Читайте только на Литрес

Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.

Kitabı oku: «Het tweevoudig verbond contra de drievoudige Entente», sayfa 2

Yazı tipi:

Het achterhouden door Duitschland en Oostenrijk van voor de beoordeeling der zaak zeer belangrijke, zoo niet onmisbare stukken

Een dusdanig hof zou zich in zijn oordeel niet alleen laten leiden door wat uit de overgelegde schrifturen blijkt, maar evenzeer door het opmerkelijk achterhouden van stukken, waarvan het bestaan bewezen en de overlegging technisch mogelijk is.

Het officieel bewijsmateriaal door Engeland en Rusland ter tafel gebracht, geeft geen aanleiding te betwijfelen, of alle stukken, ter zake dienende en in heur bezit, inderdaad door deze twee werden overgelegd; het Duitsche Wit-boek daarentegen bewijst indirectelijk het bestaan van bescheiden van het grootste gewicht voor de beoordeeling der zaak, zonder dat deze bescheiden door haar in het geding werden gebracht, terwijl Oostenrijk tot dusver in verzuim is gebleven, éénig document in haar bezit voor de vervollediging van het bewijsmateriaal bij te brengen.

Wij vernemen uit het Duitsche Wit-boek – en ook zonder dat zouden wij het recht hebben voor onszelven de gevolgtrekking te maken – dat tusschen Duitschland en Oostenrijk ter zake een aantal hoogst belangrijke depêches werden gewisseld, terwijl het verder evenzeer voor de hand ligt, dat correspondentie van gelijken aard tusschen deze beide Staten en Italië plaats vond. Italië is inderdaad, hoe moeilijk het haar ook onder de omstandigheden moge vallen, aan de wereld verplicht, alle bewijsmateriaal, waarover zij te beschikken heeft, over te leggen. Het voordeel van zulk een open kaart spelen komt sterk uit in het licht van haar wel-overlegde gevolgtrekking, dat de oorlog, door haar beide bondgenooten begonnen, een aanvallend karakter draagt; zij was dientengevolge van alle verplichting tegenover het Drievoudig Verbond ontslagen. Men lette wel: het feit dat belangrijke mededeelingen tusschen Berlijn en Weenen werden gewisseld, waarvan ons, publiek, de kennisname opzettelijk werd onthouden, berust niet op een los praatje. Duitschland beweert en voert als verdediging van haar gedragslijn aan, dat zij haar best deed, Oostenrijk tot verzoeningsgezindheid te bewegen, maar, afgescheiden van het feit, dat dusdanige pogingen blijkbaar niet de minste uitwerking hadden, houdt men de briefwisseling waaruit van deze vrede-ademende bemoeiingen zou blijken, zorgvuldig achter in de geheime archieven van Berlijn en Weenen.

Wij lezen in Duitschland's officieel verweer, dat zij, in weerwil van Oostenrijk's weigering om Sir Edward Grey's voorstel om Servië's antwoord op het ultimatum als een grondslag voor verdere onderhandelingen te aanvaarden,

“voortging haar uiterste best te doen om Weenen te bewegen tot eenige schikking te komen, zoolang deze niet in strijd zoude zijn met de waardigheid der Monarchie.”3

Deze mededeeling zou gereeder geloof vinden, zoo het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken, dat immers niet aarzelde, andere diplomatieke bescheiden over te leggen, ons den tekst gaf van dezen raad, door haar aan Weenen gegeven.

Dezelfde “boekdeelen sprekende” achterhouding treft ons, waar hetzelfde verweer mededeelt, dat de Duitsche Regeering Oostenrijk aanraadt: “met Mr. Sazonof in onderhandeling te treden.” Maar ook hier zoekt men tevergeefs naar den tekst dezer aansporing onder de stukken door het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken geopenbaard. De correspondentie ter zake tusschen dat departement en de Duitsche Gezanten te St. Petersburg, Parijs en Londen gewisseld, is in extenso gegeven, maar onder de zeven-en-twintig documenten, als bijlagen gevoegd bij het officieel Duitsch verweer, zoekt men, opmerkelijkerwijze, te vergeefs naar een enkele depêche van de vele in die dagen van Berlijn naar Weenen gezonden en vindt er slechts één, die van Weenen aan Berlijn werd gericht.

Kan zulk eene houding toevallig zijn? Duitschland legt het er blijkbaar op aan, den tekst van hare gedachtenwisseling met Weenen voor zich te houden, al doet zij het voorkomen, dat zij den inhoud van een depêche of wat getrouwelijk weergeeft.

Zoolang Duitschland onwillig blijkt, de belangrijkste stukken in haar bezit wereldkundig te maken, kan het geene verbazing wekken, indien de wereld, gedachtig aan Bismarck's berucht geknoei met het Emser-telegram, waardoor de Fransch-Duitsche oorlog onvermijdelijk werd, zich sceptisch betoont ten aanzien van de beweerde pogingen door haar in het belang van de handhaving van den wereldvrede aangewend.

Oostenrijks Houding tegenover Servië

Het zou ons buiten het bestek dezer uitsluitend op schriftelijk bewijs rustende procedure voeren, zoo wij hier in een onderzoek traden naar de rechtmatigheid van Oostenrijks grieven ten opzichte van Servië. Wij wenschen ons niet te begeven op het gebied van feiten, die niet vaststaan en.. wij willen niet te wijdloopig worden.

Laat ons, ter bevordering van een doelmatig betoog, onderstellen, dat ons denkbeeldig hof zijne onderzoekingen aanvangt met voorop te stellen, dat Oostenrijk eene rechtmatige grieve tegen Servië had en dat de moord op den Aartshertog op 28 Juni 1914 gepleegd – inderdaad door Oostenrijksche onderdanen in sympathie met Servië op Oostenrijksch grondgebied begaan – beraamd en aangemoedigd werd in kringen, zwanger van politieke beroering, waarvoor het Servisch Gouvernement of althans politieke organisaties in Servië konden geacht worden verantwoordelijk te zijn.

De quaestie zoo gesteld, zou dan niet op het al of niet hebben van een rechtmatige grief jegens Servië neerkomen, maar op dit: handelde Oostenrijk, in hare pogingen om zich genoegdoening voor het haar door Servië aangedaan onrecht te verschaffen, in overeenkomst met de verplichtingen die zij zoo goed als elke andere natie jegens de groote maatschappij der menschheid heeft? Kwam zij deze verplichtingen na of bekommerde zij er zich niet om?

De Geheimzinnigheid waarmee het Tweevoudig Verbond te werk ging

Op 28 Juni 1914 werd de Oostenrijksche troonopvolger te Sarajevo vermoord. Voor bijna een heele maand onthield Oostenrijk zich van eenige actie en van hare bedoelingen bleek, in het openbaar althans, niets. De wereld was over het geval diep ontroerd en sympathiseerde in het bijzonder met Oostenrijk's grijzen bestierder, van wien men kon zeggen, dat hij als Koning Lear, “in smart en jaren rijk door beide ellendig” was.4 De Servische Regeering had elk aandeel in den misdaad ver van zich geworpen en zich bereid verklaard, elk harer onderdanen, die er in betrokken zou blijken, te straffen. Van tijd tot tijd, van 28 Juni tot 23 Juli, werd der wereld, middels half-officieele berichten in de bladen, kond gedaan, dat Oostenrijk zich voorstelde, de zaak met groot zelfbedwang en op vreedzame wijze te behandelen. Nergens werd er zelfs maar gezinspeeld op de mogelijkheid, dat Duitschland en Oostenrijk het plan koesterden, in een tijd van volslagen vrede een lucifer te houden bij het kruitmagazijn van Europa's gewapenden vrede.

Dit blijkt afdoende uit den eersten brief in het Engelsche Wit-Boek en door Sir Edward Grey aan Sir Henry Rumbold gericht. Die brief is van 20 Juli 1914 en een van de belangrijkste documenten in het geheele dossier. Op het oogenblik, dat hij geschreven werd, was Oostenrijk's onhebbelijk en onredelijk Ultimatum reeds geconcipieerd en van hoogerhand in Weenen – en mogelijk ook in Berlijn – goedgekeurd. Maar Sir Edward Grey, de Minister van Buitenlandsche Zaken van eene bevriende en Groote Mogendheid, had er zoo weinig “ahnung” van, dat hij:

“den Duitschen Gezant heden (20 Juli) vroeg, of hij eenig bericht had van wat er omging in Weenen met betrekking tot Servië. Hij antwoordde ontkennend, maar het was zeker, dat Oostenrijk op het punt stond den eenen of anderen stap te doen.”5

Sir Edward Grey voegt hieraan toe, dat hij den Duitschen Gezant mededeelde, dat hij vernomen had, dat Graaf Berchtold, de Oostenrijksche Minister van Buitenlandsche Zaken,

“in een gesprek met den Italiaanschen Ambassadeur te Weenen, ontkend had, dat de toestand ernstig zou zijn en verklaard had, dat alles in orde zou komen.”

De Duitsche Gezant gaf daarna als zijn gevoelen te kennen, “dat het zeer wenschelijk zou zijn, dat Rusland als bemiddelaar in de Servische kwestie kon optreden,” in dier voege, dat het voorstel, dat Rusland de rol van vredestichter zou spelen van hem, den Duitschen Gezant te Londen, uitging. Sir Edward deelt dan mede, dat hij den Duitschen Gezant vertelde,

“dat ik veronderstelde, dat de Oostenrijksche Regeering niets zou doen, vóórdat zij eerst haar grieven tegen Servië, die vermoedelijk gegrond waren op hetgeen bij het gerechtelijk onderzoek aan het licht was gekomen, in het openbaar had blootgelegd,”

eene veronderstelling waarmede de Duitsche Gezant verklaarde zich te vereenigen. Een van twee – òf de Duitsche Gezant was destijds bezig Sir Edward Grey een rad vóór de oogen te draaien, van het standpunt uitgaande, dat het tot de functiën van een Ambassadeur behoort, voor zijn land te liegen, òf de donderslag uit een, op het oog, klaren hemel was met zulk eene listige geheimzinnigheid voorbereid, dat zelfs de Duitsche Gezant bij het Hof van St. James zorgvuldig buiten de zaak werd gehouden.

De Engelsche Gezant te Weenen rapporteert aan zijn chef, Sir Edward Grey:

“De overhandiging te Belgrado van het Oostenrijksch Ultimatum aan Servië op 23 Juli werd van eene periode van volslagen stilzwijgen van de zijde van de Ballplatz voorafgegaan.”

Hij deelt verder mede, dat met uitzondering van den Duitschen Gezant te Weenen – men lette op de beteekenis van deze uitzondering! – geen enkel lid van het Corps Diplomatique iets van het Oostenrijksche Ultimatum afwist en dat de Fransche Gezant, bij een bezoek door Z.E. op 23 Juli aan het Oostenrijksche Ministerie van Buitenlandsche Zaken gebracht, niet alleen onkundig was gelaten van het feit, dat het was afgezonden, maar dat men hem onder den indruk liet, dat het gematigd van toon zou zijn. Zelfs de Italiaansche Gezant werd niet door Graaf Berchtold in het vertrouwen genomen!6

Was Duitschland van te voren met het Ultimatum bekend en had zij de hand in de opstelling?

Wij komen nu vanzelf tot de belanghebbende en gewichtige vraag, of Duitschland bekend was en van te voren meeging met Oostenrijk's Ultimatum aan Servië. Is het antwoord bevestigend, dan speelde zij ongetwijfeld een zeer dubbelzinnige rol, want de Duitsche Gezant te St. Petersburg verzekerde den Russischen Minister van Buitenlandsche Zaken nadrukkelijk,

“De Duitsche Regeering heeft geen kennis gedragen van den tekst van de Oostenrijksche nota, vóórdat zij overhandigd is en heeft geenerlei invloed op den inhoud ervan geoefend. Ten onrechte schrijft men aan Duitschland een dreigende houding toe.”7

Deze verklaring is op zichzelve onaannemelijk. Oostenrijk was de zwakste der twee Bondgenooten en het was Duitschland's sabel, die zij tegen Europa zwaaide. Het spreekt als een boek, dat Oostenrijk de zaken niet tot het uiterste kon laten gaan – zaken, let wel, waarbij het om den oorlog met Rusland ging! – zonder vooraf van Duitschland's steun verzekerd te zijn; het is meer dan waarschijnlijk, het is eene moreele zekerheid, dat zij haarzelf en Duitschland niet aan de gevaren van een Europeeschen oorlog zou hebben blootgesteld, zonder zich ter zake eerst met haren bondgenoot te verstaan.

Wij hebben echter ten overvloede de getuigenis van Sir M. de Bunsen, den Engelschen Gezant te Weenen, die Sir Edward Grey inlichtte, dat hem van onofficieele zijde ter oore was gekomen, dat de Duitsche Gezant (te Weenen) kennis droeg van den tekst van het Oostenrijksch Ultimatum aan Servië vóór het werd afgezonden, dat hij er zijn soeverein, den Duitschen Keizer telegrafisch van verwittigde en dat de Duitsche gezant, met den inhoud volkomen accoord ging.8

Waar hij, de Bunsen, zelf zegt, buiten staat te zijn, deze inlichting waar te maken, schijnt zij op zich zelve niet zeer authentiek, maar, raadplegen wij Duitschland's officieel verweer in het Duitsche Wit-Boek, dan lezen wij “dat het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken erkent, dat zij door Oostenrijk vóór de afzending van het Ultimatum werd geraadpleegd en niet alleen de gedragslijn goedkeurde, die zij zich voorstelde te volgen, maar haar uitdrukkelijk ‘carte blanche’ gaf voor wat zij verder wilde doen.”

Dit punt – in hoeverre wij geloof mogen slaan aan Duitschland's goeden trouw en ernstig streven naar eene vredelievende oplossing – is van zóóveel gewicht, dat wij dit gedeelte van Duitschlands verweer hier in zijn geheel weergeven. Na zich over de voorafgaande wrijving tusschen Oostenrijk en Servië te hebben uitgelaten, zegt het Duitsche Wit-Boek:

“Met het oog op deze omstandigheden moest Oostenrijk wel tot de overtuiging geraken, dat het noch met de waardigheid, noch met de veiligheid van de Monarchie was overeen te brengen, langer lijdelijk te blijven toezien, terwijl men zich aan de andere zijde zoozeer toerustte. De Oostenrijksch-Hongaarsche Regeering wees ons op dezen toestand en vroeg ons, wat wij er van dachten. Wij konden onzen bondgenoot slechts verklaren, dat wij met zijne inzichten in de zaak van ganscher harte meegingen en hem verzekeren dat, tot welke maatregelen hij ook mocht besluiten om aan de beweging in Servië tegen het bestaan van de Oostenrijksch-Hongaarsche Monarchie gericht, paal en perk te stellen, hij op onze instemming zou kunnen rekenen. Wij zagen zeer wel in, dat een eventueel gewapend optreden van Oostenrijk-Hongarije tegen Servië voor Rusland aanleiding zou zijn om zich in de zaak te mengen en dat wij dan, overeenkomstig onze verplichtingen van bondgenoot, in een oorlog zouden kunnen worden gewikkeld.”

Sir M. de Bunsen's geloofwaardig getuigenis wordt voorts bevestigd door het feit, dat de Engelsche Gezant te Berlijn in zijn brief van den 22sten Juli aan Sir Edward Grey melding maakt van het feit, dat hij den avond te voren (21 Juli) den Duitschen Staats-Secretaris voor Buitenlandsche Zaken had ontmoet en er toen op een mogelijk optreden van Oostenrijk tegen Servië werd gezinspeeld:

“Zijne Excellentie had blijkbaar verwacht, dat deze stap van Oostenrijk's zijde al eerder zou zijn gedaan. Hij verklaarde met nadruk, dat het hangende geschil tusschen Servië en Oostenrijk alleen moest worden uitgemaakt en dat er geene inmenging van buiten af in de besprekingen tusschen deze twee landen behoorde plaats te hebben.”

Hij voegt hieraan toe, dat terwijl hij het onraadzaam achtte, dat zijne regeering zich ter zake tot Oostenrijk-Hongarije zou wenden, hij echter,

“bij verschillende gelegenheden, in gesprekken met den Servischen Gezant, met klem gewezen (had) op het buitengewoon groote belang eener behoorlijke regeling van de betrekkingen tusschen Oostenrijk en Servië.”9

Hier hebben wij de eerste mededeeling nopens het standpunt door Duitschland in deze aangelegenheid ingenomen, een standpunt dat, blijkens wat volgde, totaal onhoudbaar was, schoon Duitschland tot het allerlaatst er hardnekkig aan bleef hechten, en dat niet weinig tot het uitbreken van den oorlog bijdroeg. Zonder één oogenblik rekening te houden met de nauwe betrekking waarin alle beschaafde natiën tot elkaar staan, het feit totaal negeerend, dat zich uit eeuwen van politiek en diplomatiek verkeer een soort van Europeesch Statenstelsel heeft ontwikkeld – al is er tot dusver nog weinig sprake van een geregelde organisatie – ging Duitschland kalmweg van de opinie uit, dat het Oostenrijk moest vrijstaan Servië te lijf te gaan, zonder dat eenige andere Mogendheid het recht zou hebben, tusschenbeide te komen, ook al zou de vernedering van Servië onvermijdelijk moeten leiden tot de verbreking van het evenwicht in den Balkan en zelfs dat van Europa in gevaar brengen.

3.Duitsch Wit-Boek.
4.Koning Lear in Prof. Burgersdijk's vertaling – Tweede Bedrijf, vierde Tooneel.
5.Engelsch Wit-Boek, No. 1.
6.Depêche van Sir M. de Bunsen aan Sir Edward Grey, de 1 September 1914. Wij onderlijnen.
7.Russisch Oranje-Boek, No. 18.
8.Engelsch Wit-Boek, No. 95.
9.Engelsch Wit-Boek, No. 2.
Yaş sınırı:
12+
Litres'teki yayın tarihi:
05 temmuz 2017
Hacim:
60 s. 1 illüstrasyon
Tercüman:
Telif hakkı:
Public Domain
Metin
Ortalama puan 4,7, 353 oylamaya göre
Ses
Ortalama puan 4,2, 751 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 4,9, 122 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 4,7, 26 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 5, 62 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre