Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.
Kitabı oku: «A Polyglot of Foreign Proverbs», sayfa 23
Die eens steelt is altijd een dief. Once a thief always a thief.
Die eerst komt, die eerst maalt. Who comes first, grinds first.
Die eieren hebben wil, moet der hennen kakelen lijden. He that will have eggs, must bear with cackling.
Die geboren is om te hangen, behoeft geen vrees te hebben van verdrinken. He that’s born to be hanged will never be drowned.
Die goede dagen moede is, die neme een wijf. Whoso is tired of happy days, let him take a wife.
Die heden was een ridder, word morgen wel een bidder. Who to-day was a haughty knight, is to-morrow a pennyless wight.
Die heden wat spaart, morgen wat heeft. He that spares something to-day will have something to-morrow.
Die hem zelf kittelt, lacht als hij wil. He that tickles himself, may laugh when he will.
Die het geluk heeft leidt de bruid ter kerk. He that has the luck leads the bride to church.
Die het in het vuur verloren heeft, moet het in de asch zoeken. What is lost in the fire must be sought in the ashes.
Die iets vindt eer ’t verloren is, sterft eer hij ziek is. He that finds something before it is lost, will die before he is sick.
Die in een kwaad gerucht komt, is half gehangen. He that hath an ill name is half hanged.
Die jaagt met katten, en vangt maar ratten. Whoso hunteth with cats will catch nothing but rats.
Die jocken wils, moet jocken verstaan, ’t is anders beter ongedaan. He that would jest must take a jest, else to let it alone were best.
Die kaatsen wil, moet den bal verwachten. He that plays at racket must watch the ball.
Die kan lijden en verdragen, vind zijn vijand voor zijn voeten geslagen. He that can be patient finds his foe at his feet.
Die keur heeft, heeft angst. He that has a choice has trouble.
Die komt ongeroepen gaat weg ongedankt. He that comes unbidden goes unthanked.
Die kruipt en valt niet. He that creepeth falleth not.
Die laag blijft kan niet hard vallen. He that abideth low cannot fall hard.
Die maar een oog heeft bewaar dat wel. Who has but one eye must take good care of it.
Die met den duivel ingescheept is, moet met hem overvaren. He that is embarked with the devil must sail with him.
Die met gouden wapens vecht, heeft altijd het beste regt. They who fight with golden weapons are pretty sure to prove their right.
Die met honden te bed gaat, staat met vlooijen weder op. He who goes to bed with dogs will get up with fleas.
Die met wolven omgaan wil, moet mede huilen. He that lives with wolves, must howl with wolves.
Die mij geeft, die leert mij geeven. Who gives to me, teaches me to give.
Die mild is, geeft zich rijk; de gierigaard neemt zich arm. The generous man enriches himself by giving; the miser hoards himself poor.
Die niet oppast ziet zijn geld niet wassen. Who watches not catches not.
Die niet te raden is, is niet te helpen. He that will not be counselled cannot be helped.
Die op borg geeft, verliest zijn goed en zijn vriend. Who ventures to lend, loses money and friend.
Die op de zee is heeft de wind niet in zijn handen. He that is at sea has not the wind in his hands.
Diepe zwemmers, hooge klimmers ziet men zelden op bed sterven. Deep swimmers and high climbers seldom die in their beds.
Die schuld ontkent, schuld bekent. Who excuses, accuses.
Die te goed is, wordt van de boozen verongelijkt. Who is righteous overmuch is a morsel for the Old One.
Die te veel onderneemt, slaagt zelden. Who undertakes too much, succeeds but little.
Die ’t klein versmaad is ’t groot niet waard. He that despises the little is not worthy of the great.
Die van den hond gebeten is, moet van hetzelfde haar daaropleggen. He that is bitten by a dog must apply some of its hair.
Die van verre komt heeft goed liegen. They who come from afar have leave to lie.
Die veel dienstboden heeft, die heeft veel dieven. Who has many servants has many thieves.
Die veel dingen te gelijk doet, doet er zelden een goed. Who undertakes many things at once seldom does anything well.
Die veel hoort, hoort veel liegen. He that hears much, hears many lies.
Die verkoopt hoeft maar een oog, die koopt hoeft er hondert. Who buys wants a hundred eyes, who sells need have but one.
Die voor de bladeren bang is, moet niet in het bosch gaan. He who is afraid of leaves must not go into the wood.
Die voor een ander borg blijft, betaalt voor hem. He who is surety for another, pays for him.
Die vuur begeert, die zoek ’t in de assche. Who wants fire, let him look for it in the ashes.
Die vuur wil hebben moet de rook lijden. He that will have fire must bear with smoke.
Die wel bemind kastijdt zijn kind. He that loves his child chastises him.
Die wil wandlen achter land, neme vrij zijn beurs ter hand. He who would travel through the land, must go with open purse in hand.
Die zich zelven honig maakt wordt van de bijen opgegeten. He who makes himself honey will be eaten by the bees.
Die zijn gat brand, moet op de blaêren zitten. He who burns his posteriors must sit on blisters.
Die zonder den waard reekent, reekent kwaalijk. Who reckons without his host must reckon again.
Die zwijgt bewilligt. Silence gives consent.
Distels en doornen steken zeer, maar kwade tongen nog veel meer. Thistles and thorns prick sore, but evil tongues prick more.
Dochters moeten wel gezien maar niet gehoord worden. Daughters may be seen but not heard.
Dochters zijn broze waren. Daughters are brittle ware.
Doe raad voor ’t kwaad, eer ’t verder gaat. Take counsel before it goes ill, lest it go worse.
Domines komen om je wijn, en officiers om je dochters. Dominies come for your wine, and officers for your daughters.
Doode honden bijten niet. Dead dogs don’t bite.
Door wind en stroom is goed stuuren. It’s good steering with wind and tide.
Dreigers vechten niet. All threateners don’t fight.
Drie vrouwen en eene gans maken eene markt. Three women and a goose make a market.
Dwalen is menschelijk. To err is human.
Dwazen zijn vrij in alle landen. Fools are free all the world over.
E
Een aap blijft een aap, al draagt hij een gouden ring. An ape’s an ape, though he wear a gold ring.
Een aap, een paap, en eene weegluis, zijn drie duivels in één huis. An ape, a priest, and a louse, are three devils in one house.
Een arbeider is zijn’ loon waardig. The workman is worthy of his hire.
Een bedreigd man leeft zeven jaren. A threatened man lives seven years.
Een blind man schiet somtijds wel een kraai. A blind man may sometimes shoot a crow.
Een dagelijksche gast is een groote dief in de keuken. A daily guest is a great thief in the kitchen.
Een dag verleent, wat een geheel jaar weigert. A single day grants what a whole year denies.
Een diamant van eene dochter wordt een glas van eene vrouw. A brilliant daughter makes a brittle wife.
Een die een zot trouwt om zijn kot, verliest het kot en houdt den zot. Who weds a sot to get his cot, will lose the cot and keep the sot.
Een dief maakt gelegenheid. A thief makes opportunity.
Een dwaas en zijn geld zijn haast gescheiden. A fool and his money are soon parted.
Een dwaas maakt er veel. One fool makes many.
Eene barmhartige moeder maakt eene schurftige dochter. An indulgent mother makes a sluttish daughter.
Eene bedroefde bruid maakt eene blijde vrouw. A sad bride makes a glad wife.
Een eerlijk man’s woord is zijn zegel. An honest man’s word is his bond.
Een ei is een ei zei de boer, en hij greep naar het ganzenei. An egg is an egg, said the boor, and took the goose’s egg.
Een eij geeven om een’ os te bekomen. To give an egg to get an ox.
Een eij scheeren. To shave an egg.
Een enkele bontekraai maakt geen winter. One crow does not make a winter.
Eene talie te kort is zooveel als eene el. An inch too short is as bad as an ell.
Een ezel stoot zich geen tweemaal aan een’ steen. An ass does not hit himself twice against the same stone.
Eene zwaluw maakt geen zomer. One swallow does not make a summer.
Eene zwarte hen legt witte eijeren. Black hens lay white eggs.
Een gast, gelijk de visch, stinkt den derden dag. A guest, like a fish, stinks the third day.
Een gebrand kind vreest het vuur. A burnt child dreads the fire.
Een geëdelde boer kent zijn vader niet. An ennobled peasant does not know his own father.
Een gegeeven paard moet men niet in den bek zien. Look not a gift horse in the mouth.
Een gehuurd paard en eigene sporen maken korte mijlen. A hired horse and one’s own spurs make short miles.
Een gek spreekt wel eens wijs woord. A fool may chance to say a wise thing.
Een God, ééne vrouw, maar veel vrienden. One God, one wife, but many friends.
Een goed begin is half voltooid. Well begun is half done.
Een goede naam is beter dan olij. A good name is better than oil (i. e. riches).
Een goed paard is zijn voeder waard. A good horse is worth his fodder.
Een goed vriend is beter dan zilver en goud. A good friend is better than silver and gold.
Een groot boek, een groot kwaad. A great book is a great evil.
Een haan is stout op zijn eigen erf. A cock is valiant on his own dunghill.
Een half woord is bij hem genoeg. Half a word to the wise is enough.
Een hond aan een been kent geene vrienden. A dog with a bone knows no friend.
Een hongerige buik heeft geen’ ooren. A hungry belly has no ears.
Een houdaar is beter dan twee gij zult het hebben. One Take-this is better than two You-shall-haves.
Een huis van leem, een paard van gras, een vriend van mond, ’t is al maar glas. A plaster house, a horse at grass, a friend in words, are all mere glass.
Een huis vol dochters is een kelder vol zuur bier. A house full of daughters is a cellar full of sour beer.
Een ieder is meester in zijn eigen huis. Every man is master in his own house.
Een ieder is prediker onder de galg. Every one is a preacher under the gallows.
Een jong ooi en een onde ram, daar komt jaarlijks een lam van. A young ewe and an old ram, every year bring forth a lamb.
Een kat die veel maauwt vangt weinig muizen. A cat that meweth much catcheth but few mice.
Een kat kijkt wel een’ keizer aan. A cat may look at a king.
Een kleine pot wordt haast heet. A little pot is soon hot.
Een kuijaar, een bruijaar; een buljaar, een smuljaar. A cow-year, a sad year; a bull-year, a glad year.
Een leugenaar moet een goede memorie hebben. A liar must have a good memory.
Een luiaard is des duivel’s oorkussen. An idle man is the devil’s pillow.
Eenmaal is geen gewoonte. Once is no custom.
Een mager verdrag is beter dan een vet proces. A lean compromise is better than a fat lawsuit. (Agree, agree, for the law is costly.)
Een man overboord, een eter te minder. A man overboard, a mouth the less.
Een man zonder geld is een schip zonder zeilen. A man without money is like a ship without sails.
Een muis, die maar één holletje heeft, is wel dra gevangen. The mouse that hath but one hole is soon caught.
Een once geduld is meer dan een pond verstand. An ounce of patience is worth a pound of brains.
Een ongeluk komt zelden alleen. Misfortunes never come single.
Een os en een ezel dienen niet aan een ploeg. An ox and an ass don’t yoke well to the same plough.
Een oude rat vindt ligt een gat. An old rat easily finds a hole.
Een oude rat wil niet in de val. An old rat won’t go into the trap.
Een oude vos komt niet gemakkelijk twee maal in het garen. An old fox doesn’t go twice into the trap.
Een oude wolf is veel gerucht gewend. An old wolf is used to be shouted at.
Een oud muilezel met een vergulde toom. An old mule with a golden bridle. (We say, An old ewe dressed lamb-fashion.)
Een oud voerman hoort gaarn ’t klappen van de zweep. An old coachman loves the crack of the whip.
Een paard met vier pooten struikelt wel. A horse may stumble, though he has four feet.
Één penning in den spaarpot maakt meer geraas dan als hij vol is. One penny in the pot (money-box) makes more noise than when it is full.
Een ploeg die werkt, blinkt; maar ’t stille water stinkt. A plough that worketh, shines; but still water stinks.
Een rollende steen neemt geen mos mede. A rolling stone gathers no moss.
Één rotte appel in de mande, maakt al de gave fruit te schande. One rotten apple in the basket infects the whole.
Één schacht is beter in de hand dan zeven ganzen op het strand. One quill is better in the hand than seven geese upon the strand.
Een schurft hoofd ontziet de kam. A scabby head fears the comb.
Een schurftig schaap bederft de heele kudde. One scabby sheep infects the whole flock.
Een spiering uitwerpen om een kabbeljaauw te vangen. To cast in a smelt to catch a codfish.
Eens te trouwen is noodwendigheid; tweemaal is malligheid; driemaal is dolligheid. To marry once is a duty; twice a folly; thrice is madness.
Een stuiver gespaard is beter dan een gulden gewonnen. A penny spared is better than a florin gained.
Een verlopen monnik zeide nooit goed van zijn convent. A runaway monk never speaks well of his convent.
Een verloren, twee gevonden. One lost, two found.
Een vliegende kraai vangt altijd wat. A flying crow always catches something.
Één vogel in de hand is beter dan twee in de vlugt. One bird in the hand is better than two flying.
Een vos verliest wel zijne haren, maar niet zijne streken. The fox may lose his hair, but not his cunning.
Een vriend achter den rug is eene vaste brug. A friend at one’s back is a safe bridge.
Een vriend in nood, is een vriend in der daad. A friend in need is a friend indeed.
Een vriend is beter dan geld in de beurs. A friend is better than money in the purse. (Better a friend than money to spend.)
Een vrolijke weerd maakt vrolijke gasten. A merry host makes merry guests.
Een wenig te laat, veel te laat. A little too late, much too late.
Een woekeraar, een molenaar, een wisselaar, een tollenaar, zijn de vier evangelisten van Lucifer. A usurer, a miller, a banker, and a publican, are the four evangelists of Lucifer.
Een wolf hapt noch na ’t schaap als hem de ziele uit gaat. A wolf hankers after sheep even at his last gasp. (The ruling passion strong in death.)
Een wrak op strand is een baak op zee. A wreck on shore is a beacon at sea.
Een zacht antwoord stilt den toorn. A soft answer turneth away wrath.
Een zindelijk kleed is eene goede aanbeveling. A smart coat is a good letter of introduction.
Eer gij voort rijd, ziet na de lenzen. Before you mount, look to the girth.
Eer het gras gewassert is, is de hengst dood. While the grass grows the steed starves.
Eerst in de boot, keur van riemen. The first in the boat has the choice of oars.
Effene rekeningen maken goede vrienden. Short reckonings make long friends.
Effen is kwaad passen. It is hard to please every one.
Eigen haard is goud waard. One’s own hearth is worth gold. (The Scotch say: Ane’s ain hearth is goud’s worth.)
Eigenliefde maakt blind. Self-love is blind.
Elk een zie zichzelven, zoo gaat er niemandt verloren. Let every one look to himself, and no one will be lost.
Elke vogel zingt zoo als hij gebekt is. Every bird sings as it is beaked.
Elk het zijne, is niet te veel. Every man his own is not too much.
Elk huis heeft zijn kruis. Every house has its cross.
Elk is een dief in zijne nering. Every one is a thief in his own craft.
Elk moet roeien met de riemen die hij heeft. Every one must row with the oars he has.
Elk schot is geen vogel. Every shot does not bring down a bird.
Elk voor zichzelven, God voor ons allen. Every one for himself, God for us all.
Elk waant dat zijn uil een valk is. Every man thinks his own owl a falcon.
Elk zijns gelijk, ’t zij arm of rijk. Like will to like, be they poor or rich.
Eendragt maakt magt. Union is strength.
En straft of streelt u vrouwe niet, waar ’t iemand hoort of iemand ziet. Neither reprove nor flatter thy wife, where any one heareth or seeth it.
Er is hulp voor alles, behalve voor den dood. There is a remedy for all things save death.
Er is niets zoo verborgen, of het komt uit. There is nothing so secret but it transpires.
Er liep geen dolle hond zeven jaar. No mad dog runs seven years.
Erst eene raap, en dan een schaap; daarna eene koe, dan de galg toe. First a turnip, then a sheep; next a cow, and then the gallows.
Eten is een goed begin: het eene beetje brengt het andere. In eating ’tis good to begin, one morsel helps the other in.
G
Gebrade duijven vliegen niet door de lucht. Roast pigeons don’t fly through the air.
Geduld gaat boven geleerdheid. Patience surpasses learning.
Gedwee als een handschoen. Supple as a glove.
Gedwongen liefde vergaat haast. Forced love does not last.
Geef een’ ezel haver, hij loopt tot de distels. Give an ass oats and he runs after thistles.
Geeft hem een talie, en hij zal een el nemen. Give him an inch and he’ll take an ell.
Geen beter meesters dan armoede en nood. No better masters than poverty and want.
Geen ding met der haast dan vlooijen te vangen. Nothing in haste but catching fleas.
Geen ding zoo slecht of het vindt zijn’ meester. Nothing so bad but it finds its master.
Geene roozen zonder doornen. No roses without thorns.
Geen geluk zonder druk. There is no joy without alloy.
Geen huis of ’t heeft zijn kruis. No house without its cross.
Geen koorn zonder kaf. No corn without chaff.
Geen kroon heeft hooftzweer. A crown is no cure for the headache.
Geen oude schoenen verwerpen eer men nieuwen heeft. Don’t throw away your old shoes till you have got new ones.
Geen rijker man in alle steden, dan die met ’tzijne is te vreden. The richest man, whatever his lot, is he who’s content with what he has got.
Geen stouter belovers dan die niets te geven hebben. No greater promisers than they who have nothing to give.
Gehuurde paarden maken korte mijlen. Hired horses make short miles.
Gekoppelde schapen die verdrinken. Coupled sheep drown one another.
Geld beheert de wereld. Money rules the world.
Geld doet geweld. Money is power.
Gelegenheid maakt genegenheid. Opportunity makes desire.
Gelijk bij gelijk, Jan bij Lijs, het paar een dubbeltje. Like to like, Jack to Gill, a penny a pair.
Geluk en glas breekt even ras. Fortune and glass break soon, alas!
Gemaalde bloemen ruiken niet. Painted flowers have no odour.
Gemeen gerucht is zelden gelogen. Common fame seldom lies.
Gemeen goed, geen goed. Common goods, no goods.
Genoeg is even zoo goed als een feest. Enough is as good as a feast.
Genoeg is meer dan overvloed. Enough is better than too much.
Geweld is geen regt. Might is not right.
Gewoonte wordt eene tweede natuur. Custom is second nature.
Gierigheid is niet verzadigd voor zij den mond vol aarde heeft. Covetousness is never satisfied till its mouth is filled with earth.
Gij hebt den dans begonnen, en kunt de muziek betalen. As you began the dance you may pay the piper.
Gissen doet missen. Guessing is missing.
God betaalt alle weken niet, maar hij betaalt eens op het einde. God does not pay weekly, but pays at the end.
God beware mij voor iemand die maar één boekje gelezen heeft. God deliver me from the man of one book.
God geeft de vogelen de kost, maar zij moeten er om vliegen. God gives birds their food, but they must fly for it.
God helpt de sterkste. God helps the strongest.
Gods water over Gods akker laten loopen. Let God’s waters run over God’s acres.
God verkoopt wetenschap voor arbeid, eere voor gevaar. God sells knowledge for labour, honour for risk.
God zendt hem wel de spijzen, maar de duivel kookt ze. God sent him meat, but the devil cooked it.
Goede boom, goede vrucht. Good tree, good fruit.
Goede dingen moeten tijd hebben. Good things require time.
Goede drank verdrijft kwade gedachten. Good drink drives out bad thoughts.
Goede jagers sporen aan. Good hunters track narrowly.
Goeden dag u allen! zei de vos, en hij kwam in het ganzenhok. Good day to you all! said the fox, when he got into the goose-pen.
Goeden moed in tegenspoed. A stout heart tempers adversity.
Goede waar prijst zichzelven. Good wine praises itself.
Goede wijn behoeft geen krans. Good wine needs no bush.
Goed gezelschap maakt korte mijlen. Good company makes short miles.
Goed regt behoeft goed hulp. Good right needs good help.
Goed verloren, niet verloren; moed verloren, veel verloren; eer verloren, meer verloren; ziel verloren, al verloren. Fortune lost, nothing lost; courage lost, much lost; honour lost, more lost; soul lost, all lost.
Goed vuur maakt een snellen kok. A good fire makes a quick cook.
Gramschap is een korte dolligheid. Anger is a short madness.
Grijp de gelegentheit, wanneer ze voor u staat; als ze eens voorbij is, dan begeert gij haar te laat. The first occasion offered quickly take, lest thou repine at what thou didst forsake.
Groote begeerlijkheid, maakt eenen kleinen hoop. Great greediness to reap, helps not the money-heap.
Groote belovers, slechte betalers. Great promisers, bad paymasters.
Groote dieven hangen de kleine. Great thieves hang little thieves.
Groote narren moeten groote bellen hebben. Great fools must have great bells.
Groote visschen springen uit de ketel. Big fish spring out of the kettle.
Groote visschen eten de kleine. Big fish devour the little ones.
Groote visschen scheuren het net. Great fishes break the net.
Groot goed, groot zorg. Great wealth, great care.
Groot roemen, weinig gebraad. Great boast, little roast.
Groot-sprekers zijn geene groot-daders. Great talkers are little doers.
