Kitabı oku: «Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken», sayfa 12
26. Schets van den Toestand van Friesland, omstreeks den jare 1530
»Friesland (schrijft worp van thabor) is een vlak land, zonder bergen, maar rijk in groot en klein vee. In dat gedeelte, hetwelk aan den noordelijken oceaan grenst, bestaat de grond uit zware klei, vruchtbaar in granen, overvloedig in gras, overdekt met weidevelden en voor de veeteelt uitnemend geschikt. Vanhier, dat die streken ontzaggelijke groote en vette ossen opleveren, die door inheemsche en vreemde kooplieden naar elders worden uitgevoerd. Bovendien levert dit gedeelte van Friesland overvloed van melk, boter en honig op, waarvan het vele streken van Nederland voorziet. Het zuidelijk gedeelte des lands heeft een meer zandigen grond, en is meer geschikt voor graanbouw dan voor veeteelt. Ook heeft het meer overvloed van hout. Op vele andere plaatsen is de grond moerassig. Aldaar worden kluiten aarde (veen) uitgestoken, die, in de zon gedroogd, het gebrek aan hout, tot haardbrand, rijkelijk vergoeden; anderen evenwel voeden het vuur met gedroogden koemest. Overigens telt Friesland slechts weinige steden, maar daarentegen des te talrijker dorpen en buurtschappen, die, bijna door het gansche land, zoodanig aan elkander gerijd zijn, dat men de eene van de andere naauwelijks onderscheiden kan. In sommige deelen vindt men uitgestrekte en nuttige meren, die overvloed van visch opleveren. Bovendien telt dit land, door Gods voorzienige zorg, zoo velerlei land- en watergevogelte, welks eijeren en vleesch een even voortreffelijk voedsel opleveren, dat zelfs aan rijke lekkerbekken niets ontbreekt, om hunnen smaak te streelen. Want, om van eenden, ganzen en andere soorten van vogels niet te spreken, die in Friesland ontelbaar zijn, doch die men ook elders vindt, is er hier eene zóó groote hoeveelheid zwanen, dat niet slechts edelen en vermogenden, tot wier spijs zij meer bijzonder behooren, maar zelfs de geringere klassen en de boeren, daarvan tot verzadiging toe kunnen eten. Friesland brengt derhalve alles wat tot levensonderhoud noodig is in den ruimsten overvloed voort; wijn en olie alleen uitgezonderd.”
27. Schets van de Zeden der Friezen, omstreeks den jare 1530
»Terwijl ik den lof der Friezen te vermelden en hunne zeden te schetsen wensch (dus vervolgt worp van thabor), verdient te worden opgemerkt, dat de Friezen, hoewel zij tot de Germanen gerekend worden, thans door voorkomen, taal en zeden ten sterkste van de overige Duitsche volken verschillen. Dat verschil bestond reeds bij onze vaderen, zoodat een Fries, ver van zijn vaderland verwijderd, alleen daaraan gemakkelijk kon gekend worden. De oorzaak hiervan meen ik daaruit te moeten verklaren, dat de Friezen eertijds weinig omgang met hunne naburen hadden. Doch thans zijn zij, ten gevolge van het veelvuldig onderling verkeer, naar het uitwendige, meer aan de Duitschers gelijk geworden; ofschoon de vrouwen, nog tot op den huidigen dag, in kleeding, en vooral in kapsels, aanmerkelijk van de vrouwen der naburige volken verschillen.
De Friesche landlieden overtreffen echter die van alle andere Germaansche gewesten door de beschaafdheid en ingetogenheid van hunne gesprekken en manieren; door de pracht hunner huizen, de netheid en fraaiheid van hun huisraad, de kostbaarheid en sierlijkheid hunner kleeding en hun overvloed van zilver en goud. Vandaar, dat de vrouwen op feestdagen zoodanig van goud en zilver schitteren, dat het moeijelijk zou zijn, elders in de christenwereld daarvan een dergelijk voorbeeld te vinden. Zelden ziet men alsdan eene boerenvrouw, die niet met een zuiver zilveren of vergulden gordel van groot gewigt is versierd. Hierbij voegen de rijken, naar voorvaderlijk gebruik, armbanden, en als borstsieraad gouden en zilveren haken en platen, van niet geringe waarde. En dit alles betreft nog slechts de vrouwen uit het volk. De adellijke vrouwen zijn met nog zoovele andere gouden en zilveren kleinodiën van allerlei aard opgepronkt, dat zij er meer mede beladen dan versierd schijnen, hetgeen voor de Duitschers, die soms Friesland bezoeken, een ongewoon en vermakelijk schouwspel oplevert.
Ofschoon men gewoon is, aan de Friezen eene woeste en onmeêdoogende geaardheid toe te kennen, openbaren zij die echter, zoo men juist wil spreken, alleen ten opzigte van hunne vijanden, en geenszins van allen zonder onderscheid. Door buitengewone mildheid, wellevendheid en gastvrijheid overtreffen zij veeleer andere volken. Vreemdelingen, onbekenden en behoeftigen worden vaak vriendelijk ontvangen en rijkelijk onthaald. Ook vieren zij talrijke, ja bijna dagelijksche gastmalen, waarbij zij echter, naar de wijze der Germanen, gewoon zijn, zich meer dan betamelijk is aan de dronkenschap over te geven. Zij bezitten eene soort van horens, van wilde dieren afkomstig en van ontzettenden omvang, met goud of zilver beslagen, van welke zij zich bij hunne maaltijden bedienen. Als zij aan tafel een ander den beker toebrengen, zijn zij gewoon elkander de regterhand te drukken, waarbij de vrouwen gewoonlijk nog een kus voegen. Dit wordt in geen geval onvoegzaam geoordeeld.
Tot lof des Frieschen volks is veel door de uitstekendste mannen geschreven, waarvan ons het een en ander in handen is gekomen. Ik zal mij vergenoegen hier aan te halen wat bartholomeus de Engelschman en na hem aeneas sylvius (die, later (1458) tot Paus verheven, den naam van pius II heeft aangenomen) in hunne schriften getuigd hebben. »Het Friesche volk, zeggen zij, is krijgshaftig, in den wapenhandel geoefend, van forschen en krachtigen ligchaamsbouw, van een kalm en onvertsaagd gemoed. Het is een vrij volk, dat zijne eigenaardige zeden heeft, en, ongeneigd om aan vreemden te gehoorzamen, ook over anderen niet begeert te heerschen. Uit liefde tot de vrijheid aarzelt het niet, zich aan levensgevaar bloot te stellen, en het verkiest den dood boven het juk der slavernij. Daarom erkennen zij ook geen krijgsrang of waardigheden, en dulden niet, dat iemand hunner, om den wille des oorlogs, zich boven zijne medeburgers verheffe. Echter gehoorzamen zij aan regters, die zij jaarlijks uit hun midden verkiezen, en die het gemeenebest naar billijkheid besturen. Op kuischheid stellen zij hoogen prijs, en het gebrek aan eerbaarheid wordt in de vrouwen gestrengelijk gestraft. »Zij hebben in hun gewest een aantal magtige en vorstelijke kloosters gesticht, waarin eene ontelbare menigte personen van beide seksen zich, in reinheid van zeden en onderwerping aan de ordelijke kloostertucht, aan de dienst van God hebben toegewijd.” (Zie Aanteekening 17.)
Deze beschrijvingen van het land en de zeden der Friezen in den toenmaligen tijd zijn voorzeker zeer gunstig. Zij dragen blijken van hooge ingenomenheid, welke zich laat verklaren uit der Friezen sterke liefde en gehechtheid aan hun land, hetwelk door de vaderen met veel zorg en strijd tegen de zee en de vijanden verdedigd was, en dat boven vele andere landen groote voorregten mogt genieten. Vandaar ook die geestkracht, moed en fierheid van karakter, waarvan zoo vele Friezen blijken gaven, en waarvan ons bij het verhaal van de latere gebeurtenissen zoo vele treffende voorbeelden zullen voorkomen: want naarmate die kenmerken van den volksaard toegepast werden op edele voorwerpen, gaven zij aanleiding tot het verrigten van schitterende daden, waar het de behartiging van de algemeene belangen gold.
28. Merkwaardige Personen, uit het midden der 16e eeuw
Waar het de behartiging van de algemeene belangen des vaderlands gold, daar zien wij in deze eeuw vooral den talrijken, krachtigen en vermogenden Frieschen Adel werkzaam; ofschoon ook de middelstand tijdens den langdurigen vrede in aanzien en vermogen toenam, zoodat daaruit reeds eenige personen voortkwamen, die zich door bekwaamheden onderscheidden en tot waardigheden verheven werden115. Een aantal der op het land verspreid wonende edelen, die vroeger met elkander oorlog voerden, besteedde nu den tijd van rust en vrede, om zich op de wetenschappen toe te leggen en zich in staatszaken te oefenen, ten einde in de raadsvergaderingen aan de lands belangen te kunnen medewerken. Sedert de oprigting van het Hof van Friesland vielen vele edelen bijzonder op de beoefening van de regtsgeleerdheid, ten einde zich te bekwamen, om de eervolle betrekking van Raadsheer in dat Hof te bekleeden. Bij gebrek aan leerscholen in ons eigen land, deden zij ter verkrijging van kundigheden veelal groote reizen door Duitschland, Frankrijk en zelfs Italië, waar zij de hoogescholen bezochten en veel kennis en ondervinding opdeden, zoodat sommigen na hunne terugkomst sieraden van hun vaderland werden en als staatsmannen of regtsgeleerden in hoog aanzien kwamen of tot belangrijke waardigheden geroepen werden. Wittemberg en Pavia, doch vooral Keulen, Leuven en Rostok, worden inzonderheid genoemd als plaatsen, werwaarts de jonge lieden uit Friesland zich ter studie begaven116. Opmerkelijk is het althans, dat er, omstreeks het midden der 16e eeuw, toen de geleerdheid in ons vaderland nog op een lagen trap stond, uit Friesland zoo vele uitstekende personen zijn voortgekomen, die door bekwaamheid en eer-ambten zich binnen- en buitenlands beroemd hebben gemaakt. De voornaamste der door ons bedoelde personen willen wij hier kortelijk vermelden.
Als Regtsgeleerden en Staatsmannen hebben bijzonder uitgeblonken: viglius van aytta van zwichem (geb. 1507 nabij Wirdum), die, wegens uitstekende bekwaamheden, door Keizer karel en zijn zoon filips tot hooge waardigheden verheven, vooral als Voorzitter van den geheimen Raad te Brussel, in een belangrijk tijdperk zijn vaderland groote diensten bewees, even als zijn vriend joachim hoppers (geb. 1522 te Sneek), die mogt opklimmen tot Geheimraad en Groot-Zegelbewaarder van den Koning van Spanje, te Madrid. Agge albada, van Goënga, was eerst Raadsheer in het Friesche Hof en daarna in het Keizerlijk Kamergerigt te Spiers en bekleedde buitenlands ook andere aanzienlijke waardigheden. In dat zelfde Kamergerigt te Spiers had ook zitting ciprianus stapert, van Wommels, die door den Keurvorst van Ments tot Hoogleeraar aldaar werd aangesteld. Evenzoo werden boëtius epo (bote ypes, van Roordahuizum) te Douai, wybrandus van aytta te Dôle, julius van beyma (geb. 1539 te Dokkum) te Wittemberg, regnerus sixtinus (geb. 1543 te Leeuwarden) te Marburg, joannes van dockum te Keulen en suffridus petrus (geb. 1527 te Leeuwarden) te Erfurt, Leuven en Keulen, tot Hoogleeraren in de regten verheven. Verscheidene buitenlandsche Akademiën droegen alzoo blijken van de geleerdheid der Friezen. Bovendien waren in Friesland kempo van martena, hector van hoxwier, upco van burmania, sicke en pieter van dekama, syds tjaerda, haijo hermannus, wilco van holdinga en anderen om hunne geleerdheid en bekwaamheid destijds in hoog aanzien.
Als beoefenaren van de Letterkunde der Grieken en Romeinen waren toen en later, behalve genoemde suffridus petrus, zeer geacht: georg rataller (geb. 1528 te Leeuwarden), die Raadsheer werd te Artois, Mechelen en Utrecht, Gezant naar Denemarken enz.; stephanus sylvius, Pastoor te Leeuwarden, te Heidelberg tot Doctor in de Godgeleerdheid bevorderd, en willem canter (geb. 1542 te Leeuwarden), die, even als vitus winsemius en de vier geleerde broeders popma van Ylst, onderscheidene letterkundige en regtsgeleerde werken hebben uitgegeven.
In de Wis-, Natuur- en Geneeskundige Wetenschappen vinden wij destijds mede reeds mannen van naam vermeld, als: gemma frisius (1508 geb. te Dokkum) en zijn zoon cornelius gemma, beide Hoogleeraren te Leuven, waar zij een aantal wiskundige geschriften in het licht gaven. Als Wis- en Bouwkundige en Schilder behaalde jan vredeman de vries (geb. 1527 te Leeuwarden) in Antwerpen en elders grooten roem. Joannes acronius (van Akkrum) was Hoogleeraar in de Genees- en Wiskunde te Bazel, in welke stad, op de grenzen van Zwitserland, ook laurentius de fries in 1531 een geneeskundig werk in het licht gaf. Andreas mirica (geb. te Lemmer) doorreisde bijna geheel Europa en was daarna te Leeuwarden als Geneeskundige beroemd; sixtus hemmema, Doctor in de Wis- en Geneeskunde te Leuven, bestreed de Astrologen dier dagen; terwijl petrus tiara (in 1514 geb. te Workum), wegens zijne geleerdheid zoowel in de oude letteren als in de Wis-, Natuur- en Geneeskunde vermaard, na vele reizen Hoogleeraar werd te Leuven, Douai, Leiden en Franeker.
Ook de Geschiedenis van Friesland vond in het eerste gedeelte dezer eeuw ijverige beoefenaars in jancko douwama van Oldeboorn, in kempo van martena, in de kloosterbroeders peter en worp van thabor, en later in cornelius kempius (van Dokkum) en genoemden suffridus petrus, in wier geschriften vele merkwaardige bijzonderheden uit sommige tijdvakken onzer geschiedenis voor het nageslacht zijn bewaard gebleven. (Aanteekening 18.)
Als wij in aanmerking nemen, hoe weinige hulpmiddelen er destijds nog maar bestonden ter bekoming van kennis en geleerdheid, dewijl het getal gedrukte boeken toen nog zoo gering was, en er, zoo ver bekend is, vóór 1570 in Friesland geene boekdrukkerij heeft bestaan; – en als wij bedenken, hoe gebrekkig toenmaals de wegen en de middelen van vervoer waren, zoodat het uiterst moeijelijk moet gevallen zijn, soms ook wegens het woeden van den oorlog, naar buitenlandsche hoogescholen te reizen, om kennis en wetenschap te vergâren: – dan mogen wij ons met regt verwonderen over het groot getal geleerden, welke Friesland omstreeks het midden der 16e eeuw heeft opgeleverd. Dat velen hunner in naburige landen wetenschappelijke betrekkingen aannamen, was zeer natuurlijk, dewijl er vóór 1576 in Noord-Nederland nog geene hoogescholen of algemeene leerstoelen van wetenschap bestonden. Zelfs deed de regering des lands lang moeite, om hier de beoefening van de wetenschappen te onderdrukken, omdat zij ze als schadelijk beschouwde, bijzonder voor de godsdienstige ontwikkeling des volks, welke men lang en met vele moeite te keer ging, dewijl zij geenerlei verandering in de godsdienst wilde gedoogen. In weerwil van velerlei bezwaren wisten echter de krachtige volksgeest en het gezond verstand der Friezen zich zelve een weg te banen, ter vermeerdering van kennis, ter ontwikkeling van het verstand en tot beschaving van den geest, welke eerlang, hoewel na hevigen strijd, rijke vruchten zouden dragen voor godsdienst en zedelijkheid, de zuilen van iederen burgerstaat.
29. De Regering van Koning Filips van Spanje. (1555-1580.)
Het was een merkwaardig schouwspel, hetwelk de stad Brussel den 25 October 1555 opleverde. Keizer karel V, die bijna veertig jaren lang Duitschland, Spanje, Nederland en zijne overige Staten met roem had bestuurd, haakte naar rust, welke hij door afzondering in een Spaansch klooster meende te zullen vinden. In eene plegtige vergadering van vorsten, grooten, geestelijken en afgevaardigden van al de Nederlandsche provinciën, deed hij afstand van de regering dezer landen ten behoeve van zijn zoon filips. Hij deed dit met eene roerende aanspraak, waarin hij terugzag op hetgeen hij gedaan, had, terwijl hij hoopte, dat de jeugdiger krachten van zijn opvolger alles zouden vermogen, wat hem de duurzame liefde der ingezetenen zou kunnen doen verwerven. Hierna beloofde filips onder eede, dat hij de regten der landzaten zoude handhaven, en ontving van de afgevaardigden den eed van trouw en hulde.
Bij het doen van dezen eed viel er eene bijzonderheid voor, welke weder een blijk gaf van de fierheid en volkstrots der Friezen. Volgens eene gewoonte der vorsten van het Oostenrijksche huis, vorderde de hoftoon, dat de eed geknield werd afgelegd. Alle gezanten der zestien Nederlandsche provinciën volgden dit gebruik en knielden neder. Doch de acht afgevaardigden van Friesland zagen hierin een vernederend huldebetoon, hetwelk hun eerbied voor het heilige alleen Gode toekende. Zij weigeren te knielen, en, terwijl zij te midden der nedergebogene schare alleen staan blijven, verontschuldigen zij zich bij monde van een hunner, gemme van burmania, door te zeggen:
Wij Friezen knielen alléén voor God.
Van dit rustige en fiere antwoord bekwam deze edelman sedert den bijnaam van de Stand-Fries, en is deze naam later dikwijls toegepast op ieder zijner landgenooten, die blijken geeft van fierheid, standvastigheid van karakter of van een krachtigen wil.
De Nederlanders hadden weinig reden, om over deze verandering van landsheer tevreden te zijn. De trotsche geaardheid van filips, die hier, gelijk in Spanje, als Koning wilde heerschen, dewijl hij deze landen als wingewesten der Spaansche kroon aanzag, en de dweepzucht, welke hem onstaatkundig deed handelen, toen hij geenerlei verandering in de oude en verbasterde kerkleer en wijze van godsdienst-oefening wilde gedoogen, namen de ingezetenen tegen zijn bestuur in. Zij baarden eerlang onrust, daarna verzet en eindelijk openbaren strijd tegen zijn gezag, dat hij met geweldige oorlogsmiddelen en door moorden en bannen wilde handhaven. Te vergeefs. Die schending van het regt des volks en van zijn pligt als vorst, deze heerschzucht en wreedheid konden de Nederlanders niet dulden. Lang verdrukt en getergd sloegen zij de handen ineen, weêrstonden geweld met geweld, en vormden een kleinen, doch naauw vereenigden staat. Zóó gaven de ondeugden en verkeerde handelingen van den Koning en zijne dienaren aanleiding, om hem gehoorzaamheid te weigeren en af te zweren. Zóó werd dit alles de oorzaak van de herstelling der vrijheid en onafhankelijkheid van Nederland in godsdienst en burgerstaat. De voornaamste bijzonderheden van deze roemrijke overwinning willen wij nu schetsen, daar de Friezen in dezen strijd deelnamen op eene wijze, hunner aloude zucht voor vrijheid en onafhankelijkheid waardig.
30. Beginselen der Kerkhervorming; Geloofsvervolgingen; de Doopsgezinden. (1520-1560.)
De geschiedenis der volken staat dáárin gelijk met de geschiedenis van ieder persoon, dat allen bestemd zijn, om uit den staat van onkunde en onbeschaafdheid op te klimmen tot kennis, bekwaamheid en volmaking. Naarmate de mensch ouder wordt, moet hij vaster gelooven, en meer naderen tot God, dien hij allengs beter moet leeren kennen en vereeren. Hij, de groote opvoeder van het menschdom, wiens wijze Voorzienigheid de lotgevallen van volken zoowel als van personen bestuurt, verschaft bovendien in elk tijdvak de middelen, om de maatschappij te doen opklimmen tot die verhevene bestemming, waarvoor de mensch is geschapen. Doch de dwaasheid van sommige magten, die hare bijzondere oogmerken meer voorstonden dan de algemeene belangen, poogde dikwijls die heilige bedoelingen te verijdelen. Waar toeneming in kennis en verlichting haar belang kon schaden, daar verduisterden zij het licht, en hielden de onderworpene volken in onkunde en domheid. Dit kon evenwel niet duurzaam zijn. Vele volken deden hun regt gelden, en vandaar een strijd, tusschen de voorstanders van duisternis en van licht, van behoud en van vooruitgang, waarvan vooral de kerkelijke geschiedenis bloedige tooneelen oplevert.
De Christelijke Godsdienst, eens in het oosten in zuiverheid verkondigd, was bestemd om alle volken der aarde door haar licht te bestralen; om door geloof en liefde alom vrede en deugd te verspreiden; om den mensch te verheffen en het leven te heiligen door de hoop op eene betere toekomst, welke hare stralen schiet tusschen de nevelen van het heden. Spoedig echter werd die goddelijke leer door menschelijke dwalingen verbasterd. Aan de bereiking van staatkundige bedoelingen werd zij dienstbaar gemaakt. De heerschzucht vond in haar een middel om zich te verheffen. En om haar bij heidensche volken te beter ingang te doen vinden, werd hare eeredienst met prachtige versierselen en plegtigheden overladen. In deze schitterende uiterlijke vormen, in feestdagen, in de voorspraak der heiligen en in het brengen van offers aan de kerk en aan de geestelijken, meende het onkundige volk nu het wezen der godsdienst te zien.
Die Geestelijkheid was alom in getal, aanzien en vermogen verbazend toegenomen. Doch wat deed zij ter opleiding en verlichting van het volk? In plaats van door de kracht der godsdienst de maatschappelijke gebreken te bestrijden, verstand en hart te vormen en het lijden des tijds te verzachten door de kracht van het geloof aan een toekomstig leven, had zij tegen de waarheid die beide verwonderlijke wapenen ontdekt: onwetendheid en dwaling. Zij verbood der wetenschap en het vernuft verder te gaan dan het getijboek, als om den geest op te sluiten binnen de kloostermuren van de leer der Kerk. Zij kantte zich aan tegen alles, wat den voortgang der menschelijke beschaving, de ontwikkeling van het verstand kon bevorderen. Het menschelijk geweten kwam tegen haar in opstand, en vroeg: wat wilt gij?
Er was een boek, dat van het begin tot het einde van zijne hoogere afkomst getuigt; een boek, dat den geheelen schat van menschelijke kennis bevat, verhelderd en geheiligd door de geheele goddelijke wijsheid; een boek, door den eerbied der volken het Boek genoemd: de Bijbel! Dat boek hadden de Pausen verboden. Zoodanig was het door de leer der Kerk verdrongen, dat de Friezen reeds zeven eeuwen Christenen waren geweest, vóór dat welligt een hunner de Heilige Schrift had gezien, veelmin gelezen. Immers, men achtte dit verbod noodzakelijk, omdat zij een wapen kon worden tegen de Kerk, die voorgaf op haar gegrond te zijn. En in plaats van dat boek gaf hunne willekeur, welke zelfs het licht der rede trachtte uit te blusschen, aan de volken – de Inquisitie. – Onbegrijpelijke dwaling! Ongelukkige volken!
Na de uitvinding van de boekdrukkunst en de herleving van de beoefening der oude letterkunde en wetenschappen, kwam echter de Bijbel in veler handen. Nu gingen de oogen open. Men zag het in, hoe diep de kerk was vervallen, en hoe vele misbruiken er heerschten. maarten luther had, in 1517, in Duitschland den moed, zich tegen den Paus en de gebreken der kerk te verzetten, om bijna al hare leerstukken te verwerpen, en om, op grond van een vrij onderzoek van de Heilige Schrift, terug te keeren tot een meer eenvoudig oorspronkelijk Christendom en minder zinnelijke eeredienst.
De mare van zulk eene gewigtige hervorming in de godsdienst werd in alle streken van Europa en ook hier met blijdschap vernomen en vond grooten bijval. Het staatkundig belang van Keizer karel bragt echter mede, dat hij den Paus tot vriend hield en beschermde. Dáárom weêrstond hij, ook met kracht van wapenen, in zijne landen de verspreiding van die nieuwe leer. Bestendig werden er nu sedert 1521 in Friesland strenge plakkaten uitgevaardigd, waarbij de leeringen van luther veroordeeld-, zijne boeken verboden- en zijne aanhangers met vervolging en straf bedreigd werden117. Doch men bedroog zich: want de vrije ingezetenen kenden den Keizer wel het regt toe, om hun land te laten besturen, maar niet, om over hun verstand en godsdienstige gevoelens te heerschen. Sedert 1522 kwam eene Nederduitsche vertaling van den Bijbel hier in veler handen. Met verbazing bemerkte men het verschil tusschen die leer en hare verkondiging door de Geestelijken. Te vergeefs zocht men daarin den grond van vele leerstellingen en plegtigheden der Kerk. Doch het gemoed vond daarin kracht en troost bij al de rampen van den oorlog, van ziekten, van overstroomingen en hongersnood, welke Friesland omstreeks dien zelfden tijd had te verduren. In dezen tegenspoed had men behoefte aan godsdienst, aan meerder licht, dan de zinnelijke eeredienst der Kerk aanbood. Het leven verkreeg hooger waarde door het geloof, dat de harten doordrong, en hen God en den Heer leerde kennen en liefhebben in het uitzigt op eene betere wereld. En toen later de voorspoed blonk, vond men daarin moed en kracht, om hetgeen men als een schat van groote waarde op hoogen prijs had leeren stellen, te verdedigen en te behouden, tegen al de wreede vervolgingen der wereldlijke magt, die de Roomsche kerkleer met geweld trachtte te beschermen.
Als de eerste priesters, die de kerk verlieten, of wel door de verkondiging van de zuivere leer des evangelies pogingen deden, om de kerk te hervormen, worden met eere genoemd gellius faber de bouma van Jelsum en menno simons van Witmarsum. Dan, de eerste moest in 1536 en de andere later vlugten, daar de strengheid der vervolging zeer was toegenomen, nadat in het vorige jaar ook hier eene oproerige beweging der Munstersche Wederdoopers tot openbaren strijd en vervolging aanleiding gaf. Allen, die blijken gaven van de Roomsche kerk af te vallen of ongenegen te zijn, werden vervolgens beschuldigd of verdacht, met die Wederdoopers overeen te stemmen; het allermeest de Doopsgezinden, die hun christelijk geloof in eenvoudigheid en stille afzondering wenschten te belijden. Sedert 1531 werd een aantal hunner vervolgd, onthoofd of verdronken, en spaarde de regering geene middelen om het gezag der Kerk te handhaven en de afvalligen te straffen.
Doch ook hier werd het bloed dier martelaren weder het zaad eener kerk, welke in aantal van leden toenam, hoe meer zij door de vervolgingen verdrukt werden. De schijnbare smaad, hun aangedaan, stortte eene heilige geestdrift voor het goede en eerbied voor hunne gelatene vroomheid in de harten van anderen, wier onverbasterd gevoel zich tegen zulke onmenschelijke handelingen verzette. Doch dit alles was nog slechts een begin. Want nog dringender werden de bedreigingen der plakkaten des Keizers, toen hij het waagde, in 1550 de Inquisitie of het geloofs-onderzoek in Nederland openlijk in te voeren. Van toen af, en vooral na 1557, wanneer willem lindanus als Kettermeester herwaarts werd gezonden, stonden allen, die van de Roomsche kerkleer afweken, en zelfs zij, die verdacht waren van de nieuwe leer te begunstigen, aan wreede vervolgingen bloot. En zeker zou het getal martelaren hier destijds zeer talrijk zijn geweest, als de Stadhouder, het Hof en de Besturen al de bevelen des Keizers uitgevoerd en niet gematigd hadden. De Staten des lands verzetten zich zelfs tegen lindanus, en beschermden der ingezetenen vrijheid tegen zulk eene onduldbare heerschappij over hun geloof. De algemeene geest der landzaten toonde toch te duidelijk, dat de stroom niet meer viel te stuiten. Zij bleven dus hopen, dat de Regering haar eigen belang zou inzien, om door toegevendheid en gematigdheid billijk te zijn jegens een volk, dat men door dwang en bedreiging veel meer verbitterde dan terugbragt. (Zie Aanteek. 19.)
Het zij mij vergund, aan het einde van dit overzigt meer bijzonder stil te staan bij de kerkgemeenschap der Doopsgezinden, welke zich te midden dier beroeringen in deze landen vertoonde en uitbreidde. Zij verdient hier eene afzonderlijke vermelding, eensdeels, omdat zij eene plant was, vooral van den Frieschen bodem; anderdeels, omdat zij zich hier zóó spoedig en aanzienlijk uitbreidde, dat bij de Hervorming van 1580 een vierde gedeelte der bevolking van Friesland dezer gezindte toegedaan was118, en, in ’t algemeen, omdat zij, door de geheel eigenaardige rigting en de gewigtige waarheden, welke zij vertegenwoordigt en handhaaft, nog eene merkwaardige plaats onder de afdeelingen der Christenheid bekleedt.
Reeds hebben wij menno simons genoemd. Hij was echter niet de stichter dezer gezindte, gelijk velen ten onregte gemeend hebben, daartoe verleid door den naam van Mennoniten of Mennisten, welken eene partij onder hen gaarne droeg en andersdenkenden hun over ’t algemeen gaven. Zij bestonden reeds lang vóór menno, ja hadden in Friesland reeds hunne martelaren vóór dat hij het punt van den doop begon te onderzoeken. Hun oorsprong is met geene zekerheid aan te wijzen; maar, in gevoelens met de Waldenzen verwant, vinden wij door geheel de middeleeuwen sporen van het aanwezen eener gemeenschap, die, welgeordend en over een groot deel van Europa, verspreid, als stillen in den lande het apostolisch Christendom in beoefening zocht te brengen. Zorgvuldig onttrok zij zich aan de opmerkzaamheid der wereld en der vervolgzieke geestelijkheid; totdat zij, door de groote beweging der geesten in den hervormingstijd opgewekt, bemoedigd werd, om openlijk mede te werken tot de vernieuwing des Christendoms. Zij verliet de veilige onbekendheid. In een groot gedeelte van Europa zag men eene menigte gelijkgezinde menschen optreden, zonder dat men wist van waar zij hunne gevoelens hadden verkregen. Door geestelijke en wereldlijke magten vervolgd, trokken velen hunner uit Frankrijk, Zwitserland en Duitschland naar het noorden, ook naar Friesland, waar de regering minder streng was in de uitvoering van de plakkaten. Daar vonden zij vele gelijkgezinde Christenen, wier gemoed behoefte had aan eene betere godsdienst dan de verbasterde kerk aanbood, en die bevrediging vonden in het lezen en beleven van de Heilige Schrift. Tot dezen ging menno over; onder dezen werkte hij.
Te Witmarsum in 1496 geboren en tot den geestelijken stand opgeleid, werd hij in 1524 Kapelaan in het niet ver van Harlingen gelegene Pingjum. Na verloop van twee jaren kwam hij, door eene twijfeling aangaande het misoffer, voor het eerst tot onderzoek van den Bijbel, en daardoor allengs tot meer evangelische inzigten. Niet voor 1531 vestigde de dood van sicke snijder, als de eerste der Doopsgezinde martelaren te Leeuwarden onthoofd, zijne aandacht op den doop, en spoedig leerde hij den kinderdoop als eene instelling, niet des evangelies, maar des pausdoms kennen. Nadat hij intusschen in zijne geboorteplaats tot Pastoor was verkozen, begon hij zijne gevoelens over den aard en de eischen des Christendoms te verkondigen, en verkreeg hij grooten roem en toeloop onder het volk als evangelisch prediker.
Nu eerst kwam hij in aanraking met de Doopsgezinden, die in zijne omstreken hunne gevoelens begonnen te verspreiden en te doopen. Hunne weldadige pogingen vonden bijval, doch werden spoedig afgebroken door eene geweldige beweging. Een onrustige geest, welke doorgaans met iedere hervorming gepaard gaat, had onder hunne geloofsgenooten eene partij van Wederdoopers gevormd, welke het koningrijk Gods met geweld zocht op te rigten. In Munster belegerd, zond zij ook naar Friesland hare zendelingen, die de eenvoudigen hier opruiden. menno stelde zich met alle kracht daar tegen, hield zelfs tot tweemalen met de hoofden der Munstersche partij eene zamenkomst, doch al zijne vermaningen baatten niet. De opgeruide menigte greep naar het zwaard. Op Paaschmaandag van 1535 waren er te Tjum ongeveer 300 vergaderd, die 200 krijgsknechten met verlies deden wijken. Door dit aanvankelijk voordeel bemoedigd, veroverden zij het Oldeklooster bij Bolsward, lieten de monniken onverhinderd gaan en versterkten zich daar als in eene vesting. Hier werden ze door de krijgsmagt van den Stadhouder schenck van Toutenburg belegerd. Moedig streden zij, doch, eindelijk voor de overmagt bezweken, boetten de meesten, en daaronder een eigen broeder van menno, hunne dwaasheid met het leven. Velen sneuvelden met het zwaard in de vuist, sommigen werden te Leeuwarden onthoofd, anderen in het Hempenzermeer verdronken; doch ook velen ontkwamen, of werden om hunne eenvoudigheid losgelaten.
