Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.
Kitabı oku: «Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 01: De Boomvogels.», sayfa 22
Alle Kruisbekken zijn gezellige dieren, die gedurende den broedtijd zich paarsgewijs afzonderen, maar toch met hunne soortgenooten in gemeenschap blijven. Ze zijn boomvogels, die slechts in geval van nood op den bodem afdalen om hier te drinken of om eenige afgevallen kegels leeg te pikken. Ze klimmen zeer behendig, waarbij zij zich, evenals de Papegaaien, met de snavelspitsen vasthouden en vooruithelpen, gaan met den kop naar onderen of naar boven, met voet en snavel aan een twijg of een kegel hangen en blijven zonder bezwaar vele minuten achtereen in deze schijnbaar zoo ongemakkelijke houding. Zij vliegen snel en betrekkelijk zonder inspanning met beurtelings sterk uitgebreide en daarna plotseling opgevouwen vleugels, waardoor de gevolgde weg een golvend beloop verkrijgt; zij houden er echter niet van lang achtereen te vliegen.
Gedurende den dag, hoogstens met uitzondering van de middaguren, zijn zij bijna voortdurend aan den arbeid. In de lente, den zomer en den herfst zwerven zij reeds vóór het aanbreken van den dag in het woud rond, van het eene bosch naar het andere of van berg tot berg; in den winter daarentegen, vooral wanneer de koude fel is, blijven zij langer in het oord, dat hun een geschikte slaapplaats verschaft; zij vliegen dan zelden vóór zonsopgang uit, hoewel zij reeds vroeg in den morgen zingen. Het is niet moeilijk deze dieren te vangen, omdat hun overgroote gezelligheid hen dikwijls verleidt tot handelingen, waardoor hun vrijheid in gevaar wordt gebracht: hieruit blijkt echter niet zoozeer gebrek aan verstand als wel de argeloosheid van deze werkelijk beminnenswaardige Vogels. Het mannetje, wiens wijfje zooeven gedood werd, blijft soms verbluft en treurig zitten op den tak, waarvan zijn gezellin werd neergeschoten, of keert, haar zoekend, herhaaldelijk terug naar de plaats waar het onheil voorviel. Alle Kruisbekken worden, nadat zij meermalen treurige ervaringen van de arglistigheid van den mensch hebben opgedaan, gewoonlijk zeer schuw. In de gevangenschap worden zij weldra volkomen tam. Zij vergeten spoedig het verlies van hun vrijheid, leeren hun verzorger als hun meester en gebieder beschouwen, leggen alle vrees voor hem af, laten zich aanraken, op den arm of de hand in de kamer ronddragen en geven hem ten slotte door duidelijk verstaanbare gebaren hun warme liefde te kennen. Wegens de beminnelijke eigenschappen, die zij in de kooi aan den dag leggen, zijn allen, die hen hebben leeren kennen, hun zeer genegen; vooral de bewoners van het gebergte houden de Kruisbekken in hooge eer.
De loktoon van den Grooten Kruisbek is voor beide geslachten dezelfde en bestaat, zooals reeds gezegd is, uit de klanken “göp göp” of “giep giep” en “tsok tsok”. “Göp” roepen zij als zij vliegen of zitten,” zegt mijn vader; “het is zoowel een sein tot vertrek als een middel om de soortgenooten bijeen te roepen en het gezelschap vereenigd te houden; daarom wordt dit “göp” met kracht voortgebracht. Door “giep giep” geven deze Vogels teedere aandoeningen te kennen, de beide echtgenooten roepen dit elkander toe, terwijl zij zitten; zij doen het zoo zacht, dat men dicht bij den boom moet staan om hen te hooren. Dikwijls zou de klank van dit geluid tot de meening kunnen leiden, dat de Vogel zeer ver af is, hoewel deze, zooals men naar boven ziende bemerkt, zich boven den waarnemer bevindt. Zittende Vogels roepen gewoonlijk “tsok” om de voorbijvliegende soortgenooten uit te noodigen bij hen te komen zitten; men hoort het soms ook van vliegende Kruisbekken. Het klinkt krachtig en vol; de lokvogel moet vooral dit geluid voortbrengen. Het gezang van het mannetje wordt door vele menschen aangenaam gevonden. Gewoonlijk zingt de Groote Kruisbek beter dan zijn kleinere verwant; het lied van dezen heeft echter veel overeenkomst met dat van genen. Het bestaat uit een luid voorgedragen strophe, waarop verscheidene kweelende, zwakke en niet ver hoorbare tonen volgen.
Het voedsel van de Kruisbekken bestaat hoofdzakelijk uit de zaden van de boomen van het woud. De sterke snavel met gekruiste spitsen is hun voor het verkrijgen van dit voedsel onontbeerlijk. Het vereischt groote kracht en behendigheid de denne- of sparrekegels zoo open te breken, dat de goed verborgen zaden bereikbaar zijn; maar deze eigenschappen zijn den Kruisbek in hooge mate eigen. Hij komt aanvliegen, gaat met den kop naar onderen gericht aan een kegel hangen, of legt dezen op een tak en gaat er op staan, of bijt hem af, draagt hem naar een tak en houdt hem met de stevige, lange en scherpe nagels vast. “Het is zeer aardig om te zien, hoe de Gewone Kruisbek, een Vogel van de grootte van een Musch, een middelmatig grooten sparrekegel van den eenen boom naar den anderen brengt. Gewoonlijk vat hij met den snavel den kegel zóó aan, dat diens spits recht naar voren gericht is en vliegt, zonder dat dit hem veel moeite kost, tien of zelfs twintig schreden ver naar een naburigen boom om hem hier te openen, daar hij niet op alle boomen takken vindt, die voor dit doel geschikt zijn. Het openbreken geschiedt op de volgende wijze. De Kruisbek scheurt als de kegel vast hangt of ligt, met de spits van den bovensnavel de breede kegelschubben midden door, schuift den min of meer geopenden snavel er onder en licht door een zijwaartsche beweging van den kop de schub op. Nu kan hij de daaronder liggende zaadkorrel met de tong gemakkelijk in den snavel schuiven, waar het zaad eerst nog van den vleugel en van de zaadhuid bevrijd wordt, voordat hij het doorslikt. De kruiswijs gebogen snavelspitsen zijn voor hem en zijne verwanten bij het openbreken van de kegels van het grootste belang, want zulk een snavel behoeft hij slechts weinig te openen om hem een buitengewone breedte te geven, zoodat de kegelschub door een zijwaartsche beweging van den kop met groot gemak opgeheven wordt.”
De Gewone Kruisbek bemoeit zich zelden met dennekegels, daar hij niet de noodige kracht bezit om deze te openen; de Groote Kruisbek echter doet dit zonder moeite, hij kan in één ruk alle schubben optillen, welke zich bevinden boven die, waaronder hij zijn snavel heeft gestoken. Zoolang de Kruisbekken naaldboomzaden kunnen vinden, zoeken zij geen ander voedsel; in geval van nood eten zij zaden van eschdoornen en haagbeuken, ook wel oliehoudende zaden; bovendien maken zij te allen tijde zeer gaarne gebruik van Insecten, vooral van bladluizen, die zij ook in de tuinen en boomgaarden van de dorpen der wouden gaan opzoeken. Onder anderen bijten zij de uitwassen op de bladstelen der populieren aan stukken om de daarin wonende Bladluizen (Pemphigius bursarius) op te eten (Albarda).
Een noodzakelijk gevolg van hun drukken arbeid op de harsrijke takken en kegels van naaldboomen is, dat de Kruisbekken zich dikwijls op een zeer ongewenschte wijze bevuilen. Zij zijn even zindelijk als de meeste overige Vogels en reinigen zich na iederen maaltijd zorgvuldig, om de hen aanklevende harsdeeltjes te verwijderen; vooral den snavel poetsen zij minuten lang op de takken; zij zijn echter niet altijd in staat om hunne veeren zoo goed in orde te houden, als zij wel zouden wenschen; het komt daarom dikwijls voor, dat hunne veeren met een dikke laag hars bedekt zijn. Het lichaam van de Kruisbekken, die lang achtereen niets anders dan zaden van naaldboomen gegeten hebben, wordt zoo met hars doordrongen dat het na den dood geruimen tijd weerstand biedt aan de verrotting.
Een gezelschap Kruisbekken maakt te allen tijde een sieraad uit van den boom, waarin het zich bevindt; de prachtigste vertooning maken deze Vogels echter, wanneer de winter zijn schepter zwaait en de twijgen met een dikke sneeuwlaag bedekt. Dan steken de roode vogeltjes vroolijk af bij het donkere groen der naalden en de witte sneeuw; de geheele boom ziet er dan uit als een kerstboom, zoo fraai als men zich er een kan voorstellen. Behalve door hun bevallige kleur bekoren zij iedereen door hun frissche, vroolijke levenswijze, hun bedaarde, maar voortdurende bedrijvigheid, hun behendig op en neer klauteren, hun lokken en zingen.
De Kruisbekken nestelen in alle maanden van het jaar, in den warmen zomer zoowel als in den ijskouden winter, terwijl de boomen en struiken met sneeuw bedekt en alle overige Vogels van het woud bijna geheel verstomd zijn. Gedurende den nestbouw verdeelt zich het gezelschap in paren. Het nest rust soms op een ver vooruitstekenden tak, waar deze zich gaffelvormig vertakt, soms op een dikken tak bij den stam; nu eens is het dicht bij den top, dan weer ver van dezen gelegen, altijd echter zoo, dat twijgen voor of over het nest langs loopen, waardoor dit tegen de vallende sneeuw beschut en tevens zoo goed mogelijk verborgen wordt. Het is een kunstig bouwwerk, welke buitenste laag vervaardigd is uit dorre sparrerijsjes, heide, droge grashalmpjes, grootendeels echter uit korstmossen van sparrestammen en bladmossen, die op boomen of op den grond groeien; van binnen is het met enkele veeren, grashalmpjes en dennenaalden bekleed. De wand van het nest is ongeveer 3 cM. dik, zijne bestanddeelen zijn uitmuntend samengeweven; de nestholte is naar verhouding diep.
Het wijfje broedt op 3 of 4 betrekkelijk kleine eieren, die op grijsachtig of blauwachtig witten grond met uitvloeiende vlekken en streepjes van bloedroode, bloedbruinachtige of zwartbruine kleur bezet zijn. Soms staan deze vlekjes kranswijs aan het stompe einde, soms zijn zij over het geheele ei verbreid; toch is dit, welke afwijkingen het ook vertoonen moge, altijd te herkennen als een ei van een Kruisbek. De zorgvolle moeder wijdt zich met grooten ijver aan het broeden, terwijl ook het mannetje met lust het op hem rustende deel van den arbeid verricht door de moeder met voedsel te voorzien. De jongen, waaraan de ouders zeer veel liefde betoonen, krijgen reeds op den eersten dag van hun leven sparre- of dennenzaden als spijs, aanvankelijk zulke, die in den krop der ouders geweekt en voor de verteering voorbereid zijn, later harde zaden; zij groeien snel en zijn spoedig zeer behendig en levendig; langer dan andere Muschvogels moeten zij echter door hunne ouders verzorgd worden, omdat hun snavel eerst na het uitvliegen een “kruisbek” wordt en zij dus vóór dien tijd niet in staat zijn om de kegels van de dennen of sparren te openen.
De jacht en de vangst van de Kruisbekken leveren geen bezwaren op. Die, welke pas in onze gewesten gekomen zijn, laten zonder weg te vliegen den jager naderen tot onder den boom, waarin zij zich bevinden, en blijven dikwijls ook dan nog op denzelfden boom zitten, wanneer een hunner metgezellen neergeschoten is. Wanneer men er eens in geslaagd is een van hen te bemachtigen, kan men door dezen als lokvogel te gebruiken, zijne soortgenooten gemakkelijker vangen dan door ze te schieten. In Thuringen maakt men voor dit doel gebruik van lange stokken, welker bovenste gedeelte bij wijze van een struik bekleed is met sparretakken, waaraan lijmroeden bevestigd zijn. Deze stokken worden vóór het aanbreken van den dag in den grond gestoken op vrije, open plekken in het woud; een kooi met een lokvogel er in wordt er onder opgehangen. Alle voorbijvliegende Kruisbekken komen in de nabijheid van den stok om naar hun roependen en lokkenden kameraad te gaan kijken. Vele gaan op den kunstmatigen struik zitten en blijven gewoonlijk aan een van de lijmroeden vastkleven.
De snavel van de Kernkrakers (Coccoborinae) herinnert aan dien van de Appelvinken; de snavelrug is echter meer gekromd, meer of minder over de spits van den ondersnavel heengebogen; bij sommige loopt hij zelfs uit in een haakvormig benedenwaarts gericht gedeelte, dat aan de achterzijde ingekorven is; de zijranden zijn meer of minder sterk ingetrokken en ook wel zwak binnenwaarts gebogen, aan den bovensnavel boogvormig uitgesneden; de krachtige poot heeft een langen loop en lange teenen; de eerste slagpen is steeds aanmerkelijk korter dan de overige, de derde en de vierde vormen in den regel de spits van den korten vleugel; de lange staart is meestal afgerond, zeldzamer afgeknot of uitgesneden, het vederenkleed vol, zacht, metaalglans, dikwijls effen grijs of groenachtig olijfkleurig grijs, zeldzamer roodachtig geel of zwart en nog minder dikwijls gekenmerkt door velden van sterk sprekende kleur.
Zuid-Amerika herbergt de meeste soorten van deze onderfamilie, in Noord-Amerika komen er betrekkelijk weinige voor. Door hun uiterlijk en hunne gewoonten gelijken de Kernkrakers veel op onze Appelvinken, maar toch ook in sommige opzichten op de Goudvinken; zij bewonen meer de struiken en de boschranden dan het eigenlijke oerwoud en eten harde zaden, bessen en Insecten. De meeste zijn niet tot zingen in staat, hoogstens hoort men van hen korte loktonen; andere daarentegen zijn beroemd wegens hun lied en worden om die reden als kamervogels zeer gezocht.
Audubon verhaalt: “Gedurende een vermoeiende voetreis, die ik in de maand Augustus langs den oever van de Mohawk-rivier deed, werd ik eens door den nacht overvallen. Ik was weinig bekend met dit deel van het land en besloot hierom den nacht door te brengen op de plaats waar ik mij bevond. De avond was fraai en warm; de sterren spiegelden zich in de rivier; op een afstand hoorde ik het gemurmel van een waterval. Weldra had ik onder een rots een vuurtje aangelegd en lag er naast uitgestrekt. In behagelijke rust, met gesloten oogen, liet ik mijne gedachten den vrijen loop. Ik bevond mij reeds in het rijk der droomen, toen plotseling het avondgezang van een Vogel tot mij doordrong, zoo klankrijk, zoo luid weerklinkend in de stilte van den nacht, dat de slaap, die mij reeds bevangen had, aan mijne oogen ontvlood. Nooit hebben welluidende tonen mij meer genot verschaft. Zij trilden mij door ’t gemoed en maakten mij gelukzalig. Ik zou mij hebben kunnen inbeelden, dat zelfs de Uil over hun liefelijken klank opgetogen was, want hij zweeg in dien nacht. Nog lang nadat de tonen weggestorven waren, bleef ik onder hun bekoring; in deze gemoedsstemming geraakte ik in slaap.”
De Vogel, waarover de dichterlijk gestemde natuuronderzoeker met zooveel verrukking spreekt, is de Roodborst-kardinaal (Coccoborus ludovicianus), vertegenwoordiger van het geslacht der Kardinalen (Coccoborus). Totale lengte 18, staartlengte 7 cM. De bovenzijde, de vleugels, de staart, de kin en de bovenkeel zijn zwart, de overige onderdeelen wit, met uitzondering van een breed, naar achteren spits toeloopend en tot aan het midden van de borst zich uitstrekkend, karmijnrood kropschild; de zijden van den buik en van de schenkels zijn met enkele zwarte strepen geteekend; over de vleugels loopen twee witte banden; de okselveeren en de onderdekveeren van den vleugel zijn karmijnrood; de eindhelft van de buitenste staartveeren is aan de binnenzijde wit. De iris is donkerbruin, de snavel lichtgeel, de poot grijsachtig bruin.
Het verbreidingsgebied van deze Vogels omvat het oosten van de Vereenigde Staten; op den trek bezoeken zij Middel-Amerika tot aan Nieuw-Granada. Binnen de genoemde grenzen komen zij echter niet overal geregeld en altijd verspreid voor.
“Ik heb,” verhaalt Audubon verder, “dezen prachtigen Vogel in de zuidelijkste gedeelten van Louisiana, in Kentucky, en bij Cincinnati in Maart, als hij oostwaarts trok, dikwijls waargenomen. Hij vloog dan op een aanzienlijke hoogte en streek slechts nu en dan op den top van een der hoogste boomen van het woud neer, alsof hij een weinig rusten wilde. Ik heb hem op zijn reis naar ’t noorden nagegaan, in Pennsylvanië, New-York en andere oostelijke staten, door de Britsche provinciën Nieuw-Brunswijk en Nieuw-Schotland tot Newfoundland, waar hij veelvuldig broedt; nooit zag ik hem echter in Labrador en evenmin aan de kust van Georgië of Corolina, hoewel hij hier in de gebergten aangetroffen wordt.” Zijn voedsel bestaat uit graszaden en bessen, in de lente ook uit knoppen en malsche bloesems. Bovendien maakt hij soms jacht op Insecten, die hij niet zelden in de vlucht vangt.
Door de Amerikanen wordt de Roodborst-kardinaal als een der beste en ijverigste zangers beschouwd. Zijn lied is rijk aan melodieën en zeer welluidend; elke toon is vol en helder. Als het weder goed is, zingt hij des nachts “met alle verschillende, treffende intonaties van den Nachtegaal, nu eens schel klinkend, luid, helder en vol, dan weer klagend, vervolgens weer opgewekt en eindelijk teeder, zoetvloeiend en zacht.”
De ook in Europa welbekende Gewone Kardinaal, de Red-bird der Amerikanen (Coccoborus virginianus), is 20 cM. lang en heeft een 8 cM. langen, flauw uitgeranden staart. Zijn kruin is getooid met een kuif, die opgezet en neergelegd kan worden. De hoofdkleur van het vederenkleed is schel karmijnrood; de veeren van mantel, schouders en staartwortel zijn doffer van kleur daar zij een smallen, uitvloeienden, vaalgrijzen zoom aan de spits hebben; de teugel, een smal randje om de oogen, de kin en de bovenkeel zijn zwart; de slagpennen en staartveeren zijn donker karmijnrood, gene met uitzondering van het bruine topgedeelte en van een vaalbruinen zoom aan den buitenrand van de laatste armpennen. De iris is roodbruin, de snavel rood, de ondersnavel aan den wortel zwart, de poot bruin.
Het verbreidingsgebied van dezen Vogel omvat de zuidelijke Vereenigde Staten, Mexico en Californië. In zachte winters blijft hij gedurende het geheele jaar in ’t zelfde oord; bij ongunstiger weersgesteldheid trekt hij. Wegens zijn prachtige veeren valt hij reeds op een afstand in ’t oog en strekt tot sieraad aan het woud. Over dag houdt hij zich bij voorkeur op in de dicht dooreengewarde twijgen der slingerplanten en onderneemt van hier uit tochten naar naburige akkers en tuinen; men ontmoet hem daarom zoowel in de nabijheid der steden als in het donkerste en eenzaamste woud. Gedurende den zomer leven de Kardinalen paarsgewijs, in den herfst en in den winter zijn zij tot kleine gezelschappen vereenigd. Bij strenge koude komen die, welke in het land gebleven zijn, niet zelden op de boerenerven om hier voor de schuur, in gezelschap van Musschen, Duiven, Sneeuwvogels, Withalzige Muschgorsen en andere Vogels, zaden op te pikken, dringen in openstaande stallen en zolderruimten door, of zoeken voedsel bij de omheiningen der tuinen en velden. De struik of de boom, waarin het nest wordt gebouwd, staat soms dicht bij een boerderij of te midden van het veld, soms aan den rand van het woud of in het struikgewas. Niet zelden vindt men het nest in de onmiddellijke nabijheid van een boerderij, dikwijls op een afstand van slechts weinige meters van dat van de Spotlijster. Het bestaat uit droge bladen en twijgen, hoofdzakelijk uit stekelige takjes, die door halmen en wijnstokranken aaneenverbonden, van binnen echter met fijne grashalmen bekleed zijn. Het broedsel bestaat uit 4 à 6 eieren van vuilwitte kleur, die dicht bezaaid zijn met olijfbruine vlekken. In de noordelijkste Staten broedt het paar zelden meer dan éénmaal in de zuidelijke soms driemaal per jaar. De jongen blijven slechts weinige dagen onder de hoede van hunne ouders en worden daarna aan het lot overgelaten.
De Amerikaansche onderzoekers roemen tamelijk eenstemmig het gezang van den Kardinaal; volgens ons oordeel bestaat hiervoor geen voldoende reden. Als zanger in het vrije woud moge de “Virginische Nachtegaal” den lof verdienen, die hem wordt toegezwaaid; als kamervogel speelt hij slechts een ondergeschikte rol, hoewel het niet al te zelden voorkomt, dat hij in de kooi broedt.
De Gorsen (Emberizinae) vormen de vierde en laatste onderfamilie van de Vinken; zij omvat ongeveer 55 soorten, welke in vele opzichten overeenstemmen. Het zijn diklijvige Muschvogels met betrekkelijk kleine, kort kegelvormigen en scherpen snavel; deze is aan den wortel dik, naar voren zijdelings samengedrukt; de bovensnavel is smaller dan de ondersnavel; de zijranden zijn sterk ingebogen; de onderkaak heeft van achteren een min of meer uitstekenden zijrand en deze is, evenals die van de bovenkaak, aan den mondhoek steil naar beneden gebogen; de bovenkaak heeft aan het gehemelte een beenigen knobbel, die in een uitholling van de onderkaak past. De pooten hebben een korten loop en lange teenen, van welker nagels de dikwijls spoorvormig verlengde klauw van den achtergrond het meest in ’t oog valt. De vleugels zijn middelmatig groot; hun spits wordt gevormd door de tweede en de derde slagpen. De staart is tamelijk lang, bestaat uit nog al breede veeren en is aan het einde flauw uitgerand. Het vederkleed is los en meestal bij mannetjes, wijfjes en jongen verschillend.
Voor ’t meerendeel behooren de Gorsen tot het noordelijk halfrond; de meeste houden zich op in laag struikgewas of in rietvelden. Hoewel zij niet tot de vlugste en meest begaafde Vinken behooren, ontbreekt het haar geenszins aan een lieftallig voorkomen; zij zijn zeer gezellig en vredelievend, voeden zich gedurende den zomer hoofdzakelijk met Insecten, in den herfst en in den winter met melige zaden, die zij, evenals de Insecten, op den bodem zoeken; zij bouwen haar steeds eenvoudig ingericht nest op den grond in een klein kuiltje of althans zóó, dat het zich slechts weinig boven de oppervlakte verheft; zij leggen hierin 4 à 6 donkere, met stippels en krieuwels geteekende eieren, die door de beide ouders uitgebroed worden. Wegens haar welsmakend vleesch, dat in den herfst zeer vet is, worden sommige soorten reeds sinds overouden tijd ijverig vervolgd; de andere daarentegen worden door den mensch niet lastig gevallen, daar zij slechts bij uitzondering in de kooi worden gehouden.
*
Misschien mag men de Spoorgorsen (Calcarius) wel als de hoogst ontwikkelde leden van deze onderfamilie aanmerken. Hare kenteekenen zijn gelegen in den kleinen snavel met weinig merkbaren gehemelteknobbel, de krachtige, voor ’t gaan geschikte pooten, welker achterteen een nagel draagt, die dezen, wat de lengte betreft, minstens evenaart, de scherpe vleugels, van welker slagpennen de beide eerste de langste zijn, den korten, aan ’t einde uitgesneden staart en de overvloedige bevedering.
Bij de IJsgors (Calcarius lapponicus)16 zijn de kop, de kin en de keel zwart, een breede streep, die boven de oogen begint en zich over de slapen uitstrekt, is witachtige roestkleurig, de nek en de achterhals zijn kaneelrood, de overige bovendeelen roestbruin met zwarte schaftvlekken geteekend, de zijden van den hals en de onderdeelen wit, de flanken met zwarte schaftstrepen voorzien, die aan de zijden van de borst tot een groote vlek ineenvloeien; de slagpennen zijn bruinzwart, de staartveeren eindelijk zwart met valen zoom. De iris is donkerbruin, de snavel stroogeel, bij de spits zwart, aan den rug blauwzwart, de poot blauwachtig grijs. Totale lengte 16, staartlengte 6 cM.
De IJsgors is een kind van de toendra, haar verbreidingsgebied strekt zich daarom uit over de noordelijkste gedeelten van de Oude en van de Nieuwe Wereld. Van hier trekt zij in den winter zoover zuidwaarts, als volstrekt noodig is; reeds in Nederland en Duitschland verschijnt zij zeer zelden; in nog zuidelijker gelegen landen verdwaalt zij hoogstens een enkele maal. Zoodra het weder een weinig zachter wordt, keert zij zoo spoedig mogelijk naar haar onherbergzaam vaderland terug. Hier is zij overal buitengewoon talrijk; tusschen hoog en laag gelegen gewesten maakt zij zoo goed als geen verschil, voor zoover n.l. de dwergberk er groeit en den bodem bekleedt met een viltachtige laag, waarop zij gaarne verblijf houdt. In Nederland werd deze Vogel herhaaldelijk waargenomen gedurende de maanden October tot Maart en wel te Haarlem, Lisse, Wassenaar en Harderwijk. In den winter 1892–1893 b.v. zijn een twintigtal voorwerpen van deze soort te Amsterdam op de markt geweest (Albarda).
Wat hare gewoonten betreft, houdt zij als ’t ware het midden tusschen de Leeuweriken en de Gorsen. Als een Gors gedraagt zij zich bij ’t zitten, zoowel op een steen als op een wiegelende twijg, als Leeuwerik en Gors te gelijk bij ’t loopen en vliegen. Stappend, niet huppelend, beweegt zij zich behendig over den bodem; zij vliegt zonder inspanning en flink; evenals de Leeuwerik zweeft zij dikwijls langen tijd gedurende het zingen. Haar zwaarmoedige, aan haar woesten geboortegrond herinnerende loktoon kan ongeveer nagebootst worden door de syllaben “tsjuu, tsjuu eb”. Het zeer eenvoudige, maar aangename gezang, bestaat uit een enkele strophe, waarin de loktoon dikwijls wederkeert; het wordt alleen gedurende het vliegen, maar dan met grooten ijver voorgedragen. Het nest, dat men op vochtige plaatsen tusschen de wortels van een dwergberk, op een heuveltje, goed verborgen onder het dichte struikgewas en op dergelijke plaatsen aantreft, bestaat, wat de buitenste laag betreft, uit meer of minder grove of fijne halmpjes en is van binnen met zachte veeren van het Groote Sneeuwhoen gevuld. Tegen het midden van Juni is het voor ’t broeden vereischte aantal eieren, 5 of 6, in ’t nest aanwezig; deze zijn op grijsachtigen, geelachtigen of lichtbruinachtigen grond meer of minder overvloedig geteekend met donkerder, haarfijne strepen en stippels, welker kleur op die van de grondkleur gelijkt.
Het voedsel bestaat gedurende den broedtijd uitsluitend uit Insecten en wel hoofdzakelijk uit Muggen. Gedurende den winter daarentegen voedt ook deze Gors zich met zaden. Daar de IJsgorsen zich in het laatst van den herfst gaarne bij de Leeuweriken voegen, worden zij dikwijls met deze en soms in grooten getale gevangen; dit is b.v. het geval in China, waar zij in sommige tijden van het jaar in menigte op de markt te koop liggen.
De verwante Sneeuwgors, ook wel Duin-, Strand-, Zee – en Sneeuwputter, Sneeuwvink en in Groningen IJskletter genoemd (Calcarius nivalis), is in den zomer grootendeels sneeuwwit; zwart zijn de mantel- en schouderveeren, met uitzondering van den smallen, witten zoom aan de spits, de handpennen, met uitzondering van het witte wortelgedeelte, en de vier middelste staartpennen. Van het winterkleed daarentegen zijn de boven- en de achterkop benevens de oorstreek roestkleurig kaneelbruin, de schouders en de mantel zwart met kaneelbruine vederzoomen; roestgeelachtige plekken loopen dwars over den krop en langs de zijden; de buitenste staartpennen hebben op het einde van de buitenvlag een zwarte vlek. De iris is donkerbruin, de snavel des zomers zwart, des winters oranjegeel, de poot zwart.
De Sneeuwgors houdt ongeveer in dezelfde landen verblijf als de IJsgors. Haar verbreidingsgebied is uitgestrekter, haar broedgebied echter beperkter dan dat van hare verwante. Zelfs de noordelijkste gedeelten van de toendra, voor zoover zij, al is het slechts gedurende eenige weken, hun sneeuwlaag verliezen, worden nog door haar bewoond; altijd houdt zij zich zooveel mogelijk in de nabijheid van de eeuwigdurende sneeuw op. Op IJsland is zij de algemeenste landvogel; zij broedt nog op Spitsbergen, Nowaja Semlja en Noord-Groenland, voorzoover dit onderzocht is. Haar winterreis strekt zich tot in Zuid-Duitschland, soms nog verder zuidwaarts uit, in Azië tot in ’t zuiden van Siberië en tot in China, in Amerika tot in de middelste Vereenigde Staten. Bij ons ziet men deze Vogels, vooral bij sneeuw of vorst, soms in groote menigte in de kuststreken, op onbeplante dijken, wegen enz. In hun broedgebied houden zij op berghellingen en rotsachtige gebergten verblijf. Hier brengen zij haar korten zomer door, hier minnen en broeden zij. Het nest, dat steeds in rotsspleten of onder groote steenen aangelegd wordt, bestaat van buiten uit grashalmen, mos en korstmossen, die op den bodem groeien; het is van binnen met veeren en dons gevoerd; de ingang is zoo klein mogelijk, niet grooter dan noodig is om de oude gemakkelijk door te laten. Het bevat 5 of 6 eieren, die zeer verschillend van kleur en teekening kunnen zijn, gewoonlijk echter op blauwachtig witten grond donker roestbruine vlekken, stippels en strepen vertoonen, welke zich in de nabijheid van het dikke einde kranswijs opeenhoopen. Reeds tegen het einde van April laat het mannetje, boven op een steen zittend, zijn kort, maar helder klinkend, aangenaam gezang hooren. Kort na den broedtijd vereenigen de paren zich met hunne jongen tot groote vluchten, die nog eenigen tijd in het vaderland blijven, maar vervolgens hun winterreis aanvangen. Op de broedplaatsen voeden zij zich uitsluitend met Insecten, vooral met Muggen; gedurende den winter moeten zij zich met zaden behelpen.
Weinige andere Vogels reizen in zulke verbazend groote gezelschappen als de Sneeuwgorsen. Ook Nederland en Duitschland bezoeken zij in bijna iederen winter, maar slechts zelden in zulke groote zwermen als het hooge noorden. In Rusland noemt men ze “Sneeuwvlokken” en deze benaming past goed op haar, daar zij werkelijk als sneeuwvlokken uit de lucht komen vallen en akkers en straten bedekken. Soms komen zij in groote vluchten op schepen om hier eenige oogenblikken uit te rusten.
Door hare handelingen gelijken de Sneeuwgorsen zoowel op de Leeuweriken als op de Gorsen. Zij loopen geheel op de wijze van de Leeuweriken, vliegen behendig en zonder moeite, met weinig gefladder en volgens groote booglijnen, gedurende de reis op aanzienlijke hoogte, overigens liefst dicht bij den bodem. Gezelschappen, die voedsel zoeken, rollen als ’t ware over den grond verder, daar slechts een gedeelte zich op den grond neerzet en de andere over deze heenvliegen. Zij zijn onrustig en beweeglijk van aard: zelfs gedurende de strengste koude verliezen zij haar opgewektheid niet en hebben, zelfs wanneer zij bepaald gebrek lijden, nog een vergenoegd uiterlijk. Slechts zelden blijven zij lang op dezelfde plaats, liever zwerven zij door een beperkt gebied aanhoudend rond. Als er veel sneeuw ligt, zoeken zij de wegen op en komen zelfs in de steden; zoolang zij echter op de akkers nog voedsel kunnen vinden, kiezen zij deze als winterverblijf en zijn hier gedurende den geheelen dag bezig. Haar loktoon is een luid gefloten “fiet” en een klinkend “tsierr”; het gezang van het mannetje is een getsjilp, dat in vele opzichten op het gezang van den Veldleeuwerik gelijkt, maar er door luide, schel klinkende strophen van verschilt.
