Kitabı oku: «Salome en Een Florentijnsch Treurspel»
Oscar Wilde
Salome en Een Florentijnsch Treurspel

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066312855
Inhoudsopgave
PERSONEN
SALOME
EEN FLORENTIJNSCH TREURSPEL
PERSONEN
EEN FLORENTIJNSCH TREURSPEL
Tot heden verschenen Tooneelspelen.
a. in de Nederlandsche Bibliotheek
b. in de Wereld-Bibliotheek
c. in de Russische Bibliotheek
d. In de Oorspronkelijke Uitgaven
PERSONEN:
Inhoudsopgave
HERODES ANTIPAS, Tetrarch van Judaia;
JOKANAÄN, een profeet;
DE JONGE SYRIËR, hoofdman der lijfwacht;
TIGELLINUS, een jong Romein;
EEN KAPPADOKIËR;
EEN NUBIËR;
EERSTE SOLDAAT;
TWEEDE SOLDAAT;
DE PAGE VAN HERODIAS;
JODEN, NAZAREËRS, ENZ.;
EEN SLAAF;
NAÄMAN, de beul;
HERODIAS, vrouw van Herodes;
SALOME, dochter van Herodias;
DE SLAVINNEN VAN SALOME.
SALOME
Inhoudsopgave
Tooneel: een ruim terras voor de groote feesthal in het paleis van Herodes. Soldaten staan geleund aan de balustrade. Rechts een reusachtige trap. Links, op den achtergrond, een oude waterput met een groen bronzen kraag. De maan schijnt helder.
DE JONGE SYRIËR: Hoe zeer schoon is de Prinses Salome vanavond!
DE PAGE VAN HERODIAS: Let op de maan. De maan lijkt wonder vreemd. Zij doet aan als een vrouw die opkomt uit een graf. Zij gelijkt op een doode vrouw. Het is alsof zij speurt naar andere dooden.
DE JONGE SYRIËR: Ja, zij lijkt wonder vreemd. Zij gelijkt op een kleine prinses die een gelen sluier draagt en wier voetjes van zilver zijn. Zij gelijkt op een prinses wier voetjes zijn als kleine witte duiven... Het is alsof zij danst.
DE PAGE VAN HERODIAS: Zij is als een doode vrouw. Zij beweegt zich heel langzaam. (Gedruisch in de feesthal.)
EERSTE SOLDAAT: Wat een getier! Wie zijn die huilende wilde-beesten?
TWEEDE SOLDAAT: De Joden. Die zijn altijd zoo. Zij twisten over hun godsdienst.
EERSTE SOLDAAT: Waarom twisten zij over hun godsdienst?
TWEEDE SOLDAAT: Ik weet niet. Ze doen niet anders... Zoo verzekeren de Farizeërs dat er engelen zijn, en de Sadduceërs zeggen dat de engelen niet bestaan.
EERSTE SOLDAAT: Ik vind het belachelijk over zulke dingen te twisten.
DE JONGE SYRIËR: Hoe zeer schoon is de Prinses Salome vanavond!
DE PAGE VAN HERODIAS: Gij ziet voortdurend naar haar. Gij ziet te veel naar haar. Het is gevaarlijk menschen op zulk een wijze aan te zien... Daar komt licht een ongeluk uit voort.
DE JONGE SYRIËR: Zij is zeer schoon vanavond.
EERSTE SOLDAAT: De Tetrarch ziet somber.
TWEEDE SOLDAAT: Ja, hij ziet somber.
EERSTE SOLDAAT: Hij ziet naar iets.
TWEEDE SOLDAAT: Hij ziet naar iemand.
EERSTE SOLDAAT: Naar wien ziet hij?
TWEEDE SOLDAAT: Ik weet niet.
DE JONGE SYRIËR: Hoe zeer bleek is de Prinses! Ik heb haar nooit zoo bleek gezien. Zij is als de weêrschijn van een witte roos in een zilveren spiegel.
DE PAGE VAN HERODIAS: Gij doet beter niet naar haar te zien. Gij ziet te veel naar haar.
EERSTE SOLDAAT: Herodias heeft den beker van den Tetrarch gevuld.
DE KAPPADOKIËR: Is dat de Koningin Herodias, zij die de zwarte mitra draagt bestikt met parelen, en wier haren blauw gepoederd zijn?
EERSTE SOLDAAT: Ja, dat is Herodias, de vrouw van den Tetrarch.
TWEEDE SOLDAAT: De Tetrarch houdt veel van wijn. Hij bezit drie soorten wijn. Een, die komt uit het eiland Samothrake. Die is zoo purper als de mantel van Caesar.
DE KAPPADOKIËR: Ik heb Caesar nooit gezien.
TWEEDE SOLDAAT: Een anderen, die komt uit de stad Kypros. Die is geel als goud.
DE KAPPADOKIËR: Ik houd veel van goud.
TWEEDE SOLDAAT: En de derde is een wijn uit Sicilia. Die wijn is rood als bloed.
DE NUBIËR: De goden van mijn land houden veel van bloed. Tweemaal in 't jaar offeren wij hun jongemannen en maagden: vijftig jongemannen en honderd maagden. Maar het schijnt dat wij hun nooit genoeg geven; want zij zijn zeer hard voor ons.
DE KAPPADOKIËR: In mijn land zijn nu geen goden meer: de Romeinen hebben hen verjaagd. Er zijn er die zeggen dat zij gevlucht zijn in de bergen, maar ik geloof het niet. Ik ben drie nachten lang op de bergen geweest en heb hen overal gezocht. Ik heb hen niet gevonden. In het eind heb ik hen bij hunne namen geroepen, en zij zijn niet verschenen. Ik denk dat zij dood zijn.
EERSTE SOLDAAT: De Joden aanbidden een god dien men niet kan zien.
DE KAPPADOKIËR: Dat kan ik niet begrijpen.
EERSTE SOLDAAT: Eigenlijk gelooven zij enkel in dingen die men niet kan zien.
DE KAPPADOKIËR: Dat lijkt mij volslagen belachelijk.
DE STEM VAN JOKANAÄN: Na mij komt een ander die sterker is dan ik, wien ik niet waardig ben den riem zijner schoenen te ontbinden. Als hij komt, zullen de dorstige plaatsen zich verheugen. Zij zullen bloeien als de lelie. De oogen der blinden zullen het daglicht zien, en de ooren van de dooven zullen geopend worden. Het jonggeboren kind zal zijn hand steken in het hol van den draak, en zal de leeuwen leiden bij hunne manen.
TWEEDE SOLDAAT: Beveel hem te zwijgen. Hij zegt altijd onzinnige dingen.
EERSTE SOLDAAT: Toch niet. Het is een heilig man. Ook is hij zeer zachtmoedig. Elken dag breng ik hem zijn eten: hij bedankt mij altijd.
DE KAPPADOKIËR: Wie is het?
EERSTE SOLDAAT: Het is een profeet.
DE KAPPADOKIËR: Hoe is zijn naam?
EERSTE SOLDAAT: Jokanaän.
DE KAPPADOKIËR: Waar komt hij vandaan?
EERSTE SOLDAAT: Uit de woestijn, waar hij zich voedde met sprinkhanen en wilden honing. Hij was bekleed met kemelshaar en rondom zijn lendenen droeg hij een lederen gordel. Hij was zeer woest om te zien. Een groote schare volgde hem. Hij had zelfs discipelen.
DE KAPPADOKIËR: Waar spreekt hij over?
EERSTE SOLDAAT: Dat kunnen wij nooit uitmaken. Soms zegt hij schrikwekkende dingen, maar het is onmogelijk te begrijpen wat hij zegt.
DE KAPPADOKIËR: Mag men hem zien?
EERSTE SOLDAAT: Neen. De Tetrarch heeft het streng verboden.
DE JONGE SYRIËR: De Prinses heeft haar gelaat verborgen achter haar waaier! Haar kleine blanke handjes bewegen zich als duiven die vliegen naar den duiventil. Zij gelijken op witte vlinders. Zij zijn volkomen als witte vlinders.
DE PAGE VAN HERODIAS: Wat hebt gij daarmede van-doen? Waarom ziet gij naar haar? Gij doet beter niet naar haar te zien... Daar komt nog een ongeluk uit voort.
DE KAPPADOKIËR (wijzend naar den waterput): Wat een zonderlinge gevangenis!
TWEEDE SOLDAAT: Het is een oude waterput.
DE KAPPADOKIËR: Een oude waterput! Dat moet erg ongezond zijn.
TWEEDE SOLDAAT: Toch niet. De broeder van den Tetrarch bij-voorbeeld, zijn oudere broeder, de eerste man van de Koningin Herodias, is twaalf jaren lang daarin opgesloten geweest. Hij is er niet van gestorven. In het eind is hij nog moeten geworgd worden.
DE KAPPADOKIËR: Geworgd? Wie heeft dat durven doen?
TWEEDE SOLDAAT (wijzend naar den beul, een reusachtigen neger): Hij daar. Naäman.
DE KAPPADOKIËR: Was hij niet bevreesd?
TWEEDE SOLDAAT: Wel neen. De Tetrarch heeft hem den ring gezonden.
DE KAPPADOKIËR: Welken ring?
TWEEDE SOLDAAT: Den ring des doods. Dus was hij niet bevreesd.
DE KAPPADOKIËR: Toch is het een verschrikkelijk ding een koning te worgen.
EERSTE SOLDAAT: Waarom? Koningen hebben maar éen hals, net als iedereen.
DE KAPPADOKIËR: Het lijkt mij een verschrikkelijk ding.
DE JONGE SYRIËR: De Prinses staat op! Zij gaat weg van tafel! Zij ziet zeer ontstemd. Ah, zij komt dezen kant uit. Ja, zij komt hier naar ons. Wat is zij bleek! Nooit heb ik haar zoo bleek gezien...
DE PAGE VAN HERODIAS: Zie niet naar haar. Ik bid u, zie niet naar haar.
DE JONGE SYRIËR: Zij is als een duif die verdoold is... Zij is als een narcis die siddert op den wind... Zij gelijkt op een zilveren bloem.
SALOME (komt op): Ik blijf niet. Ik kan niet blijven. Waarom kijkt de Tetrarch mij voortdurend aan met zijn molsoogen onder zijn bevende oogleden?... Het is zonderling dat de man van mijne moeder mij op die wijze aanziet. Ik weet niet wat dat beduidt... Eigenlijk weet ik het wel.
DE JONGE SYRIËR: Gij hebt zooeven het feest verlaten, Prinses?
SALOME: Hoe zuiver is de lucht hier! Hier kan ik adem halen! Daarbinnen zijn Joden uit Jerusalem, die elkander verscheuren om hun belachelijke ceremoniën, en barbaren die niets doen dan drinken en hun wijn spillen op den vloer, en Grieken uit Smyrna met hun geverfde oogen en geblankette wangen, en hun haren gebrand in gewonden krullen, en stilzwijgende sluwe Aigyptenaren met hun graveelen nagels en hun rosse mantels, en lompe zwaarwichtige Romeinen met hun onbeschaafde spraak. O, ik verfoei de Romeinen! Het zijn gemeene lieden die zich willen voordoen als groote heeren.
DE JONGE SYRIËR: Zult gij u niet nederzetten, Prinses?
DE PAGE VAN HERODIAS: Waarom spreekt gij haar aan? Waarom ziet gij naar haar?... O, daar staat een ongeluk te gebeuren.
SALOME: Welk een genot de maan te zien! Zij gelijkt een klein geldstuk. Of wel, een heel kleine zilveren bloem. De maan is koud en kuisch... Ik weet zeker dat zij maagd is. Zij heeft de schoonheid van een maagd. Zij heeft zich nooit verontreinigd. Zij heeft zich nooit aan mannen overgegeven zooals de andere godinnen.
DE STEM VAN JOKANAÄN: De Heere is gekomen! De zoon des menschen is gekomen. De kentauren hebben zich verscholen in de rivieren, en de sirenen hebben de rivieren verlaten en legeren onder de bladeren in de wouden.
SALOME: Wie was het, die daar riep?
TWEEDE SOLDAAT: De profeet, Prinses.
SALOME: O de profeet! Voor wien de Tetrarch bevreesd is?
TWEEDE SOLDAAT: Daar weten wij niets van, Prinses. Het was de profeet Jokanaän.
DE JONGE SYRIËR: Vergunt gij mij uw draagstoel te gebieden, Prinses? Het is overschoon in den tuin.
SALOME: Hij zegt afschuwelijke dingen over mijn moeder, niet-waar?
TWEEDE SOLDAAT: Wij begrijpen nooit wat hij zegt, Prinses.
SALOME: Ja, hij zegt afschuwelijke dingen van haar.
SLAAF: Prinses, de Tetrarch verzoekt u terug te keeren naar het feest.
SALOME: Ik ga daar niet terug.
DE JONGE SYRIËR: Vergeef mij, Prinses, indien gij niet terugkeerde, zoû er mogelijk een ongeluk gebeuren.
SALOME: Is hij een oud man, deze profeet?
DE JONGE SYRIËR: Prinses, het ware beter terug te keeren. Vergun mij dat ik u naar binnen leide.
SALOME: Is deze profeet een oud man?
EERSTE SOLDAAT: Neen, Prinses, hij is een zeer jong man.
TWEEDE SOLDAAT: Men is er niet zeker van. Er zijn er die zeggen dat het Elias is.
SALOME: Wie is Elias?
TWEEDE SOLDAAT: Een overoud profeet uit dit land, Prinses.
SLAAF: Welk antwoord mag ik brengen aan den Tetrarch van de Prinses?
DE STEM VAN JOKANAÄN: Verblijd u niet, gij land van Palaistina, omdat de roede van hem die u sloeg, gebroken is. Want uit het zaad der slang zal een basilisk voortkomen, en wat daaruit geboren zal worden, zal de vogelen verslinden.
SALOME: Welk een zonderlinge stem! Ik heb lust met hem te spreken.
EERSTE SOLDAAT: Ik vrees dat het onmogelijk is, Prinses. De Tetrarch wil niet dat iemand met hem spreekt. Hij heeft zelfs den Hoogepriester verboden met hem te spreken.
SALOME: Ik wil met hem spreken.
EERSTE SOLDAAT: Het is onmogelijk, Prinses.
SALOME: Ik wil het.
DE JONGE SYRIËR: Ware het niet beter, Prinses, terug te keeren naar het feest?
SALOME: Haalt den profeet te voorschijn.
EERSTE SOLDAAT: Wij durven niet, Prinses.
SALOME (nadert den waterput en kijkt er in af): Hoe donker is het daar beneden! Het moet vreeselijk zijn in een zoo zwarten put! Het gelijkt op een graf... (tot de soldaten:) Hebt gij mij niet verstaan? Brengt hem te voorschijn. Ik wil hem zien.
TWEEDE SOLDAAT: Prinses, ik bid u, vraag zoo iets niet van ons.
SALOME: Gij laat mij wachten?
EERSTE SOLDAAT: Prinses, ons leven behoort u, maar wat gij ons vraagt, kunnen wij niet doen... En dan, behoort gij dit niet aan ons te vragen.
SALOME (ziet den jongen Syriër aan): Ah!
DE PAGE VAN HERODIAS: O, wat gaat er gebeuren? Ik weet zeker dat er een ongeluk gaat gebeuren.
SALOME (nadert den jongen Syriër): Gij zult dit doen voor mij, niet-waar, Narraboth? Gij zult dit doen voor mij. Ik ben altijd vriendelijk voor u geweest. Niet-waar, gij zult dit doen voor mij? Ik wil hem maar even zien, dezen zonderlingen profeet. Men heeft zooveel over hem gesproken. Ik heb den Tetrarch zoo vaak over hem hooren spreken. Ik denk dat de Tetrarch bevreesd voor hem is. Ik weet zeker dat hij bevreesd voor hem is ... Zijt ook gij, Narraboth, bevreesd voor hem?
DE JONGE SYRIËR: Ik ben niet bevreesd voor hem, Prinses. Ik ben niet bevreesd voor eenig mensch. Maar de Tetrarch heeft uitdrukkelijk verboden het deksel van dezen put op te lichten.
SALOME: Gij zult dit doen voor mij, Narraboth, en morgen als ik voorbijkom in mijn draagstoel onder de poort van de verkoopers van afgodsbeelden, zal ik voor u een kleine bloem laten vallen, een kleine groene bloem.
DE JONGE SYRIËR: Prinses, ik kan het niet doen, ik kan niet.
SALOME (zij glimlacht): Gij zult dit doen voor mij, Narraboth. Gij weet wel dat gij dit voor mij doen zult. En morgen als ik in mijn draagstoel voorbijkom over de brug van de koopers van afgodsbeelden, zal ik u aanzien door de moeselinen sluiers, ik zal u aanzien, Narraboth, misschien zal ik naar u glimlachen. Zie mij aan, Narraboth. Zie mij aan. O gij weet wel dat gij doen zult wat ik u vraag. Gij weet het wel, niet-waar? ... Ik weet dat gij het doen zult.
DE JONGE SYRIËR (hij wenkt den derden soldaat): Haal den profeet te voorschijn. De Prinses Salome wenscht hem te zien.
SALOME: Ah!
DE PAGE VAN HERODIAS: O, hoe vreemd ziet de maan! Zij is als de hand eener doode die zich zoekt te dekken met een lijkkleed.
DE JONGE SYRIËR: Ja, zij ziet zeer vreemd. Zij is als een kleine prinses wier oogen van amber zijn. Door de moeselinen wolken glimlacht zij als een kleine prinses.
(De profeet komt op uit den waterput. Salome ziet hem aan en treedt achteruit.)
JOKANAÄN: Waar is hij wiens beker met verfoeiselen vol is? Waar is hij die bestemd is te sterven in een zilveren kleed voor de oogen van het gansche volk? Zegt hem dat hij hier komt om te hooren de stem van hem die geroepen heeft in de woestijn en in de paleizen der koningen.
SALOME: Van wien spreekt hij?
DE JONGE SYRIËR: Dat kan men nooit uitmaken, Prinses.
JOKANAÄN: Waar is zij die de afbeeldselen van mannen gezien heeft geschilderd op den wand, Chaldeeuwsche mannen geteekend met bonte omtrekken, en zich overgegeven heeft aan den lust harer oogen en gezanten gezonden heeft naar Chaldaia?
SALOME: Nu spreekt hij van mijn moeder.
DE JONGE SYRIËR: O neen, Prinses.
SALOME: Ja, hij spreekt van mijn moeder.
JOKANAÄN: Waar is zij die zich gegeven heeft aan de hoofdmannen der Assyriërs, die zwaardriemen dragen om hun lendenen, en op hun hoofden tiara's van onderscheiden verven? Waar is zij die zich gegeven heeft aan de jonge mannen uit Aigypte, die bekleed zijn met fijn linnen en paars purper, die schilden dragen van goud en helmen van zilver, en wier lichamen geweldig zijn? Zegt haar dat zij oprijze van het leger harer onkuischheid, van haar overspelig leger, opdat zij hoore de woorden van hem die den weg des Heeren bereidt; opdat zij zich bekeere van hare zonden. Hoewel zij zich nimmer bekeeren zal, maar blijven zal in hare verfoeiselen, zegt haar te komen; want de roede des Heeren is in zijne hand.
SALOME: Deze mensch is verschrikkelijk. Hij is verschrikkelijk.
DE JONGE SYRIËR: Ik bid u, Prinses, blijf niet hier.
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.