Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.
Kitabı oku: «Warda: Roman uit het oude Egypte», sayfa 25
Nadat het dal van volk gezuiverd was, verscheen de officier in den hof en vond hier, behalve de tooveres Hekt en Warda, ook den dichter en Nebsecht, die bezig was met het verbinden der gewonden. Pentaoer lichtte den hoofdman kortelijk omtrent het gebeurde in, en noemde hem zijn naam.
Deze reikte hem de hand en zeide: »Waren er vele krijgers van uw slag, heilige vader, in het leger van Ramses, de Cheta-oorlog zou spoedig geëindigd zijn! Maar gij hebt geen Aziaten, gij hebt burgers uit Thebe geveld, en hoeveel leed het mij ook doet, ik moet u als mijn gevangene voor Ameni brengen.”
»Doe wat uw plicht vordert,” antwoordde Pentaoer, zich buigende voor den hoofdman, die zijne lieden intusschen beval het lijk van den Paraschiet op te nemen en naar het Seti-huis te dragen.
»Ik moet het meisje ook gevangen nemen,” zeide de officier zich tot Pentaoer richtende.
»Zij is krank,” antwoordde de dichter.
»En wanneer zij niet spoedig tot rust komt,” voegde de arts er bij, „dan is het met haar gedaan. Laat haar; zij is de bijzondere beschermeling van de prinses Bent-Anat, die haar onlangs heeft overreden.”
»Ik zal haar in mijn verblijf nemen,” zeide de tooveres, »en wil voor haar zorgen. Dáar ligt haar grootmoeder reeds; zij is half gestikt in de vlammen, maar komt weer bij. Ik heb plaats voor beiden.”
»Tot morgen dan,” antwoordde de arts, »dan zal ik haar een ander tehuis bezorgen.”
De oude lachte hem onopgemerkt uit, prevelende: »Daar zullen ook nog wel anderen voor haar willen zorgen!”
De soldaten volgden het bevel van hun aanvoerder, namen de verwonden op, en verwijderde zich met Pentaoer en het lijk van den Paraschiet.
Intusschen was Bent-Anat met haar broeder en Nefert, na veel oponthoud, gekomen aan de landingsplaats van de Nijlschepen. Een der draagstoeldragers werd uitgezonden om de boot te halen, die hen zou wachten. Hij moest zich bijzonder haasten, want reeds zag men de lichten van de processie naderen, die den god naar den Amontempel te Thebe terugbracht. Gelukte het hun thans niet onverwijld in hunne boot plaats te nemen, dan hadden zij het vooruitzicht uren lang te kunnen wachten. Wanneer de processie in den nacht den stroom werd overgezet, dan mocht geen vaartuig, dat niet voor dit doel werd gebruikt, ja, zelfs geen bark van een der aanzienlijksten van land afsteken. Ongeduldig en in groote spanning zagen broeder en zuster uit naar het teeken van hun boot, want Nefert zonk van uitputting bijna ineen, en Bent-Anat, op wier arm zij steunde, gevoelde dat al hare leden begonnen te beven. Eindelijk wenkte de draagstoeldrager. Het snelle maar onaanzienlijke bootje, dat gewoonlijk alleen bij het jagen op vogels werd gebruikt, schoot naderbij. Rameri liet een der matrozen zijn roeispaan toesteken, en trok zoo het vaartuig dichter bij de landingstrap.
Juist op dit oogenblik verscheen de overste der veiligheidswachten, en riep: »Deze boot is de laatste die van wal mag steken, vóor den overtocht van den god.”
Zoo haastig als de zwakke Nefert zulks toeliet, die zoo zwaar aan haar arm hing, liep Bent-Anat de trappen af, die nog maar spaarzaam verlicht waren door het matte schijnsel van enkele lantaarns. Straks als de godheid naderde, en de pekpannen en fakkels ontstoken zouden worden, zou het hier daghelder zijn. Maar eer zij de laatste trede bereikt had, voelde zij eene harde hand op haar schouder, en de ruwe stem van den gids Paäker riep: »Terug vee! Wij eerst!”
De veiligheidswachten hielden hem niet tegen, want zij kenden den gids en zijne onbesuisde manier van handelen. Paäker stak dadelijk de vingers in den mond en floot, zóo schel, dat het door de lucht suisde. Terstond daarop hoorde men riemslagen.
»Stoot die boot hier op zij! Dat volk kan wachten!” riep de Mohar zijn scheepsvolk toe.
Het vaartuig van den gids was grooter en sterker bemand, dan dat der koningskinderen.
»Snel in de boot!” riep echter Rameri.
Bent-Anat ging weder zwijgend vooruit, want zij durfde zich hier om der wille van het volk en van Nefert niet andermaal kenbaar maken. Doch Paäker trad haar in den weg, en riep: »Heb je ’t niet gehoord, schorremorrie, dat je wachten zult tot wij weg zijn? Mannen, haalt de boot van dat volk in den stroom terug!”
Het was Bent-Anat alsof haar bloed verstijfde, toen zij terstond hierop eene luide woordenwisseling beneden aan de landingstrap vernam. Rameri’s stem werd boven alle anderen uitgehoord.
»Die schooiers durven weerstand bieden!” riep de gids. »Ik zal ze leeren! Hola, hier, Descher! Pak dat wijf en dien jongen!”
Op dien stem sprong de groote roodharige dog, die reeds aan zijn vader had toebehoord, en hem altijd vergezelde wanneer hij als heden met zijne moeder het graf van den gestorven Mohar bezocht, blaffend op het tweetal los. Nefert gaf een gil van angst. Doch de hond herkende haar terstond, drong tegen haar aan, en scheen met zijn gewoon gehuil zijne blijdschap te kennen te geven.
Paäker, die de booten reeds genaderd was, keerde zich verbaasd om, zag hoe het dier kwispelstaartend rondom Nefert liep, die in haar jongensgewaad voor hem onherkenbaar was, sprong terug en riep: »Ik zal je leeren, vlegel, mijn hond door gif of tooverij te bederven.” Daarbij hief hij zijn zweep op en sloeg naar de schouders van Mena’s vrouw, die met een gillenden angstkreet bewusteloos ineenzonk.
De snoeren van de zweep waren vlak langs de wangen der teedere vrouw gegaan, dank zij Bent-Anat’s tegenwoordigheid van geest. Want zij had met een krachtigen greep Paäkers arm tegengehouden. Ontzetting, afschuw en toorn beletten haar een woord te spreken. Doch Rameri had Nefert’s gil gehoord en was met een paar sprongen bij de vrouwen.
»Laffe schurk!” riep hij, terwijl hij den roeiriem ophief, dien hij in de hand hield. Paäker, aan den strijd gewoon, behield zijne bedaardheid, en riep alleen zijn hond met een eigenaardig gesis van zijne lippen toe: »Pak hem beet, Descher!”
De hond sprong op den prins los. Rameri echter, die zijn vader reeds als kind op menige jacht vergezelde, gaf het woedende dier met den zwaren riem zulk een geweldigen slag op zijn kop, dat hij rochelend neerstortte.
Paäker meende in de gansche wereld geen warmer vriend te bezitten dan dit dier, zijn trouwen metgezel op al zijne tochten door de woestijn en door vijandige landstreken. Toen hij het daar stuiptrekkend zag neerzinken, geraakte hij buiten zichzelven van woede. Met de zweep in zijn opgeheven arm stormde hij op den jongeling los. Maar deze, uitermate opgewonden door alles wat hij in dezen nacht had doorleefd, geheel vervuld van den krijgszuchtigen geest zijner vaderen, ten hoogste verbolgen op den ruwen beleediger der vrouwen, als welker beschermer hij zich beschouwde, gevoelde zich tegen dien man opgewassen, en sloeg den gids met de roeispaan zoo hevig op zijne linkerhand, dat de zweep hem ontviel, en hij huilend van pijn met de rechter naar den dolk in zijn gordel greep.
Op dit oogenblik wierp Bent-Anat zich tusschen den man en den jongeling, die nauwelijks den kinderleeftijd was ontwassen, noemde andermaal haar eigen en ook haars broeders naam, beval Paäker zijne matrozen tot bedaren te brengen, geleidde Nefert, die onbekend was gebleven, naar het bootje, steeg erin met die haar geleidden, en landde in weinig tijd aan het paleis.
Paäker en zijne moeder Setchem, voor welke hij zijne Nijlboot had voorgeroepen, en die boven aan de landingstrap uit haar draagstoel den strijd had gezien, zonder echter de oorzaak te begrijpen en de personen te herkennen, moesten nog eenigen tijd op de trap blijven wachten. Zijn hond was dood, zijne hand deed hem gevoelig pijn en in zijn gemoed kookte het van nieuwe woede. »Dat Ramses-gebroed!” bromde hij in zichzelf; »die gelukzoekers! Zij zullen mij leeren kennen! Mena en Ramses staan dicht genoeg bij elkaar! Ik offer hen beiden op!”
VEERTIENDE HOOFDSTUK
Eindelijk was ook de boot van den gids van wal gestoken met zijne moeder Setchem en het lijk van zijn hond. Zijn plan was het beest te laten balsemen, en te Kynopolis255, de stad waarin men de honden meer dan andere dieren voor heilig hield, te laten bijzetten. Hijzelf begaf zich naar het Seti-huis, waar in den nacht die op het feest volgde een groot gastmaal werd gehouden, waaraan zich de aanzienlijke priesters uit de Nekropolis zoowel als uit Thebe, benevens de feestgezanten en de keur der waardigheidbekleeders plachten te vereenigen. Zijn vader werd, als hij ten minste in Thebe vertoefde, nooit bij dien maaltijd gemist. Hemzelven viel heden voor het eerst de buitengewone onderscheiding ten deel van als gast tegenwoordig te zijn, eene eer, die velen hem konden benijden. Hij had dit alleen aan den stadhouder te danken, zoo als Ameni hem uitdrukkelijk zeide, toen hij hem gisteren noodigde.
Voordat hij van haar afscheid nam, had zijne moeder de door Rameri verwonde hand verbonden. Hij gevoelde hevige pijn, maar hij zou voor geen prijs het gastmaal in het Seti-huis hebben willen verzuimen, hoezeer hij er ook tegen opzag. Zijn geslacht was zoo oud en aanzienlijk als eenig ander in Egypte, zijn bloed zuiverder dan dat des konings, en toch gevoelde hij zich nooit in het gezelschap van rijksgrooten op zijn plaats. Hij was geen priester en toch een schrijver, hij was een krijgsman en toch stond hij niet in de gelederen van ’s konings helden. Bij zijne opvoeding had hij strenge plichtsbetrachting geleerd, en hij wijdde zich ook geheel aan zijn beroep. Doch zijne levensgewoonten verschilden hemelsbreed van die dergenen, in wier kring hij was opgewassen, en waarvan zijn schoone, dappere en grootmoedige vader het sieraad was geweest. Hij was niet als een gierigaard gehecht aan het vermogen, dat hij geërfd had; integendeel, de edele deugd der vrijgevigheid scheen hem niet vreemd te zijn. Hij liet echter de ongevoeligheid van zijn hart juist het meest blijken als hij gaf. Want behalve dat hij van zijne geschenken zooveel mogelijk vertoon maakte, werd hij niet moede de beweldadigden, die van hem afhankelijk waren, telkens voor te houden, welk een dank zij hem verschuldigd waren. Hij meende door zijne gaven het recht verworven te hebben, elk die ze aannam naar welgevallen ruw en onbeschaamd te mogen bejegenen. Ziedaar, waarom zelfs zijne beste daden hem meer vijanden dan vrienden bezorgden.
Paäker was derhalve een man van een onedel, of liever van een uiterst zelfzuchtig karakter. Als hij langs een korter weg zijn doel bereiken kon, was het hem volmaakt onverschillig, of hij op bloemen trad, dan op het zand der woestijn. Deze zijn gemoedsgesteldheid openbaarde zich in alles, en was ook merkbaar in zijn uiterlijk voorkomen, zooals in den klank van zijn stem, in de breede trekken van zijn gelaat en in de pronkerige bewegingen van zijne ineengedrongen gestalte. In het leger kon hij zich gedragen zooals hij wilde, maar dit was niet geoorloofd in het gezelschap van lieden, die tot zijn stand behoorden. Daarom, en omdat hij de gave miste van vlug te kunnen spreken en met gevatheid te kunnen antwoorden, eene gave die hun eigen was, gevoelde hij zich niet op zijn gemak en niet op zijne plaats in hun midden. Hij zou aan de uitnoodiging van Ameni waarschijnlijk geen gevolg hebben gegeven, wanneer zij niet zijne ijdelheid gestreeld had.
Het was reeds laat geworden, maar het maal begon eerst omstreeks middernacht, want de gasten waren vooraf tegenwoordig bij de voorstellingen, die op het heilige meer in het zuiden van de Nekropolis bij lamp- en fakkellicht werden gegeven, en die betrekking hadden op de lotgevallen van Isis en Osiris. Toen hij de feestelijk getooide zaal betrad, waarin de tafels waren opgeslagen, vond hij alle gasten verzameld. Ook de stadhouder Ani was tegenwoordig en gezeten ter rechterzijde van Ameni, aan het hoofd van de voornaamste tafel in het midden, waaraan verschillende plaatsen onbezet waren, want de profeten en ingewijden van Amon in Thebe hadden zich laten verontschuldigen. Zij waren trouw gehecht aan Ramses en zijn huis, en hun grijze overste keurde de stoutmoedige handelwijze van Ameni tegen de kinderen des konings ten strengste af. Zij hielden ook het wonder van het ramshart voor een vijandigen streek der priesters in de Nekropolis tegen den rijkstempel te Thebe, door den pharao zoozeer begunstigd256.
De Mohar ging naar de tafel, aan welke de bevelhebber der als overwinnaars uit Ethiopië teruggekeerde troepen, met andere officieren van hoogen rang was gezeten. Naast eerstgenoemde was een plaats open. Paäker wilde er regelrecht op afgaan; toen hij echter bemerkte, dat de generaal zijn buurman een wenk gaf om aan te sluiten, begreep de gids dat deze hem beletten wilde aan zijne zijde plaats te nemen. Hij keerde dus met spijtigen blik aan de tafel der krijgslieden den rug toe. De Mohar was hem geen welkom feestgenoot. »Het is of de wijn mij zuur smaakt, als die lomperd er in ziet,” zeide de bevelhebber.
De oogen aller gasten richtten zich op Paäker, die naar eene plaats uitzag. Toen niemand hem een wenk gaf om bij hem te komen, begon zijn bloed weder te koken. Het liefst zou hij terstond met een vloek de feestzaal verlaten hebben. Reeds keerde hij zich naar de deur, toen de stadhouder, die met Ameni eenige woorden gefluisterd had, hem toeriep en verzocht de plaats in te nemen, die voor hem bestemd was, daarbij wijzende op den stoel aan zijne zijde, die voor den eersten profeet van den rijkstempel was bestemd geweest.
Paäker zette zich onder eene diepe buiging op deze eereplaats neder, doch hij durfde niet van de tafel op te zien, want hij vreesde verwonderde en spottende gezichten te ontmoeten. En toch had hij zich kunnen voorstellen, hoe zijn grootvader Assa en zijn vader in de nabijheid waren gezeten van deze plaats, die hun ook werkelijk meermalen was ingeruimd. Was hij niet hun opvolger en erfgenaam? Stamde zijne moeder Setchem niet uit een koninklijk geslacht? Was het Seti-huis hem niet grooter dank schuldig, dan alle overigen?
Een dienaar hing hem een krans over de breede schouders en een ander bood hem wijn en spijzen aan. Nu eerst waagde hij het op te zien en daarbij ontmoette hij de helder vonkelende oogen van den tweeden profeet Gagaboe, die tegenover hem zat. Hij begon weder op de tafel te staren. Toen sprak de stadhouder hem aan en vertelde, zich daarbij half wendend tot die in zijne nabijheid waren gezeten, dat de Mohar morgen naar Syrië dacht te trekken, ten einde zijne zware taak weder op zich te nemen.
Het klonk Paäker in de ooren, als had Ani zich bij de aanwezigen willen verontschuldigen, dat hij hem zulk eene eereplaats had gegeven. Eindelijk hief de stadhouder den beker op, en dronk op den goeden uitslag der verkenningstochten en het zegenrijk einde van elken strijd, die de Mohar te voeren zou hebben. Ook de opperpriester wijdde hem een dronk, en dankte hem luide in naam van het Seti-huis voor het kostelijk stuk bouwland, dat hij hedenmorgen als feestgave aan den tempel had vereerd257. Een gemompel van bijval werd door de geheele zaal vernomen, en eerst nu begon het gevoel van onzekerheid den gids te verlaten.
»Zijt gij gewond?” vroeg de stadhouder. Want Paäker had nog altijd zijne hand, die hem hevig pijn deed, in de zwachtels, die zijne moeder er omgelegd had.
»Het heeft niets te beteekenen,” antwoordde de gids. »Toen ik mijne moeder naar de boot bracht, viel er…”
»Er viel,” haastte zich een zijner vroegere medescholieren, de opperbevelhebber van de wachtsoldaten in Thebe, die zeer hoog aan tafel geplaatst was, lachende te zeggen: »er viel een stok of roeiriem op zijne vingers.”
»Dat is wat te zeggen,” riep de stadhouder.
»Een nog zeer jonge knaap heeft zich tegen hem durven verzetten,” ging de bevelhebber voort. »Mijne lieden hebben mij alles haarfijn bericht. De jongen sloeg eerst zijn hond dood…”
»Den fraaien Descher?” vroeg de grijze opperjachtmeester, met innig leedwezen. »Uw vader stond dikwijls met dit dier mij ter zijde, wanneer wij jacht maakten op everzwijnen.”
Paäker knikte. De bevelhebber echter, in het trotsch gevoel van zijne positie en waardigheid, begon opnieuw, zonder erop te letten dat het bloed den gids naar het hoofd steeg en zijne wangen kleurde: »Toen de hond op den grond lag, sloeg de waaghals u de zweep uit de hand.”
»De strijd heeft toch geene aanleiding gegeven tot rustverstoring?” vroeg Ameni ernstig.
»Neen,” zeide de bevelhebber. »Het feest van heden is overigens bijzonder rustig afgeloopen. Als niet het ongelukkig interval met dien waanzinnige Paraschiet de processie had gestoord, dan zouden wij de volksmenigte over hare houding slechts kunnen prijzen. Behalve den vechtlustigen priester, dien wij u hebben uitgeleverd, zijn er enkel een paar dieven opgebracht. Zij behoorden allen tot de caste258, daarom ontnamen wij hun alleen het geroofde, en lieten ze verder loopen. – Maar zeg mij toch eens, Paäker, welke vriendelijke geesten zijn er in u gevaren dat gij dien vlegel ongestraft de wijk liet nemen?”
»Hebt gij dat waarlijk gedaan?” riep de oude Gagaboe. »Gewoonlijk toch is haat uw handwerk…”
Ameni wierp den grijsaard zulk een verwijtenden blik toe, dat hij zweeg. Hij vroeg daarop den Mohar: »Hoe ontstond deze strijd, en wie was die jongen?”
»Onbeschaamd volk,” antwoordde Paäker, »wilde zijn schuitje met geweld aan de landingsplaats brengen, vóor de boot waarop mijne moeder wachtte. Ik verdedigde mijn recht. Toen viel die knaap mij aan, en sloeg mijn hond dood. Ja, bij mijn Osirischen vader, die het dier liefhad, de krokodillen zouden hem al lang hebben verslonden, wanneer niet eene vrouw zich geplaatst had tusschen hem en mij, en zich had doen kennen als Bent-Anat, de dochter van Ramses. Zij was het in eigen persoon, en de knaap de jonge prins Rameri, dien gij gisteren uit dit huis hebt gebannen.”
»Oho,” riep de oude jachtmeester, »oho, mijnheer de Mohar, spreekt men zoo van de kinderen des konings?”
Ook andere beambten, die den pharao aanhingen, gaven duidelijk hun ongenoegen te kennen. Doch Ameni fluisterde den gids toe: »Zwijg voor het oogenblik!” Daarop zeide hij overluid: »Het wegen van woorden, mijn vriend, was nooit uw zaak en heden spreekt gij naar ’t mij toeschijnt, als iemand die de koorts heeft. Kom hier Gagaboe, onderzoek Paäkers wond, waarover hij zich niet behoeft te schamen, want een koningszoon heeft hem geslagen.”
De grijsaard maakte de zwachtels los, die de sterk gezwollen hand van den Mohar omgaven, en riep: »Die slag is duchtig aangekomen! Drie vingers zijn gebroken, en bovendien, zie maar, de smaragd van uw zegelring.”
Paäker zag naar zijne pijnlijke vingers en haalde weder vrij adem, want niet zijn orakelring met den naam van Thotmes III was verbrijzeld, maar de kostbare ring, dien de regeerende koning eens aan zijn vader had geschonken. In de gouden kast hingen nog maar enkele splinters van den vlak geslepen zegelsteen. De naam des konings was met de ontbrekende stukken op den grond gevallen en verdwenen. Paäkers bleeke lippen bewogen zich weer en eene stem in zijn binnenste riep hem toe: »De goden wijzen u den weg! De naam is vernietigd; hij die hem droeg moet volgen!”
»Jammer van den ring,” zeide Gagaboe; »en als de hand niet denzelfden weg op zal gaan, – gelukkig is het maar de linker – raad ik u niet meer te drinken en u naar den arts Nebsecht te laten brengen, met verzoek de gebrokene beentjes te zetten en te verbinden.”
Paäker stond op en nam afscheid, nadat Ameni hem den volgenden dag in het Seti-huis en de stadhouder hem in het paleis had genoodigd.
Zoodra de deur zich achter den gids had gesloten, zeide de schatmeester van het Seti-huis: »Dat was een kwade dag voor den Mohar, die hem misschien leeren zal, dat men er hier in Thebe niet op los kan trekken, gelijk in het veld. Er is heden nog wat anders met hem gebeurd. Wilt gij het hooren?”
»Vertel het ons,” riep een zijner dischgenooten.
»Gij kent den ouden Seni,” zoo begon de schatmeester. »Hij was een rijk man, maar gaf al wat hij bezat aan de armen, toen hij zijne zeven bloeiende zonen, den een na den ander, in den krijg of door ziekten verloren had. Hij behield voor zich niet meer dan een klein huisje met een tuintje en zeide, dat hij zich wilde erbarmen over de verlatenen hier op aarde, gelijk de goden zich over zijne kinderen in de andere wereld zouden ontfermen. Spijst de hongerigen, drenkt de dorstigen, kleedt de naakten, zegt de wet259, en daar Seni niets meer heeft weg te geven, trekt hij, zoo gij weet, zelf honger en dorst lijdende en ter nauwernood gekleed, de stad door en naar elke plaats waar feest wordt gevierd, bedelende voor zijne aangenomen kinderen, de armen. Wij hebben hem allen wat gegeven, want ieder weet voor wie hij zich vernedert en de hand houdt uitgestrekt. Heden trok hij weder met zijn zakje rond, en smeekte met zijne goedige oogen om een aalmoes. Paäker heeft ons op dit feest een kostelijk stuk land gegeven, en meent nu, misschien te recht, dat hij het zijne heeft gedaan.”
»Toen Seni hem aansprak, beval hij hem heen te gaan. De oude man hield echter niet op te smeeken, en volgde hem onafgebroken tot aan het graf zijns vaders, terwijl vele lieden hen naliepen. Daar voer de gids hevig tegen hem uit, wees hem nog eens af, en toen de bedelaar het waagde hem bij zijn kleed te grijpen, hief hij zijne zweep op en sloeg den armen man twee, ja, driemaal, roepende: ‚Daar heb je wat je toekomt!’ De oude man hield zich geduldig en bedaard, en zeide, terwijl hij zijn zakje opendeed, met betraande oogen: ‚Mijn deel heb ik dus ontvangen; maar nu mijne armen!’”
»Ik stond er bij, toen dit plaats had, en zag hoe Paäker zich ijlings in het graf terugtrok, en hoe zijne moeder Setchem aan Seni haar vollen buidel toewierp. Haar voorbeeld werd door anderen gevolgd, en de oude heeft nooit zoo’n rijken oogst gehad als heden. De armen mogen den Mohar wel dankbaar zijn! Eene groote massa volk vatte post voor zijne groeve, en het zou slecht met hem zijn afgeloopen, als de politie-wacht de menigte niet uit elkaar had gedreven.”
Dit verhaal werd natuurlijk met grooten bijval aangehoord. Want niemand is zoo zeker van de algemeene instemming, als hij die de nederlaag kan vertellen van een overmoedige, dien men niet liefheeft. Intusschen hadden de stadhouder en de opperpriester druk met elkander gefluisterd.
»Het is derhalve aan geen twijfel onderhevig,” zeide Ameni, »dat Bent-Anat het feest heeft bijgewoond.”
»En zij liet zich opnieuw in met den priester, dien gij altijd zoo warm verdedigt,” fluisterde de ander.
»Pentaoer zal nog dezen nacht verhoord worden,” antwoordde de opperpriester. »Reeds worden de schotels weggenomen en het drinkgelag begint. Laten wij opbreken en den dichter een bezoek brengen.”
»Wij missen thans getuigen,” hernam Ani.
»Die hebben wij niet noodig,” verzekerde Ameni. »Hij kan niet liegen.”
»Nu, breek dan op,” zeide de stadhouder lachend, »want ik ben waarlijk ook nieuwsgierig naar dezen blanken neger, en wil wel eens weten hoe hij met de waarheid zal omspringen. Gij vergeet echter, dat hier eene vrouw in het spel is.”
»Dat is altijd het geval,” antwoordde Ameni. Hij riep Gagaboe bij zich, droeg zijn zetel aan hem over, en verzocht hem om aan het gesprek eene vroolijke wending te geven, de gasten aan te moedigen om duchtig te drinken, en elk onderhoud over den koning, den staat en den krijg af te snijden. »Gij weet,” zoo besloot hij, »dat wij heden niet onder ons zijn. Wat heeft de wijn niet reeds doen verraden! Wees daaraan indachtig! Zich aan anderen te spiegelen, leert voorzichtigheid!”
De stadhouder Ani klopte den oude op den schouder en zeide: »Er zal heden een bres gemaakt worden in uwe wijnschuren. Men zegt van u, dat gij nooit een leeg glas, en ook geen vol kunt zien! Welnu, vier heden aan uw tegenzin tegen beiden den vrijen teugel, en wanneer gij meent dat het tijd is, wenk dan mijn hofmeester, die daar in den hoek zit. Hij heeft eene kruik van het edelst druivennat van Byblos260 van de overzijde medegebracht en zal u daarvan schenken. Ik kom nog weder om u goeden nacht te zeggen.”
Ameni was gewoon bij het begin van drinkgelagen zich te verwijderen. Toen de deur achter hem en den stadhouder gesloten was, werden nieuwe rozenkransen om den hals der gasten gelegd, lotusbloemen boven op hun hoofd gestoken en de bekers opnieuw gevuld. Er verschenen eenige muzikanten, die op harpen, luiten, fluiten en handtrommels, vroolijke deuntjes speelden. De directeur gaf de maat aan met in de handen te klappen en naarmate de gasten opgewondener werden, hielpen zij door gelijkmatige slagen mede. De levendige Gagaboe handhaafde zijn roem als lustig drinker en leider van eene drinkpartij. Weldra straalden de ernstige priestergezichten van uitgelaten vreugde, en krijgslieden, zoowel als hofbeambten deden hun best elkander de loef af te steken in dartele scherts.
Nu wenkte de grijsaard, en dadelijk verscheen een jeugdig, met kransen getooid tempeldienaar, die een rijk verguld mummiebeeldje bracht. Hij gaf het rond in den kring en riep: »Ziet dit beeld! Weest vroolijk en drinkt, zoolang gij op aarde wandelt, want eerlang zult gij aan deze mummie gelijk zijn”261.
Gagaboe wenkte nog eens, en nu bracht de hofmeester van den stadhouder den edelen wijn van Byblos. Men prees den milden gever, Ani, en roemde den geurigen smaak van dezen kostelijken drank.
»Zulke wijn,” riep de anders zoo bijzonder ernstige overste der Pastophoren, »is als de zeep”262.
»Welk eene wonderlijke vergelijking!” zeide Gagaboe, hartelijk lachende. »Dat moet gij nader verklaren!”
»Wel,” hernam de ander, »hij wascht de zorgen der ziel weg.”
»Bravo, mijn vriend!” riep de oude. »Nu moet ook ieder den roem van dit heerlijk druivensap met een woord prijzen. Kom gij, eerste profeet van den Amenophis-tempel, maak maar een begin.”
»De zorg is vergif,” sprak hij, »en de wijn is het tegengif tegen het gif der zorg.”
»Heel goed! Nu verder! De beurt is aan u, geheimraad des konings!”
»Elk ding heeft zijn geheim,” sprak de beambte, »en het geheim van dezen wijn is de vreugde.”
»Nu aan u, zegelbewaarder!”
»De wijn grendelt de deuren der droefheid, en sluit de poorten der zorgen!”
»Ja, dat doet hij, dat doet hij zeker! Nu gij, eerwaarde gouverneur van Hermonthis, die van ons allen de oudste zijt!”
»De wijn rijpt eigenlijk alleen voor ons oudjes, en niet voor u, jong volk!”
»Dat zult ge ons nader verklaren,” klonk een stem van de tafel der krijgslieden.
»Hij maakt,” zeide de tachtigjarige lachend, »van grijsaards jongelingen, maar van jongelingen kinderen.”
»Die kaatst moet den bal verwachten, gij jongens!” riep Gagaboe. »Uw spreuk, overste der Horoscopen!”
»De wijn is vergif,” sprak de knorrige priester, »want hij maakt wijzen tot gekken.”
»Dan hebt gij, helaas, weinig van hem te vreezen,” antwoordde Gagaboe ondeugend. »Verder, jachtmeester!”
»De rand van den beker,” sprak deze, »is als de lippen onzer geliefde. Raakt men hem aan, en bevochtigt de wijn onze tong, dan kust ons de bruid.”
»Veldoverste, de beurt is thans aan u!”
»Ik wenschte dat de Nijl in plaats van water zulk een wijn inhield,” riep de krijgsman, »en dat ik zoo groot was als de kolos van Amenophis, en dat Hatasoe’s grootste obelisk263 mijn drinkglas was, en dat ik drinken mocht zooveel ik maar wilde. Laat ons nu, eerwaarde Gagaboe, ook uw spreuk hooren tot lof van den wijn.”
De tweede profeet hief zijn beker omhoog, bekeek met welgevallen het gulden vocht, slurpte het langzaam op, en zeide toen met ten hemel geslagene oogen: »Ik vrees dat ik te nietig ben om de verheven goden voor zulk eene weldaad te danken.”
»Goed gesproken!” riep de stadhouder Ani, die tot de gasten was teruggekeerd, zonder dat ze hem opgemerkt hadden. »Wanneer mijn wijn spreken kon, dan zou hij u danken, voor hetgeen gij van hem gezegd hebt.”
»Heil den stadhouder Ani!” riepen de drinkers, en hieven hunne schalen omhoog, die met zijn edel vocht gevuld waren.
Hij beantwoordde dien dronk, stond daarna op en riep: »Wie uwer deze wijn heeft geproefd, dien noodig ik morgen aan mijne tafel. Dáar zal hij hem wedervinden, en blijft dit druivennat hem dan nog altijd smaken, zoo zal hij mij als gast elken avond recht welkom zijn! Goeden nacht thans mijne vrienden!”
Een daverend gejuich klonk hem achterna.
De morgen begon reeds te schemeren, toen de gasten de zaal verlieten. Daar waren maar weinigen, die hun weg alleen konden vinden. De meesten werden gewoonlijk opgenomen door hunne slaven, die hen stonden te wachten, ze als balken op hunne hoofden droegen en zoo naar de draagstoelen brachten, om ze naar huis te voeren. Doch heden werden hun slaapplaatsen in het Seti-huis ingeruimd, want er was een schrikkelijk onweder losgebroken.
Terwijl de gasten de bekers omhoog hieven en hunne vreugde steeds hooger klom, was Pentaoer, weinige uren te voren als gevangene opgebracht, in tegenwoordigheid van den stadhouder verhoord. Ameni’s boden hadden den priester geknield gevonden en zoo diep in gedachten verzonken, dat hij hen zelfs niet hoorde naderen. Zijne zielsrust was geweken; zijn gemoed was in oproer en het wilde hem maar niet gelukken kalm over alles na te denken, en tot klaarheid te komen omtrent dat nieuw onstuimig leven in zijn binnenste. Tot dusver had hij zich nooit ter ruste gelegd, zonder zich rekenschap te geven van den afgeloopen dag, en het was hem gemakkelijk gevallen in zijn doen en laten nauwkeurig het goede van het kwade te onderscheiden. Maar heden vertoonden zich voor zijne terugziende oogen niet anders dan verwarde beelden. Als hij moeite deed ze van elkander te scheiden en te ordenen, zag hij de gestalte van Bent-Anat, die zijn hart en zijne zinnen aan banden legde.
Zijne vreedzame hand had zich tegen zijne medemenschen opgeheven en bloed vergoten. Hij wilde zich overtuigen dat hij slecht had gehandeld en berouw gevoelen; doch het was hem niet mogelijk, want zoo vaak hij zichzelven verwijten deed en veroordeelde, zag hij de hand van den soldaat in het haar van het meisje, en het oog van de prinses, dat zijne handelwijze billijkte, ja van bewondering sprak. En hij moest voor zichzelven erkennen, dat hij goed had gehandeld, en morgen in gelijke omstandigheden weder hetzelfde zou doen. Tegelijk begreep hij echter, dat hij de hem door de beschikking der goden gestelde grenzen aan alle zijden had overschreden, en het scheen hem toe, als zou het hem nimmer weder gelukken zich te huis te gevoelen in het stille, beperkte en vreedzame leven van weleer.
Deze vergelijking is zuiver Oostersch. Kisrâ noemde den wijn „de zeep der zorg.” Ofschoon den Mohamedanen de wijn verboden was, hebben zij toch de heerlijkheid van het druivennat, niet minder dan de gasten van het Seti-huis, geroemd. Zoo zegt Abdelmâlik ibn Sâlih Hâschimî: „Het uitnemendste waarmede de wereld zich verheugt, is de wijn.” Gâhiz zegt: „De wijn, wanneer hij in uwe beenderen dringt en door uwe leden vloeit, verleent u de waarheid van het gevoel en de volmaking der ziel; hij maakt uw geest buigzaam, neemt alle beklemdheid weg, veredelt uwe stemming;” enz. Toen men Ibn Aischah van iemand vertelde, dat hij geen wijn dronk, zeide hij: „De wereld heeft dien man reeds driemaal verstooten.” Ibn el Moe tazz zong:
„Zorg niet of de tijd blijft dralen, of wel rusteloos verder gaat!Klaag alleen den wijn uw kommer, als hij schuimend voor u staat.Hebt gij driemaal reeds gedronken, zoo behoed vooral uw hart,Zal de vreugd het niet ontvlieden en u blijven alle smart.Dit is de een’ge welbeproefde aller zorgen artsenij;Daarom hoor toch wat ik rade, wetend wat u dienstig zij.Zorg niet, want hoe menig wenschte d’armen, droeven menschengeestVan zijn zwaren last te ontheffen – ’t Is al vruchteloos geweest!”
[Закрыть]
