en laten dien avond. Ze hadden er zelfs een stukje van haar avondlekkers ingerold. Die billets-doux deponeerden de kinderen vaker, ofschoon ik ze daar nooit om gevraagd had. Ik copieer het briefje van de kleinste:

„Lieve Tant! Om zeven uur mijn lesje gekend. Tot half acht met Mies geknikkerd. Bij Truitje in het kuiltje van de keuken. Even krijgertje gespeeld in de gang. Niet met Truitje. Uitgegleden. Knie een pukkebeetje geschaafd. Geeneens gehuild. Acht uur in bed. Hartelijk gekust. Melk opgedronken! Nan.”

Hoe besefte dit kind warm, waarmede ze me voldoen kon. Eerst het werk maken, daarna spelen, flink zijn bij een kleinen tegenslag, op tijd naar bed gaan, kortom haar plicht. Haar gehoorzaamheid kwam voort uit eigen energie, uit innerlijke kracht.

„Hoe is het mogelijk!”, herhaalde Mevr. X. nog steeds.

„Zou ik dat mijn kinderen eens kunnen leeren!”

„Ik heb in mijn aanwezigheid al zooveel moeite om ze tot hun plicht te dwingen. Wanneer ik uit wil gaan, moet ik zorgen, dat het schoolwerk voor dien tijd in orde is. Ik reken er dan maar op, dat niet één van de kinderen op tijd naar bed gaat, dat… ja eigenlijk, zoowat alles in het honderd loopt.”

Ik, die Mevr. X. in den omgang met haar kinderen kende, zou niet anders verwacht hebben. Ze was een goedhartige, doch wilszwakke persoonlijkheid. Ze wist niet te bevelen. Ze miste den sterken wil voor het onmerkbare inwerken op hare omgeving. Ze had dien wil ook nimmer geoefend, als verwend, eenig kind. Haar optreden was niet in staat de vrijwillige gehoorzaamheid van de kinderen te wekken. Ze bracht nu vaak uit onmacht „den dril” in praktijk, waarbij het innerlijke van den opvoedeling niets wint. Ze soebatte, commandeerde, dreigde, strafte. Het laatste zelden, maar meest onredelijk. Wanneer ze „au bout de son latin” kwam, ze door haar onmacht het meest noodige voor het kind, niet wist gedaan te krijgen. Dan was ze door de opgewondenheid, te hard en onredelijk, waarom de kinderen, met hun aangeboren zin voor rechtvaardigheid, haar minder liefhadden. In hare aanwezigheid kreeg ze daarmede wel wat gedaan, maar dra was de folterstoel veilig achter slot, of alles vloog uit den band.

Ze verlangde, dat ik haar leerde, hare kinderen even ver te brengen als de onze, die ons liefhadden, vertrouwden, die voelden, dat hun geluk, ons geluk was. Dat mijn ziel en hart in hun opging. Wat bij Moeder X. werkelijk evenzeer het geval was.

Ik raadde haar vóór alles, den wil te sterken. Slechts met een sterken wil kan men anderen bevelen = inwerken op hun wil.

Ze zou zelf 's middags stipt op tijd thuiskomen van de wandeling, geen voorgenomen werk noodeloos uitstellen, op tijd opstaan, in alles ongeëvenaarde stiptheid betrachten. Nimmer schreeuwen of heftig worden. Haar opdracht slechts éénmaal geven en kalm. Daarvoor heeft het kind respect. Het was voor haar een zeer moeielijke raad om op te volgen. Ik werd nog dikwijls geroepen om bij te springen. Maar mocht tot mijn groote voldoening al weer gauw constateeren: „Waar een wil is, is een weg.”

Yaş sınırı:
12+
Litres'teki yayın tarihi:
25 haziran 2017
Hacim:
110 s. 1 illüstrasyon
Telif hakkı:
Public Domain