Kitabı oku: «God redde Nederland»
Jan Kuiper
God redde Nederland
Gedenkschrift bij gelegenheid

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066401597
Inhoudsopgave
VOORBERICHT.
HOOFDSTUK I.
HOOFDSTUK II.
HOOFDSTUK III.
HOOFDSTUK IV.
HOOFDSTUK V.
HOOFDSTUK VI.
HOOFDSTUK VII.
HOOFDSTUK VIII.
HOOFDSTUK IX.
HOOFDSTUK X.
HOOFDSTUK XI.
HOOFDSTUK XII.
HOOFDSTUK XIII.
HOOFDSTUK XIV.
HOOFDSTUK XV.
HOOFDSTUK XVI.
HOOFDSTUK XVII.
HOOFDSTUK XVIII.
HOOFDSTUK XIX.
HOOFDSTUK XX.
HOOFDSTUK XXI.
HOOFDSTUK XXII.
HOOFDSTUK XXIII.
HOOFDSTUK XXIV.
HOOFDSTUK XXV.
HOOFDSTUK XXVI.
HOOFDSTUK XXVII .
HOOFDSTUK XXVIII.
HOOFDSTUK XXIX.

GEDENKNAALD EN VUURTOREN TE SCHEVENINGEN.
VOORBERICHT.
Inhoudsopgave
Op de gedenknaald te Scheveningen lezen wij aan de eene zijde: „God redde Nederland!” Onze Vaderen schreven dus de bevrijding van ons Vaderland in 1813 niet aan eigen dapperheid en beleid, maar alleen aan God toe, die den dwingeland Napoleon in eigen strikken had doen vallen en aan het verdrukte Nederland onder een Vorst uit het geliefde Stamhuis van Oranje weer een nieuw tijdperk opende van ontwikkeling, vrijheid en voorspoed.
Den 30 Nov. 1913 zal het 100 jaar geleden zijn, dat de Prins van Oranje te Scheveningen weer aan land stapte. Indien dit historische feit niet had plaats gehad, dan zou Neerland's volk op dit oogenblik niet die eervolle plaats innemen, die het thans onder de natiën inneemt. Daarom past ons dankbaarheid. Zal echter die dankbaarheid wel gevestigd en gemeend zijn, dan moeten wij ons niet slechts herinneren, hoe groot onze vernedering geweest is, maar moeten wij ook nagaan, wat wij als volk door Gods genade op het oogenblik mogen zijn. Daarom hebben wij gemeend, ons gedenkschrift niet slechts te moeten beginnen bij 30 Nov. 1813, maar bij de inlijving van ons land bij Frankrijk en te moeten doorzetten tot op den tegenwoordigen tijd.
Joel I: 3 lezen wij: „Vertelt uwen kinderen daarvan en laat het uwe kinderen hunnen kinderen vertellen en derzelver kinderen aan een ander geslacht.” In gehoorzaamheid aan dit Schriftwoord bied ik dit Geschrift aan mijne landgenooten aan. De Heere gebiede er Zijnen over, opdat het bij klein en groot dankbaarheid jegens God en liefde voor ons land en Vorstenhuis moge wekken.
J. KUIPER.
Leeuwarden, Januari 1913.
HOOFDSTUK I.
Inhoudsopgave
Nederland achter Napoleons zegekar.
Zoo was dan Nederland bij Frankrijk ingelijfd. Wat Lodewijk XIV niet was mogen gelukken, had Napoleon nu bereikt. Bij dekreet van 9 Juli 1810 gaf de groote Keizer als beweegredenen dier inlijving op:
1º. dat de vereeniging van België met Frankrijk de onafhankelijkheid van Holland voor een groot deel reeds had opgeheven;
2º. dat Holland, wel beschouwd, niets meer was dan een aanhangsel van Frankrijk, een aanslibbing der groote rivieren en dus een Fransche provincie behoorde te wezen;
3º. dat Holland, onder vele belastingen en een zware schuld zuchtende, de inlijving bij Frankrijk als eene verlossing behoorde te beschouwen.
Generaal Krayenhoff, onder Koning Lodewijk Napoleon minister van Oorlog, wilde op verlangen van zijn vorst, Amsterdam nog tegen Keizer Napoleon verdedigen, doch toen Koning Lodewijk vrijwillig afstand van den troon deed, werden alle verdedigingsplannen gestaakt, terwijl Krayenhoff zijn ontslag kreeg.

NAPOLEON BONAPARTE IN ZIJN JONGE JAREN.
Inderdaad, in zooverre sprak het decreet waarheid: met 's lands geldmiddelen was het droevig gesteld. De ambtenaren konden niet betaald worden, de renten der gesloten leeningen konden niet worden uitgekeerd. Door de inlijving werd dit alles echter niet verbeterd. Napoleon begon met de Staatsschulden slechts voor een derde deel te erkennen. Door deze tiërceering (gelijk men het noemde) kregen de bezitters van Staatsschuldbrieven slechts een derde deel der hun toekomende rente uitbetaald, waardoor vele kleine renteniers met hunne huisgezinnen tot armoede werden gebracht. De inkomsten van Godshuizen en liefdadige instellingen werden besnoeid, taal en zeden verguisd, de gezellige bijeenkomsten door politiemaatregelen beperkt. Geen uitstapje naar een bloedverwant, vriend of handelsmakker kon men ondernemen, zonder van een pas voorzien te zijn; geen kramer kon een douaan bewegen (zonder hem een belooning te geven), om zijne waren na te zien, wanneer het kantoor over een half uur of een kwartier gesloten zou worden. Duizenden, die het vroeger goed hadden, werden nu tot armoede gebracht.
Alleen de sloopers hadden druk werk en verdienden goed geld. Van 1810 tot 1813 werden alleen in den Haag 644 huizen afgebroken, die door geen andere werden vervangen. Te Amsterdam ging de bevolking in die drie jaren met 27.000 personen achteruit. Ook Delft en Haarlem gingen in zielenaantal zeer achteruit. Te Haarlem werden meer dan 500 huizen voor afbraak verkocht. En zoo ging het ook met tal van buitenverblijven of lusthoven aan den kant van de Vecht, van den Amstel en van de trekvaart naar Haarlem, of staande onder Amstelveen, Sloten of Diemen. Gedurende anderhalve eeuw waren ze als zoovele getuigen van de weelde der rijke Amsterdamsche kooplieden en fabrikanten geweest, die er des zomers het woelige stadsleven ontvloden, om er te genieten van de schoone natuur. Tal dezer lusthoven gingen in andere handen over, die er weiland of tuingrond van maakten. De dijk- en polderwerken, zoowel als de geheele waterstaat werden in die mate verwaarloosd, dat de veiligheid der lage landen in de waagschaal werd gesteld. De kweekschool voor zeevaart te Amsterdam moest al hare bezittingen in 's lands kas storten.

LEBRUN, HERTOG VAN PLAISANCE.
Ten einde de oude namen zooveel mogelijk te doen verdwijnen, werd ons land verdeeld in Departementen, die de volgende namen ontvingen: 1º. Departement van de monden van den IJsel, 2º. van den Rijn, 3º. van de Maas, 4º. van den Boven IJsel, 5º. van de Schelde, 6º. van de Wester-Eems, 7º. van de Zuiderzee, 8º. Friesland, welk departement alleen zijn naam behield.
Friesland en Corsica met eenige eilandjes in den archipel zijn de eenige landen, die „sedert de dagen der Romeinen niet van naam zijn veranderd.”
Volgens Keizerlijk Besluit van 13 Dec. 1811 vormde Holland met de Hanze-Steden, Oldenburg en een deel van Westfalen 10 Departementen, die twee gerechtshoven hadden (een te Hamburg en een in den Haag) en die 31 afgevaardigden naar het wetgevend lichaam te Parijs zonden.

GRAAF DE CELLES.
Het Keizerrijk telde nu 130 Departementen met 42 millioen inwoners. Alle koningen en vorsten op het vasteland waren, vrijwillig of gedwongen, Napoleons bondgenooten en allen, zijne bloedverwanten als de overigen, behandelde hij uit de hoogte.
Een groot gedeelte van het Fransche volk was met het bestuur van Napoleon wel ingenomen. De verwarring van vroeger, de ellende en gruwelen van het schrikbewind hadden opgehouden en voor de stoffelijke welvaart der ingezetenen werd veel gedaan. Ongeveer 600 millioen gulden was sedert Napoleons kroning in de oude Departementen aan kanalen, wegen, zeehavens, aan het droogmaken van moerassen, aan kerken, armhuizen, nuttige inrichtingen en paleizen uitgegeven, terwijl het fabriekswezen, voor vele takken althans, in een bloeienden staat verkeerde. Daarbij verblindde Napoleon door den roem en luister, die zijn naam omstraalden, velen der op glorie zoo verzotte Franschen. De heerschappij, door Napoleon over vreemde volkeren uitgeoefend, streelde de nationale ijdelheid, bood gelegenheid tot het aanstellen van duizenden ambtenaren en vergrootte de hoop, om fortuin te maken. Ontzaglijke winsten werden door 's Keizers willekeur verkregen, want Napoleon zorgde, dat zijne troepen, die de buitenlandsche Staten bezetten, door zijn vrijwillige of gedwongen bondgenooten werden onderhouden en betaald. Ook eigende hij zich de helft, of ten minste een groot deel der domeinen van de wingewesten en vasal-staten toe. Alleen uit het Koninkrijk Westfalen trok hij op deze wijze jaarlijks 2½ millioen francs en uit het Groothertogdom Warschau meer dan het dubbele. De Parijzenaars zagen hunne stad versieren niet alleen met keizerlijke instellingen, maar daarnevens met de bijeengebrachte kunstschatten en zeldzaamheden uit Brussel, Antwerpen, Luik, Gent, Amsterdam, den Haag, het Loo, Rome, Venetië, Berlijn, Keulen en tal van andere steden. Zij zagen, hoe de gekroonde Hoofden, niettegenstaande dien roof, hun Keizer als hun opperhoofd huldigden.

BARON DE STASSART.
Lebrun, prins van het Fransche rijk, hertog van Plaisance, werd door Napoleon tot Gouveneur-generaal over ons land aangesteld. In weerwil van zijn weidschen titel bezat hij toch slechts een schaduw van gezag. Hij was een grijsaard, die ons juk niet verzwaarde en hier gaarne veel goeds wilde verrichten.
Over ieder Departement werd een prefect aangesteld; deze prefecten bezaten in het land de eigenlijke macht. De Celles was prefect te Amsterdam. Hij handelde gestreng, zonder verschooning of verzachting, zonder sporen van menschelijkheid of zedelijkheid. De prefect in den Haag, De Stassart, was een bekwaam man, die echter een ijverig en trouw dienaar was van den geweldenaar, op harde wijze diens bevelen uitvoerde en daarom bij het volk zeer gehaat was. De Celles en De Stassart waren beiden Belgen.
HOOFDSTUK II.
Inhoudsopgave
In diepten van ellende.—De terechtstelling van „Frans met de kruk”.
Bij Keizerlijk Besluit van 18 Oct. 1810 werd hier de Conscriptie, of gedwongen opschrijving voor den krijgsdienst (zoowel voor de zee- als voor de landmacht), ingevoerd. Dit Decreet was vooral zoo hatelijk in het oog van òns volk, dat steeds met minachting op den krijgsdienst had ter neder gezien en het krijgvoeren gaarne aan huurlegers overliet. En nu werden onze jongelingen verplicht, om de wapenen te hanteeren, niet in dienst van eigen land en volk, maar in dienst van een uitheemschen dwingeland, wiens heerschzucht jaarlijks duizenden slachtoffers vorderde.
Bij hetzelfde Decreet van 1810 werd een „Ridderorde der Reünie” (of Vereeniging) ingesteld, ter vervanging van de Orde der Unie. Bovendien werden hier Fransche wetten en Decreten (700 à 800 in getal) ingevoerd, die waren afgeschaft of gewijzigd, terwijl ook het Fransche wetboek (Code Napoleon) en de Fransche wetpleging voor Nederland geldig werden verklaard. De lichtzijde hiervan was, dat hier een algemeene rechtsbedeeling gevestigd werd, doch voor die lichtzijde had men toen geen oog.
Doordat wij onze meeste koloniën misten en geen handel met Engeland mochten drijven, waren de koloniale waren ontzettend duur, zoodat velen inplaats van koffie met suiker, cichorei met stroop dronken. Ook begon men in dezen tijd suiker uit beetwortels te vervaardigen. Particulieren mochten geen handel meer in tabak drijven. De tabakshandel was een monopolie van den Staat geworden. De tabak, die men bij de zoogenaamde Regie verkreeg, was duur en slecht.
Fransche Spionnen waarden in allerlei gedaante rond, teneinde gemeenzame gesprekken af te luisteren. Elk dubbelzinnig woord werd ten kwade uitgelegd, als bedoelde men het Fransche bestuur. Van Overheidswege werd hier een „Statistique personelle” op na gehouden, dat wil zeggen een opgave aangaande notabele personen in betrekking tot hun vermogen, denkwijze, relatie's enz. Geen boek of geschrift mocht hier worden uitgegeven, of het moest eerst naar Parijs worden gezonden, waar het door de Censuur moest worden onderzocht. Elk woord, elke uitdrukking, die den Franschen niet aangenaam was, werd steeds geschrapt. Boven elke Courant prijkte de Adelaar, het Keizerlijke wapen. Naast de Hollandsche tekst moest steeds een Fransche vertaling er van worden opgenomen. Ook de openbare acten en andere stukken werden niet uitgegeven, dan met Fransche vertaling. In alle scholen moest de Fransche taal onderwezen worden en de schoolboeken moesten tevens een Fransche vertaling der Hollandsche lesjes bevatten. De Hoogescholen te Harderwijk, Franeker en Utrecht werden opgeheven en de inkomsten der andere, alsmede die der Latijnsche scholen verminderd. Aan het gunstig verslag, dat de Fransche geleerden Cuvier en Noël over het Lager Onderwijs in ons land uitbrachten, hadden wij het te danken, dat dat Onderwijs gehandhaafd bleef.

NAPOLEON I.
Natuurlijk moest dit alles ontevredenheid en wrevel wekken. Reeds twee en een halve maand na de inlijving van Holland bij Frankrijk, den 20 Sept. 1810, openbaarde zich die geest in Amsterdam in een verzet bij het opsporen van geheime bewaarplaatsen van koloniale waren. Het gold toen slechts het verzet van enkelen, maar luider deed dit verzet zich hooren, toen in April 1811 de eerste Hollandsche lotelingen aan de armen hunner ouders en verdere betrekkingen werden ontrukt. Doch wat vermocht een betrekkelijk geringe volksmenigte tegen Napoleons talrijke legerscharen? Een enkel woord reeds kon het leven kosten. De onvoorzichtige uitdrukking van een schamel en gebrekkig koopman, Frans Stargard (bijgenaamd „Frans met de kruk”), die een visch kerfde, tot de omstanders: „Ik wou, dat ik Napje zoo onder handen had”, kostte den ongelukkige het leven. „Frans met de Kruk” werd met twee lotgenooten op het Funen te Amsterdam doodgeschoten. Niettemin hoorde men in Februari 1813 Hollandsche militairen te Utrecht „Oranje boven” roepen en op de trom het „Wilhelmus” slaan en in April vonden onstuimige tooneelen van verzet plaats in den Hoekschen waard, in Rijnland (waar Leiden een tijd lang in hevige beroering was), te 's-Gravenhage, in de Zaanstreek, te Maassluis en elders, uitingen van vrijheidszucht, die met bloedige vonnissen eindigden. Hoe meer Napoleon onze nationaliteit trachtte uit te roeien, hoe dieper ze wortelen schoot. Hoewel wij den volksnaam verloren hadden, ontwaakte het volkskarakter, wat zelfs op het gebied der letterkunde te bespeuren was. Zoo bezong Helmers in zijn: „Hollandsche Natie” den roem van ons land tijdens het bloeitijdperk; zoo zinspeelde Wiselius in het treurspel Polydorus op de tyrannie van Napoleon: zoo voorspelde Bilderdijk in schoone verzen de herstelling van Neerlands onafhankelijkheid. De gedichten van Tollens, Kinker, Spandaw, Staring, Van Walré, Klijn en anderen werden gretig gekocht, wel een bewijs, dat niet alleen de Nederlandsche taal, maar ook de Nederlandsche poëzie gewaardeerd werden. Als prozaschrijver was Van der Palm zeer gezocht.
HOOFDSTUK III.
Inhoudsopgave
Wat nog aan Napoleons geluk ontbrak.—Daendels en Jansens op Java.—De Engelschen ontnemen ons Java.
Eén geluk ontbrak aan Napoleons grootheid; zijn huwelijk met Josephine de Beauharnais bleef kinderloos. Daarom liet hij zich den 16 Dec. 1809 van deze vrouw scheiden en huwde hij den 11 April 1810 met de dochter van Keizer Frans van Oostenrijk, de Aartshertogin Maria Louise, die hem den 20 Maart 1811 een zoon schonk, wien men den titel van „Koning van Rome” gaf.

KEIZERIN MARIA LOUISE.
Ofschoon Josephine in vroegere tijden, toen zij Napoleon, den krijgsman zonder vermogen en vooruitzichten, huwde, de voornaamste aanleiding gegeven had tot de rol, die hij later speelde, en ofschoon hij waarlijk van haar hield,—liefde en dankbaarheid zwegen beide in de ziel van den dwingeland, voor heerschzucht, voor Staatsbelang en voor wat hij zijn plicht jegens Frankrijk noemde—hij dreef de scheiding van Josephine in weerwil van alles door.
Brittannië bleef den Corsicaan nog tarten. Het vernielde Napoleons scheepsmacht, ondersteunde de Portugeezen en Spanjaarden in hun strijd voor de onafhankelijkheid, vernielde de Fransche zeemacht en maakte zich meester van alle Fransche en Hollandsche Koloniën in Oost en West.
Ook Paus Pius VII nam een kloeke houding tegen den geweldenaar aan. Hij deed Napoleon in den ban op grond, dat deze tegen hem en de R. Kath. Kerk vele gewelddadigheden had gedaan. Napoleon dreef hier schijnbaar den spot mee, maar hij begreep toch, dat vele harten daardoor van hem vervreemd werden. Daarom meende hij, ter bevestiging zijner heerschappij, steeds oorlog noodig te hebben, om daardoor de onderworpen volkeren ontzag in te boezemen en om de Franschen door zijn roem te verblinden. En daaruit is ook het Decreet te verklaren, waarbij hij in Frankrijk bevoegd verklaard werd, verdachte personen, zonder vorm van proces, in de gevangenis te werpen; en vandaar ook in 1811 het Lijfstraffelijk Wetboek, waarvan bijna de helft betrekking had op misdrijven tegen den Staat en het openbaar gezag.
Bij de vele rampen, die ons troffen, kwam nog, dat onze laatste volksplantingen verloren gingen. Nadat de Engelschen den 17 Febr. 1811 Amboina veroverd hadden, richtten zij zich tegen Java. Op Java was Daendels Gouverneur-generaal geweest en hij, de groote vrijheidskraaier, had er, als een Napoleon in miniatuur, met de grootste willekeur geheerscht. Zoo vernietigde hij op Java met één pennestreek alle bijzondere voorrechten. Hij dwong de arme inboorlingen hem behulpzaam te zijn in het aanleggen van wegen, honderden uren lang, het stichten van forten midden in zee, het aanleggen van havens in de ongezondste streken. Hadden wij steeds de Inlandsche Vorsten, als leenmannen, met ontzag en eerbied behandeld, Daendels bejegende hen echter met willekeur. Zoo nam hij gewelddadig van Bantam bezit en liet hij den sultan van dat rijk verbannen. De Sultan van Djokjakarta zette hij onder gezochte voorwendsels af en plunderde hij uit. Zonder vorm van proces velde hij doodvonnissen: hij vernietigde de uitspraken van het Hof van Indië en toen de leden van dat Hof daartegen protesteerden, zette hij ze eenvoudig af en verving ze door anderen. Was de O.-Indische Compagnie steeds met inschikkelijkheid opgetreden, Daendels meende een hoogmoedige, oorlogszuchtige staatkunde te moeten voeren. Hij stoorde zich niet aan gesloten overeenkomsten; goede trouw was bij hem niet te vinden. Het politiewezen wilde hij in zijn persoon vertegenwoordigd hebben en onder een ophef van groote woorden voerde hij een waar schrikbewind, dat enkel ellende verspreidde en schatten verslond. Gelukkig werd Daendels in 1810 door Napoleon teruggeroepen en vervangen door Jansens, die de Kaapkolonie zoo dapper verdedigd had. In den korten tijd, dat hij Gouverneur-Generaal was, kon hij echter niet herstellen, wat zijn voorganger in de war had gestuurd.

Inzegening van het huwelijk van Napoleon met aartshertogin Maria Louise, 2 April 1810.
Toen Lord Minto, Gouverneur-Generaal van Engelsch Indië, vernomen had, dat de Franschen eenige schepen hadden uitgerust, om bezit van Java te nemen, zond ook hij, om dit te voorkomen, zijne zeemacht naar Batavia. Den 4 Aug. 1811 landden de Engelschen ten Westen van Batavia, veroverden die stad, alsmede onze verschansingen te Weltevreden en onzen post te Meester Cornelis, in weerwil dat deze post door Daendels met groote kosten zeer versterkt was. Jansens moest nu naar Oost-Java zich terugtrekken, waar hij door de Engelschen bij Samarang verslagen werd. De Inlandsche vorsten, nog vertoornd over de wijze, waarop zij door Daendels behandeld waren geworden, kozen nu de zijde der Engelschen, zoodat Jansens genoodzaakt was, zich en zijn troepen bij verdrag aan de Engelschen over te geven.
De Engelschen, in het bezit van Java zijnde, eigenden zich nu ook de koloniale waren toe, die in de magazijnen opgestapeld lagen, waardoor zij aan vele Nederlanders groot verlies toebrachten en ook onzen Staat gevoelig troffen.
Alleen Hendrik Doeff wist Decima voor ons te behouden. Dat kleine eiland was daardoor het eenige plekje op den aardbodem, waar in dien tijd de Nederlandsche vlag nog wapperde. Hoe dat toeging, zullen wij in een volgend Hoofdstuk zien.
HOOFDSTUK IV.
Inhoudsopgave
Hendrik Doeff op Decima.
Hendrik Doeff was in 1799 naar Japan vertrokken, waar hij in 1803 door onze regeering als opvolger van Willem Wardenaar tot Gouverneur van het eiland Decima werd aangesteld, en wel, zooals gewoonlijk, voor den tijd van vijf jaren. In 1808, toen zijn tijd om was, verwachtte hij een Hollandsch schip uit Batavia, om hem af te lossen. Inplaats daarvan verscheen echter een Engelsch schip onder Hollandsche vlag. Doeff zond een paar zijner ambtenaren er heen om te informeeren, wat het zenden van dit schip beteekende, doch de bevelhebber liet de twee ambtenaren gevangen nemen. Door tusschenkomst van den gouverneur van Nangazaki werden deze ambtenaren later weer in vrijheid gesteld.

HENDRIK DOEFF.
In 1809 kreeg Doeff wel eenig bericht van Java, doch van zijn post werd hij niet afgelost. Het eiland Decima is 600 voet lang en 220 voet breed en Doeff had er slechts zes of zeven Hollanders bij zich, zoodat het leven voor hem er zeer eentonig was. In Aug. 1813 verschenen er weer twee schepen voor Decima. In zijn verwachting, dat het Hollandsche vaartuigen zouden zijn, werd Doeff echter wreed teleurgesteld. Het waren Engelsche vaartuigen, door Raffles afgezonden. Aan boord er van bevond zich de Oud-Gouverneur van Decima, Wardenaar, die aan Doeff liet weten, dat de Nederlanders Decima aan Engeland hadden afgestaan, waarom hij, Wardenaar, eischte, dat Doeff zich aan hem, als Commissaris der Engelsche regeering, zou onderwerpen. Doeff liet zich echter niet met leugenachtige verhalen om den tuin leiden en weigerde de overgave van het eiland. Men beloofde hem nu belooning en bevordering, doch hij wilde van geen onderwerping aan Engeland weten. Deze standvastigheid en trouw moet vooral hierom in Doeff gewaardeerd worden, omdat hij op Decima als in ballingschap leefde, en er van alle geriefelijkheden en gezelligheid der maatschappij was verstoken, terwijl, als hij op de aanbiedingen der Engelschen ingegaan was, hij een leven van weelde en gemak had kunnen krijgen.
Het onderhandelen eindelijk moede, dreigde Doeff, het Japansche Bestuur in de zaak te mengen, als Wardenaar niet spoedig aftrok. Zelfs wist hij dezen en den met hem gekomen Engelschen Commissaris zóó beangst te maken, „dat zij de afdoening bewerkten eener schuld van over de f 100.000, die het kantoor ten gevolge van het stilstaan des handels, op zich geladen had.”
In 1814 beproefde Raffles nog eenmaal, Decima voor Engeland te winnen, doch Doeff, die intusschen van de bevrijding van Nederland en den val van Napoleon gehoord had, was nu nog minder bereid, zich aan Engeland te onderwerpen, dan ooit te voren.
Eerst den 6 Dec. 1816 kwamen Hollandsche schepen te Decima, die Doeff van zijn post verlosten. Doeff heeft toen nog twee jaar op Batavia doorgebracht, waarna hij met den Commissaris-Generaal Elout naar het vaderland terugkeerde.
HOOFDSTUK V.
Inhoudsopgave
Willem Bilderdijk en Jan Frederik Helmers.
Een vurige Oranjeklant was Willem Bilderdijk. Deze merkwaardige man werd in 1756 te Amsterdam geboren.

WILLEM BILDERDIJK.
Zijn vader, een geneesheer, onderwees hem in 't lezen, schrijven, rekenen, het Italiaansch boekhouden en in de verschillende talen, zoo oude als nieuwe. In uren van uitspanning hanteerde hij bij afwisseling de dichtlier, de teekenpen en de etsnaald. Een ongelukkig letsel, zijn voet toegebracht, toen hij nauwelijks zes jaren oud was, noodzaakte hem meestal, zijne kamer te houden. Dit legde waarschijnlijk den grond tot die somberheid, welke ook later bij hem uitkwam, maar ook tot die veelvuldige kennis en rijke wetenschap, die wij bewonderen. In 1780 begaf hij zich naar Leiden ter beoefening der rechtsgeleerde en andere wetenschappen en werd twee jaar later tot doctor in de rechten bevorderd. Hij vestigde zich te 's-Gravenhage en verkreeg een uitgebreide practijk. Een Rotterdamsche vischvrouw, Kaatje Mossel genaamd, die zeer Oranjegezind was en van beleediging der overheid was beschuldigd, werd door hem vrijgepleit. Evenals zijn vader betoonde hij in die dagen van verdeeldheid een innige liefde voor het huis van Oranje en trad meer dan eens op als moedige verdediger der Prinsgezinden. In 1784 huwde hij met de schoone jonkvrouwe Rebekka Catharina Woesthoven. In 1795 moest hij een eed van trouw aan het nieuwe revolutionaire bewind afleggen. Hij weigerde dit. Hierom werd hij in 1795 als een „gemeen sujet” niet slechts uit den Haag, maar zelfs uit de geheele Bataafsche Republiek gebannen. Hij begaf zich toen eerst naar Engeland, en later naar Brunswijk, waar hij tien kommervolle jaren sleet. Te Londen leerde hij de 20-jarige Katharina Wilhelmina Schweickhardt kennen, die hij Italiaansche les moest geven. Daar zijne vrouw hem niet in den vreemde wilde volgen, liet hij zich in 1802 van haar scheiden en huwde later met Katharina Wilhelmina, die hem 30 jaar trouw ter zijde stond.
In Londen kon Bilderdijk niet zijn brood verdienen, waarom hij naar Brunswijk trok. De Hertog kende hem hier een vast inkomen toe. Doch ook in dit gastvrije oord gevoelde hij zich ontevreden en van de „domme Duitschers” gevoelde hij afkeer. Hij vergat hierbij echter, dat zijn tweede vrouw ook van Duitsche afkomst was. Acht jaren van zorg en kommer bracht hij in Brunswijk door, daar hij van zijne inkomsten en 't geen hij met onderwijzen en schrijven er bij verdiende, niet leven kon.
„Twee jaren achtereen” schrijft hij, „leefde ik van droog brood en water (zelfs geen bier) en zonder vuur. In het strengst van den winter geen hout in huis hebbend, ging ik uit, wanneer ik het niet langer uithouden kon; liep de stad twee of drie malen rond, kwam warm weer thuis en ging mijn college's weer opstellen.”
Bilderdijk verloor te Brunswijk drie kinderen. Zijne vrouw en hij waren vaak ziek. Hij moest vaak opium gebruiken en liet soms in drie weken tijds zich zeven aderlatingen doen. Alles bezag de dichter van den sombersten kant en het aanzienlijke jaargeld, dat hij in Brunswijk genoot, evenmin als de vele vrienden, die hij er vond, waardeerde hij er naar behooren.

JAN FREDERIK HELMERS.
In 1806 naar 't Vaderland teruggekeerd, werd hij door zijne vrienden, waartoe ook de raadpensionaris R. J. Schimmelpenninck behoorde, met open armen ontvangen. Later zorgde de kunstlievende Koning Lodewijk, die van hem het Nederlandsch leerde, mildelijk voor zijn onderhoud. Hij vestigde zijn verblijf te Leiden, doch de ramp, welke de stad in 1807 trof, deed hem eerst naar 's Hage, toen naar Katwijk en eindelijk naar Amsterdam verhuizen, waar hij lid werd van 't Kon. Nederl. Instituut. Ten voordeele van de slachtoffers van de ramp te Leiden gaf hij zijn „Ziekte der geleerden” uit. De zuivere winst bedroeg 1400 gld. In den Haag onderwees hij Koning Lodewijk in de Hollandsche taal. In weerwil van het aanzienlijke jaargeld, dat Koning Lodewijk hem toekende, werd te Amsterdam door de schuldeischers op zijn boedel beslag gelegd en deze ten verkoop opgeschreven. Van de inlijving van ons Vaderland in het Fransche rijk moest vooral Bilderdijk het noodlottige gevoelen. Zijn pensioen werd ingetrokken en alleen de edelmoedige en kiesche bijstand van trouwe vrienden lenigde zijn moeilijke omstandigheden. Onze verlossing van het Fransche juk schonk hem in 1813 ook verademing. Hij werd benoemd tot auditeur-militair te Amsterdam, doch werd weldra door den Koning eervol ontslagen en met een jaarwedde begiftigd. Voor de derde maal verkoos hij Leiden tot zijne woonplaats, waar hij aan eenige jongelieden zijne uitvoerige aanteekingen op de Vaderlandsche geschiedenis meedeelde. Onaangename omstandigheden drongen hem in 1827 zijn geliefd Leiden te verlaten en Haarlem tot zijne woonplaats te kiezen, waar hij in 1831 overleed.
Toen Nederland bij Frankrijk ingelijfd was, zong Bilderdijk in profetische verrukking:
Ach de dagen
Onzer plagen,
Lieve broeders, gaan voorbij.
Uit dit duister
Rijst de luister
Van een nieuwe heerschappij.
'k Zie de kimmen
Reeds ontglimmen
Van een nieuw, een Godlijk licht!
Op de randen
Dezer stranden
Straalt zijn glans mij in 't gezicht.
'k Heb het vallen
Van Uw wallen,
Hollands Illium, voorspeld:
'k Zag het blaken
Van Uw daken,
En Uw Hectors neergeveld.
De ingewanden
Voelde ik branden,
En verteren in de vlam;
'k Riep, ik weende,
Ja, 'k versteende,
Maar de dag des jammers kwam.
Wat verschijne
Wat verdwijne,
't Hangt niet aan een los geval.
In 't voorleden.
Ligt het heden,
In het nu, wat worden zal.
Opgaan, blinken
En verzinken
Is het lot van iedren dag:
En wij allen
Moeten vallen:
Wie zijn licht beschijnen mag.
Of de kronen
Luister toonen,
Volken, Staten bloeiend staan,
Langer stonde
Duurt hun ronde,
Maar hun avond spoedt toch aan.
Doch de dampen
Dezer rampen,
Doch de nevels dezer nacht
Zullen breken
Bij 't ontsteken
Van den dag, waarop zij wacht.
Mocht mijn lippen
Dat ontglippen,
Wat mijn brekend oog hier ziet.
Mocht ik 't zingen,
En mij dringen,
Door dit wemelend verschiet!
Ja, zij zullen
Zich vervullen,
Deze tijden van geluk!
Deez' ellenden
Gaan volenden,
En verpletterd wordt het juk.
Holland leeft weer!
Holland streeft weer,
Met zijn afgelegde vlag,
Door de boorden,
Van het Noorden,
Naar den ongeboren dag.
Holland groeit wêer!
Holland bloeit wêer!
Hollands naam is weer hersteld!
Holland uit zijn stof verrezen
Zal opnieuw ons Holland wezen,
Stervend heb ik 't u gezegd.
Deze klacht over Hollands ondergang en de profetie van Hollands herstel werd natuurlijk door de Fransche Censuur verboden. Bilderdijk zong dan ook terecht:
„Het snoeimes der censuur heeft alles afgesneden,
Wat vaderlandsche zucht of Hollands luister raakt.”
Ook de dichter Helmers gloeide van liefde voor het Oranjehuis.
In 1812 gaf hij een gedicht uit, getiteld: „De Hollandsche Natie” waarin hij zong:
„'t Was nacht; 'k zat eenmaal in het eikenbosch verloren;
Geen wind beroerde 't loof, geen vogel deed zich hooren;
Een stilte als die van 't graf hield mijnen geest gewekt;
Een schrikbre duisternis had d' aardbol overdekt.
De maan verdween, geen ster blonk aan de hemelbogen;
'k Zag niets; de schepping was voor mij in 't niet vervlogen;
't Scheen, dat ik in den nacht, die mij omsluimerd hield,
Het eenigst wezen was, met denkenskracht bezield.
Ik zag het menschdom als een worm in 't stof vertreden;
Mijn geest bevond zich in dien staat, waarin 't gevoel
De ontvlamde werking der verbeelding strekt ten doel.
Toen dacht mijn geest aan U, aan U, vergode vaderen!
Een huivring greep mij aan! Het bloed stolde in mijn adren.
Ik zag de duisternis tot tastens toe vergroot;
Ik hoorde een flauw geluid, dat rees uit 's aardrijks schoot;
Een flauwe scheemring scheen door 't duister heen te breken;
't Was 't uur van middernacht; mijn geest- en denkkracht weken;
Een licht rees uit den grond, beweegloos staarde ik 't aan.
Hij stond—een schaduwbeeld onkenbaar; uit het duister
Greep hij mij aan en sprak (het was een stil gefluister):
„Neen, wanhoop niet aan 't lot, dat Nederland verwacht,
„De deugd stierf nog niet weg van 't heilig voorgeslacht!
„Neen, Neerland zal niet als een nachtgezicht verdwijnen:
„De zon zal eenmaal weer in vollen luister schijnen!
„Zing voor den tijdgenoot der oud'ren heldendaân,
„En 't kroost leere op hun spoor in 't onweer vast te staan”!
— — — — — — — — — — — — — — — —
Ja, 'k zal de heldendaân van 't voorgeslacht bezingen.”
De Censuur schrapte het gedeelte, waar de dichter het verval van Amsterdam alzoo bezong:
'k Waande in de toekomst mij verplaatst; mij dacht, ik dwaalde
Door moer en drassig land, waarop geen veldbloem praalde,
Geen rund zich hooren liet! Ach Neerland! 't was Uw grond
Waarop ik, eenzaam en verlaten, mij bevond!
Ik zocht de schoone stad, waar ik het licht aanschouwde,
Die 't heilig voorgeslacht aan Amstels zoomen bouwde;
Helaas! Ik zocht vergeefs! Een ranke, kale hut,
Nauw voor het buld'ren van den woesten storm beschut,
Was alles, wat ik vond!—'k Zag naakte visschers dwalen,
Waar eertijds feestmuziek klonk in de marmren zalen!
Ik klauterde over 't puin; ik zwierf wanhopend rond,
Of ik de graven van mijn voorgeslacht hervond!
Ach! 'k vond geen graven meer.—Een grijsaard treedt mij nader.
„Wie gij ook wezen moogt, ontdek me, ik smeek dit, vader!
„Stond hier niet Amsterdam?” dus hef ik snikkende aan!
„Men zegt, hier heeft voorheen een groote stad gestaan”,
Is 't antwoord: „en dit puin, waaruit thans raven schreeuwen,
„Was 't raadhuis eens dier stad in ver vervlogen eeuwen!
„En gindsche bouwval, waarbij 't wild gedierte schuilt,
„Die neergestorte spits, waarop de roerdomp huilt,
„Was eens een tempel aan der vaadren God geheiligd.
„Maar wij, door dam noch dijk voor 't woên der zee beveiligd,
„Wij zwerven hongrend om op dees verlaten grond,
„Schaarsch hoorend van de stad, die eertijds hier bestond!”
In zijn zang beschreef Helmers den Rijn in zijn boven- en middenloop op verheven wijze, doch ging daarna verder:
„Ach! zoek dien schoonen stroom nu weer bij Katwijks stranden.
Wat vindt ge? Een vuile poel, gesmoord in slijk en zanden;
Onedel en versmaad kruipt hij daar schandlijk voort,
Eer hij zijn drabbig nat in 't zand der duinen smoort.
De vreemdeling, die hem langs Coblenz' muur zag golven,
Herziet hem hier! maar ach! in ruigte en wier bedolven,
Hij mijmert aan zijn zoom, met waggelende treên,
Denkt aan het oud Carthaag! En gaat in weemoed heen.”
En nu vraagt de dichter:
„Is, Neerland, dit Uw beeld? Moet uit die flauwe trekken
Mijn hart, dat voor u gloeit, uw naadrend lot ontdekken?
Klein waart gij als de Rijn bij Uw geboortestond,
Nauw waardig, dat een volk zich vestigde op uw grond.
Allengskens aangegroeid, zaagt gij uit uw moerassen.
Bij steden van arduin en tucht en welvaart wassen.
Ge ontwrongt met jonglingsmoed u 's Ibers overmacht,
En bliksemde op de zee met volle mannekracht.
Aan 't hoofd der volken scheen uw luister elk in de oogen,
En hield, gelijk de Rijn, elk vreemdling opgetogen!
Ach! zult gij als die stroom bezwijken in uw loop?
De uitfluiting zijn der aard? De schandvlek van Euroop?
Neen, neen! der vadren roem verspreidt te sterk een luister;
En 't kroost van zulk een volk zink niet geheel in 't duister.
Gij, die der volkren lot voor de eeuwigheid vermeldt,
Geschiedkunde! open mij uw groot en leerzaam veld.
O, Vaderland! 'k Zie daar uw naam onsterflijk pralen,
En aller volken glans verduisterd door uw stralen,
Op de eeuwige zuil des roems staat Neerlands naam gedrukt.
Die naam, die heldennaam, wordt nooit daaruit gerukt.”
In zijn „Fragment van een onuitgegeven Treurspel” zong Helmers:
„Het vonnis is geveld, uw lot beslist, Bataven!
Leert nu gedwee in 't juk op 's vreemdlings wenken draven.
De Ruyters nageslacht, der Trompen heldenteelt
Wordt thans als rooversbuit door rooversklauw verdeeld.”
De Censuur verving echter „Bataven” door „Grieken”, „De Ruyter” door „Aristides” en „Trompen” door „Epaminondas”, waardoor het vers geheel van beteekenis veranderde, doch voor de Franschen zijn bitterheid verloor.
HOOFDSTUK VI.
Inhoudsopgave
Napoleons bezoek aan Amsterdam.—Hij moet wachten op een vuilnisman.—Generaal Krayenhoff bij hem op audiëntie.—Hoe Napoleon reisde.
In het jaar 1811 bracht Napoleon een bezoek aan Amsterdam. De Keizer kwam den 29 Sept. 1811 te Antwerpen aan, reisde over Breda, Hellevoetsluis, Gorinchem en Utrecht. Den 9 October 's middags half drie deden de Keizer en de Keizerin hunne plechtige intrede in Amsterdam. In het voorste gedeelte der stoet reed de Keizerin in een rijtuig, van 8 pages vergezeld; in het laatste gedeelte de Keizer te paard, gevolgd van de „officieren van hoogstdeszelfs huis, van de maarschalken, generaals, stafofficieren, rijdende vier aan vier.”

REISKOETS VAN NAPOLEON.
Toen de stoet de stadspoorten was genaderd, werden Keizer en Keizerin onder het gebulder van het geschut en het luiden der klokken in de hoofdstad ontvangen. Een dubbele rij Nationale gardes bezette de straten, alwaar H. H. M. M. moesten doorgaan; alle huizen waren met bloem-festoenen en vaandels versierd, wat een prachtig gezicht opleverde. De geestelijken, wier kerken Z. M. voorbij ging, bevonden zich in hun ambtsgewaad voor hunne bedehuizen geschaard. Orkesten, die van afstand tot afstand geplaatst waren, verlevendigden het belangrijkste tooneel, waarvan Amsterdam ooit getuige was. Een ontzaglijke menigte vulde de straten; alle vensters waren bezet. Het geroep van „Leve de Keizer! Leve de Keizerin!” hield haast niet op en H. H. M. M. toonden hunne gevoeligheid voor de talrijke huldebetuigingen door met vriendelijkheid te groeten.
Nauwelijks aan het paleis aangekomen, ontving H. M. de ministers en de Staatslieden, waarna de prins-gouverneur de eer had, Z. M. de hooge beambten, de officieren der land- en zeemacht, de algemeene regeering, den algemeenen raad, de rechtbank der eerste instantie, de kamer van koophandel, de maire met diens adjuncten en den municipalen raad, den chef van de garde d'honneur, alsmede die der nationale garde en de dienaren der onderscheidene godsdiensten voor te stellen.
Het weder, dat den geheelen voormiddag betrokken geweest was, bleef des middags goed en niet dan nadat H. H. M. M. aan het paleis waren aangekomen begon het te regenen.
Des avonds was de geheele stad geïllumineerd. Den volgenden dag bezocht Napoleon in een sloep de scheepstimmerwerf en verscheidene gedeelten van de haven.

INTOCHT VAN NAPOLEON TE AMSTERDAM.
Om één uur 's namiddags ontving H. M. de Keizerin de complimenten der regeeringsmachten, die den vorigen dag aan den Keizer waren voorgesteld geworden. De Keizerin beantwoordde met de grootste minzaamheid de toespraken. Na de audiëntie begaf H. M. zich mede in een sloep naar de werf.
Des avonds hadden de dames van de voornaamste beambten der stad de eer, voorgesteld te worden. Wat de verlichting betreft, muntten het paleis van den prins gouverneur-generaal en het hotel van den prefect uit. Al de voornaamste gebouwen, de voornaamste bruggen binnen de stad en verscheidene op de meest in het oog loopende plaatsen gestelde decoratiën hadden de aangenaamste uitwerking. Overal, waar H. H. M. M. verschenen, weerklonk uit tal van monden: „Leve onze doorluchtige Souvereinen!” als (naar een ooggetuige verhaalt) „het gevoelen van verknochtheid en de geestdrift der Hollanders.”
Te Amsterdam bezocht Napoleon ook in het Trippenhuis de verzameling van schilderijen van onze Hollandsche meesters. Op den terugtocht ging de Keizerlijke stoet door de Halssteeg, waar iemand van de stadsreiniging juist bezig was, het vuil op te halen en met zijn kar den weg versperde.
„De Keizer, de Keizer!” riep men den man toe en beduidde hem, dat hij maken moest, met zijn kar uit de steeg weg te komen.
Heel onnoozel vroeg de man, of er een dokter aankwam.
„Neen, geen dokter,” zei men, „maar Keizer Napoleon.”
De man antwoordde echter heel bedaard: „Ik heb order alleen voor een dokter uit den weg te gaan.” En hij verwijderde zich eerst, toen hij zijn arbeid verricht had, zoodat Napoleon, die zich anders door niets liet tegenhouden, nu geruimen tijd wachten moest op—een stadsreiniger. Deze werd des avonds op het stadhuis ontboden. De man beriep zich terecht op zijne instructie. Toch werd hij bij wijze van straf zes weken in zijne bediening geschorst.
Te Amsterdam vroeg ook generaal Krayenhoff den Keizer te spreken. Krayenhoff had in 1810 Neerlands hoofdstad op last van Koning Lodewijk Napoleon tegen den Keizer in staat van verdediging gebracht. Napoleon, die dit wist, vroeg toornig:
„Zijt gij dat, Mijnheer Krayenhoff, die Amsterdam hadt willen verdedigen.” En moedig antwoordde de generaal:
„Ja, Sire, en het zou u niet gelukt zijn er in te komen, indien ik zulks niet gewild had!”
De Keizer, door dit onverschrokken antwoord getroffen, vroeg, hoe de generaal het zou aangelegd hebben, om Amsterdam tegen hem, Napoleon, te verdedigen. Krayenhoff ontvouwde nu zijn verdedigingsplannen en de Keizer, die het vernuftige er van moest erkennen, herstelde Krayenhoff in zijn vroegeren rang in den werkelijken dienst.
Den 11 October voer Napoleon in een sloep door de grachten van Amsterdam, terwijl de Keizerin in een open rijtuig een tocht door de stad maakte.
Ook woonden de vorstelijke personen eene voorstelling in den Amsterdamschen Schouwburg bij; aan het verslag hiervan ontleenen wij het volgende:
„Een ontzaglijke toevloed had zich gisteren naar den schouwburg begeven; bij het verlangen, om de talenten van Talma en Mej. Duchesnois te zien, voegde zich een veel vermogender, dan al de overige, dat, om het gezicht van twee aanbiddelijke Souvereinen te genieten. De verwachting van het publiek is geenszins teleurgesteld geworden; om half negen zijn H. H. M. M. in de loge gekomen en nu bevond zich het schouwtooneel in de zaal; het leverde een uitmuntend gezicht op, een talloos gezelschap te zien, geheel opgerezen, lauriertakken in de hoogte schuddende en deze eenparige vreugdekreet herhalende: „Leve de Keizer!” „Leve Maria Louise!” Zoodra de geestdrift der aanschouwers toeliet, dat iets anders dan hunne stemmen gehoord werd, hief het orkest de aria aan: „Où peut on être mieux?”—Het gejuich van „Leve de Keizer!” barstte opnieuw los en Z. M. boog zich over zijn loge en scheen door zijn toegenegen glimlach te zeggen: „Voorwaar, ik ben te midden mijner kinderen!””
De couranten bevatten in ons land een paar dagen later het volgende bericht:
„Een Commissaris van Politie, heden bij het aanbreken van den dag de ronde doende, heeft bevonden, dat er verzen aan de deuren van het paleis aangeplakt waren; hij kon met grond vermoeden, dat deze in een kwalijk gezinden geest waren. De nacht is slechts aan heimelijke en misdadige verrichtingen gunstig, doch hoe groot was zijne verwondering te ontwaren, dat deze verzen een edele en verfijnde hulde aan Z. M. inhielden.
„Ziehier dezelve:
„Op het Keizerlijk paleis te Amsterdam. (Het paleis spreekt):
Triumf; ik, 't pronkstuk der gebouwen,
Mag thans mijn waar geluk op 't allerhoogst aanschouwen,
Want in mijn luistervollen staat
Ben ik de zetel en de woning
Des Franschen Keizers en des Italiaanschen Koning,
Wiens hart voor de onderdanen slaat;
Dus is mijn naam op 't hoogst gerezen!
En 'k mag nu eerst met recht het achtste wonder wezen!”
Van uit Amsterdam maakten de vorstelijke personen verschillende uitstapjes naar omliggende plaatsen en vertrokken 24 October weder.
Als een bewijs, hoe overdreven sommigen over Napoleon dachten, besluiten wij hier met een uittreksel uit een brief uit Utrecht, den 9 Oct. 1811 geschreven:
„Voor het den grooten Napoleon behaagde zich binnen onze muren te houden, aanschouwden wij in hem, den eersten der helden, het verwonderingwekkendst genie, dat de wereld immer tot luister strekte; maar verre was het van ons, eenig juist denkbeeld van zijne goedheid te kunnen maken. Hij is onder ons verschenen als een vader te midden van zijne kinderen, zonder geleide, zonder wachten, omringd en gedrongen door de menigte, die onverzadelijk was, zijne gelaatstrekken te beschouwen en hem hare liefde te bewijzen. Men wedijverde, wien het gebeuren zou zijn rok, het dekkleed of wel de teugels van zijn paard aan te raken, terwijl hij, alleen groetende met die minzaamheid, welke hem zoo bijzonder eigen is, aldus de stad stapvoets doorreed, met niets bekommerd, dan met de zorg, om allen voor gevaar te behoeden, die in hunne geestvervoering zich voor hem nederwierpen en ofschoon zij hem reeds gezien hadden, hem nogmaals wilden zien.
„Ik ben ooggetuige geweest, mijn vriend, van dat verrukkend tooneel; dan, geen minder levendige aandoeningen hebben mijn ziel vervuld, toen ik, toegelaten ten gehoor bij Z. M., met al de publieke ambtenaren hem onze belangen heb hooren behandelen; geen der minste bijzonderheden van bestuur te gering achtende en met een doorzicht, dat hem alleen eigen is, klem gevende aan elk antwoord, dat hem op zijne vragen werd gegeven.
„Ik had den vader van het volk, den wetgever van het rijk bewonderd, ik wilde ook den held volgen op de vlakte, waar zijne legerscharen verzameld waren, maar hoe zou ik u de nieuwe aandoeningen kunnen afmalen, die ik gevoelde: de geestdrift der soldaten, zoo dikwijls door hem ter overwinning geleid, de vervoering van alle aanwezenden, op de aankomst der Keizerin, vooral toen de troepen voorbij haar gedefileerd hadden en elk soldaat hare trekken heeft kunnen bewonderen, die mengeling van waardigheid en onveranderlijke welwillendheid, die haar de lust en de liefde doen zijn van een volk, welks geluk zij vereeuwigd heeft.”
En niet alleen in Nederland werd Napoleon zooveel eer bewezen, maar in geheel Europa, Engeland uitgezonderd. Rust kende hij niet. De helft van zijn tijd haast bracht hij op reis door.
Toch was de hulde, die men den Keizer in ons land bracht, niet enkel geveinsdheid. Gelijk uit een versje onder een plaatje uit die dagen blijkt, was men niet blind voor het vele, dat Napoleon ook voor ons land heeft gedaan.
De krijgstochten van zijn leger voerden Napoleon door geheel Europa en bijna overal verscheen het Fransche leger als heerscher en niet als vreemde.
De meeste kasteelen waren hem bekend. Zijn staf, de officieren en lakeien van zijn hofstoet vertrokken een dag eerder dan hun heer. Als 's avonds dan de keizerlijke reiswagen in galop onder de poort doorreed, stonden de fakkeldragers reeds bij de trap gereed.
Zijn eigen dienaren openden de deuren en alsof hij thuis was, ging de kleine man in de grijze jas de trappen op, terwijl de werkelijke bedienden van het paleis verbluft op zijde bleven staan, met brandende kaarsen in de bevende handen. Door de lange rij van vertrekken ging hij dan dadelijk naar zijn eigen kamers; zijn kamerdienaar ontdeed hem van zijn kleeren en dadelijk sprong de Keizer in het wachtende, dampende bad. Alles, wat tot zijne reisbenoodigdheden behoorde, was van kostbare kwaliteit, en het moest netjes en precies op de bepaalde plaats liggen.
Zijn paarden waren uitstekende dieren, altijd zes, twee aan twee naast elkander gespannen, ieder paar voorzien van een even bekwamen menner.
Om een afstand van 20 K.M. af te leggen, werd vier keer halt gehouden om de paarden te verwisselen, zoodat hij met dezelfde paarden hoogstens 5 K.M. reed.
Het gewone rijtempo was een soort galop; men moet daarbij bedenken, dat de straten en wegen, die toen bestonden, groote bezwaren leverden voor het verkeer.
Van lezen of het bestudeeren der landkaarten kon gedurende den tocht geen sprake zijn. Toch moest iedere halte voorzien zijn van boeken, kaarten en schrijfmateriaal. Hij had echter gedurende zijn reis genoeg te denken.
Als hij naar het Oosten reed, was zijn geest vervuld met zijn veldtochten. Onderweg kwamen renboden hem tegemoet. Op bepaalde plaatsen werd hij reeds opgewacht door Maarschalken, die met hem wilden confereeren. Dag en nacht galoppeerde zijn wagen dan weder door steden en dorpen, door bosch en veld. Donderend ratelde het rijtuig, met slijk en modder bespat, soms midden in den nacht door de nauwe straatjes van Duitsche steden, de lichtjes van den wagen flikkerden spookachtig door de duisternis.
Frankrijk was voor Napoleon te eng; Europa was hem te eng; in de schaduw der Pyramiden heeft hij gevochten. Alles beefde voor dezen man; alles vleide hem; inderdaad werd hem afgodische eer bewezen.
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.