Kitabı oku: «Een Juweel Voor Vorsten», sayfa 3

Yazı tipi:

HOOFDSTUK VIJF

Rupert kookte van woede terwijl hij door de straten van Ashton richting de haven liep. Hij had nu door de straten moeten rijden, onder het gejuich van een liefhebbende bevolking die zijn overwinning vierde. Het volk had zijn naam moeten roepen en bloemen naar hem moeten gooien. Vrouwen hadden hem langs de route moeten opwachten, klaar om zichzelf voor zijn voeten te werpen, terwijl hij de jaloerse blikken van jonge mannen voelde branden.

In plaats daarvan waren er alleen de vochtige straten en de mensen die zich bezighielden met wat boeren dan ook deden als ze niet druk waren met het toejuichen van hun meerderen.

“Uwe hoogheid, is alles in orde?” vroeg Sir Quentin Mires. Hij was een van de twaalf soldaten die waren gekozen om hem te vergezellen, waarschijnlijk om ervoor te zorgen dat hij daadwerkelijk bij het schip zou arriveren. Waarschijnlijk hadden ze ook het bevel gekregen om Sebastians locatie te achterhalen voor hij vertrok. Het kwam niet eens in de buurt. Het was niet eens genoeg voor een erewacht, niet echt.

“Nee, Sir Quentin,” zei Rupert. “Níéts is in orde.”

Hij had nu de held moeten zijn. Hij had eigenhandig de invasie tegengehouden, toen zijn moeder en zijn broer te lafhartig waren geweest om te doen wat nodig was. Hij was de prins geweest die het koninkrijk op dat moment nodig had gehad, en wat kreeg hij ervoor terug?

“Hoe is het in de Nabije Koloniën?” wilde hij weten.

“Er is mij verteld dat de eilanden verschillend zijn, uwe hoogheid,” zei Sir Quentin. “Sommige eilanden zijn rotsachtig, andere bestaan voornamelijk uit zandvlaktes. Op andere eilanden zijn moerassen te vinden.”

“Moerassen,” herhaalde Rupert. “Mijn moeder stuurt me weg om te helpen over moerassen te regeren.”

“Ik heb gehoord dat de natuur er zeer divers is,” zei Sir Quentin. “Sommige natuurlijke wetenschappers uit het koninkrijk brengen er jaren door, in de hoop ontdekkingen te doen.”

“Dus geïnfesteerde moerassen?” zei Rupert. “Je weet dat je het er niet beter op maakt, Sir Quentin?” Hij besloot de belangrijkere vragen te stellen en telde ze af op zijn vingers. “Zijn er goede gokhuizen? Beroemde courtisanes? Noemenswaardige plaatselijke dranken?”

“Men zegt dat de wijn—”

Vervloek de wijn!” snauwde Rupert terug. Hij kon zichzelf niet bedwingen. Normaal gesproken was hij beter in staat om zich te gedragen als de gouden prins, zoals men van hem verwachtte. “Vergeef me, Sir Quentin, maar de kwaliteit van de wijn of het overvloedige wildleven zijn geen compensatie voor het feit dat ik praktisch verbannen word.”

De andere man boog zijn hoofd. “Nee, uwe hoogheid, natuurlijk niet. U verdient beter.”

Dat statement was net zo evident als nutteloos. Natuurlijk verdiende hij beter. Hij was de oudste prins en de rechtmatige erfgenaam van de troon. Hij verdiende alles dat dit koninkrijk te bieden had.

“Ik overweeg om mijn moeder te vertellen dat ik niet ga,” zei Rupert. Hij keek om zich heen. Hij had nooit gedacht dat hij een stinkende, ellendige stad als Ashton zou gaan missen.

“Dat is wellicht… onverstandig, uwe hoogheid,” zei Sir Quentin op een toon die suggereerde dat hij probeerde te voorkomen dat hij Rupert een idioot noemde. Hij dacht waarschijnlijk dat Rupert het niet merkte. Mensen hadden de neiging om te denken dat hij dom was, tot het te laat was.

“Ik weet het, ik weet het,” zei Rupert. “Als ik blijf riskeer ik executie. Denk je nu echt dat mijn moeder me zou laten executeren?”

De stilte waarin Sir Quentin naar zijn woorden zocht duurde veel te lang.

“Jij denkt van wel. Jij denkt echt dat mijn moeder haar eigen zoon zou laten executeren.”

“Ze heeft wel een zekere… meedogenloze reputatie,” merkte de hoveling op. Was dit echt hoe mannen met connecties in de Assemblee van Aristocraten altijd spraken? “En zelfs als ze úw executie niet door zou zetten, dan zouden de mensen om u heen wellicht… kwetsbaar zijn.”

“Ah, dus het is je eigen huid waar je je druk om maakt,” zei Rupert. Dat klonk logischer wat hem betreft. Mensen, zo had hij ondervonden, maakten zich voornamelijk druk om hun eigen belangen. Die les had hij al vroeg geleerd. “Ik dacht dat je contacten in de Assemblee je wel zouden beschermen, zeker na zo’n overwinning.”

Sir Quentin haalde zijn schouders op. “Over een maand of twee misschien. Nu hebben we de steun. Maar op dit moment praten ze nog steeds over de bemoeienis van koninklijke macht, over hoe u handelde zonder hun toestemming. In de tijd die het kost om hen van gedachten te laten veranderen, kan een man zo zijn hoofd verliezen.”

Sir Quentin zou het zijne sowieso verliezen als hij het lef had om te suggereren dat Rupert toestemming nodig had om te doen wat hij wilde. Hij was degene die koning zou worden!

“En daarbij, zelfs al zou ze u niet executeren, uwe hoogheid, uw moeder kan u gevangen zetten, of u verbannen naar een nog ergere plek, met bewaking.”

Rupert gebaarde naar de mannen waar hij door omgeven was, die met hem en Sir Quentin meeliepen.

“Ik dacht dat dat al het geval was?”

Sir Quentin schudde zijn hoofd. “Deze mannen horen bij degenen die aan uw zijde vochten tegen het Nieuwe Leger. Ze respecteren de stoutmoedigheid van uw beslissing en wilden u niet alleen laten vertrekken, zonder de eer van een escorte.”

Dus het was wél een erewacht. Dat had Rupert niet gedacht. Maar nu hij goed om zich heen keek, zag hij dat de meeste mannen officiers waren, geen gewone soldaten. Ze vergezelden hem omdat ze dat zelf wilden. Dat kwam dichter in de buurt bij het soort vleierij waar Rupert naar verlangde. Al was het bij lange na niet genoeg compensatie voor de stupiditeit van wat zijn moeder hem had aangedaan.

Het was een vernedering, en zijn moeder kennende was het nog een berekende vernedering ook.

Ze bereikten de kade. Rupert had verwacht dat er op zijn minst een groot vechtschip op hem lag te wachten, dat een kanon zou afvuren als erkenning van zijn status.

Maar er was niets.

“Waar is het schip?” wilde Rupert weten terwijl hij om zich heen keek. Zo ver als hij kon zien zag hij de gebruikelijke schepen, de kooplieden die hun handel hervatten nadat het Nieuwe Leger zich had teruggetrokken. Hij had gedacht dat zij hem op zijn minst zouden bedanken voor zijn inspanningen, maar ze leken het te druk te hebben met het verdienen van hun geld.

“Ik geloof dat het schip daar ligt, uwe hoogheid,” wees Sir Quentin.

“Nee,” zei Rupert toen hij zag waar de man heen wees. “Nee.”

De boot was een tobbe. Geschikt voor de reis van een koopman, misschien, en inmiddels al deels geladen met voorraden voor de terugreis naar de Nabije Koloniën. Het vaartuig was allesbehalve geschikt voor een prins.

“Het is niet bepaald groots,” zei Sir Quentin. “Maar ik geloof dat hare majesteit dacht dat dit minder aandacht zou trekken, wat de kansen op gevaar onderweg zou verkleinen.”

Rupert betwijfelde dat zijn moeder over piraten had nagedacht. Ze had alleen gedacht aan wat hem het meest ongemakkelijk zou maken, en dat was haar goed gelukt.

“Maar goed,” zei Sir Quentin met een zucht, “u reist in elk geval niet alleen.”

Rupert stopte en staarde de man aan.

“Vergeef me, Sir Quentin,” zei Rupert terwijl hij in de brug van zijn neus kneep om een opkomende hoofdpijn af te wenden, “maar waarom ben je precies hier?”

Sir Quentin draaide zich naar hem om. “Het spijt me, uwe hoogheid, ik had het moeten vertellen. Mijn eigen positie is… nogal onzeker op het moment.”

“Je bedoelt dat je bang bent voor mijn moeder als ik niet in de buurt ben?” zei Rupert.

“Zou u dat niet zijn?” vroeg Sir Quentin, die zich eventjes losmaakte van de zorgvuldig overwogen uitspraken van een politicus. “Ik zie het zo: ik kan hier blijven wachten tot ze een excuus bedenkt om me te laten executeren, of ik kan me een tijdje bezighouden met de zakelijke belangen van mijn familie in de Nabije Koloniën.”

Hij deed het zo simpel klinken: naar de Nabije Koloniën gaan, Sebastian vrijlaten, wachten tot de storm overwaaide en zo terugkomen dat het leek alsof hij goed gestraft was. Het probleem was alleen dat Rupert zichzelf er niet toe kon aanzetten.

Hij kon niet doen alsof hij spijt had van iets dat overduidelijk de juiste beslissing was geweest. Hij kon zijn broer niet vrijlaten, zodat hij hem alles kon afnemen. Zijn broer verdiende het niet om vrij te zijn nadat hij praktisch een staatsgreep had gepleegd en hun moeder had overtuigd om hem tot haar opvolger te benoemen.

“Ik kan het niet,” zei Rupert. “Ik dóé het niet.”

“Uwe hoogheid,” zei Sir Quentin op die stomme redelijke toon van hem. “Uw moeder heeft de gouverneur van de Nabije Koloniën reeds op de hoogte gebracht. Hij verwacht u en hij zal het uw moeder laten weten als u niet komt opdagen. Zelfs als u zou vluchten, dan zou uw moeder soldaten sturen, niet in de laatste plaats om erachter te komen waar prins Sebastian is.”

Rupert kon zichzelf nog maar net bedwingen; eigenlijk wilde hij de man een klap verkopen. Maar het was geen goed idee om je bondgenoten te slaan, in elk geval niet als ze nog nuttig konden zijn.

En Rupert had iets bedacht waarbij Sir Quentin zéér nuttig kon zijn. Hij keek om zich heen naar de groep officiers die hem vergezelde en zag er een met blond haar, die ongeveer het juiste postuur had.

“Jij, hoe heet je?”

“Aubry Chomley, uwe hoogheid,” zei de man. Hij droeg het insigne van een kapitein op zijn uniform.

“Nou, Chomley,” zei Rupert. “Hoe loyaal ben je?”

“Uiterst loyaal,” zei de man. “Ik heb gezien wat u deed tegen het Nieuwe Leger. U heeft ons koninkrijk gered en u bent de rechtmatige erfgenaam van de troon.”

“Beste man,” zei Rupert. “Je uitspraken sieren je, maar nu is het tijd om die loyaliteit op de proef te stellen.”

“U zegt het maar,” zei de man.

“Ik wil dat je je kleren ruilt met de mijne.”

“Uwe hoogheid?” De soldaat en Sir Quentin zeiden het bijna tegelijk.

Rupert slaagde erin om niet luidruchtig te zuchten. “Het is simpel. Chomley hier zal met je meegaan naar de boot. Hij doet alsof hij mij is en gaat met je mee naar de Nabije Koloniën.”

De soldaat keek nerveus, alsof Rupert hem zojuist het bevel had gegeven om ongewapend op de vijand af te rennen.

“Zullen… zullen mensen het niet merken?” zei de man. “Zal de gouverneur het niet merken?”

“Waarom zou hij?” vroeg Rupert. “Ik heb de man nog nooit ontmoet, en Sir Quentin zal voor je instaan. Nietwaar, Sir Quentin?”

Sir Quentin keek van Rupert naar de soldaat en weer terug en probeerde zichtbaar te berekenen welke werkwijze de grootste kans bood om zijn hoofd niet kwijt te raken.

Deze keer zuchtte Rupert wél. “Luister, het is simpel. Jij gaat naar de Nabije Koloniën. Je zegt dat Chomley mij is. Aangezien ik nog hier ben, biedt dat ons de kans om de steun te vergaren die we nodig hebben. Steun die jullie veel sneller terug kan brengen dan wanneer jullie zouden wachten tot mijn moeder het vergeten is.”

Dat leek de man te overtuigen. Hij knikte. “Goed dan,” zei Sir Quentin. “Ik doe het.”

“En jij, kapitein?” vroeg Rupert. “Of moet ik generaal zeggen?”

Het duurde even tot dat tot hem doordrong. Hij zag Chomley slikken.

“Wat u maar wilt, uwe hoogheid,” zei de man.

Binnen een paar minuten hadden ze een leeg pand tussen de warenhuizen en bootloodsen gevonden. Daar kleedden ze zich om. Chomley leek nu… nou, eerlijk gezegd leek hij niet op een prins, maar met de referentie van Sir Quentin zou het moeten volstaan.

“Ga,” zei Rupert tegen hen. Ze vertrokken, vergezeld door ongeveer de helft van de soldaten, zodat het echt leek. Hij keek om naar de anderen en dacht na over wat hij nu zou doen.

Hij peinsde er niet over om uit Ashton te vertrekken, maar hij zou voorzichtig moeten zijn tot hij klaar was. Voorlopig zat Sebastian veilig. Het paleis was groot genoeg voor hem om zijn moeder in elk geval een tijdje te ontwijken. Hij wist dat er mensen achter hem stonden. Het was tijd om uit te vinden hoeveel mensen, en hoeveel macht hij daarvoor kon kopen.

“Kom mee,” zei hij tegen de anderen. “Tijd om te bepalen hoe we terugnemen wat van mij moet zijn.”

HOOFDSTUK ZES

“Ik ben Lady Emmeline Constance Ysalt D’Angelica, Markiezin van Sowerd en Vrouwe van de Orde van de Sjerp!” schreeuwde Angelica in de hoop dat iemand haar zou horen. In de hoop dat haar volledige naam de aandacht zou trekken. “Ik word tegen mijn wil meegenomen! Ze willen me vermoorden!”

De wachter die haar met zich meesleurde leek onaangedaan door haar geschreeuw. Dat vertelde Angelica dat er vrijwel geen kans bestond dat iemand haar hoorde. Niemand die haar kon helpen, tenminste. Op een wrede plek als het paleis waren de bediendes het wel gewend om geschreeuw om hulp te negeren, om te doen alsof ze blind en doof waren, tenzij hun meerderen hen anders opdroegen.

“Ik laat je dit niet doen,” zei Angelica. Ze probeerde haar hielen in de grond te zetten. Maar het lengteverschil was te groot en de wachter sleurde haar gewoon achter zich aan. Ze haalde naar hem uit en raakte hem zo hard dat haar handpalm brandde. Even ontspande grip van de wachter en Angelica wilde ervandoor gaan.

Binnen enkele seconde had de wachter haar weer vastgegrepen. Hij graaide naar haar en sloeg haar zo hard dat Angelica’s hoofd ervan tolde.

“Je kunt me niet… je kunt me niet slaan,” zei ze. “Mensen zullen het weten. Je moet zorgen dat het op een ongeluk lijkt!”

Hij sloeg haar weer. Angelica kreeg het gevoel dat hij het deed omdat het kon.

“Als je van een gebouw bent gesprongen zal een blauwe plek niemand opvallen,” zei hij. Hij sleurde haar overeind en droeg haar over zijn schouders alsof ze een opstandig kind was. Angelica had zich nog nooit zo hulpeloos gevoeld als op dat moment.

“Schreeuw nog een keer,” waarschuwde hij, “en je krijgt nog meer klappen.”

Angelica hield haar mond, al was het maar omdat het toch niets leek uit te maken. Ze had onderweg nog niemand gezien. Dat was of omdat iedereen nog druk was met de bruiloft die niet had plaatsgevonden, of omdat de Weduwe ervoor had gezorgd dat er niemand in de buurt zou zijn. Angelica zag haar daar wel voor aan. De oude vrouw plande alles met veel geduld en wreedheid, zoals een kat die voor een muizenholletje zat te wachten.

“Je hoeft dit niet te doen,” zei Angelica.

De wachter haalde zijn schouders op, waardoor ze op zijn schouder heen en weer werd geschud. Ze gingen door het paleis omhoog, via wenteltrappen die steeds smaller werden naarmate ze hoger kwamen. Op een gegeven moment moest de wachter Angelica neerzetten om verder te kunnen, maar hij sleurde haar hardhandig verder aan haar haren, waardoor Angelica het uitschreeuwde van de pijn.

“Je kunt me ook gewoon laten gaan,” zei Angelica. “Niemand hoeft het te weten.”

De wachter snoof. “Niemand zou het merken als je gewoon weer opdook in het paleis, of in het huis van je familie? De spionnen van de Weduwe zouden het niet weten als je nog leefde?”

“Ik zou weg kunnen gaan,” probeerde Angelica. De realiteit was dat ze waarschijnlijk wel móést vertrekken als ze wilde blijven leven. De Weduwe zou het niet bij één poging houden, mocht die mislukken. “Mijn familie heeft connecties die zo ver overzee zijn dat er nauwelijks nieuws vandaan komt. Ik kan verdwijnen.”

De wachter leek niet meer onder de indruk van dat idee dan van het vorige. “En als je toch door een spion gezien wordt? Nee, ik denk dat ik mijn plicht maar volbreng.”

“Ik kan je geld geven,” zei Angelica. Ze kwamen steeds hoger. Zo hoog dat ze, wanneer ze uit een van de smalle raampjes keek, de stad als kinderspeelgoed onder zich kon zien liggen. Misschien was dat hoe de Weduwe het altijd zag: als speelgoed dat ze voor haar eigen vermaak kon arrangeren.

Het betekende ook dat ze nu bijna op het dak waren.

“Wíl je geen geld?” wilde Angelica weten. “Een man als jij zal niet zo veel verdienen. Ik kan je zoveel geven dat je een rijk man bent.”

“Je kunt me niets geven als je dood bent,” merkte de wachter op. “En ik kan het niet uitgeven als ik het ben.”

Voor hen verscheen een smalle, ijzer gebonden deur met een eenvoudige grendel. Angelica had gedacht dat de route naar haar dood dramatischer geweest zou zijn. Toch werd ze alleen al door de aanblik van de deur overspoeld door een golf van angst, die haar achteruit deed deinzen. Maar de wachter sleurde haar gewoon naar voren.

Als Angelica een dolk had gehad, zou ze die gebruikt hebben als hij de deur ontgrendelde en opendeed om de koude lucht in de ruimte eruit te laten. Ze zou op mijn minst geprobeerd hebben om zijn keel door te snijden, al was het maar met een scherp eetmes. Maar zelfs dat had ze niet. Niet in haar trouwjurk. Het enige dat ze had waren wat poedertjes om haar make-up bij te werken, een verdovend middeltje tegen de zenuwen, en… dat was het. Dat was alles dat ze bij zich had. Al het andere lag ergens beneden in het paleis, opgeborgen zoals haar huwelijksplannen.

“Alsjeblieft,” smeekte ze. Ze hoefde niet te acteren om hulpeloos over te komen. “Als geld je niet kan overtuigen, hoe zit het dan met fatsoen? Ik ben maar een jonge vrouw die zonder het te willen verstrikt is geraakt in een wreed spel. Help me, alsjeblieft.”

De wachter trok haar het dak op. Het was een plat dak met kantelen die niets te maken hadden met verdedigingswerken. De wind rukte aan Angelica’s haren.

“En dat moet ik geloven?” vroeg de wachter. “Dat je een onschuldig klein meisje bent? Weet je wel wat voor verhalen er over jou de ronde doen in het paleis, milady?”

Angelica kende er wel een paar. Ze zorgde dat ze wist wat mensen over haar zeiden, zodat ze zich later kon wreken.

“Ze zeggen dat je verwaand bent, dat je wreed bent. Dat je mensen hebt geruïneerd, alleen omdat ze op de verkeerde toon tegen je spraken. Dat je je rivalen laat verbannen, voorzien van het brandmerk van de onvrijen dat ze eerder nog niet hadden. Denk je echt dat jij genade verdient?”

“Dat zijn leugens,” zei Angelica. “Dat zijn—”

“Het kan me toch niet schelen.” Hij sleurde haar richting de borstwering. “De Weduwe heeft me mijn orders gegeven.”

“En wat zal ze doen als je je taak volbracht hebt?” wilde Angelica weten. “Denk je dat ze je laat leven? Als de Assemblee erachter komt dat ze een aristocrate heeft laten vermoorden, zou ze afgezet worden.”

De grote man haalde zijn schouders op. “Ik heb al eerder voor haar gemoord.”

Hij zei het alsof het niets was en op dat moment wist Angelica dat ze ging sterven. Wat ze ook zei, wat ze ook probeerde, deze man ging haar vermoorden. En het zag ernaar uit dat hij er nog van zou genieten ook.

Hij duwde Angelica naar de rand en ze wist dat ze binnen enkele minuten zou vallen. Om onbegrijpelijke reden moest ze aan Sebastian denken. Maar ondanks het feit dat hij haar in de steek had gelaten, waren het niet de met haat gevulde gedachten die het hadden moeten zijn. Angelica begreep het niet. Hij was niets meer dan de man die ze als echtgenoot had gewild om hogerop te komen, een man die ze met een slaappoeder in bed had willen lokken…

Toen kreeg ze een idee. Het was een wanhopig idee, maar op dat moment was alles wanhopig.

“Ik kan je iets bieden dat veel meer waarde heeft dan geld,” zei Angelica. “Iets dat veel beter is.”

De wachter lachte, maar stopte toch. “Wat?”

Angelica reikte naar haar riem en haalde het kleine doosje met het verdovende middel tevoorschijn. Ze hanteerde het alsof het het meest kostbare object ter wereld was. De wachter hield haar niet tegen en staarde gefascineerd naar het doosje, benieuwd naar wat het kon zijn. Heel zorgvuldig opende Angelica het doosje.

“Wat is het?” wilde de wachter weten. “Het ziet eruit als—”

Angelica blies het poeder in zijn gezicht. De man snakte naar adem. Ze dook naar links toen hij haar wilde grijpen, in de hoop langs hem te komen nu hij nog verblind was door het poeder in zijn ogen. Een vlezige hand klemde zich om haar arm en ze werd weer richting de rand van het dak getrokken.

Angelica wist niet wat voor effect het verdovende middel zou hebben. Het had altijd snel gewerkt in het verleden, maar ze had altijd kleine doseringen gebruikt, met minimale effecten. Wat zou zo’n grote dosering doen met een man van dat formaat? Zou ze genoeg tijd hebben? Angelica kon de rand van het dak tegen haar rug voelen. De man duwde haar naar achteren en ze zag de lucht.

“Ik vermoord je!” brulde de wachter. Angelica merkte dat hij onduidelijk sprak nu. Verslapte zijn grip? Duwde hij minder hard?

Ze helde zo ver naar achteren dat ze de grond onder zich kon zien, de rondlopende bedienden en aristocraten. Nog een seconde en ze zou te pletter vallen op de geplaveide binnenplaats.

In die seconde voelde Angelica de grip van de wachter verslappen. Niet helemaal, maar genoeg voor haar om zich los te wrikken en langs hem heen te glippen.

“Je had het geld moeten aannemen,” zei ze. Ze stormde naar voren en duwde met al haar kracht. De wachter balanceerde een seconde lang op de rand en viel toen naar achteren. Zijn armen graaiden naar de lucht.

Niet alleen naar de lucht. Hij slaagde erin om haar vast te grijpen en Angelica werd naar voren getrokken, naar de rand en eroverheen. Ze schreeuwde het uit en greep om zich heen. Haar vingers vonden een stuk gesteente maar haar vingers gleden weg. Ze vond het terug terwijl de wachter naar beneden viel. Angelica keek net lang genoeg naar beneden om zijn val te zien. De kortstondige bevrediging die ze voelde toen hij de grond raakte, werd al snel vervangen door doodsangst: ze hing aan de rand van het kasteel.

Angelica’s vingers zochten wanhopig naar houvast. Haar voeten bungelden een seconde in de lucht. Toen slaagde ze erin om steun te vinden op de ruwe zijkant van een smeedijzeren heraldisch schild. Het was vaag vermakelijk toen ze merkte dat het het koninklijke wapenschild was, maar ze was opgelucht dat het er was. Was dat niet het geval geweest, dan zou ze nu zo dood zijn als de Weduwe wilde dat ze was.

De klim terug het dak op leek een eeuwigheid te duren en Angelica’s spieren brandden van de onverwachte inspanning. Onder zich kon ze mensen horen schreeuwen. Mensen begonnen zich rond de gevallen wachter te verzamelen. Een aantal van hen zouden zonder twijfel opkijken en zien hoe ze omhoog klom en zich hijgend op het dak liet vallen.

“Sta op,” zei ze tegen zichzelf. “Je bent er geweest als je hier blijft. Sta op.”

Ze dwong zichzelf overeind en probeerde na te denken. De Weduwe had geprobeerd om haar te vermoorden. Het meest voor de hand liggende was vluchten, want wie kon het nu opnemen tegen de Weduwe? Ze moest het paleis uit zien te komen. Misschien dat ze bij de haven kon komen en naar het overzeese gebied van haar familie vluchten. Dat, of ze moest via een onopvallende route de stad uitvluchten, de bewaking vermijden en het land uit. Haar familie had macht, en ze hadden het soort vrienden die de Assemblee van Aristocraten hierover konden informeren, en zij zouden—

“Zij zouden doen wat de Weduwe hen opdraagt,” zei Angelica tegen zichzelf. Als ze überhaupt iets deden, zou dat zoveel tijd in beslag nemen dat ze in de tussentijd zonder twijfel alsnog vermoord zou worden. Het beste waar ze op kon hopen was vluchten en blijven vluchten. Ze zou nooit veilig zijn, ze zou alles achter moeten laten. Dat was onacceptabel.

En dat bracht haar terug naar haar eerdere vraag: wie kon het opnemen tegen de Weduwe?

Angelica klopte zichzelf zorgvuldig af, streek haar haren glad en knikte. Dit plan was… gevaarlijk, ja. Vrijwel zeker onplezierig. Maar het was haar beste kans.

Terwijl de mensen beneden schreeuwden, rende ze terug het paleis in.

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

₺179,42

Türler ve etiketler

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
02 eylül 2020
Hacim:
232 s. 5 illüstrasyon
ISBN:
9781094342948
İndirme biçimi:
Metin
Ortalama puan 4,7, 304 oylamaya göre
Ses
Ortalama puan 4,2, 744 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 4,8, 95 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 4,3, 50 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 4,8, 17 oylamaya göre
Ses
Ortalama puan 4,8, 80 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 5, 3 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 4,8, 6 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 4,8, 6 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 5, 1 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 5, 2 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre
Metin
Ortalama puan 0, 0 oylamaya göre