Читайте только на Литрес

Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.

Kitabı oku: «Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam», sayfa 18

Yazı tipi:

Hoofdstuk V.
De Reuzen-Legerplaats

I

Eenigen tijd later zat Redwood in een trein die zuidwaarts over den Theems ging. Hij zag in het voorbijgaan even de rivier, die schitterde onder de lichten, en de rook die nog opsteeg van de plaats op den noordelijken oever waar de granaat neergekomen was, en waar een groote menigte mannen aan het werk gezet was om de Herakleophorbia uit den grond te branden.

De zuidelijke oever was duister, en om den een of anderen reden waren de straten zelfs niet verlicht, en het eenige wat duidelijk zichtbaar was, waren de omtrekken der hooge alarm-torens en de duistere massa’s van bovenverdiepingen en scholen, en na een minuut lang naar buiten gegluurd te hebben ging hij met den rug naar het raampje zitten en verzonk in gepeins. Er was niets meer te doen of te zien vóór hij de zonen zag…

Hij was moe van de spanning der laatste twee dagen. Het leek hem toe dat zijne emoties nu uitgeput moesten zijn, doch hij had zich versterkt met sterke koffie voor hij op weg ging en nu dacht hij weder helder. Hij dacht na over velerlei dingen. Hij ging nog eens na, – doch nu in het licht van de gebeurtenissen die voorgevallen waren – , de wijze waarop het Voedsel het eerst in de wereld was gekomen en hoe het zich ontwikkeld had.

„Bensington meende, dat het een uitstekend Voedsel voor kleine kinderen zou zijn,” fluisterde hij bij zich zelven, flauwtjes glimlachend. En toen kwam in zijn brein weder op, alsof hij nog onbeslist was, de pijnigende twijfel nadat hij het Voedsel aan zijn eigen kind gegeven had. En hierna, met een stagen, niet aarzelenden gang, niettegenstaande elke poging der menschen om het te bevorderen of het tegen te houden, had het Voedsel zich verspreid over de geheele menschenwereld. En nu?

„Al dooden zij hen allen,” fluisterde Redwood, „dan is de zaak tòch geschied.”

Het geheim van het maken ervan, was nu heinde en ver bekend. Dit was zìjn werk geweest. Planten, dieren, een menigte ontzettend-sterk groeiende kinderen zouden onwederstaanbaar samenspannen om de wereld te dwingen toch weder tot het Voedsel terug te keeren, wat er ook uit den huidigen strijd mocht voortvloeien. „De zaak is niet meer te veranderen,” zei hij, terwijl zijn geest, niettegenstaande alle pogingen om het te verhinderen, toch weder begon na te denken over het tegenwoordige lot der Kinderen en dat van zijn zoon. Zou hij hen uitgeput vinden van de vermoeienissen van den strijd, gewond, omkomend van honger, op het punt verslagen te worden, of zou hij hen nog krachtig en vol hoop vinden, gereed voor den nog meer verwoeden strijd van morgen?.. Zijn zoon was gewond! Doch hij had een boodschap gezonden!

Hij begon weder te denken over zijn interview met Caterham.

Hij werd uit zijne overpeinzingen opgeschrikt door het stoppen van den trein aan het station te Chislehurst. Hij herkende de plaats aan den reusachtigen ratten-alarmtoren die op den top van den heuvel te Camden stond, en de rij bloeiende reuzen-klavers die langs den weg groeiden.

Caterhams privaat-secretaris kwam naar hem toe uit het andere rijtuig en zei hem, dat de lijn een half uur verder opgebroken was, en dat het overige der reis afgelegd zou moeten worden in een auto. Redwood stapte uit, op het perron, dat slechts verlicht werd door een handlantaarn en waarover de nachtwind koel aanwoei. De stilte van deze verlaten, met hout begroeide, en door onkruid overdekte buitenwijk – want al de bewoners hadden den vorigen dag de wijk genomen naar Londen, zoodra de strijd een aanvang nam – was indrukwekkend. Zijn geleider voerde hem den trap af naar de plaats waar een automobiel stond te wachten met helle lantaarns aan – de eenige lichten die te zien waren – beval den chauffeur goed zorg voor hem te dragen en zei hem vaarwel.

„Zult u uw best voor ons doen?” zei hij, zijns meesters wijze van optreden zoo getrouw mogelijk nabootsend, terwijl hij Redwood’s hand gevat hield.

Zoodra Redwood goed in het bont gestopt was, reden zij het nachtelijk duister in. Een oogenblik stond de auto stil en toen vloog hij zacht en snel het stationsplein af. Zij draaiden een hoek om en daarna nog een, volgden de kronkelingen van een met villa’s afgezette laan en toen lag de weg voor hen. Het gesnor van den auto klonk al luider en luider, tot hij zijn grootste snelheid bereikt had en de donkere nacht vloog hen voorbij. De geheele omgeving lag zeer duister onder het licht der sterren uitgespreid en het gansche drukke leven lag daar, geheimzinnig stil, volkomen geluidloos. Er voer geen zuchtje door de boomen en struiken waar zij langs vlogen; de verlaten, bleek-witte villa’s aan weerszijden, met hunne donkere vensters waarachter geen licht brandde, deden hem denken aan het geruischlooze voorbijtrekken van een processie skeletten. De chauffeur naast hem was een zwijgzaam man, of misschien dat hij zich niet tot spreken geneigd voelde door de omstandigheden van den tocht. Hij antwoordde op de korte vragen van Redwood met monosyllaben en tamelijk barsch. Langs de zuiderlucht schoten geruischloos zoeklichten; de eenige vreemde teekenen van leven in die geheele verlaten wereld, die zich overal om de voortsnellende machine uitstrekte.

Een oogenblik later stonden er overal langs den kant van den weg reusachtige sleedoorn-twijgen die het erg donker maakten, en dan stonden er nog hoog gras en pijpkruid, reusachtige doove netels, zoo hoog als boomen, wier duistere silhouetten boven hunne hoofden voorbijschoten. Toen zij Keston voorbij waren, kwamen zij aan een heuvelhelling en reed de chauffeur langzamer. Toen hij den top bereikt had, stopte hij. De machine dreunde en zweeg. „Daar,” zei hij, en zijn groote gehandschoende hand schoof al wijzend, als een zwarte vormlooze massa voor Redwood’s oogen.

Hij meende in de verte de groote schans, gekroond door den gloed waaruit de zoeklichten schoten, tegen de lucht te zien afsteken. Deze stralen kwamen en gingen tusschen de wolken en het heuvelland om hen heen alsof zij geheimzinnige tooverformules trokken.

„Verder weet ik niet,” zei de chauffeur eindelijk en het was duidelijk dat hij bang was verder te gaan.

Daar schoot een zoeklicht uit de lucht naar hen neer, bleef plotseling, als met schrik, staan, bekeek hen nauwkeurig, een verblindende blik die nog eerder verscherpt dan verzacht werd door den stengel van het een of ander reuzen-onkruid, dat zich tusschen hen en dit licht plaatste. Zij zaten daar met hunne handschoenen voor de oogen, trachtende er onderdoor te kijken, tegen het licht in.

„Rij door,” zei Redwood na eenigen tijd.

De chauffeur aarzelde nog steeds; hij trachtte zijn aarzeling onder woorden te brengen, doch het eenige wat hij zeggen kon was: „verder weet ik niet.”

Eindelijk waagde hij het verder te gaan. „Nou, vooruit dan maar,” zei hij, en bracht weder leven in zijn machine, zorgvuldig gevolgd door dat groote helle oog.

Het leek Redwood geruimen tijd toe dat zij niet langer op aarde waren, doch in een toestand van zenuwachtigen haast door een lichtende wolk schoten. Tuf, tuf, tuf, tuf, ging de machine en telkens – gehoorzamend, ik weet niet aan welke zenuwachtige aandrift – liet de chauffeur zijn hoorn toeteren.

Zij schoten de welkome duisternis eener met hooge schuttingen afgezette laan in, een vallei binnen, en zoo voorbij eenige huizen weder in dat verblindende licht. Toen liep de weg een tijdlang over een onbegroeiden heuvel, en zij schenen dreunend in de oneindige ruimte te hangen. Toen vertoonde zich weder reuzen-onkruid om hen heen en schoot langs hen. En toen stond er plotseling vlak voor hen de gestalte van een reus, helder blinkend waar liet zoeklicht van onderen op hem viel en donker afstekend tegen de lucht daarboven. „Hallo daar!” riep hij. „Stop! verder gaat de weg niet… Is dat Vader Redwood?”

Redwood stond op en schreeuwde flauwtjes ten antwoord, en toen stond Cossar plotseling naast hem op den weg, zijne beide handen stevig drukkend en hem uit den auto trekkend.

„Hoe is ’t met mijn zoon?” vroeg Redwood.

„O, goed,” zei Cossar. „Hèm hebben ze niet erg geraakt.”

„En jouw eìgen jongens?”

„Goed in orde, allemaal. Maar ’t is een warm dagje geweest gisteren.”

De reus zei iets tot den chauffeur. Redwood ging op zij toen de auto omdraaide en toen verdween Cossar plotseling, alles verdween, en hij stond een tijd lang in absolute duisternis. Het zoeklicht volgde den auto weder terwijl deze terugreed naar den top van den heuvel van Keston. Hij zag het kleine rijtuig zich verwijderen temidden van dien witten stralenkrans. En het eigenaardige van de zaak was dat het net was alsof het voertuig zelf stilstond en de stralenkrans zich voortbewoog. Een groep, door den krijg gehavende, reuzen-elzen werd plotseling zichtbaar met hunne grillige verkoolde takken, en werd weder verzwolgen door de duisternis… Redwood wendde zich weder naar de duidelijk-zichtbare gestalte van Cossar en drukte hem de hand: „Ze hebben me opgesloten en van alles totaal onwetend gehouden, twee volle dagen lang,” zei hij.

„Wij vuurden het Voedsel op hen af,” zei Cossar. „Ligt voor de hand! Dertig schoten. Hè!”

„Ik kom van Caterham.”

„Dat weet ik.” Hij lachte en er klonk iets bitters in dien lach. „Ik vertrouw dat hij bezig is ’t op te vegen, he?”

II

„Waar is mijn zoon?” zei Redwood.

„O, daar is alles mee in orde, hoor. De Reuzen wachten op je boodschap.”

„Jawel, maar mijn jongen – ”

Hij ging met Cossar een lange, hellende tunnel af die een oogenblik rood verlicht en toen weder duister werd, en uitkwam op de groote veilige groeve die de reuzen gemaakt hadden.

Redwood’s eerste indruk was die van een enorme arena, die omzet was met heel hooge rotsen, en welker vloer bestrooid was met allerlei dingen. Het eenige licht dat dit alles deed zien was het schijnsel der zoeklichten die voortdurend hoog over de groeve heenschoten, en een gloed die nu eens aanlaaide dan weder verflauwde, vanuit een hoek, waar twee reuzen samen werkten temidden van metaal-geklank. Toen deze gloed weder oplaaide zag hij tegen de lucht de bekende omlijningen der oude werkloodsen en speelgebouwen die daar gemaakt waren voor de jongens van Cossar. Zij hingen nu, als het ware, aan den rand van een rots, en waren eigenaardig vervormd en gehavend door het bombardement van Caterham’s geschut. Hij zag daar boven iets dat op stellingen voor reusachtig geschut geleek, en dichter bij lagen groote pyramiden kolossale cylinders opgestapeld die misschien ammunitie voorstelden. Over de geheele ruime uitgestrektheid beneden lagen groote machinerieën en massa’s, waarvan hij het gebruik niet kon gissen, in wanorde door elkaar. De reuzen verschenen en verdwenen weder tusschen deze massa’s en in het onzekere licht; allen groote gestalten doch niet buiten verhouding met de dingen waartusschen zij zich bewogen. Enkelen waren druk bezig, anderen zaten en lagen alsof zij den slaap zochten, en een, die zich vlak bij Redwood bevond en wiens lichaam verbonden was, lag op een ruw leger van dennetakken en sliep vast.

Redwood keek verbaasd naar deze nauwelijks te onderscheiden gedaanten; zijn oogen dwaalden van den eenen bewegenden omtrek naar den anderen.

„Waar is mijn jongen, Cossar?”

En toen zag hij hem.

Zijn zoon zat in de schaduw van een grooten stalen muur. Hij was niet anders dan een groote zwarte gedaante, slechts te herkennen aan zijn houding – zijn gelaat was onzichtbaar. Hij zat met de kin in de hand, alsof hij moê of in gedachten verdiept was. Naast hem ontdekte Redwood de gestalte der Prinses, of liever, hij meende uit de donkere gestalte die naast zijn zoon stond, te kunnen opmaken dat zij het was, en toen, toen de gloed van het ijzer, een eind verder, weder oplichtte, zag hij een oogenblik haar rood-verlichte zachte gezicht. Zij keek op haren minnaar neer, terwijl haar hand tegen het staal van den muur rustte. Het scheen dat zij tot hem fluisterde.

Redwood wilde naar hen toe gaan.

„Straks,” zei Cossar. „Eerst je boodschap.”

„Ja,” zei Redwood, „maar – ”

Hij hield plotseling op. Zijn zoon keek nu op en zei wat tot de Prinses, doch te zacht om het te verstaan. De jonge Redwood hief zijn gezicht op en zij boog zich tot hem over, en wendde haar gelaat af voor zij begon te spreken.

„Maar als wij nu eens verslagen worden,” hoorde hij de stem van zijn zoon fluisteren.

Zij zweeg even, en de roode gloed liet haar oogen zien die glansden van ongestorte tranen. Zij boog zich nog meer naar hem over en sprak nog zachter. Er was iets zóó intiems en innigs in hun houding, in hun fluisteren, dat Redwood – Redwood die twee dagen lang aan niets anders dan zijn zoon gedacht had – zich hier te veel voelde. Hij bleef plotseling staan. Voor het eerst in zijn leven misschien besefte hij, hoeveel méér een vader zijn zoon kan liefhebben dan een zoon ooit zijn vader; hij besefte ten volle de heerschappij der toekomst over het verleden. Tusschen deze twee was geen plaats voor hem. Hij had zijn rol gespeeld. Hij wendde zich tot Cossar, terwijl dit besef hem nog vasthield. Hunne oogen ontmoetten elkaar. Zijn stem klonk nu heel anders met een toon van kleurlooze vastbeslotenheid erin.

„Ik wil mijn boodschap nù afleveren,” zei hij. „Daarna – …Dan kan ’t altijd nog wel.”

De groeve was zoo enorm en lag zoo bezaaid met allerlei, dat de weg naar de plaats vanwaar Redwood de Reuzen kon toespreken, lang en kronkelig was,

Hij en Cossar volgden een steil afgaanden weg die onder een boog van inelkaar sluitende machinerieën doorliep, en kwamen zoo in een groote diepe verschansing die dwars over den bodem der groeve liep. Deze verschansing, breed en ledig, en toch betrekkelijk smal, droeg er, met al het verdere om hem heen, toe bij om Redwood’s gevoel van eigen kleinheid nog te verhoogen. Het begon hem als het ware een uitgegraven keel toe te lijken. Hoog boven zijn hoofd, van hem gescheiden door duistere rotsen, flikkerden en schenen hel de zoeklichten en de blinkende gedaanten gingen af en aan. Reuzen-stemmen riepen elkander daar boven toe, riepen de Reuzen ten Krijgsraad, om de voorwaarden te hooren die Caterham gesteld had. De verschansing helde steeds verder naar donkere ruimten, naar schaduwen en mysteriën en niet te begrijpen dingen, waarin Redwood langzaam afdaalde met aarzelende schreden en Cossar met vastberaden tred als van een, die dit alles reeds kende…

Redwood’s gedachten gingen over allerlei dingen.

De beide mannen waren nu in de diepste duisternis gekomen, en Cossar vatte zijn metgezel bij den pols. Zij waren nu wel gedwongen langzaam voort te gaan.

Redwood voelde zich gedrongen te spreken.

„Dit alles is heel vreemd om te zien,” zei hij.

„Groot,” zei Cossar.

„Vreemd. En het is vréémd dat het mij vreemd toeschijnt – mij, die, tot op zekere hoogte, de schepper van dit alles ben. Het is – ”

Hij zweeg, trachtende zijn bedoeling duidelijk te maken, en maakte een gebaar naar de klip boven, dat de ander door de duisternis niet kon zien.

„Ik heb er nooit zoo aan gedacht. Ik heb het druk gehad en de jaren zijn omgevlogen. Maar hier zie ik – Het is een nieuw geslacht, Cossar, met nieuwe aandoeningen en nieuwe behoeften. Dit alles, Cossar – ”

Cossar zag nu zijn onduidelijk gebaar naar de dingen om hen heen.

„Dit alles is de Jeugd.”

Cossar gaf geen antwoord, en zijn onregelmatige schreden gingen voort.

„Maar ònze jeugd is het niet, Cossar. Zij hebben alles overgenomen. Zij vangen nu aan met eigen aandoeningen, eigen ondervinding en eigen levenswijze. Wij hebben een nieuwe wereld gemaakt, die de onze niet meer is. Zij is mij zelfs niet – sympathiek. Deze groote ruimte – ”

„Die heb ik ontworpen,” zei Cossar, met strak gezicht.

„Maar nù?”

„Ah, ik heb haar aan mijn jongens gegeven.”

Redwood kon den lossen zwaai van den arm dien hij niet zien kon, voelen.

„Juist, zoo is het. Wij hebben onzen tijd uitgediend – of tenminste bijnà.”

„Je boodschap!”

„Ja. En dan – ”

„Is ’t gedaan met ons.”

„Nu – ? Natuurlijk staan wij buiten dit alles, wij twee oudjes,” zei Cossar, met den welbekenden klank van plotselingen toorn in zijn stem. „Natuurlijk. Ligt voor de hand. Een ieder op zijn tijd. En nu – is het hùn tijd om te beginnen. Natuurlijk. Wij doen wat we doen moeten en dan gaan we heen. Snap je? Daar is de dood voor. Wij verwerken ons kleine verstand en onze kleine emoties en dan beginnen die na ons komen opnieuw. Met frisschen moed! Heel eenvoudig, niet waar? En wat is daar niet goed in?”

Hij zweeg even om Redwood naar een trap te leiden.

„Ja,” zei Redwood, „maar ik voel toch – ”

Hij voltooide den zin niet.

„Daar is de Dood voor.” Hij hoorde ’t Cossar beneden zich nogmaals met overtuiging zeggen: „Hoe zou ’t ànders met de wereld moeten gaan? Dààr is de Dood voor.”

III

Na veel gedaal en geklim kwamen zij uit op een vooruitstekenden rand, vanwaar het mogelijk was het grootste gedeelte van de groeve der Reuzen te overzien, en vanwaar Redwood zich verstaanbaar kon maken voor de geheele vergadering. De Reuzen waren reeds verzameld, beneden hem en op verschillende hoogten, om de boodschap te hooren die hij zou brengen. Cossar’s oudste zoon stond op den wal daarboven, gadeslaand wat de zoeklichten openbaarden, want zij vreesden dat de wapenstilstand verraderlijk zou verbroken worden. Zij die het groote instrument in den hoek bedienden, stonden daar hel verlicht door hun eigen licht; zij waren bijna geheel naakt; zij wendden hunne gezichten naar Redwood, doch keken telkens weder naar de gietvormen die zij niet konden verlaten. Hij zag degenen, die dichtbij stonden onduidelijk in het weifelende licht en zij die verder af stonden, nòg onduidelijker. Zij verschenen plotseling uit, en verdwenen weder in de diepten der duisternis, want deze Reuzen brandden niet méér licht dan absoluut noodig was in de groeve, opdat hunne oogen dadelijk elke aanvallende strijdmacht, die hen van uit de duisternis mocht bespringen, zouden kunnen zien.

Telkens als er toevallig een lichtstraal op hen viel, werd er de een of andere groep van lange reuzen-gestalten zichtbaar, de Reuzen van Sunderland gekleed in metalen platen die over elkaar heenvielen, en de anderen gekleed in leder, in gedraaid touw of in gevlochten metaal, al naar de omstandigheden hen hadden doen kiezen. Zij zaten tusschen, of lieten de handen rusten op, of stonden rechtop tusschen machinerieën en wapenen even machtig als zijzelven, en in hun aller oogen, als ze zichtbaar werden, lag vastberadenheid.

Hij probeerde te beginnen, doch kwam zoover niet. Toen, in een plotseling oplaaien van het vuur, zag hij het gelaat van zijn zoon naar hem geheven, vol liefde en toch sterk; en toen vond hij zijn stem weder om hem toe te spreken, en was het hem of hij dwars over een afgrond tot zijn zoon sprak.

„Ik kom van Caterham,” zei hij. „Hij heeft mij tot u gezonden, om u de voorwaarden die hij u aanbiedt, mede te deelen.”

Hij zweeg even. „Ik weet, dat zij onmogelijk zijn aan te nemen, nu ik u hier allen verzameld zie; het zijn onmogelijke voorwaarden, doch ik breng ze u over, omdat ik u allen wenschte te zien – en ook mijn zoon. Ik wilde mijn zoon – nog eens zien…”

„Zeg hun de voorwaarden,” zei Cossar.

„Dit is wat Caterham aanbiedt: Hij wil, dat jullie van hier gaat en zijn grondgebied verlaat!”

„Waarheen?”

„Dat weet hij nog niet. Hij zei zoo iets van „een groot terrein ergens in de wereld reserveeren… En gij moogt geen Voedsel meer maken, geen kinderen krijgen, ge moogt leven zooals ge wilt tot ge sterft, en dan is alles meteen uit.”

Hij zweeg.

„Meer niet?”

„Meer niet.”

Er volgde een diepe stilte. De duisternis die de Reuzen omhulde leek hem peinzend aan te staren. Hij voelde dat iemand zijn elboog aanraakte, en Cossar schoof hem een stoel toe – een typisch stukje poppenspeelgoed temidden van deze op elkaar gestapelde reuzen-dingen. Hij ging zitten en sloeg de beenen over elkaar, legde vervolgens het eene been dwars over de knie van het andere, en hield zenuwachtig zijn laars vast, en voelde zich erg klein en alleen, en scherp zichtbaar en belachelijk misplaatst temidden van dit alles. Toen klonk er plotseling een stem en vergat hij zichzelven weder.

„Ge hebt het gehoord, Broeders,” zei deze stem vanuit het duister.

En een tweede antwoordde: „Wij hebben het gehoord.”

„En het antwoord, Broeders?”

„Aan Caterham?”

„Is „Neen!”

„En dan?”

Er volgde een stilte van eenige seconden.

Toen zei een stem: „Deze menschen hebben gelijk. Dat wil zeggen, van hùn standpunt en naar het verstand dat zij gekregen hebben. Zij hadden gelijk alles te dooden wat grooter was dan zijzelven – dier en plant, en alle groote dingen die opschoten. Zij hadden gelijk, toen zij ons trachtten om te brengen. En ook nù hebben zij gelijk als zij zeggen, dat wij niet mogen huwen met anderen die even groot zijn als wij. Zij beseffen – en het wordt tijd, dat wij dit ook inzien – dat reuzen en dwergen niet tezamen in één samenleving passen. Caterham heeft dat telkens en telkens weder herhaald – heel duidelijk – òf aan hun of aan òns de wereld.”

„Maar wij zijn geen vijftig man sterk,” zei een ander, „en zij tallooze millioenen.”

„Dat is mogelijk. Maar het is zooals ik gezegd heb.”

Toen volgde er weder een lange stilte.

„En moeten wij dan sterven?”

„God beware ons daarvoor!”

„Zij dan?”

„Neen.”

„Maar dàt zegt Caterham! Hij wil hebben, dat wij ons leven uitleven, éen voor éen sterven, totdat er slechts één over is, en die eene zal eindelijk ook sterven, en zij zullen alle reuzen-planten en onkruid omhakken, de lager-staande reuzen-dierenwereld uitroeien, alle sporen van het Voedsel uitbranden – ook aan ons en aan het Voedsel een einde maken voor altijd. Dan eerst zal de dwergen-wereld weer veilig zijn. Zij zullen voortgaan – voor altijd veilig, – hun kleine leventjes te leven, dwergen-vriendelijkheidjes bewijzend, en dwergen-wreedheidjes begaand tegenover elkaar; ze zouden het misschien zelfs wel tot een dwergen-heilstaat kunnen brengen, een eind maken aan allen krijg, een eind maken aan overbevolking, en zich neerzetten in een de geheele wereld omvattende stad om aan dwerg-kunst te doen, elkaar vereerend tot de wereld begint te bevriezen…”

In den hoek viel een ijzeren plaat met donderend geraas op den grond.

„Broeders, wij weten wat wij willen.”

Bij een plotseling flikkeren der zoeklichten, zag Redwood ernstige jeugdige gezichten zich naar zijn zoon wenden.

„Het is nu gemakkelijk het Voedsel te maken. Wij zouden gemakkelijk Voedsel voor de geheele wereld kumnen fabriceeren.”

„Je bedoelt, Broeder Redwood,” zei een stem uit de duisternis, „dat de kleine menschjes het Voedsel moeten eten.”

„Wat valt er anders te doen?”

„Maar wij zijn geen vijftig man sterk en zij vele millioenen.”

„Maar wij hebben ons staande gehouden.’’

„Tot nu toe, ja.”

„Als God het wil, kunnen wij dit nògmaals.”

„Ja, maar denk eens aan de dooden!”

Toen vervolgde een andere stem: „De dooden. Denk aan de nog niet geborenen…”

„Broeders,” zei de stem van den jongen Redwood, „wat rest ons nog, dan hen te bevechten, en àls wij hen verslaan, hen te dwingen om van het Voedsel te eten? Zij moèten het nu wel nemen. Veronderstel, dat wij ons erfdeel zouden afstaan en dezen nonsens die Caterham ons aanbiedt, aannemen! Gesteld dat wij dit kònden! Gesteld dat wij al dit groote opgeven dat in ons leeft, en al wat onze vaders voor ons gedaan hebben, – dat gìj vader – voor ons gedaan hebt – en als onze tijd daar is, in het niet verzinken en rotten! Wat dan? Zal deze kleine wereld dan zijn zooals zij tevoren was? Zij mogen kampen tegen grootheid in ons die menschenkinderen zijn, maar zullen zij overwinnen? Zelfs al doodden zij ons een voor een, wat zou dit dan nog? Zou dit hen redden? Neen! Want er is Grootheid opgestaan, niet alleen in ons, niet alleen in het Voedsel, maar in het willen van alle dingen. Het uit zich in den aard van alles; het is een deel geworden van tijd en ruimte. Te groeien, al maar te groeien, dit is het doel – dit is de Levenswet. Welke andere wet kan daarnaast nog bestaan?”

„Om anderen te helpen?”

„Te groeien. Anderen te helpen is óók groei. Tenzij wij hen helpen te falen…”

„Zij zullen hun uiterste best doen om ons te verslaan,” zei een stem.

En weer een andere: „Wat zou dat?”

„Zij zullen vechten,” zei de jonge Redwood. „Als wij deze voorwaarden niet aannemen, twijfel ik er niet aan of zij zullen vechten. Ik hoop werkelijk, dat zij er open en rond mee voor den dag zullen komen en ons bevechten. Als zij ons bij slot van rekening vrede aanbieden, zal hun dit des te beter in staat stellen ons onverhoeds aan te vallen. Begaat geen fout, Broeders; op de een of andere wijze bestrijden zij ons tòch. De strijd is begonnen en wij moeten strijden tot het einde. Als wij niet wijs zijn, zullen wij nog bevinden, dat wij slechts geleefd hebben om hun beter wapenen tegen onze kinderen en ons geslacht in handen te geven. Tot nu toe hebben wij slechts den dageraad van den strijd gezien. Ons geheele leven zal één strijd zijn. Eenigen van ons zullen gedood worden in den strijd, anderen zullen belaagd worden. Er zal geen gemakkelijke overwinning volgen – geen overwinning, die niet half een nederlaag voor ons is. Weest daar zeker van. Doch waarom zou ons dit afschrikken? Als wij ons slechts staande houden, zoo wij slechts achterlaten een groeiende menigte, om den strijd voort te zetten als wij heengegaan zijn!”

„En morgen?”

„Zullen wij het Voedsel overal verspreiden; wij zullen de wereld verzadigen van het Voedsel.”

„En als zij eens nieuwe en meer aannemelijke voorwaarden mochten stellen?”

„Onze voorwaarden zijn het Voedsel. Nooit kunnen klein en groot naast elkander leven in een duurzamen vrede. Of het één, of het ànder. Met welk recht zouden onze ouders zeggen: „Mijn kind zal geen ander licht hebben dan ik gehad heb, zal niet grooter worden dan ik geworden ben.” Zijt gij het met mij eens, Broeders.”

Een goedkeurend gemompel antwoordde hem.

„En voor de kinderen die vrouwen zullen worden, zoowel als voor de kinderen die mannen zullen worden,” zeide een stem uit het duister.

„Méér nog – die moeders zullen worden van een nieuw geslacht…”

„Doch voor het volgend geslacht moet er nog groot en klein zijn,” zei Redwood met de oogen op het gelaat van zijn zoon gevestigd.

„Nog vele geslachten lang. En het kleine zal het groote steeds in den weg staan en het groote zal het kleine onderdrukken. Dit mòèt zoo zijn, vader.

„Er zal strijd heerschen.

„Strijd zonder einde. Eindeloos misverstand. Het geheele leven is zoo. Groot en klein kunnen elkaar niet begrijpen. Doch in elk kind dat uit menschen geboren wordt, Vader Redwood, schuilt een zaadje grootheid – dat op het Voedsel wacht.”

„Dan zal ik naar Caterham moeten gaan en hem zeggen, dat – ”

„Gij blijft bij ons, Vader Redwood. Bij het aanbreken van den dageraad gaat ons antwoord naar Caterham.”

„Hij zegt, dat hij jullie zal bevechten tot…”

„Zoo zij het,” zei de jonge Redwood, en zijne broederen mompelden goedkeurend.

„Het ijzer wacht,” mompelde een stem, en de twee reuzen die in den hoek aan het werk waren, begonnen rythmisch te hameren, wat bij dit tooneel klonk als een begeleiding van een machtige muziek. Het metaal gloeide heller dan het tevoren had gedaan, en liet Redwood het kamp duidelijker zien dan hij het tot nu toe had kunnen waarnemen.

Om hem heen stonden de jonge reuzen, torenhoog en schoon, glanzend in hun maliën, temidden der toebereidselen voor den dag van morgen. Zijn hart sprong op van vreugde toen hij hen zoo zag. Hun kracht kwam zoo gemakkelijk! Zij waren zoo groot en gracelijk! Hunne bewegingen waren zoo vast! En daar stond zijn zoon tusschen hen, met de eerste van alle reuzen-vrouwen, de Prinses naast zich…

In zijn hoofd kwam plotseling een allervreemdst contrast op, het terugdenken aan Bensington, heel levendig en klein – Bensington met zijn hand in het zachte borstdons van dat eerste groote kuiken, staande in zijn conventioneel gemeubileerde kamer, en weifelend over zijn bril heenkijkend naar Nicht Jane, die de deur dichtsmeet…

Het was alles gebeurd in een gisteren van een en twintig jaren.

Toen werd hij plotseling bevangen door een vreemden twijfel: dat deze plaats en al de grootheid die hij om zich zag, slechts een droomweefsel was; dat hij zelf droomde en straks zou ontwaken, en zich weder in zijn studeerkamer bevinden, de Reuzen vermoord, het Voedsel geheel vernietigd en hij zelf gevangen en opgesloten.

Als je daar op neer kwam; wat was het leven dan anders dan een voortdurende gevangenschap! Dit was het hoogtepunt en het einde van zijn droom. Hij zou ontwaken temidden van bloedvergieten en strijd, en zijn Voedsel het dwaaste aller hersenschimmen bevinden, en zijn hoop op en geloof aan een beter wereld zouden evenmin verwezenlijkt worden als het kleurige vliesje op een poel vol rottende stoffen. Onverwinbare kleinheid!..

En zoo hevig en diep was deze neerslachtigheid, deze vrees voor ontnuchtering, dat hij opsprong; Hij stond daar en drukte de gebalde vuisten tegen zijne oogen en bleef zoo een oogenblik staan, bang, als hij ze opende, te zien, dat de droom reeds in het niet vergaan was…

De stemmen der reuzenkinderen spraken tot elkaar, als een zachteren klank door de galmende melodie der smeden. Zijn twijfel verminderde. Hij hoorde de reuzenstemmen; hij hoorde hunne bewegingen nog om zich heen. Het was werkelijk, ongetwijfeld was het werkelijkheid – even werkelijk als spijtige daden! Inderdaad méér werkelijk, want mogelijk zijn deze groote dingen, de dingen die komen zullen; en de kleinheid, bestialiteit, en de zwakheid der menschen zijn dingen die voorbijgaan. Hij opende de oogen.

„Klaar!” riep een der twee smeden, en zij wierpen hunne hamers neer.

Er klonk een stem hoog boven Redwood. De zoon van Cossar, die op de groote aarden wal stond, had zich omgewend en sprak hun nu allen toe.

„Het is niet ons opzet om het kleine volk de wereld uit te dringen,” zei hij, „opdat wij die slechts één stap verder zijn van hun kleinheid, de wereld voor altijd zouden kunnen bezitten. Het is de trap waarlangs wij moeten opklimmen, waarvoor wij strijden, en niet voor onszelven… Hier zijn wij, Broeders, en met welk doel? Om getrouw te zijn aan het leven en het Doel waarvoor wij geboren zijn. Wij strijden niet voor onszelven – want wij zijn slechts de handen en oogen van het Leven der wereld. Dit hebt gij, Vader Redwood, ons geleerd. Uit ons, zoowel als uit het kleine volk, spreekt de Geest. En van ons moet hij, door woord, geboorte en daad overgaan – op nòg gróótere levens. Deze aarde is geen rustplaats, deze aarde is geen speelplaats; als dit zoo was, ja, dan zouden wij onze keel het mes van het kleine volkje kunnen voorhouden, daar wij dan niet méér recht om te leven zouden hebben dan zij. En dan zouden zij op hun beurt moeten onderdoen voor mieren en ongedierte. Wij strijden niet voor onszelven, doch voor den Groei – groei die steeds dóórgaat. Morgen, hetzij wij blijven leven of sterven, zal de Groei door ons overwinnen. Dat is de wet van den Geest voor altijd. Te groeien zooals God het wil! Deze spleten en holen, schaduwen en duisternis te ontgroeien, naar grootheid en licht! Grooter,” zei hij, het woord langzaam en met nadruk uitsprekend, – „steeds grooter. Al maar te groeien – . Groeien tot wij eindelijk groot genoeg zijn om bij God te leven. Groeien… tot de aarde niet meer is dan een voetbank onzer voeten… Tot de geest de vrees geheel zal verdreven hebben en zich over alles zal hebben verspreid”… Hij zwaaide zijn arm hemelwaarts: – „Daar!”

Türler ve etiketler

Yaş sınırı:
12+
Litres'teki yayın tarihi:
30 kasım 2017
Hacim:
314 s. 8 illüstrasyon
Tercüman:
Telif hakkı:
Public Domain
Metin PDF
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 5, 1 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre
Metin PDF
Ortalama puan 3,7, 3 oylamaya göre
Metin PDF
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 4, 1 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 1, 1 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre
Ses
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre
Metin, ses formatı mevcut
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre