Kitabı oku: «Joris Komijn op de Tentoonstelling»
Justus van Maurik
Joris Komijn op de Tentoonstelling
Humoristische schets van Justus van Maurik

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066064402
Inhoudsopgave
Eerste Dag.
Tweede Dag.
Derde Dag.
Vierde Dag.
BRIEF VAN JUFFROUW KOMIJN AAN HAAR ECHTGENOOT
TELEGRAM VAN JORIS KOMIJN AAN SIENTJE KOMIJN.
Eerste Dag.
Inhoudsopgave
Alzoo reeds lang den wensch in mij was om Amsterdam te bezichtigen, waar ik nooit tijd voor had van wegens den winkel entn 't snijden der ham—en daar ik nu, doordien een neef van mijn vrouwskant, die een dergelijke komenij's affaire heeft, mijn zaak kon waarnemen, ben ik voor eenige dagen naar Amsterdam gereisd, alwaar mijn geliefde Zoon Klaas, die laatst over de Beurs geschreven heeft met zijn vriend Nadaniël mij afwachte om mij rond te leiden, waarvoor ik hen dankbaar ben, behalve Nadaniël, die mij niet bevallen is, bij nadere kennismaking. Doch daarover later.
De reis van hier naar Enkhuizen kent gij allen, daar is niets bijzonders aan, maar verder per boot over de Zee des te meer.
Ik zag de Zee, waarvan in de Heilige Schrift geschreven staat, "Zij is wijd en breed en peilloos diep" ik voor mij heb er genoeg van, door de benauwdheid, 't akelige gevoel in de maagstreek en de koude handen en voeten. De kapitein zei dat 't stil weer was, maar voor mij, geliefde Bloetverwanten! was 't woelig genoeg—en ik verlang naar geen storm, want hoe zou ik dien uithouden, meer als binnenst buiten gekeerd worden kan een mensch toch niet.
Onderweg besloot ik reeds mijn gewaarwordingen op te schrijven wat ik hiermede begin en geloof vrij goed, doordien ik den laatsten tijd, meer dan vroeger op de letterkunde ben gevallen, door de misdruk, die ik gebruik voor de Komijne kaas, de Sijceblong en over de Boter.
Vroeger gebruikte ik wit papier van f 3.37^5 de riem, maar aangezien ik misdruk van een ongebonden verkooping voor f 2.25 kan koopen te kust en te keur, heb ik mij op dezelve bepaald. Bovendien heeft de klant het voordeel bij zijn worst of boter iets ter lezing te krijgen, dat den geest beschaaft en velen hebben mij gezegd dat, ze mij dankbaar waren doordien ik, casuweel een partij losse bladen van een zedekundig werk van Theeologie tusschen het misdruk had gevonden en met oordeel verdeeld had, over de verschillende artikelen.
Dit tusschen twee haakjes, nu vervolg ik mijn verhaal.
Toen ik vlak bij den steiger was, zag ik mijn geliefde zoon Klaas staan met een klein zwart mannetje naast zich, die bij nader onderzoek Nadaniël bleek te zijn.
Klaas wenkte met zijn zakdoek aangezien hij mijn perreplu herkende, die ik omhoogstak met mijn reiszak er aan, om zijn aandacht te verwekken.
Daar ik in de andere hand een pak zoete amandelmoppen voor Klaas hield als "welkom", had ik geen gelegenheid mijn hoed te grijpen, die eensklaps afwoei—en toen ik toch een poging deed om mijn hoed die mij van af mijn trouwen bedekt heeft te vatten, schoot het pak moppen los en strooide ik dezelve onwetend in het IJ—maar ik troostte mij met:
Een ongeval komt nooit alleenig
Het ong'luk maakt de ziele lenig.
uit: "Wijsheid en deugd in klein octavo"—een mooi werk dat ik onder 't misdruk heb aangetroffen.
Ik knoopte mijn roode zakdoek om het hoofd en begroete mijn zoon met vaderlijk gevoel. Nadaniël deed niets dan lachen, 't geen mij van hem niet beviel want "die een goed hart heeft, lacht niet om het ongeluk van anderen"—(Wijsheid en deugd in klein octavo.
Mijn zoon zag er goed uit, en was hartelijk, zoo als 't betaamd, hij nam mijn reiszak en perreplu en liep zoo hard hij kon naar een viegelant—. die ze in Amsterdam, "een aap" noemen—
"Ga er gauw in vader" zei Klaas; de goede jongen was zeker bang dat ik kou zou vatten, door de afwezigheid van mijn hoed en den oostenwind maar ik kon er niet dadelijk toe besluiten, omdat de koetsier mij zoo wonderlijk aankeek. Ik heb wel eens gelezen van akelige gevallen, waarbij vreemden door misdadige koetsiers, naar plaatsen zijn gevoerd, waar ze uitgeplunderd en om hals werden gebracht—vooral bij tentoonstellingen als anderszins. Nadaniël riep echter "er in oude heer" en duwde mij een omstandigheit, die ik onfatsoenlijk vond.
Klaas was bedaarder en zei dat er geen kwaad bij was maar ik was toch niet op mijn gemak, want er kwamen veel menschen om den viegelant staan, en keken brutaal naar binnen. Een jongen zei: "er zit een turk in" maar ik zag niets, ook reden we weg; Klaas bracht mij eerst naar zijn kamer waar ik slapen zal want in de Hotels is alles vol zeggen de kranten en derhalve wilde ik mij liever behelpen met een eenslaperige bedstede voor twee personen.
Klaas moest naar het kantoor en daarom ging Nadaniël met mij mede, als uitlegger, de aap had gewacht. Hij bracht ons om geen tijd te verliezen met spoed naar het terrein.
O! Geliefde wederhelft, kinderen en bloedverwanten, hoe stond ik verbaasd toen ik met de aap door de stad reed. Wat een stad! wat een stad! Medemblik is er niets bij; door de Kalverstraat reden we als op fluweel en Koomenijswinkels, zoo als ik ze nog nooit heb gezien maar voor Medemblik is de onze niet onverwerpelijk als zijnde pas nieuw geverfd en goed onderhouden.
Ik keek mijn oogen uit, wegens de afwisseling der gezichten en dieverse winkels die ik U later zal beschrijven mondeling sweer tehuis zijnde. Eindelijk hielden wij stil voor een groot gebouw met variabele torens. Ik dacht dat het een klooster of een groote kerk was, maar Nadaniël zei: 'tis het nieuwe Museum en ik geloofde het.
Vóór de ronde poort staan twee brandspuithuisjes die gebruikt worden om de menschen in en uit te laten. Een ander klein huisje "Kiosk" noemen ze het, is er dicht bij gezet tot gemak van de bezoekers om kaartjes te nemen. Ik betaalde 50 cents, goedkoop hé! en mocht naar binnengaan. Nadaniël haalde zijn portret uit den zak zei "Pers" betaalde niemendal en ging ook naar binnen. Waarom hij "Pers" zei begreep ik niet, evenwel nu ben ik er achter.
Eerst zag ik een groote steenen gang een verwulft zoo als wij in de kelder hebben, maar veel mooier en grooter. O! waarde bloedverwanten welk een frische lucht kun je daar opdoen, ik ben er drie of vier maal heen en weêr geloopen alleen wegens de frisschigheid. Een paar dames en heeren hoorde ik zeggen, "'t tocht hier verschrikkelijk", maar dat waren zeker menschen met rumatiek of verkoudheid, aan de rechterzijde zag ik door een deur een binnenplaats vol wonderlijke dingen, gedrochten als tante Jet, haar neef en nicht, medegebracht uit de Oost.
Vazen met draken er op en allerlei rare dingen. Voor de deur zat een man aan een draaiding. Nadaniël liet zijn portret zien zei "Pers" en ging op de binnenplaats; ik moest 25 cent betalen omdat ik er in wou. Ik dacht 't wordt duurder want ik had pas een halve gulden betaald en nu al weer 1/4; maar ik wou de tentoonstelling nu eenmaal zien en keek op geen geld.
Om u al die vreemde dingen te beschrijven is een zaak van onmogelijkheid, alleen zeg ik u, nademaal 't voor u belangrijk is, dat de Prins van Weels ze betaald heeft, een zaak die gelukkig is voor Amsterdam, want de Prins van Weels heeft ruim zooveel geld als deze gemeente, zegt Nadaniël.
Wanneer gij nu denkt geliefde kinderen en waarde vrouw dat dit de Tentoonstelling is zijt gij verkeerd ingelicht, het eigentlijke komt nu eerst. Ik moest een oogenblik stilstaan om tot mij zelven te komen, ik dacht gerust dat ik een groot paardenspel zag, maar 't was het hoofdgebouw.
Voordat ik verder boekstaaf, wil ik u mededeelen dat ik uit vaderlandsch gevoel en liefde tot den vorst de half afgebroken tribune heb beklommen, waar bij de opening onzen geeerbiedigden Koning heeft gestaan. Nadaniël zei: "Meneer Komijn, nu moet je iets zeggen." Wat een gekke jongen hè! Waarom moet ik iets zeggen? dat zou ongepast zijn geweest vindt gij ook niet dierbare kinderen en wederhelft, dat kwam alléén den Koning toe. Alzoo zweeg ik en drukte eerbiediglijk de voetstappen van den vorst die op deze plek gestaan heeft.
Dit was een onvergetelijk oogenblik voor uw man en vader—, daarna beschouwde ik met aandachtigheid het gebouw dat ik nu voor u uitleg.
Verbeeldt u, twee prachtige groote torens met van onderen niets dan olifanten, heerlijk om te zien, leeuwen, koppen van serpenten en dames van boven, benevens allerlei figuren zooals ze bij ons van witte suiker op de koek maken. In 't midden hangt een keurige sjaal, rood met franje, en palmen, prachtig! nog rijkelijk zoo mooi als die van Moeder, waarin zij getrouwd is; lange palen met halve paarden er aan met vergulde hoofdstellen, in 't midden, dan geschilderde paarden op de wanden van 't gebouw, groote witte paarden met heele en halve ruiters er op en er voor, en weer andere paarden er boven.
Ziet gij beste bloedverwanten daardoor dacht ik dat 't een paardenspel was. Maar aangezien alles nog niet af is, oordeel ik nog maar gedeeltelijk.
Nadaniël heeft mij later in de Vijzelstraat bij een koekenbakker het model van suiker gewezen, waarnaar het hoofdgebouw is gemaakt. Die koekenbakker is een kunstenaar! Nu zal ik u eens iets mededeelen, waarop nog niemand gelet heeft, 't Is te hopen, dat de koerantiers 't niet merken want dan komt er weer gehaspel.
Tusschen de pooten van de olifanten staat "de Clercq" dat is een hatelijkheid beweert Nadaniël, omdat hij 't kanaal niet gegeven heeft, en van de Copello—(zeker Kappeyne) die niet weer minister wil worden, en nog een heele boel andere namen die ik niet lezen kon.
Vindt ge dat niet flauw beste wederhelft en kinderen om een ministerie tusschen olifantspooten te zetten, vooral als 't een hatelijkheid is zooals Nadaniël beweert, ik begrijp 't zelf niet goed waarom, maar 't zal toch wel waar zijn, want ik hoorde iemand zeggen, ze hebben er geen beter plaats voor kunnen vinden.
Ik had ondertusschen mijn hand al in den zak, want ik zag weer zoo'n paar mannen met Tentoonstellingspetten op en ik zocht naar een kwartje, maar 't hoefde niet, 't Hoofdgebouw kost niets extra—
N.B. hier zag ik van Nadaniël iets wat mij niet beviel; denkt eens aan kinderen en wederhelft, vóór den ingang staat een blikken bak vol eindjes sigaar, zeker om aan arme jongens en bedelaars te geven want eindjes zoeken, zoo als aan de Beurs doen ze op de tentoonstelling niet, Ik heb met eigen oogen gezien dat Nadaniël er zijn hand in stak; of hij er één of meer genomen heeft weet ik evenwel niet! maar ik vond het vies—en als hij mij gevraagd had had hij immers een sigaar kunnen krijgen, met liefde.
Wij gingen niet naar binnen maar eerst op het buitenterrein, om een oppervlakkig gezicht te hebben.
Juist willen wij, naar de Diamanten tentoonstelling gaan, toen een heer Nadaniël aansprak ik, geloof 't was een franschman: hij zei iets van "pres of pers". En Nadaniël zei ook pers "en pavieljon.—En toen schudden ze allebei 't hoofd. "Gepaste weetgierigheid strekt iedereen tot eer."
(Wijsheid en deugd in klein octavo) daarom vroeg ik, wat wou die heer en Nadaniël antwoordde: "hij vroeg naar 't Pavieljon delapers.—'t ik weet niet of'k 't goed spel.)
"Wat is dat?" vroeg ik—en hij vertelde me:
Dat is een gebouw voor de heeren die in de Hollandsche en Buitenlandsche kranten verslag geven van de tentoonstelling en voor de gezelligheid in dat gebouw zullen zamen komen, als het nog klaar komt vóór dat alles is afgeloopen.
De diamanten tentoonstelling kan ik niet teruggeven op schriftelijke wijs, want, beste vrouw! enz: Uw stel is er niets bij en al zoude ik, Uw betrouwbare vader en bloedverwant u zeggen hoeveel duizenden aan waarde en schoonheid daar verborgen liggen tentoongesteld, gij zoudt mij niet gelooven zonder te zien, alhoewel gelooven eigentlijk is, zonder gezien te hebben.
Het schijnt wel als of Pavieljoenen in de mode zijn, want behalve het Koningspavieljoen, dat als Z.M. de Koning niet weer op de Tentoonstelling komt een huis zonder eigenaar is, ziet men nog het Pavieljoen van de stad Amsterdam.
Gij kunt u niet begrijpen hoe mooi dit gebouw van buiten is. Een prachtig schilderij is boven de deur zichtbaar uitgestald, ik wou dat ik het had, als herinnering aan mijn aankomst te dezer stede.
Binnenin zag ik een school en nog een school en wat mij 't meeste beviel was een groote kaart met al de maten en gewichten er op, Liters en halve liters, zoo mooi natuurlijk als of ik ze in mijn winkel zag staan gepoetst met blauwsteen door U dierbare wederhelft als 't niet te duur is zal ik dat schilderij zien te koopen.
Overigens beschouwde ik de bruggen die afgeteekend zijn maar nog niet klaar, het slachthuis dat komen zal en al het andere met belangstelling, maar over de eentoonigheid, niet sprekend.
Met waarheid verwonder ik mij dat een vreemdeling dit Pavieljoen bezoekend zal denken, dat Amsterdam enkel maar een school is, en als koopstad niet aanwezig of van nijverheid ontbloot, maar ik heb de wijsheid niet en daarom hierover niet verder.
Nadaniël bleef nog een heele tijd om naar de schoolbanken enz, te kijken, maar ik vermeenend genoeg ontwikkeling te bezitten als volslagen man, wandelde er om heen en in het rond—Of het kwam door dien ik nieuwe laarzen aan had of door de hobbeligheid van den grond, die nog niet af is evenals al het andere—weet ik niet maar ik voelde vermoeienis en dorst, daarom nam ik een glas bier in het groote vat van de Brouwerij de Haan en de Sleutels- lekker! lekker!- Nadaniël kwam juist uit het Pavieljoen toen ik uit het vat kwam, een omstandigheid waardoor ik hem niet trakteeren kon, want twee maal bier drinken aan een stuk is iets wat mij niet invalt en matigheid is een eerste vereischte om gezond te leven. (Wijsheid en deugd, in klein octavo) Een eind verder stond ik verbazend voor een prachtig gebouw. Ik dacht dat het een turksche Moskee was, zooals ik laatst afgebeeld zag op de kermis in het kijkspul; alles rood en pilaren met goud.
Nadaniël zei me dat het de Sigarentempel van Boelen was. O! beminde vrouw, kinderen en aanverwanten, welk een pracht, vooráán bij de deur staan, alweer twee olifanten, aan de eene kant een sigarenmaker, die zooals Nadaniël beweert ongezond is geworden door zijn vak, hij ziet er dan ook erg bleek en galachtig uit, geheel het contrarie van het gezonde jongetje aan de andere kant dat voor 't eerst een sigaartje opsteekt. Een Engelschman rookt met een vies gezicht een sigaret die hij bij een ander gehaald heeft, hij draait zijn rug toe aan het gebouw zeker om niet te laten zien, dat hij bij een concurent heeft gekocht.
Ik tracteerde Nadaniël op een sigaar van een stuiver (op geld zie ik niet als ik uit ben) en wandelde met hem verder.
Een juffrouw die ik niet goed verstaan kon wenkte mij en spoot me O de Kolonje in mijn gezicht, 't mensch Was zoo vriendelijk dat ik er verlegen mee werd en stopte mij een klein fleschje vol in mijn zak, waar ik bij nader onderzoek 10 stuivers vóór moest geven—weshalve ik het haar teruggaf en heenging met afneming van mijn hoed.
Als volgens verder gaande bemerkte ik, dat wanneer een burgermensch, niet gewend zijnde aan slempartijen of drinkgelagen van alles proeven wil wat drinkbaar wordt aangeboden, dat wil zeggen voor contant geld, veel kans heeft om boven zijn bier te komen.
Nadaniël verleidde mij evenwel nog tot Meiwijn die overheerlijk was, hoewel ik voor hem betalend f 1.— voor 2 glazen kwijt werd. Waarom zei hij nu ook niet "pers" dan had ik 50 centen in den zak gehouden?
Hier en daar ziet men in den omtrek verschillende inzendingen, die nog in aanbouw zijnde, niemand tevreden stellen. Het zou te veel papier en penverbruik zijn om voor u waarde nabestaanden alles tot in het kleinste te beschrijven, daarom behandel ik alleen het voornaamste zoowel wetenschappelijk, als betrekking uitoefenende op eten en drinken; wat ook een voorname zaak is in het menschelijk leven.
't Is alsof een mensch op de tentoonstelling, zoo te zeggen, en met verlof gesproken een gat in den maag heeft, want al weder kon ik de verleiding niet ontgaan van een glas bier te verwerven aan de tent van P. Schorr. (de naam heb ik dadelijk opgeschreven omdat ik de heerlijke smaak van het bier wilde onthouden) Waarde vrouwen kinderen, bij ons schenkt in den buitentuin, een oude mottige knecht met een pruik het bier; en hier lieve mooie meisjes, met tirolerhoedjes een verschil dat in het gevoel der jeugd merkbaar is en ik ben het met Nadaniël eens, die zegt dat Schorr niet half zooveel zou te doen hebben, als hij een mottige knecht in het buffet zette.
Aperpo die Nadaniël is geloof ik een loszinnig jong mensch, want hij kent al die jonge dames, ook de O de kolonje juffrouw en hij is er famieljaar mee want tegen de eene zeit hij Fruile en tegen een ander Marie of Sofie—hij kent ze bij naam en toenaam, en als ik mij niet bedrieg zag ik dat hij stiekum, een biermeisje een zoen gaf. Klaas moet de omgang met hem maar afbreken, zoolang ik er ben is er geen gevaar bij door 't vaderlijk gezag maar bij afwezigheid daarvan des te meer omdat—Jeugd vergeet zoo vaak de deugd, Dan komt lijden na de vreugd (Wijsheid en deugd in klein octavo)—
Wanneer men eenige uren staandevoets is geweest of loopend op het terrein verlangt men naar rust, deze zelfde eigenschap bevond ik ook bij Nadaniël die mij liet kiezen of ik in het Hollandsche, Fransche, Duitsche of Engelsche koffiehuis wilde plaats nemen, tot verpoozing.
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.