Kitabı oku: «Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden»

Yazı tipi:

Pieter Johannes Veth

Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066401849

Inhoudsopgave

Negerij of Negorij .

Oorlam.

Kwispedoor.

Adat.

Hadji.

Moeson.

Soebatten.

Kras.

Amper.

Bakkeleien.

Fezikken.

Pitsjaren.

Pidjetten.

Punch , Pons .

Tank.

Sits.

Palankijn.

Rigel.

Elixir.

Tarra.

Alkatief.

Fellah.

Boernoes.

Fakir.

Camarilla.

Parlesanten.

Olla podrida.

Baljaren , baljaarden .

Cigaar.

Omberen.

Eldorado.

Bakkeljauw.

Schorseneeren.

Hidalgo.

Amfioen.

Mandoor , Mandarijn .

Gorgelet.

Kipersol.

Kaste.

Fust.

Amok.

Kraal.

Bonze.

Bouw.

Creool.

Mulat.

Mesties.

Kasties.

Karboeger.

Liplap.

Wetanger.

Mardijker.

Toepassen.

Bokje , Bokkenees .

Laskar , Laskarijn .

Neger.

Kafir , Kaffer .

Moor , Mooriaan .

Razzia.

Azagai , Assegaai .

Palabber.

Paan.

Krom.

Baar.

Orang oetan.

Wouwouw.

Kazuaris.

Papegaai.

Kakatoe.

Lorre.

Salanganen.

Kaalkop.

Kaaiman.

Leguaan.

Tor.

Muskiet.

Japon.

Sarong.

Baadje.

Pampoesjes.

Slendang.

Ginggang.

Batikken.

Oorkrab.

Alizari.

Henna , Alkanna .

Manna.

Farizeër.

Betelgeuze.

Tijferen.

Tee , teeboei .

Joosje.

Beiram.

Efendi.

Balkon.

Veranda.

Zonnehout.

Kajaten- of Kiatenhout .

Kajaput.

Cacao , Chocolade .

Kokos , Klapper .

Areek.

Betel.

Zuurzak.

Ananas.

Vanielje.

Agar-agar.

Bamboes.

Rotting.

Bataten.

Banaan.

Anemoon.

Guttegom.

Gutta-percha.

Gonje , Goeni .

Krandjang.

Gladakker.

Kĕ , Keh .

Smous.

Saraceen.

Dajak.

Alfoer.

Kondé.

Kraak , Korakora .

Ulema.

Bodega.

Attar goel.

Soesah.

Barissan.

Prauw.

Jonk.

Wangkang.

Talie.

Pagaai.

Toko.

Koelie.

Kongsi.

Toptafel , Topbaan .

Mogol.

Pikol , Pikkel .

Dikir.

Brani.

Pikeren , Pikkeren .

Tang.

Akal.

Hegira.

Adonis.

Sjalot.

Maïs , Miloe , Djagoeng .

Tamarinde.

Kerrie.

Benzoë.

Guerilla.

Tinka.

Bendi.

Baboe.

Ampas.

Bibit.

Kris.

Martavaan.

Benting.

Sago.

Alang-alang.

Atap.

Bandjer.

Djaksa.

Balé-balé.

Moksa.

Soja.

Saki.

Tjoe.

Boha.

Padrie.

Cipay , Sipoy .

Gamĕlan.

Passer.

Pagger.

Fettor.

Dammer.

Tjambok , Sambok .

Sambal.

Padi.

Ritsje.

Massa.

Dessa.

Kampong.

Kraton.

REGISTER.

DOOR

Dr. P. J. Veth,

Oud-Hoogleeraar.


Arnhem.—P. GOUDA QUINT.—1889.

Gedrukt bij G. J. Thieme, te Arnhem.

Toen ik in 1864 als hoogleeraar aan de Rijksinstelling voor opleiding van Indische ambtenaren naar Leiden kwam, bestond daar eene, sedert, helaas maar al te zeer verflauwde geestdrift voor het woordenboek der Nederlandsche taal, waarvan de Heeren De Vries en Te Winkel destijds de eerste afleveringen in het licht gaven.

Voor de verklaring der uit vreemde talen overgenomen woorden werd de hulp gevraagd, en met ingenomenheid verleend, van Professor R. Dozy, die in zijne in 1867 uitgegeven „Oosterlingen” eene verklarende lijst gaf van de woorden, die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch in de Nederlandsche taal zijn overgenomen.

Maar hiermede was nog niet alles verricht. Ook andere talen, zooals het Maleisch, Javaansch, Malabaarsch, Chineesch enz. hadden tot de vorming onzer taal bijgedragen.

In mijne aankondiging van Dozy's „Oosterlingen” in „de Gids” van 1867 No. 3, gaf ik over die Oostersche woorden eenige algemeene beschouwingen, die ik met eenige meer bekende voorbeelden toelichtte; en toen ik bespeurde, dat ook deze zwakke poging om tot de origines der Nederlandsche taal door te dringen, algemeene bijval vond, besloot ik eene verzameling van zoodanige woorden aan te leggen, waarin ik gedurende ruim een twintigtal jaren opteekende, de merkwaardigste door Dozy niet behandelde, bij Nederlandsche schrijvers voorkomende woorden van vreemde afkomst; inzonderheid de zoodanige, die wij aan ons handelsverkeer in vreemde werelddeelen en onze koloniën verschuldigd zijn, en daaronder vooral ook de woorden, die wij op dezelfde wijze hadden verkregen, maar die in de landen, welke voor ons de landen van herkomst waren, reeds vóór ons door de Portugeezen, Spanjaarden en Arabieren waren ingevoerd.

Aan scherpe grenslijnen was hier natuurlijk niet te denken, daar telkens en in alle richtingen zich woorden uit de eene taal naar de andere verbreiden. Ook was het zeker niet vreemd, dat, toen eenmaal eene menigte Spaansche en Portugeesche woorden uit de koloniën afkomstig, waren opgenomen, ook aan andere, waarmede dit niet het geval was, eene plaats werd gegeven.

Nu en dan werd ook wel eens een uit andere talen afkomstig woord behandeld, wanneer ik meende daarover eenig nieuw licht te kunnen verspreiden. Het merkwaardigste voorbeeld van dien aard, is zeker wel het woord tor, dat, daar het van echt Germaansche afkomst is, eigenlijk hier geene plaats had mogen innemen.

In den aanvang van het jaar 1888 werd deze verzameling—naar aanleiding van een gesprek over het woord fiche,—toevallig bekend aan den Heer G. Keller, redacteur der Arnhemsche Courant, die na inzage terstond toonde veel lust te hebben van tijd tot tijd eenige van mijne woordverklaringen, ten einde aan zijne lezers eenige verscheidenheid van lectuur te verschaffen, in zijn dagblad op te nemen. Daar ik vroeger meermalen was aangezocht om de proeven van dit werk, die ik reeds hier en daar had geleverd, te vermenigvuldigen, besloot ik den geheelen voorhanden voorraad tot zijne beschikking te stellen. Enkele woorden werden als minder geschikt uitgeworpen, vele andere werden bij de omwerking, die nu de verzameling onderging, van tijd tot tijd toegevoegd of breeder toegelicht.

Om den weg voor gedurige bijvoeging zoolang mogelijk vrij te laten, besloot ik mij van alle systematische rangschikking te onthouden. Deze toch zou alleen mogelijk geweest zijn, indien het werk in eens als een afgerond geheel aan de pers ware geleverd, maar kon niet in aanmerking komen, nu ik de gelegenheid wilde openhouden om nieuwe woorden bij te voegen, wanneer mij zoodanige in den loop van het afdrukken mochten voorkomen.

Daar mijn arbeid thans op verzoek van den tegenwoordigen uitgever, waaraan ik gaarne gevolg gegeven heb, als afzonderlijke uitgave het licht ziet, zijn de woorden echter gemakkelijk te vinden door middel van het alphabetisch register, dat ik aan het einde wensch te plaatsen. Dit register bevat niet enkel de in afzonderlijke artikelen behandelde woorden, maar ook de voornaamste dergenen, waarover iets in het voorbijgaan gezegd is.

Arnhem, Februari 1889.

P. J. VETH.

De bijzondere richting mijner studiën heeft mij dikwijls genoopt te snuffelen in weinig bekende boeken en handschriften en onze reizigers in gedachten over den Oceaan te volgen tot in de afgelegenste gewesten van den aardbodem. Niet zelden is het mij daarbij gebeurd te ontdekken, dat zij uit die gewesten woorden hadden medegebracht, die in onze volkstaal, dikwijls zelfs in onze schrijftaal, waren ingeslopen. Die woorden waren dan niet zelden in onze woordenboeken geheel verkeerd verklaard, terwijl van andere nooit eene verklaring beproefd of althans gevonden was. De woorden die ik bedoel zijn nu eens uit Amerika, dan eens uit Afrika, dan weder uit Azië, en voornamelijk, zooals te verwachten was, uit den Indischen Archipel afkomstig. Zij behooren evenwel lang niet altijd tot de eigen talen van die gewesten, maar zijn dikwijls daar ingevoerd door onze Arabische, Portugeesche en Spaansche voorgangers, en werden dus in de gewesten die onze reizigers bezochten, opgevangen uit den mond der kolonisten, of waren reeds sedert lang van dezen tot de inboorlingen overgebracht, zoodat zij deel van hunne taal schenen uit te maken. Zoo zijn er b. v. onderscheidene Arabische en Perzische woorden, ook nu nog bij ons in gebruik, die niet rechtstreeks uit West-Azië tot ons kwamen, maar die door den trechter van het Maleisch of Javaansch in onze taal werden overgegoten. Prof. Dozy, die voor eenige jaren in zijne „Oosterlingen” eene vrij volledige lijst en eene zeer scherpzinnige verklaring heeft gegeven van de woorden die in onze taal uit het Arabisch, Perzisch en Turksch stammen, heeft echter de woorden van de hier bedoelde soort overgeslagen, dewijl ze naar zijne meening meer behoorden in eene (ons nog steeds ontbrekende) lijst der woorden uit Insulinde afkomstig.

De woorden, die in mijne aanteekeningen een plaats hebben gevonden, kunnen moeilijk tot bepaalde klassen worden gebracht. Het is een allerlei, dat door geen anderen band wordt samengehouden, dan dat het vreemdelingen zijn in onze taal, die daarin als gasten zijn opgenomen. Er zijn er misschien zelfs enkele onder, die ofschoon in een vreemd gewaad tot ons gekomen, echter van onze taal niet zoo ver afstaan als men hun zou aanzien. Dit schijnt onder andere het geval te zijn met het woord Fiche, dat ik reeds eenigen tijd geleden bij wijze van proeve in de Arnhemsche Courant behandeld heb. Men houdt (zie van Dale, wiens verklaring nog onlangs door prof. Beets werd overgenomen) dit woord voor het Spaansche fichas, rekenpenningen. Ik meen te hebben aangetoond dat fichas in die taal volstrekt niet rekenpenningen in het algemeen beteekent, maar juist die bepaalde soort van rekenpenningen, die wij in het kaartspel gebruiken en, den in het Fransch gebruikelijken vorm aannemende, fiches noemen. Onze landgenooten hebben altijd het zwak gehad om alle vreemde woorden voor Fransch te houden en op Fransche wijze uit te spreken. Zij hebben soms zelfs aan zuiver Nederlandsche woorden een Franschen vorm en Fransche schrijfwijze gegeven, en getracht ze als vreemdelingen voor te stellen. Zoo ontstond o. a. het belachelijke, en in het Fransch, waar de stof nacre heet, geheel onbekende perle d'amour, waarin de Nederlander die de betrekking kent tusschen de parelschelp en de parel, onmogelijk het echt Nederlandsche parelmoeder, bij samentrekking parelmoer (Duitsch Perlmutter, Engelsch Mother of Pearl), kan miskennen. Op soortgelijke wijze meende nu ook onze van Lennep in fiche het Hollandsche vischje weder te vinden, en volkomen terecht herinnerde hij zich daarbij dat in de Japansche fichesdoozen, die men nog zeer dikwijls zag in mijne jeugd, maar die thans vrij zeldzaam zijn geworden, de speelmarkjes, van parelmoer vervaardigd, inderdaad den vorm van vischjes hadden. Toch houd ik ook die verklaring niet voor volkomen juist; 't is haast niet denkbaar dat een Hollander vischje als fiche zou gaan uitspreken. Ik vermoed dat die speelmarken, die vooral bij het whistspel gebruikelijk zijn, met dit spel uit Engeland tot ons zijn gekomen, want nog worden ze in Engeland fishes genoemd, en dat dit woord later voor Fransch gehouden en als fiches uitgesproken werd, is zeer natuurlijk. De juistheid dezer verklaring heb ik eenigermate door het woordenboek der Spaansche Academie, maar vooral door het Portugeesche van Moraes Silva (in v. fixa) bevestigd gevonden.

Lang heb ik het voornemen gekoesterd, zoo niet alles wat ik verzameld heb, dan toch het belangrijkste daarvan, in het licht te geven, en terwijl ik daartoe thans overga, vlei ik mij dat de lectuur niet al te dor of vervelend zal gevonden worden. De woorden hebben soms wonderlijke en verrassende lotgevallen, waarin zelfs een komisch element niet altijd ontbreekt.

Ik begin met een drietal woorden, die men den vreemden oorsprong niet zoo dadelijk kan aanzien, en die daardoor tot verkeerde opvattingen aanleiding hebben gegeven, de woorden negerij, oorlam en kwispedoor, waarvan wij de beide eerste aan het Maleisch, het derde aan de Portugeezen in Indië verschuldigd zijn. Voor het overige zal ik mij aan geene bepaalde orde binden, maar aan het varietas delectat gedachtig zijn.

Negerij of Negorij.

Inhoudsopgave

Omtrent dit woord heerschen zonderlinge dwalingen, die onmiddellijk worden ingezien, als men den waren oorsprong heeft erkend. Op den klank af brengt men het doorgaans in verband met neger (van niger, zwart), zooals wij de zwarte Afrikanen noemen. Zoo lezen wij bij Weiland in het art. neger: „van hier negerij, een aantal hutten, als een dorp bij elkander gezet, waarin negers wonen, b. v.: die landwaarts in hunne negerijen of dorpen hebben. Bogaert.” Hier is echter de beteekenis dorp niet geheel miskend; maar veel erger maakt het van Dale, „Nieuw Ned. Woordenboek”, die eerst, op negerij, dit gelijk stelt met negerhuis, maar tegelijk naar den tweeden vorm negorij verwijst, waarvan hij zegt: „Negorij, negerij (oudtijds), plaats, waar negers verkocht worden.” In deze weinige woorden zijn drie kapitale fouten bevat: want kennelijk wordt het woord met neger in verband gebracht, de beteekenis is geheel verkeerd opgegeven, en het wordt zeer ten onrechte als verouderd vermeld. Het woord is nooit menigvuldiger gebruikt geworden dan in de laatste jaren, nu zooveel over onze Oostindische bezittingen geschreven wordt. Doch die soort van boeken schijnen onze taal- en letterkundigen zelden in te zien. In het Nederlandsch-Fransch Woordenboek van prof. Heremans, doorgaans met zooveel zorg bewerkt, lees ik ook al: „Negorij, village habité par des nègres”, en in het Nederlandsch-Hoogduitsch Woordenboek van dr. Sicherer vind ik zelfs aan negorij twee beteekenissen toegekend: 1o. Negerdorp, negerkraal, 2o. Negermarkt, plaats waar negers als slaven verkocht worden. Klaarblijkelijk heeft hij de verklaringen van Weiland en van Dale gecombineerd.

Voor hen, die met de talen onzer Oostindische bezittingen in het geheel niet bekend zijn, moet men erkennen dat de uiteenloopende vormen, waarin dit woord voorkomt, en het verloop zijner beteekenis iets verwarrends en misleidends hebben. Zoo schrijft b. v. de heer Verkerk Pistorius in zijne „Studiën over de inlandsche huishouding in de Padangsche bovenlanden”, bestendig negari, waarin men niet zoo dadelijk hetzelfde woord herkent. Ook moet men, om het gebruik van het woord goed te begrijpen, met de filiatie der beteekenissen goed bekend zijn. Ik zal daarover zoo kort mogelijk het noodzakelijkste zeggen.

Het woord is eigenlijk het Sanskrietsche nagara of, in vrouwelijken vorm, negari. Van deze beide vormen is de eerste in laag-, de tweede in hoog-Javaansch gebruikelijk. Ook de Maleische vormen verschillen hiervan niet veel; in het laag-Maleisch spreekt men doorgaans negeri of negri uit.

Aan dit laatste is de Nederlandsche vorm negerij of beter negerie ontleend. Hoe men aan negorij is gekomen kan ik niet zeggen; misschien vond men het welluidender.

De beteekenis van het woord is eigenlijk: de plaats waar een vorst zich met zijn volk gevestigd heeft. Soms wordt er het geheele vorstendom, land of rijk, soms alleen het binnenste hoofddistrict door den vorst in persoon bestuurd, soms ook alleen zijn hoofdstad of residentie door bedoeld; maar ook de zetel der vazallen of regenten kan zoo genoemd worden. Deze beteekenissen vindt men in het Javaansch. In het Maleisch is de beteekenis nog verder verloopen en duidt het woord, althans in den vorm negri, iedere stad of aanzienlijk dorp, iedere verzameling van één gemeente vormende kampongs of buurten aan.

In het Nederlandsch schijnt mij de vorm negerie de verkieslijkste, omdat die het meest overeenkomt met den gewonen Maleischen vorm, waaraan wij het woord ontleend hebben. Negerie heeft overigens, ofschoon verreweg het meest gebruikt waar wij van onze Oostindische bezittingen spreken, bij ons de meer algemeene beteekenis gekregen van een stad of dorp bij onbeschaafde of half-beschaafde volken, zooals uit het door Weiland aangehaalde voorbeeld blijkt.

Oorlam.

Inhoudsopgave

Dit woord beteekent volgens van Dale: 1o. een ervaren zeeman, 2o. een rantsoen jenever aan boord der schepen, en in het algemeen een borrel of slok. De eerste beteekenis zou volgens hem rechtstreeks ontleend zijn aan het Maleische orang lama, dat een ervaren, handig, bekwaam man zou beteekenen. Dit laatste is zeker volkomen onjuist. Lama beteekent in het Maleisch lengte of duur van tijd, en, als adjectief, oud, uit den ouden tijd. Orang lama is in goed Maleisch een mensch van den ouden tijd, maar in laag Maleisch, als verkorte spreekwijze voor orang lama datang, een mensch die lang geleden gekomen is, een oudgast, in tegenstelling met een orang baroe datang of orang baroe, een pas aangekomene, een baar (van baroe, nieuw, afkomstig), een nieuweling.

Het woord Oorlam schijnt vooral aan de Kaap de Goede Hoop in gebruik te zijn geweest. In Deel VII van de „Historische beschrijving der reizen”, bl. 231, lezen wij daaromtrent het volgende: „De Europeesche inwoners van de Kaap zijn gewoon alle aankomende Europeanen door twee bijzondere Maleische woorden te onderscheiden. Die regelrecht uit Holland komen, doopen ze met den naam van Baar, komende van Oram bari” [moet zijn Orang baroe] „en die uit Indië wederkeert met den naam van Orlam. Den orlammen-tijd” [hierdoor wordt de tijd verstaan, waarop de retourschepen op de terugreis naar het vaderland de Kaap aandeden] „houdt men daar voor een kermis, waarop schippers, boekhouders en matrozen zich van voorraad ontdoen, dien zij duchten dat in Holland niet door den beugel zal kunnen” [als op oneerlijke wijze, b. v. door morshandel, verkregen]. Een weinig verder wordt gezegd, dat „de matroos, hier in een luilekkerland vallende, de schoonste gelegenheid had om al het opgespaarde te verteren en door den lekkeren Kaapschen wijn op hol te raken.”

Men ziet hieruit dat de oorlammen veelal echte liefhebbers van de flesch waren, en als men zich die tallooze avontuurlijke uitdrukkingen herinnert, die onze in dat opzicht maar al te zeer ontwikkelde volkstaal voor de dronkenschap en hare oorzaak, den jeneverborrel, heeft uitgedacht, zal men het misschien niet ondenkbaar vinden, dat in oorlam de beteekenis van borrelaar in die van borrel is overgegaan.

Die nieuwe beteekenis is hoofdzakelijk in gebruik aan boord der schepen, en vooral voor het rantsoen jenever, dat op vaste tijden aan de matrozen wordt uitgereikt. „Wanneer het wasschen is afgeloopen”, zegt Olivier, „Land- en Zeetochten in Indië”, D. III, bl. 332: „is de naastvolgende roep van des bootmans fluitje de ware blijde boodschap. Tot driemaal, met eenige niet onaardige roulades, bijna gelijk het gezang van een kanarievogel, klinkt de nu dubbel welkome scheepsmuziek den zonen van Neptunus in de ooren. Het is „oorlam.””

Aan de Kaap heeft oorlam ook de beteekenis gekregen van een man van ervaring en scherpzinnigheid. Deze hangt onmiddellijk samen met die van oudgast. Terwijl de baren, nog geheel vreemd aan de zeden en gebruiken van het Oosten, dikwijls werden bespot en als erg onnoozel uitgekreten, was de oorlam of oudgast in dat alles volkomen te huis, en daardoor ver boven den nieuweling verheven. De Namaqua's, een Hottentotsche stam, noemen zich gaarne oerlams, omdat zij eene uitstekende meening van hunne eigen schranderheid hebben. Vandaar dat men soms onder de volksstammen van Zuid-Afrika ook de Orlams of Oerlams vermeld vindt.

Die Namaqua's onderscheiden zich echter inderdaad door domheid en onkunde. Hierop slaat het volgende verhaal bij Schüssler, Zuid-Afrika, bl. 77: „Aron vertelde ons, zeer ondeugend, dat, daar de Namaqua's veel van „soopie” houden, het woord oorlam, hetwelk zij door hunne domheid niet eens goed konden uitspreken, het eenige woord was, dat ze van een gedeserteerd zeevarende hadden geleerd en onthouden, en door beduiding met de hand ook verstaan en begrepen; want, zeide hij, als zij het uitspreken, keeren zij tegelijk het plat van de hand naar den mond—wat werkelijk het geval is—en denken daarbij: veel „soopies” of „oorlams” maken domme menschen slim—oorlamsch.”

Er is dus wel iets waars in de meening van van Dale, dat oorlam ook een ervaren, handig man kan aanduiden, maar die beteekenis is uit de oorspronkelijke van oudgast afgeleid en volstrekt niet de meest gewone.

Türler ve etiketler

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
15 ocak 2025
Hacim:
321 s. 2 illüstrasyon
ISBN:
4064066401849
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar