Kitabı oku: «Het tweevoudig verbond contra de drievoudige Entente», sayfa 3
Wij behoeven hier niet lang stil te staan bij het feit, dat, naar de meening van elk redelijk wezen, dit Oostenrijksch Ultimatum tot Servië gericht zich kenmerkt door een groven toon en door onredelijkheid voorzoover de eischen aanging, die het bevat. Men zou inderdaad in de gansche historie moeilijk een meer beleedigend schriftuur kunnen aanwijzen, waarvan het onbillijk karakter nog werd verzwaard door den korten termijn, die Servië en Europa gegeven werd, om er antwoord op te geven of er kennis van te erlangen. Servië had acht-en-veertig uur om te beslissen, of het hare nationale eer zou verzaken door te erkennen – zij het niet in zoovele woorden – dat het medeplichtig was aan een misdrijf, waaraan het reeds had verklaard, geheel onschuldig te zijn. Neemt men in aanmerking, dat het Ultimatum de kanselarijen der andere mogendheden eerst bereikte bijna vier-en-twintig uren, nadat het Servië werd ter hand gesteld, dan kan men nagaan, hoe dezen anderen nauwelijks één dag tijd bleef om te overleggen, wat kon worden gedaan om den vrede van Europa te bewaren, vóór het met dien vrede gedaan zou zijn.10
Verdere bevestiging van het vermoeden, dat het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken voor-kennis had van althans den inhoud van het Ultimatum, is te vinden in het feit, dat op den dag, waarop dit staatsstuk Weenen verliet, de Duitsche Gezanten te Parijs, Londen en St. Petersburg van den Duitschen Rijkskanselier de opdracht ontvingen, de Fransche, Engelsche en Russische Regeering respectievelijk te doen weten,
“dat de maatregelen door de Oostenrijksch-Hongaarsche Regeering genomen en de eischen door haar gesteld, niet anders kunnen worden beschouwd dan als door de omstandigheden gerechtvaardigd.”11
Hoe zou Duitschland de gestelde eischen op dusdanige wijze kunnen steunen, indien de inhoud van het Ultimatum haar niet bekend ware geweest? Het uur waarop deze opdracht werd gegeven, wordt niet genoemd, zoodat niet chronologisch uit te maken is, of deze lastgeving aan het indienen van het Ultimatum te Belgrado, om 6 uur s'avonds, voorafging. Men mag het er echter voor houden, gegeven het feit, dat het Ultimatum de andere hoofdsteden van Europa niet vóór den volgenden dag bereikte – zooals de gevoerde diplomatieke correspondentie genoegzaam aantoont – dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken op 23 Juli haar zeer zorgvuldig gestelde, officieele waarschuwing aan het adres van de andere Mogendheden zou hebben uitgevaardigd, indien zij niet alleen op de hoogte ware geweest van Oostenrijk's plannen om het Ultimatum te zenden, maar ook van den inhoud van dat stuk.
Hoezeer het niet ondenkbaar is, dat Duitschland, bij het geven van “carte blanche” aan Oostenrijk's politiek, opzettelijk vermeed, van den tekst van het Ultimatum kennis te nemen, om dan later te kunnen zeggen, dat het voor de staatkunde van haren bondgenoot niet aansprakelijk was – eene handelwijze die uitteraard het ignobel karakter van het heele gedoe niet zou verminderen – komt het ons toch aannemelijker voor in de gelijktijdige uitvaardiging van Oostenrijk's Ultimatum te Belgrado en Duitschland's waarschuwing aan de andere groote Mogendheden het resultaat te zien van gezamenlijk doel en gemeen overleg. Geen rechtbank, geen jury, die rekening houdt met de gangbare drijfveeren van menschelijk doen en laten; zou naar onze meening één oogenblik tot andere conclusies kunnen geraken.
De mededeeling van het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken zoo juist genoemd, oppert de mogelijkheid, dat Servië “zal weigeren aan de gestelde eischen te voldoen” – waarom, vraagt men zich af, als die eischen zoo rechtvaardig waren! – en Duitschland geeft dan aan Frankrijk, Engeland en Rusland minzaam te kennen, dat indien, tengevolge van zulk eene weigering, Oostenrijk zich genoodzaakt zou zien tot gewapend optreden haar toevlucht te nemen “haar bij de keuze der middelen de vrije hand behoort te worden gelaten.”
Het wordt den Duitschen Gezanten in de drie hoofdsteden goed op het hart gedrukt
“om goed te doen uitkomen, dat voor de beeindiging van het gerezen conflict het alleen geldt eene zaak tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië en eene die de overige Mogendheden wel zullen doen als zich uitsluitend tot de beide betrokken landen beperkend te beschouwen.”
Hieraan wordt nog toegevoegd, dat Duitschland er op uit is,
“het geschil te localiseeren, waar immers de tusschenkomst van eenige andere Mogendheid als een gevolg van de verschillende verplichtingen uit bondgenootschappen voortspruitend, onberekenbare gevolgen zou kunnen na zich sleepen.”
Dit is ongetwijfeld een van de merkwaardigste dokumenten van het heele dossier. Indien Duitschland destijds zoo onkundig van Oostenrijk's politiek en haar Ultimatum geweest ware als haar Londensche Gezant zich betoonde, indien Duitschland destijds niet bezig ware Oostenrijk aan te zetten en te steunen in haar noodlottigen koers, waartoe dan, vragen wij, deze dreigende nota door den Duitschen Kanselier ter kennis van Engeland, Frankrijk en Rusland gebracht, hun aanzeggend, dat het Oostenrijk vrij behoorde te staan zich op Servië te werpen en dat de minste poging om ter wille van de zwakkere natie tusschenbeiden te komen, onberekenbare gevolgen na zich zou kunnen sleepen?12
Een dag of wat later zendt de Rijkskanselier een “vertrouwelijk schrijven” aan de aangesloten Duitsche Rijken, waarin hij de mogelijkheid voorziet, dat Rusland zich verplicht zou kunnen gevoelen, Servië's zijde te kiezen in haar geschil met Oostenrijk-Hongarije. Alweer vragen wij, vanwaar die vrees, als Oostenrijk zoo volkomen in haar recht was?
De Rijkskanselier voegt hieraan toe:
“Mocht Rusland zich genoopt gevoelen voor Servië in de bres te springen, dan kan niemand haar voorzeker het recht hiertoe ontzeggen,”
om er direct op te laten volgen, dat, mocht Rusland zich op die wijze in de zaak mengen, de onschendbaarheid van de Oostenrijksch-Hongaarsche Monarchie op het spel zou staan en Rusland alleen dientengevolge,
“de verantwoordelijkheid zou dragen van het eventueel uitbreken van een Europeeschen oorlog, voortspruitend uit het Oostenrijk-Servisch geschil, dat alle overige Groote Mogendheden wenschen gelocaliseerd te zien.”
In dit merkwaardig vertrouwelijk schrijven wijst de Rijkskanselier nog op het enorm belang dat Duitschland heeft bij de bestraffing van Servië door Oostenrijk. Hij zegt “onze naaste belangen dwingen ons met Oostenrijk-Hongarije gemeene zaak te maken,” waaraan hij dan nog toevoegt, dat
“indien, tegen alle hoop in, het kwaad zich verspreidt, als een gevolg van Rusland's inmenging, dan zullen wij, onzen verplichtingen als bondgenoot getrouw, gedwongen zijn de naburige monarchie te hulp te komen met de geheele macht van het Duitsche Rijk.”13
De Pogingen tot behoud van den Vrede
Tot welke conclusie ons denkbeeldig hof ook moge komen, het zal zeker al bitter weinig waarde hechten aan holle betuigingen van vredelievendheid. Eene natie, zoo goed als een individu, kan een ander bedektelijk aanvallen en haar, onder eene vriendelijke vraag naar den staat van hare gezondheid, onverwachts een mes tusschen de ribben steken. Ook de vrede der beschaving kan door een Judaskus worden verbroken. Betuigingen van vredelievendheid behooren nu eenmaal tot het gelieg der diplomaten en werden vaak door de meest oorlogszuchtige volken uitgegalmd.
Geen oorlog werd in moderne tijden aangevangen, zonder dat de aanvaller het deed voorkomen, of zijn land met de meest vredelievende bedoelingen bezield was en nooit ontbreekt het aan de aanroeping van het Opperwezen om zegen over het moordwerk af te smeeken. Om de woorden van Lady Teazle in de bekende scène waarin Joseph Surface den mond vol heeft van eer, te varieeren: men zou wèl doen in aangelegenheden van dezen aard den naam van den Allerhoogste niet in de zaak te betrekken!
Laat ons thans het reeds verzameld materiaal van meer nabij beschouwen; ter wille der duidelijkheid is het misschien niet kwaad, de gebeurtenissen die aan den oorlog onmiddellijk voorafgingen, naar tijdorde te resumeeren.
Onmiddellijk na ontvangst van een afschrift van het ultimatum aan Servië, dat St. Petersburg op den 24sten Juli bereikte, gaf de Russische Minister van Buitenlandsche Zaken aan Oostenrijk-Hongarije in eene officiëele nota te kennen, dat de uiterst korte bedenktijd aan Servië gelaten, aan de Mogendheden geen voldoenden tijd gaf om eenige stappen te doen in het belang van het vereffenen van de gerezen moeilijkheden, aan welke opmerking hij toevoegt:
“Om de even onberekenbare als noodlottige gevolgen die voor alle Mogendheden kunnen voortvloeien uit de wijze van optreden van de Oostenrijksch-Hongaarsche Regeering te voorkomen, schijnt het ons bovenal onontbeerlijk, dat de termijn aan Servië gegeven om te antwoorden verlengd worde.”14
Sazonow stelde verder voor, dat aan de Mogendheden tijd zou worden gegeven om de uitkomsten van het door de Oostenrijksch-Hongaarsche Regeering gehouden gerechtelijk onderzoek in zake den Sarajevo-moord te overwegen en pleit dat, indien de Mogendheden overtuigd worden
“van de gegrondheid van sommige der Oostenrijksche eischen, zij zich in staat zouden bevinden, aan de Servische Regeeringen raadgevingen diensvolgens te doen toekomen.”
Hij merkt terecht op, dat
“eene weigering om den termijn van het Ultimatum te verlengen.. in strijd zou zijn met de grondslagen zelf van de internationale betrekkingen.”
Welk Hof ter wereld zou het rechtmatige van deze voorstellen kunnen betwijfelen? De wereldvrede was in gevaar. Men vroeg alleen om uitstel om te zien, wat er gedaan kon worden om den vrede te bewaren en aan Oostenrijk's rechtmatige grieven tegemoet te komen. Op dienzelfden 24sten Juli, waarop Sazonow om een weinig tijd vroeg in het belang van den wereldvrede, had Sir Edward Grey een onderhoud met den Duitschen Gezant te Londen en had hem in overweging gegeven, dat de eenige manier om een wereldramp te voorkomen, was, dat
“de vier Mogendheden Duitschland, Frankrijk, Italië en Engeland gezamenlijk en gelijktijdig te Weenen en te St. Petersburg zouden samenwerken.”15
Duitschland behoefde immers slechts aan Oostenrijk te kennen te geven, dat een gepaste eerbied voor de meening der menschheid, zoowel als de gewone burgerlijke beleefdheid tusschen groote en bevriende natiën gebruikelijk, eischten dat niet alleen aan Servië, maar ook aan de andere Mogendheden voldoende tijd gelaten werd om in het algemeen belang samen te werken, vooral waar men in de volle zomervacantie was en vele leidende bestuursmannen en diplomaten van hunne respectieve standplaatsen afwezig waren.
Wat kon onder de omstandigheden meer natuurlijk zijn dan dat Rusland op den 24sten Juli zou verklaren,
“dat eenige actie door Oostenrijk ondernomen met het oog op Servië's vernedering Rusland niet onverschillig laten kon – ”
of dat de Russische Zaakgelastigde te Weenen op denzelfden dag aan het Oostenrijksche Ministerie van Buitenlandsche Zaken zou opmerken,
“dat de Oostenrijksche eischen in een vorm waren gegoten, die hunne inwilliging onmogelijk maakte en dat de gekozen bewoordingen ongebruikelijk en al te beslist waren” – ?
Op welke mededeelingen het eenig antwoord van den Oostenrijkschen Minister van Buitenlandsche Zaken was, dat hun vertegenwoordiger te Belgrado
“last had ontvangen, Belgrado te verlaten, zoo Oostenrijk's eischen niet in hun geheel en klokke 4 n.m. van den volgenden dag waren ingewilligd.”16
Oostenrijk's eenige concessie, toen of later ter wille van de zaak des vredes gedaan, was de verzekering dat Oostenrijk, na Servië te hebben ingenomen, niet op den afstand van eenig grondgebied zou staan.
Men geve wel acht op Duitschlands houding op dezen dag, den 24sten Juli. Haar Gezant te Londen deed Sir Edward Grey eene nota toekomen, waarin Oostenrijk-Hongarije's grieven jegens Servië werden uiteengezet en het ultimatum verdedigd in de woorden dat,
“in de gegeven omstandigheden de wijze van optreden en de eischen van de Oostenrijksch-Hongaarsche Regeering slechts als billijk en gematigd kunnen worden beschouwd,”
waaraan de nota toevoegt:
“De Keizerlijke Regeering gevoelt zich gedrongen als hare meening uit te spreken, dat er in het gegeven geval alleen sprake is van eene zaak die uitsluitend tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië moet worden uitgemaakt en dat de Groote Mogendheden ernstig moeten pogen, het geschil te beperken tot de twee Staten, wien het rechtstreeks aangaat.”17
Op 25 Juli, hoogst waarschijnlijk tot de groote verrassing van Duitschland zoowel als Oostenrijk, die zich hadden voorbereid op het niet voldoen aan het Ultimatum door Servië, antwoordde dit laatste rijk, Rusland's verzoenend advies volgend en ten koste van haar eigen zelfgevoel als onafhankelijke staat, dat het alle eischen door Oostenrijk gesteld op één na aanvaardde; zelfs van deze laatste werd de inwilliging niet in zoovele woorden geweigerd, maar zij werd afhankelijk gesteld van de uitspraak van scheidsmannen of van de beslissing van een congres door de Groote Mogendheden tot dit doel bijeen te roepen.18
Door geen Hof ter wereld zou voor een oogenblik worden aangenomen, dat dit antwoord niet in hoofdzaak een toegeven was aan Oostenrijk's ongehoorde eischen; dit werd dan ook noch door Duitschland, noch door Oostenrijk ernstig ontkend. Zij vergenoegden zich, de betrouwbaarheid der gegeven verzekeringen verdacht te maken en de door Servië toegezegde concessiën als slechts voorgewend voor te stellen; hieromtrent zij alleen opgemerkt, dat als Duitschland en Oostenrijk eens begonnen waren met genoegen te nemen met Servië's antwoord en dan later zou gebleken zijn, dat Servië er niet aan dacht, hare plechtig gedane toezeggingen na te komen, er voorzeker al heel weinig sympathie voor Servië in de wereld te vinden zou zijn geweest en in elk geval een algemeene oorlog had kunnen zijn voorkomen.
Zoowel Rusland als Engeland zeiden hun invloed toe om Servië te bewegen, en desnoods te dwingen om aan rechtmatige eischen door Oostenrijk gesteld te voldoen. De openstaande quaestie, die Servië voorsloeg middels arbitrage af te doen of aan de beslissing van de Groote Mogendheden te laten, gold het doen deelnemen van Oostenrijksche ambtenaren aan het gerechtelijk onderzoek in de Servische gerechtshoven aanhangig te maken. Hier was geen quaestie van overwegende moeilijkheid aan het woord. Aan Oostenrijk's geuit verlangen naar eene onpartijdige instructie kon zeer gemakkelijk gevolg gegeven zijn door het aanstellen – door de onzijdige Mogendheden – van eene rechtsgeleerde Commissie om met zulk een onderzoek te worden belast.
Op 24 Juli had Sir Edward Grey den Duitschen Gezant nog verzocht zijn uiterste best te doen om Weenen tot het verleenen van uitstel te bewegen. Het antwoord en de houding van de Duitsche Regeering tegenover dit zeer redelijk verzoek, was bij uitstek onoprecht. Zij nam op zich, het voorstel “door te zenden,” maar de Duitsche Staats-Secretaris voor Buitenlandsche Zaken voegde hieraan toe, dat het met het oog op de afwezigheid van den Eersten Minister te Weenen, twijfelachtig was of het verzoek hem wel tijdig zou bereiken en het dientengevolge moeilijk zou zijn op het denkbeeld van uitstel in te gaan.