Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.
Kitabı oku: «De nijlbruid», sayfa 35
Langzamerhand waagden de vrouwen zich weder op het dek. Zij die geoefend waren in de verpleging van kranken en gewonden schaarden zich rondom de lijders en openden de artsenijkisten. Terwijl onder leiding van den stuurman de vaart werd voortgezet, hadden allen handen vol werk, en daar zij zich ijverig aan dezen arbeid wijdden, verdroegen zij gemakkelijker de hitte van den dag. De lijken van de vijf muzelmannen en acht christenen, waaronder zich twee der Grieksche scheepstimmerlieden bevonden, werden in de nabijheid van een dorp, van elkander gescheiden, aan den oever neergelegd, en de abdis gaf den eenen een tafeltje in de hand, waarop zij de woorden had geschreven: »Acht christenen, die uit noodweer als beschermers van vrome vervolgden, dapper strijdende den dood hebben gevonden. Bidt voor hen en begraaft hen, alsmede die anderen, die hen, gehoorzaam aan het bevel van hun aanvoerder, het leven hebben benomen.”
Nadat Rufinus, wiens hoofd in den schoot van den hovenier rustte, die hem met het scherm der abdis voor den zonnebrand beschutte, weder tot bezinning was gekomen en rondgezien had, zeide hij met een blik op den scheepskapitein, die naast hem lag zacht in zichzelven: »Ik had ook eene vrouw en een lief kind te huis, en toch… Hoe smartelijk is dat! Het geeft niet of men zich aftobt, om zulk eene smart te lenigen. Het eenige hier beneden wat werkelijk bestaat, is niet de vreugde het is de smart, de ellendige lichamelijke smart, en wanneer het bovendien daarbinnen dan nog bijt en brandt… Water, een teug water… Hoe goed zou ik het nu kunnen hebben bij mijne Johanna in onze schaduwrijke woning… En toch, toch… heelen, redden, onverschillig, wie hulp behoeft… Nog een teug… wijn en water, wanneer het mag, eerwaarde vrouw!”
De abdis had bij de hand wat hij begeerde, bracht hem den beker aan den mond, sprak hem vele hartelijke, vertroostende woorden van dankbaarheid toe en vroeg hem wat zij, als zij ontkwamen, voor hem en de zijnen doen kon.
»Heb de mijnen lief,” zeide hij zacht. »Pul zal nu zeker in het klooster willen. Maar zij mag haar moeder niet verlaten. Johanna, Johanna…”
Meermalen herhaalde hij dien naam, alsof die welluidende klank zijn oor en zijn hart streelde. Vervolgens schudde hij herhaaldelijk zijne leden en prevelde: »Brrr! zoo’n koude huivering af en toe… dat deugt niet… Die houw in mijn rug, die… Aan mijn hoofd doet het wel meer pijn, maar die andere… ’t Is leelijk, dat het links aankwam… Neen, het is goed zoo; want had hij – zat het daar rechts, zoo… dan kon ik niet schrijven, en ik wil, ik moet voor… het te laat is. Een tafeltje en een schrijfstift! Dadelijk, dadelijk… En als ik geschreven heb, waardige vrouw, dan sluit gij het tafeltje goed, heel goed weg. Dat belooft gij mij! Alleen hij mag het lezen, voor wien het bestemd is… Gij Gibbus! hoort gij, mijn Gibbus? Het is voor Philippus, den arts Philippus, dien zult gij het brengen! Die droom van de roos op uw bult… Uit de ellende hier op aarde – verklaar ik het goed? – wassen vrede en vreugde daarboven. Alzoo voor Philippus! En dan; te Dumiat woont mijn oude schoolvriend, de arts Christodorus. Gij brengt mijn lijk bij hem, Gibbus! Gij luistert toch? Hij moet het in een kist met zand doen, om het voor bederf te bewaren, en te Alexandrië naast mijne moeder begraven. Dan kunnen Johanna en het kind… dan kunnen ze mij bezoeken. Ik laat niet veel na. Wat dat alles kost…”
»Dat is mijne zaak, de zaak van het klooster!” zeide de abdis.
»Zoo erg is het nog niet gesteld,” zeide de oude met een glimlach. »Wat mij aangaat, dat betaal ik; het uwe behoort aan de armen, waardige vrouw. Gij vindt hier in het taschje meer dan gij noodig hebt, Gibbus! Maar nu… spoedig, spoedig… het tafeltje!”
Toen hij het met de stift in de hand hield, dacht hij eerst een tijdlang na en schreef toen met bevende vingers en met inspanning van al zijne krachten. Hoe groot zijne smart was, kon men zien aan zijn saamgetrokken mond en zijne pijnlijke blikken. Doch hij liet zich daardoor niet afleiden, hoe vaak de hovenier en de abdis hem ook baden de stift uit de hand te leggen. Eindelijk haalde hij vrijer adem, sloot het dubbele tafeltje, overhandigde het aan de abdis en zeide: »Zoo… Goed wegsluiten! Aan den arts Philippus. Aan hem alleen eigenhandig; hoort ge, Gibbus?”
Thans verloor hij zijn bewustzijn, doch nadat men zijn voorhoofd en de wonden opnieuw verfrischt had, kwam hij weder bij en prevelde zacht: »Ik heb van Johanna en het arme kind gedroomd. Zij brachten mij een komisch masker. Wat zou dat wel beduiden? Dat ik mijn geheele leven een nar was, omdat ik voor het leed van anderen mijzelven en de mijnen vergat? Neen, neen! ‘Zoo waar de mensch de maatstaf is aller dingen,’ – als dat zoo ware, dan zou dwaasheid het ware en rechte zijn. – Ik, ik… mijn wil, het doel waaraan mijn leven gewijd was…”
Hier bleef hij steken, daarna richtte hij zich plotseling in de hoogte, sloeg de heldere oogen naar boven en riep luide en blijmoedig: »O gij, mijn barmhartige Heiland! Ja, ja! Thans zie ik het in… Dank, dank!.. Wat ik heb nagestreefd, waarvoor ik heb geleefd, daarvoor, o mijn Verlosser, die de liefde zelve zijt, daarvoor laat gij – o hoe genadig is dat, hoe doet het mij goed! – daarvoor laat ge mij sterven.”
Wederom verloor hij zijn bewustzijn; zijn hoofd begon heeter te gloeien, zijn keel te rochelen, en over zijne droge lippen, die zorgvuldige vrouwenhanden vaak bevochtigden kwamen telkens de namen dergenen, die hij het meest lief had en onder hen ook die van Paula. Op de vijfde namiddagure viel hij in den schoot van den bultenaar en had uitgeleden. Een vriendelijk lachje breidde zich over zijne trekken uit en het stille gelaat van den man, die zooveel had rondgezworven, geleek in den dood dat van een kind.
Den hovenier was het, als had hij zijn eigen vader verloren en zijne radde tong bleef stom, tot hij met de geredde zusters te Dumiat kwam, en den laatsten wensch van zijn heer vervulde.
Het zeeschip der nonnen nam ook den verwonden bootskapitein Setnau, zijne vrouw, zijne kinderen, zijn broeder, den stuurman en de in leven gebleven scheepstimmerlieden aan boord.
Terzelfder ure, dat Rufinus de oogen sloot, verscheen de veiligheidswacht van Memphis onder aanvoering van bisschop Plotinos, en legde in naam van den patriarch Benjamin en van de Jacobietische kerk beslag op het Melchietisch Caecilia-klooster en al de bezittingen van de zusters-ziekenverpleegsters. Den volgenden morgen reisde de bisschop naar Opper-Egypte af, om den kerkvorst van zijn wedervaren bericht te geven.
NEGENDE HOOFDSTUK
De arts Philippus stond haastig op van de rustbank, waarop hij naast zijn ouden vriend het ontbijt had gebruikt. Voor den grijsaard stond nog een half gevuld bord; hij had de spijzen minder haastig verslonden dan de ander, en met een afkeurenden blik zag hij den man aan die zooveel spoed maakte, dat hij den gemengden wijn staande door zijn keel goot, bij het genot waarvan hij vroeger, na het einde van den maaltijd, gaarne met Horus Apollon wat gepraat of een ernstig gesprek gevoerd had. Dat was voor den grijsaard altijd de aangenaamste ure van den dag geweest, maar thans gunde Philippus zich zelfs des avonds bij het hoofdmaal nauwelijks den tijd, om zich behoorlijk te verzadigen.
Ongetwijfeld werd niet alleen zijne, maar ook de krachtsinspanning van alle andere artsen in dezen tijd gevorderd. Bijna drie weken waren er verloopen sedert de verjaging der nonnen, en de ontzettende hitte van dezen zomer was sedert nog toegenomen. In plaats van te stijgen, daalde de stroom nog altijd lager; de uit Aethiopië komende duivenboden, die men dagelijks met verlangen en spanning te gemoet zag, wisten ook niets te melden van eene zwelling der wateren op den bovenloop van den stroom. Het bijna stilstaande, brakke water aan den oever begon thans door zijne onwelriekende uitdampingen zeer schadelijk te worden voor de gezondheid der geheele bevolking, inzonderheid in de nabijheid daarvan vertoonde de vloed eene roodachtige kleur, en het anders zoo reine, smakelijke water in de leidingen was van allerlei plantaardige bestanddeelen en vreemde lichamen bezwangerd, vuil en walchelijk om te drinken. De geringe lieden gaven zich gewoonlijk de moeite niet om het te zuiveren, en de meesten hunner werden aangetast door een nog onbekende, doodelijke, aanstekelijke ziekte. Het aantal offers nam toe met den dag en de groei van de komeet hield gelijken tred met de stijgende ellende van de stad. Ieder bracht het luchtverschijnsel in verband met dezen zomergloed, het uitblijven van den Nijl-was en het verschijnen van de pest. Over deze omstandigheid hadden de arts en zijn grijze vriend soms harde woorden met elkander; want Philippus wilde aan het gesternte geen invloed toekennen op het menschelijk leven, terwijl Horus Apollon er aan geloofde, en zijne zienswijze door eene lange reeks van voorbeelden wist te bekrachtigen. Voor zijn tegenstander hadden die voorbeelden geen kracht van bewijs; hij verlangde deugdelijke gronden, doch evenals iedereen zoo leefde ook hij onder den invloed van den angst voor eene aanstaande schrikkelijke gebeurtenis, die de aarde en de menschheid bedreigde.
Gelijk ieder gemoed in Memphis zich gedrukt en beklemd gevoelde door zulke schrikbeelden van de naaste toekomst, en door den last van het onheil, dat niet meer dreigde maar reeds begonnen was zijne slagen uit te deelen, zoo lag op de wegen, de tuinen, de palmen en sykomoren langs de straten eene zware massa grijs en alles verstikkend stof. De hagen van tamarisken en ander struikgewas zagen er uit, als uitgevreten muren van kleurlooze, ongebrande Nijltegels, zelfs in de hoofdstraat omgaf den wandelaar eene dichte, grijze nevel, die door de voetstappen werd opgejaagd. Reed er een wagen, draafde er een ruiter door de heete straten, dan werden zij vervuld met grijze stofwolken, die de voorbijgangers drongen mond en oogen te sluiten. De stad was zoo stil, zoo ledig, zoo verlaten! Niemand verliet zijne woning tenzij eene dringende noodzakelijkheid of vroomheid er hem toe aandreef. Elk huis was een gloed uitstralende oven, en zelfs het bad gaf geene verkwikking, omdat het water sedert lang niet meer koel was. Tot overmaat van smart waren de rijpende dadels aan de boomen door eene ziekte aangetast, zij vielen bij duizenden uit de spichtige bundels onder de sierlijk gebogen bladerenkronen op den grond, en sedert eergisteren begonnen er in toenemende hoeveelheid doode visschen aan land te drijven. Ook onder de geschubde waterbewoners heerschte eene doodelijke ziekte, en de arts verzekerde zijn vriend, dat dit den mensch met nieuwe gevaren bedreigde, want wie zou den oever van de doode visschen zuiveren, en hoe spoedig begonnen ze bij de hitte te rotten.
De grijsaard ontveinsde zich niet, dat de arts het in zulk een tijd zwaar, zeer zwaar te verantwoorden had, wilde hij zijn beroep met alle nauwgezetheid vervullen. Maar hij kende zijn Philippus en had hem nu twee jaren geleden gedurende pestmaanden altijd frisch, vroolijk en geestig gezien, en nog meer opgewekt door de groote inspanning, die van hem gevorderd werd. Wat hem thans zoo geheel anders deed zijn, wat zijne ziel vergiftigde, hem martelde en als onder een banvloek deed zuchten, het was niet de bijna bovenmenschelijke zelfopoffering, die zijn plicht van hem vorderde, maar alles was een gevolg van de rampzalige afdwaling zijns harten, waarvan hij zich niet bevrijden kon. Intusschen hield Philippus de belofte, die hij aan den ouden man had gedaan. Dagelijks ging hij naar het huis van Rufinus, dagelijks ontmoette hij daar Paula, en evenals de wonden van een verslagene gaan bloeden, wanneer de oogen van zijn moordenaar op hem vallen, zoo ontwaakte daar telkens de oude pijn, wanneer hij haar ontmoette en gedwongen was met haar te spreken. Ook voor dezen kranke was het noodig de grondoorzaak van het lijden weg te nemen, door de Damasceensche uit zijn levenskring te verwijderen; de grijsaard beschouwde het als zijne roeping, als zijn plicht dit te bewerken.
De kleine Maria en de andere patiënten in het huis van Rufinus namen in beterschap toe, maar er was nog veel wat eene sombere schaduw wierp over deze verblijdende feiten. Vrouw Johanna en Pulcheria waren zeer bezorgd over het lot van haar vader. Noch van hem noch van de nonnen hadden zij sedert hun vertrek iets gehoord, en de verlatene gade en hare dochter, die tot den arts opzagen als tot een goeden, trouwen, alvermogenden beschermgeest, stortten voor Philippus al hare zorgen, smarten en vrees uit. En haar angst klom te meer sedert reeds driemaal Arabische beambten in haar huis waren gekomen, om onderzoek te doen naar den man en vader en de plaats waar hij zich ophield. Al wat de vrouwen zeiden werd opgeschreven, en vrouw Johanna, over wier lippen nog nooit een leugen was gekomen, had zich gedwongen gezien valsche opgaven te doen en te verklaren, dat haar man voor zaken naar Alexandrië was gereisd, ja dat hij wellicht nog naar Syrië moest. Wat beduidde dat uitvragen? Bleek daaruit niet dat men te Fostat kennis droeg van Rufinus’ aandeel in de ontvluchting der nonnen?
Men was daar echter beter onderricht dan de vrouwen konden vermoeden, doch hield geheim wat men wist; want het onderdrukte volk mocht niet te weten komen, dat het een handvol Egyptenaars gelukt was eene gansche bende Arabische krijgers te vernietigen, en alleen een onzeker gerucht gaf de Memphieten eenige kennis van het gebeurde. De arts had van Rufinus’ plan eerst gehoord, toen men met de uitvoering reeds te ver gegaan was, om haar nog tegen te houden, en thans kwelde hem de gedachte, dat zijn beste, oude vriend en de zijnen in het ongeluk gestort konden worden ter wille van die vreemde zusters. Want hij had in het geheim vernomen, dat het tusschen de verdedigers der vluchtelingen en de muzelmannen tot een strijd was gekomen, die aan vele strijders van beide zijden het leven had gekost.
En Paula? Had zij ten minste maar den indruk op hem gemaakt van gelukkig te zijn! Doch zij was bleek geworden, en dat de naar lichaam en ziel gezonde jonkvrouw hem thans niet te gemoet kwam met die trotsche, vrije, zelfbewuste houding van weleer, het was niet door de hitte, die alle schepselen neerdrukte, maar door eene smart die haar inwendig verteerde, veroorzaakt door hem, aan wien zij gehecht was met geheel haar hart, en die haar het vorstelijk geschenk harer liefde vergold – op welk eene wijze!
Philippus moest nog voortdurend bezoeken afleggen in de stadhouderlijke woning, en reeds een veertien dagen geleden had hij begrepen wat de oorzaak was van den vreemden toestand der weduwe van den Mukaukas. Zij gebruikte het opium van haar gestorven gemaal en dat in onzinnige hoeveelheden, en wist zich telkens nieuwen voorraad te verschaffen door een tweeden arts. Door klachten en smeekingen was het haar gelukt Philippus te bewegen haar niet aan haar lot over te laten, en daarom bleef hij haar bezoeken, in de hoop haar althans in het genot van het vergif te beperken. Ook de vrouw van den senator, Martina, noodigde hem uit het stadhouderlijk paleis niet te vermijden. Zij was wel niet ziek maar leed vreeselijk van de hitte en was gewoon haren waarden, ouden huisarts dagelijks te ontvangen, zich door hem nieuwtjes te laten vertellen, en nu en dan wat te klagen, wanneer in haar overigens zeer gezond lichaam soms iets niet in orde was. Nochtans liet Philippus, die handen vol werk had, zich met praatjes niet in, maar zijne raadgevingen waren goed en hielpen haar den gloed van dezen hemel beter te verdragen. De levendige, verstandige, openhartige, vaak wel-is-waar zeer scherpe en kort aangebonden man beviel haar, en hare natuurlijke, aangename manier van doen trok ook hem aan. Somwijlen gelukte het vrouw Martina, haren »Hermes Trismegistus” die gewoonlijk, »zoo verbazend ernstig was, als ware er niets grappigs meer op aarde,” een lachje af te dwingen en hem een antwoord te ontlokken, waaruit bleek dat deze isegrim toch inderdaad een geestige kerel was en niet verlegen, om den bal terug te kaatsen.
Heliodora bezat weinig aantrekkelijks voor Philippus. Er bestond wel-is-waar tusschen hare smeekende oogen en die van Rufinus’ dochter eene onmiskenbare overeenkomst, doch in de laatste lag zielsverlangen naar de genade en de liefde Gods, in de eerste warme begeerte naar de toegenegenheid van menschen, die haar bevielen. Deze vrouw was zeker aanvallig, maar hare volgzaamheid, die geen eigen doel had, die zelfs geen poging deed om eene eigene zienswijze te hebben, sprak niet tot zijn gemoed, dat wist wat het wilde; ja het verdroot hem wanneer zij, nadat hij haar had tegengesproken, zijn laatsten volzin herhaalde om, beschaamd over hare eigene dwaasheid, met hem in te stemmen. Haar gezelschap scheen ook de verstandige matrone, in wier eigen huis het eene bezoek het andere volgde, en voor wie de begrippen »avond” en »een onderhoudend gesprek in een talrijk gezelschap” van dezelfde beteekenis waren, niet te voldoen, want zij noemde zelfs zijne korte bezoeken oasen in haar Egyptisch woestijnleven, en die van de kleine Katharina beschouwde zij als eene weldaad.
Het kwikstaartje was haar dagelijksche gast geworden en bij deze hitte was haar vroolijk, hoewel soms kwaadsprekend gebabbel voldoende, om haar den tijd te korten. Katharinas moeder maakte geen bezwaren tegen deze bezoeken, want Heliodora had haar in haar prachtigste toilet bezocht, en haar met Katharina eene gastvrije ontvangst in de hoofdstad aangeboden. Misschien ging zij daarheen, want te Memphis bleef zij in geen geval, en dan was het een geluk door lieden als hare nieuwe bekenden in de samenleving te worden binnengeleid. Natuurlijk kreeg vrouw Martina ook veel van Paula te hooren, en hoewel dit zeer partijdig gekleurd was en er niet dan tot haar nadeel werd gesproken, zoo zou zij toch de dochter van den grooten en beroemden Thomas, dien zij gekend had, gaarne persoonlijk ontmoet hebben. Overigens vreesde zij van de Damasceensche, na alles wat zij vernomen had, niet veel voor hare nicht. Zij moest buitengewoon schoon, maar hoogmoedig, terugstootend, het tegendeel van beminnenswaardig zijn en daarbij eene orthodoxe als Heliodora. Wat kon den ‘grooten Sesostris’ aanleiding geven haar de voorkeur te schenken?
Ook Katharina bood de matrone aan haar met de Damasceensche in kennis te brengen; doch niets kon vrouw Martina bewegen, zich uit haar voor de zonnehitte zoo goed mogelijk beschut verblijf naar buiten te begeven. Zij liet het aan Heliodora over, die sedert lang éen hart en éene ziel met de kleine was en in zooveel dingen zich naar haar wil voegde, om haar van de schoone heldendochter te vertellen. Dit kon gebeuren, want het kwikstaartje had de stoutheid gehad de beide mededingsters samen te brengen en wel nadat zij elk afzonderlijk had medegedeeld, wat zij van Orions betrekking tot de andere wist. Dat was eene kostelijke grap, maar in éen opzicht bereikte zij daarmede toch haar doel niet; want Paula liet door niets blijken dat zij leed aan de ziekte der ijverzucht, die zij in haar wilde opwekken. Heliodora was echter bedrukt en beangst van de Damasceensche teruggekeerd; want deze had haar koel en met hoffelijke vormelijkheid ontvangen, en ook in het vervolg was de jonge vrouw zich tegenover haar steeds bewust gebleven, dat deze buitengewone jonkvrouw zeer wel in staat was haar beeld in Orions hart te verdonkeren, ja het daaruit geheel te verdringen. Evenals een gekwetste, al doet het hem pijn, de wond bevoelt, om zich van den toestand te overtuigen, gevoelde zij zich vaak getrokken tot Katharina, alleen om uit haar tuin de mededingster te zien, of om zich bij haar te laten brengen, ofschoon haar dan altijd eene koele ontvangst ten deel viel.
Katharina had in den beginne medelijden gevoeld met de jonge vrouw, in wie zij wat verstandelijke ontwikkeling betreft haar mindere zag. Doch dit was ingevolge eene bepaalde aanleiding geheel voorbij, en nu haatte zij ook deze jonge weduwe en gaf haar kleine steken zoo vaak zij kon. Paula scheen echter niet te verwonden, en toch was er geen leed dat Katharina haar niet gaarne zou hebben aangedaan, aan wie zij de grootste vernedering in haar ongelukkig leven had te wijten.
Hoe liet het zich verklaren, dat de Damasceensche in de schoone Heliodora geene gevaarlijke mededingster zag? Zij meende, dat Orion deze vrouw niet voor zoo langen tijd had kunnen verlaten, wanneer hij werkelijk hare liefde beantwoordde. Om de Byzantijnsche te ontwijken en voor haar, Paula, te blijven, wat hij voor haar was en zijn moest, bevond hij zich met den senator thans verre van Memphis. Deze Heliodora – eene stem in haar binnenste riep het haar toe – was de arme, bedrogene vrouw, waarmede hij in de hoofdstad gespeeld en voor wie hij dien noodlottigen diefstal van den smaragd begaan had. Bracht het lot hem slechts tot haar terug, en schonk zij den teruggekeerde wat hij begeerde en waarnaar hare eigene ziel zoo vurig verlangde, dan was zij geheel en alleen de koningin van zijn hart, dan moest zij dat zijn, hieraan viel niet te twijfelen. En wanneer zij in weerwil daarvan bezorgd en bezwaard het hoofd liet hangen, dan geschiedde dit niet uit vrees van hem te zullen verliezen, maar uit zorg voor haar vader en haar ouden, besten vriend Rufinus en de zijnen, die geheel en al de haren waren geworden.
Zoo stonden de zaken, toen de arts Philippus den wijn na den maaltijd, tot groot verdriet van zijn ouden vriend Horus Appollon, zwijgend en haastig door zijn keel goot. Juist zette hij den beker neder, toen de zwarte deurwachter een bultenaar aanmeldde, die den meester terstond over eene gewichtige aangelegenheid begeerde te spreken.
»Gewichtige aangelegenheid?” herhaalde de arts. »Geef mij bij mijne eigene nog vier andere beenen of een instrument om den tijd te rekken, dan wil ik nieuwe patiënten aannemen, anders niet! Zeg den knaap…”
»Niets, niets van kranken, heer!” zeide de zwarte, hem in de rede vallende. »Komt van heel ver, is de tuinman van den ouden Grieken-heer Rufinus.”
Philippus verschrikte. Hij vermoedde welke tijding die bode bracht en met een angstig kloppend hart, beval hij, hem binnen te brengen.
Een blik op Gibbus zeide hem dat zijn vermoeden juist was geweest. De arme kerel was nauwelijks te herkennen. Een dikke laag stof bedekte hem van het hoofd tot de voeten en gaf hem het aanzien van een ouden man, wiens hoofdhaar en baard vergrijsd waren. De sandalen hingen gescheurd aan zijne voeten, in zijn met stof bestrooid gelaat had het zweet diepe voren getrokken, en de tranen die hij vergoot, terwijl de arts hem vragend de hand reikte, groeven nieuwe op zijne wangen.
Op Philippus’ bange langgerekte uitroep: »Dood?” gaf een zwijgend hoofdknikje het antwoord, en toen de arts den hovenier, met beide handen aan zijne slapen, toeriep: »Dood! Rufinus, mijn arme, oude Rufinus dood! Maar hoe, om godswil, hoe is dat gekomen? Spreek, spreek toch man!” toen wees Gibbus op den grijsaard en zeide met nadruk: »Kom met mij naar buiten heer; geen derde moet…”
Doch Philippus beduidde hem, dat hij die daar zat zijn ander ik was en nu deelde de bultenaar mede, wat hij beleefd had en hoe zijn beste heer gestorven was.
Horus Apollon had bij dit bericht verbaasd en met afkeuring het hoofd geschud, terwijl de arts menige vloek uitstiet. Doch men had het verhaal van den ongeluksbode niet afgebroken, en eerst toen hij geëindigd had zeide Philippus, met gebogen hoofd en vochtige oogen: »Arme, trouwe, oude vriend, dat hij juist zoo moest sterven; hem, die hier het beste achterlaat, heeft het getroffen, en ik – ik!”
Daarbij slaakte hij een diepen zucht, maar de grijsaard wierp hem een blik toe, die zeide, dat hij zulk een uitroep afkeurde en hem beleedigde.
Terwijl Philippus het tafeltje, dat de abdis zoo zorgvuldig mogelijk gesloten had, ontzegelde en begon te lezen, vroeg Horus Apollon den hovenier: »En de nonnen? Zijn zij allen ontkomen?”
»Ja heer! Den volgenden morgen na onze aankomst te Dumiat stak een triremis15 met haar in zee.”
De oude prevelde half binnen’smonds: »De werkbijen gedood en de hommels gered!”
Maar Gibbus sprak hem tegen en roemde het moeitevol en arbeidzaam leven der zusters, die ook hem eens hadden verpleegd.
Intusschen had de arts het laatste schrijven van zijn vriend gelezen. Vol inwendige onrust draaide hij het om en om, liep met groote stappen de kamer op en neer en bleef eindelijk staan voor den hovenier, terwijl hij hem toeriep: »En wat nu? wie zal hen die tijding overbrengen?”
»Gij, heer,” antwoordde Gibbus, terwijl hij smeekend de handen naar hem uitstrekte.
»Ik, natuurlijk ik!” hernam de arts, zich op de lippen bijtende. »Wat moeielijk, pijnlijk, schier ondragelijk is, komt zooals vanzelf spreekt op mijn hoofd neer. Maar ik kan, ik mag, ik wil het niet doen! Heb ik dan dat dolle avontuur verzonnen en op mijne rekening? Merkt gij het op vader? Wat die knaap gekookt heeft, ik, ik – daar zorgt het lot wel voor – ik krijg dat weder te vreten!”
»’t Is zwaar, zeer zwaar, mijn kind!” antwoordde de oude. »Doch het is uw plicht. Bedenk eens – wanneer hij, zooals hij daar voor ons staat bij de vrouwen komt…”
Opeens viel Philippus hem in de rede: »Neen, neen, dat gaat niet! En gij, Gibbus, gij – heden is er weder een Arabier bij vrouw Johanna geweest, en als zij – gij valt door uw uiterlijk zeer in het oog – wanneer zij ook maar vermoeden dat gij uw heer vergezeldet… Neen, man, uw trouw verdient beter loon! Zij zullen u niet vangen! Ik maak u vrij van uw dienst bij de weduwe en wij – wat denkt gij er van, vader? – Wij behouden hem bij ons.”
»Goed zoo!” antwoordde de grijsaard. »Eens moet de Nijl weder stijgen. Blijf bij ons! Ik snak reeds lang naar zelfgekweekte groenten.”
Maar de bultenaar nam zeer bescheiden dien voorslag niet aan en verklaarde, dat hij tot zijne oude meesteres terug wilde keeren. Toen de arts hem daarop nog eens onder het oog bracht aan welke gevaren hij zich blootstelde, en de grijsaard zijne beweegredenen van dit besluit wenschte te weten, zeide de hovenier: »Ik heb mijn heer beloofd bij de vrouwen te blijven en nu er buiten mij geen vrij man in huis is, zal ik hen alleen laten, om mijn erbarmelijk leven te redden? Dan liever een kromsabel tegen mijn hals. Is de kop eraf, wat er dan overblijft dat brokje schoonheid gun ik de schurken.”
Bij deze woorden, die hol en afgebroken uit een verdroogden mond te voorschijn kwamen, vertrok de trouwe man zijn gelaat; men zag door het stof zijne wangen verbleeken en Philippus moest hem steunen, want de voeten weigerden hem den dienst. De lange wandeling door de vreeselijke hitte had de krachten van den bultenaar uitgeput; een dronk wijn bracht hem echter weldra weder bij en Horus Apollon beval den slaaf hem mede te nemen naar de keuken en den kok zoo goed mogelijk voor hem te doen zorgen.
Zoodra beide geleerden alleen waren, zeide de grijsaard: »Die oude, wakkere waaghals, die daar gestorven is, stelt u buitengewone eischen; men kon het u aanzien bij het lezen.”
»Hier, lees!” antwoordde de arts, wederom door de kamer stappende, terwijl de grijsaard het tafeltje ter hand nam. De beide zijden waren met onregelmatige, golvend op en neer gaande schriftregels bedekt, die aldus luidden:
»Rufinus met den dood voor oogen, aan zijn geliefden Philippus.
»De eene koude rilling volgt de andere, ik sterf zeker nog heden, het gaat snel, het schrijven kost moeite. Als slechts het noodigste gezegd wordt. Vooreerst: Johanna en het arme kind! Wees voor hen zooveel gij kunt. Ik had meer voor hen zullen en kunnen zijn. Bescherm hen als voogd en vriend. Zij hebben om van te leven en kunnen nog anderen van het hare mededeelen. Mijn broeder Leonax bestuurt ons vermogen, en hij is een eerlijk man. Johanna weet alles. Zeg haar en het arme kind, dat ik hen duizendvoudig zegeningen en Johanna voor zooveel goeds ontelbare dankzeggingen toezend. Gij, vriend: hoor naar den oude! Maak uw hart los van Paula. Zij is niet voor u. Gij weet het, de jonge Orion. Maar gij. Wat van de geboorte af op den top stond, past slecht bij ons, die van onderen op naar de hoogte zijn gekrabbeld. Wees haar vriend. Zij verdient het, maar laat het daarmede genoeg zijn. Blijf gij niet alleen. Het schoonste, wat den man ten deel kan vallen, brengt de vrouw in zijn leven. In den diepen slaap vlecht zij vriendelijke droomen. Dat alles weet gij nog niet bij ervaring. Ook uwe waardige, oude vriend, dien ik laat groeten, heeft zich levenslang van de vrouwen teruggetrokken. – Voor u alleen. Dit zegt een stervende. Laat ik u bekennen, dat het arme kind, onze Pul, u houdt voor den volmaakste onder de mannen en u hoogschat gelijk geen ander. Gij kent haar en ook Johanna. Betuig uw vriend: dat geen boos woord ooit uit den mond komt van deze twee. Verre zij het van mij, u, die het beeld van eene andere vrouw in uw hart draagt, te raden: tracht dat kind voor u te winnen, zij is de vrouw die u past. – En dit voor u beiden: vereenig u, ik geef maar een raad, vader en zoon, met moeder en dochter, als goede trouwe huisgenooten en vrienden. Het zal beide partijen niet berouwen. Dat heeft een stervende gezegd. Verder wil het niet gaan. Gij, Philippus, zijt voogd over de vrouwen, een trouwe, dat weet ik. Hetzelfde doel, dezelfde gezindheid, gij en ik, vele heerlijke jaren… Zorg goed voor beiden, bid ik u, zorg er goed voor!”
Deze laatste woorden waren elk op zichzelf en buiten den regel als over het tafeltje heengestrooid, en het viel den grijsaard niet gemakkelijk ze te lezen. Gelijk zoo straks de arts, zoo keek hij nu verlegen en besluiteloos op dit onverwacht schrijven.
»Welnu?” vroeg Philippus eindelijk.
»Ja, wat nu?” antwoordde de ander schouderophalend. Daarop zwegen beiden geruimen tijd, tot de oude man opstond en leunende op zijn staf eveneens de kamer op en neer wandelde en half tegen zijn jongeren vriend, half in zichzelven prevelde: »Twee stille, verstandige vrouwen; er zijn, denk ik, maar weinige van dat soort. Wat hielp die kleine mij eens aardig op van dien lagen zetel in den tuin!” Daarbij lachte hij stil in zichzelven, hield Philippus, die naast hem liep, tegen en zeide terwijl hij hem zacht op den arm tikte, met een luchtigen toon, die hem anders vreemd was: »Een mensch moet toch alles eens beproeven. Vrouwelijke verpleging voor men ten grave daalt! En het is ook waar, dat zij beiden kijven noch babbelen?”
