Kitabı oku: «Geschiedenis der Noordsche Compagnie»
Samuel Muller
Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066400651
Inhoudsopgave
VOORREDE.
INLEIDING.
HOOFDSTUK I. DE NEDERLANDERS IN DE IJSZEE. (1565-1613.)
HOOFDSTUK II. DE NOORDSCHE COMPAGNIE.
HOOFDSTUK III. DE WALVISCHVANGST DER NOORDSCHE COMPAGNIE.
HOOFDSTUK IV. DE VESTIGINGEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE.
HOOFDSTUK V. ONTDEKKINGSREIZEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE.
HOOFDSTUK VI. ENGELSCHE MEDEDINGERS.
HOOFDSTUK VII. DEENSCHE PRETENSIËN.
HOOFDSTUK VIII. ONEENIGHEDEN MET FRANSCHEN EN ZUID-NEDERLANDERS.
HOOFDSTUK IX. BINNENLANDSCHE WEDIJVER.
BIJLAGEN.
BIJLAGE I. (.)
BIJLAGE II. (.)
BIJLAGE III. (.)
BIJLAGE IV. (p. 39 Noot 2 .)
BIJLAGE V. (.)
BIJLAGE VI. (.)
BIJLAGE VII. (.)
BIJLAGE VIII. (.)
BIJLAGE IX. (- .)
BIJLAGE X. (- .)
BIJLAGE XI. (- .)
BIJLAGE XII. (- .)
BIJLAGE XIII. (, .)
BIJLAGE XIV. (- .)
BIJLAGE XV. (- .)
BIJLAGE XVI. (- , - .)
BIJLAGE XVII. (, .)
BIJLAGE XVIII. (- .)
BIJLAGE XIX. (- .)
BIJLAGE XX. (- .)
BIJLAGE XXI. (.)
BIJLAGE XXII.
VERKORTINGEN.
VOORREDE.
Inhoudsopgave
Een enkel woord vooraf bij het in het licht zenden van dit boek ter rechtvaardiging van titel en inhoud, die niet geheel beantwoorden aan het geëischte in de door het Provinciaal Utrechtsch Genootschap uitgeschreven prijsvraag.
Mijne aandacht werd het eerst op deze zaak gevestigd door de vermelding der internationale geschillen over vaart en visscherij in de IJszee, een onderwerp mij van vroeger bekend. Het bleek mij echter aanstonds, dat de hoofdinhoud der vraag—de geschiedenis der Nederlandsche ontdekkingsreizen naar de noordpool—eene afzonderlijke, uitvoerige studie vorderde, en hoe meer ik mij daarin verdiepte, hoe meer ik de overtuiging erlangde, dat tusschen de reizen, door de Nederlanders herhaaldelijk naar Novaya Zemlya ondernomen om den noordelijken doortocht te zoeken, en de tochten, door hen in latere jaren ter walvischvangst naar Spitsbergen gedaan, nauwelijks eenig verband bestond. De vereeniging van beide onderwerpen in éen boek scheen mij onmogelijk. Eerst nadat ik kennis gekregen had van de tot dusver geheel onbekende latere Nederlandsche noordpoolreizen, gelukte het mij een aanknoopingspunt te vinden. Dien band tusschen de twee ongelijksoortige onderwerpen meende ik gevonden te hebben in de geschiedenis der Noordsche Compagnie.
En zoodra ik dezen weg om uit de moeielijkheid te geraken gevonden had, kreeg het onderwerp voor mij dadelijk groote aantrekkelijkheid. Er is niet veel studie noodig om zich te overtuigen, dat het eenige, dat tot nog toe van deze compagnie bekend was, bestaat in eenige weinige bladzijden, door Aitzema in zijn groot werk aan een of twee punten uit hare geschiedenis gewijd. Wat men overigens daarover vindt, is niets dan naschrijverij en omwerking van het weinige, dat Aitzema gaf. En toch bleek het mij weldra, dat men wel is waar terecht de geschiedenis der geoctrooieerde Oost- en West-Indische Compagniën met groote voorliefde behandeld had, maar dat toch de veronachtzaming van de lotgevallen der derde zuster, de Noordsche Compagnie, zeer te bejammeren was.
De vroege val van dit lichaam heeft de Nederlandsche geschiedschrijvers geheel doen vergeten, dat de Noordsche Compagnie gedurende haar bijna dertigjarig bestaan nagenoeg de eenige Nederlandsche handelsvereeniging was, die expedities uitzond ter verkenning van de noordsche streken,—dat zij het was, die de Nederlanders in staat stelde, daar met de Engelschen gelijken tred te houden en ze soms voorbij te streven,—dat zij niettegenstaande schijnbaar onoverkomelijke moeielijkheden lange jaren alleen onder alle Europeesche natiën op de kusten der IJszee gevestigd bleef,—dat de handhaving van de eer der Nederlandsche vlag in die wateren tegen verschillende machtige volken langen tijd alleen aan hare handen toevertrouwd was,—en eindelijk dat hare geschiedenis eene leerzame bijdrage zou kunnen leveren voor de kennis der te weinig bestudeerde handelspolitiek van de Nederlanders der zeventiende eeuw.
Ik zette mij dan ook dadelijk aan het werk, en was zoo gelukkig drie rijke bronnen voor de geschiedenis der Noordsche Compagnie te vinden, die in dit opzicht nog onbearbeid waren, en ons voor het verlies van het archief der vereeniging eenigszins schadeloos stellen. In de Resolutiën der Staten-Generaal ontdekte ik reeds dadelijk een lange lijst van besluiten, die op dit onderwerp betrekking hadden, en die, hoewel steeds zeer kort, een vaste leiddraad voor de geschiedenis der vereeniging leverden. Het bekende werk van Purchas bood verder een schat van nog onopgemerkte berichten over het begin van de walvischvangst der Nederlanders en hunne geschillen daarover met de Engelschen. Eindelijk trof ik op het Rijks-archief eene portefeuille met stukken aan, die door wijlen den rijks-archivaris Bakhuizen Van den Brink—meest uit de liassen der inkomende brieven aan de Staten-Generaal—waren bijeengebracht, en die onder den titel »Noordsche togten” eene wel is waar ongeordende, maar overigens voor mijn onderwerp geheel gereedgemaakte verzameling bleken te zijn. Dáarin vond ik de meeste eenigszins uitvoerige bouwstoffen voor mijn werk. Het viel mij gemakkelijk, het ontbrekende uit de liassen van brieven, uit Denemarken aan de Staten-Generaal gericht, uit de verhalen van enkele ambassaden en uit de Sententiën van het Hof van Holland nog eenigermate aan te vullen, en het resultaat van dit alles bied ik hierbij aan het publiek aan. Wil men zeggen, dat het weinig is, ik zal de eerste zijn om het te erkennen. Nu het archief der compagnie eenmaal verloren is, moeten er natuurlijk bijna op elke bladzijde van hare inwendige geschiedenis vraagteekens blijven staan, en met name moet al, wat naar statistiek zweemt, steeds wijde gapingen vertoonen. Nog veel hinderlijker is het gemis der archiefstukken bij het verhaal der ontdekkingsreizen. Ik heb in het daarover handelende hoofdstuk bijna niets anders kunnen doen, dan de bronnen te gebruiken, waarop reeds de aandacht gevestigd was door den heer De Jonge, wiens niet genoeg te waardeeren verdienste het is, dat hij bijna voor elk gedeelte der geschiedenis van onze handel en zeevaart nieuwe bronnen geopend heeft. De hoogste lof, dien ik hierbij kan oogsten, is dan ook, dat ik een goed gebruik gemaakt heb van wat hij gevonden heeft. Ongelukkig geven die bronnen hier echter bijna niets over de resultaten der ontdekkingsreizen, en voor aardrijkskunde en cosmographie is het verhaal dan ook zonder waarde. Maar de enkele namen, dagteekeningen en aanduidingen van bezochte kusten, die ik heb kunnen opsporen, geven op verrassende wijze een nieuwe getuigenis van de verbazende volharding en de uitgebreide kundigheden onzer voorvaderen. Mocht het mij gelukt zijn, die nieuwe aanspraak van het voorgeslacht op onze bewondering in het licht te stellen!
Nog een enkel woord. Men zal in dit werk niet gesproken vinden van de in de prijsvraag vermelde geschillen met Zweden. Ik heb daarvan niet het minste spoor kunnen ontdekken. In het door mij behandelde tijdvak hebben ze zonder eenigen twijfel niet plaats gehad, en ook al was mij van latere diplomatieke geschillen met Zweden iets gebleken, ik zou gemeend hebben de eenheid van mijn werk niet te mogen verbreken ter wille dier in ieder geval onbeduidende twisten.—Anders is het gesteld met het eerste hoofdstuk van dit boek. Het valt in het oog, dat het hier niet thuis behoort. Ware ik vrij geweest in de behandeling van mijn onderwerp, ik had dit hoofdstuk met de nu onvermijdelijke inleiding dan ook laten vervallen en alleen in een kort woord vooraf de Nederlandsche ontdekkingsreizen in het noorden vóor 1614 besproken, met bizondere vermelding der plannen van Thorne, Plancius en Barendsz. en der reizen van Jan Cornelisz. Ryp en Henry Hudson, die samen de eer van Spitsbergens ontdekking moeten deelen. Ik voelde echter geene vrijheid datgene weg te laten, wat blijkbaar voor den steller der prijsvraag de hoofdzaak was geweest.
Zooveel ter rechtvaardiging van mijn plan en de groote uitbreiding, die dit boek daardoor erlangde. Er blijft mij over, met een enkel woord mijn hartelijken dank te betuigen aan allen, die mij bij de bewerking daarvan behulpzaam zijn geweest. Ik noem hier gaarne in het bizonder den heer rijks-archivaris Van den Bergh, wiens welwillendheid voor allen, die van de aan zijne zorg toevertrouwde schatten gebruik willen maken, trouwens algemeen bekend is,—den heer bibliothecaris Campbell, die mij zelfs met opoffering van zijn vrijen tijd in de gelegenheid heeft willen stellen de uitvoerige excerpten uit Purchas’ zeldzaam werk, die ik behoefde, te vervaardigen,—den heer Leupe, die niet moede werd mij voor mijn werk nieuwe bouwstoffen aan te wijzen, waarvan hij bij zijne langdurige studiën over de Nederlandsche reizen der zeventiende eeuw kennis had gekregen,—en eindelijk den heer Baudet te Utrecht, die met meer dan gewone hulpvaardigheid mij wel heeft willen behulpzaam zijn bij het teekenen der hierbij gevoegde kaart.
INLEIDING.
Inhoudsopgave
»Men kan zich niets treurigers denken dan het voorkomen van Spitsbergens kusten, wanneer de heuvelen, bedekt met versch gevallen sneeuw, in nevel en mist gehuld zijn, maar men zal ook niet licht een schitterender en vrolijker tafereel aanschouwen, wanneer op een schoonen dag de wolkenlooze hemel prijkt in zijn onovertroffen donkerblauwen tint, terwijl de zon hare stralen uitschiet, getemperd door die eigenaardig zachte en toch heldere atmospheer, die een besneeuwd landschap altijd omgeeft. Op zulk eenen dag is de wind bij het land nauwelijks merkbaar, dikwijls is het zelfs volkomen stil, maar de stranden zijn vol beweging en leven. De geheele natuur schijnt dankbaar te zijn voor den heerlijken zonneschijn, al wat leeft verheugt zich en is vrolijk.
»Zulk een dag was de 4e Juni (1818). Wij allen waren verrast door de verandering van de sombere atmospheer der opene zee in den vrolijken glans, die de heuvelen en de kalme oppervlakte van de Magdalena-baai bestraalde. Niemand voelde de koude, en toch waren wij omringd door sneeuw en ijs, toch stond de thermometer slechts even boven het vriespunt. Verschillende soorten van amphibiën, duizenden vogels, die hier bijeen waren, schenen zooveel zij konden van de kortstondige warmte te genieten, die hun de zonneschijn bood. Reeds vroeg in den morgen weergalmde het strand onophoudelijk van de vrolijke kreten der watervogels; overal vermengde zich het afgebroken geblaf van den zeehond met het speelsche gebrul van troepen walrussen, die zich in de zonnestralen koesterden.
»Zeker, er was geen harmonie in deze vreemde mengeling van geluiden; maar toch hoorden wij ze met genoegen omdat wij wisten dat dit alles eene uiting was van geluk. Het was een genoegen van denzelfden aard als dat van iederen reiziger, die op een helderen avond in een tropisch klimaat luistert naar het vrolijk gegons van duizenden gevleugelde insecten, zoodra de zon is ondergegaan. Zoo verschillend heeft de groote Schepper der natuur zijne giften verdeeld! In de verschroeiende hitte onder de keerkringen wekt het dalen der zon duizenden kleine wezens tot vrolijkheid en beweging op, waartoe zij onder de stekende stralen der middagzon de kracht niet hadden. Hier integendeel is de zonsondergang het teeken tot algemeene rust.
»Zoodra die tijd van den dag in de Magdalena-baai was aangebroken, ontstond er dan ook eene stilte, die aan het verhevene grensde, eene stilte, slechts afgebroken door het barsten van een ijsberg of het vallen van stukken rots, die van de bergen afrolden. En zelfs deze geluiden, die over de kalme oppervlakte der baai weergalmden, braken het algemeene zwijgen niet af: als zij weldra in de verte verstierven, was de stilte die ze achterlieten nog dieper dan te voren.
»Over dag ging de aanwezigheid onzer schepen niet onopgemerkt voorbij. De vogelen ontweken ons in hun vlucht. Elk geraas, dat toevallig gemaakt werd, was daar vreemd: de zeevogels, die tusschen de rotsen vischten, trokken zich verder terug, geheele troepen van dieren, die anders grootendeels in diepen slaap zouden verzonken geweest zijn, bleven wakker en op hunne hoede. Telkens wanneer er iets op het dek viel, lichtten zij hunne koppen op en wierpen onderzoekende blikken over de baai, als om te vernemen waardoor zulk een ongewone stoornis werd veroorzaakt. Deze zwakke geluiden, die op bewoonde plaatsen zeker onopgemerkt zouden gebleven zijn, bewezen meer dan iets anders hoezeer de mensch hier een vreemdeling is. Ik moet bekennen, dat deze bewustheid iets streelends had door de overtuiging, dat wij ons op eene plek bevonden, slechts zelden vóor ons door menschen bezocht.”[1]
[1] Beechey, Voyage of Discovery towards the North Pole, gecit. in: White, Spitzbergen and Greenland. p. VIII-X.
Zóo moet Spitsbergen zich vertoond hebben aan hen, die op het einde der zestiende eeuw het vroeger geheel onbekende land bezochten; zóo beschrijft nog in onze eeuw een Engelschman den indruk, dien de verlatene stranden van dit barre gewest op hem maakten. En geen wonder, zoo Spitsbergen eeuwen achtereen eenzaam was! De natuur schijnt dit land, verscholen in den uitersten hoek der aarde, door een dam van ijs aan den blik der menschen te hebben willen onttrekken. Reeds de groote bezwaren, verbonden aan het bezoeken van streken, waar schijnbaar niets is wat den mensch kan aanlokken, leiden tot de gevolgtrekking, dat Spitsbergen voor altoos even eenzaam blijven zou als de ontdekkers het vonden.
Toch is dit niet het geval geweest. In de eeuwen, die tusschen de ontdekking en het hierboven beschreven bezoek verliepen, is het land niet alleen herhaaldelijk bezeild, maar zijn de steeds met sneeuw en ijs bedekte kusten het tooneel geweest van het drukke gewoel eener handelsnederzetting, de bron waaruit een jeugdig volk een winst van millioenen te voorschijn bracht, een voorwerp om welks bezit zelfs de machtigste volken der zeventiende eeuw lang en hardnekkig gestreden hebben. »Indien men deeze tyden hadde mogen beleeven, of noch beleeven mogt,” roept een Hollandsch schrijver uit, »wat zou men zich met lust en yver aan de Visschery konnen overgeeven! Want gelyk meest alles door schaade of voordeel, welgevallig of ongevallig, licht of zwaar werd gemaakt, zoo is dan by gevolg, dit voor veelen een behaaglyke Visschery geweest, geevende niet alleen groot voordeel aan de Reeders, maar teffens voor de Commandeurs, Harponiers en meer andere Belanghebbers, die door veel te vangen, zoo veel te meer partgeldt verdienden. Alle de Kookeryen en Pakhuizen maakten gelykzaam een buurt of klein Dorp uit, ’t welk dieshalven niet oneigentlyk naar de nering, het Dorp Smeerenburg wierd genoemt. Nademaal de Schepen dubbelt volk voerden, zoo was ’t daar dagelyks ’t zy in de Schepen, in de Sloepen of op ’t Landt niet weinig drok; derhalven quamen ’er ook met deeze Schepen, gelyk in de Leegers, eenige Zoetelaars over, die in hun eigen behuizing, of in de Pakhuizen hunne Waaren, als Brandewyn, Tabak, en meer diergelyke dingen verkochten; insgelyks quamen er ook Bakkers om Broodt te bakken, wordende des morgens wanneer de warme bollen en ’t wittebroodt uit den oven quam, op den Hoorn geblaazen; zulks dat aan dit Smeerenburg, omtrent den zelvigen tydt met Batavia gesticht, in dien tydt lustig wat te doen viel, schoon echter niet in vergelyking met deeze Javaansche Hoofdstadt; niet te min was ’er mede al vry veel gewoel, en naar de gelegentheit van ’tLandt taamelyk wat te bekomen, mogelyk ook de Wyn en Brandewyn reedelyk goed koop.”[2]
[2] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215, 227, 228.
Zulk eene drukte, zulk een gewoel vertoonde zich aan den bezoeker van Spitsbergen lang voordat een halve eeuw na de ontdekking verloopen was; nog een halve eeuw later en de kusten waren sedert lang weder tot hare vorige eenzaamheid teruggekeerd! Slechts een enkele verdwaalde walvischvaarder, een zeldzame wetenschappelijke reiziger storen nu en dan met groote tusschenpoozen den ijsbeer en den zeehond in hunne worstelingen op leven en dood. Zelfs de reusachtige bewoner der zee, de walvisch, heeft voor goed Spitsbergens stranden verlaten.
Kan men zich wonderlijker geschiedenis van een land denken? Sinds de vroegste tijden onbewoond, plotseling gedurende een halve eeuw druk bezocht, zoo druk dat de wedijverende natiën elkander van de kust trachten te verdringen, en daarna even plotseling en voor goed in de eenzaamheid teruggevallen! Zeker, de lotbedeeling van alle staten is rijk aan verrassende wendingen, welk land heeft echter zulk eene korte en tevens zulk eene belangwekkende geschiedenis?
Het is mijn voornemen deze geschiedenis van Spitsbergen in de volgende bladen te verhalen; de ontvouwing der redenen, die tot het bevolken en het verlaten van dit land geleid hebben, zal mij tevens gelegenheid geven een belangrijk en nog onbeschreven hoofdstuk van onze eigene handelsgeschiedenis te schetsen. Voordat ik echter daartoe overga, is het noodig een overzicht te geven van de vroegste tochten in de IJszee, die middellijk tot de ontdekking van Spitsbergen geleid hebben.
Reeds vroeg in de middeleeuwen, kort na den dood van Karel den Groote, was er eene natie, die bijna de geheele uitgestrektheid der noordelijke IJszee, voor zooverre zij het tooneel was van de ontdekkingsreizen der zestiende en zeventiende eeuw, had bevaren. Deze natie, de Noormannen, had niet slechts hoog in het noorden hare koloniën steeds meer vooruitgeschoven totdat zelfs Groenlands westkust op een trap van beschaving stond, die in die streken sedert niet weder bereikt is, maar zij bezat zelfs vrij nauwkeurige kennis van het groote vasteland aan den overkant des aardbols, dat eerst vele eeuwen later aan het overige Europa bekend zou worden. Door de uitvoerige verhalen, die hunne kroniekschrijvers daarvan hebben nagelaten, kunnen wij ons eene vrij duidelijke voorstelling van de bedoelde ontdekkingstochten maken.
Had nog vóor 890 de Noorman Octher de Noordkaap omzeild en, verre voorbij de plek waar later Kola stond gestevend, zijne reis misschien tot zelfs aan de Witte Zee uitgestrekt, reeds vroeger was IJsland door zijnen landgenoot Naddodr ontdekt (860) en spoedig daarop door Ingolfr gekoloniseerd (874). Het kon niet lang duren of de zeevarende bewoners van IJsland, dat als het ware de brug vormt van Europa naar Amerika, werden bekend met het bestaan van Groenland. En werkelijk was dit zoo. Wel had de eerste ontdekking van dit groote vasteland door den IJslander Gumbiörn (880) naar het schijnt geen gevolg, maar toen een ander, Erikr Rauthi genaamd, in 982 en 983 de kusten nader onderzocht had, was spoedig bij hem het besluit gerijpt eene volkplanting van IJsland daarheen te voeren, een besluit reeds in 985 en 986 ten uitvoer gelegd. De vestiging leidde weldra tot eene kolonisatie op uitgebreide schaal. In twee gedeelten, den Ooster- en Westerbygd, gescheiden door de onbewoonbare wildernis Ubygd, bevolkten de IJslanders de zuidwestkust van Groenland.[3] De nederzetting, vooral de meest zuidelijk gelegen Oosterbygd, bloeide aanvankelijk zéer. Vele dorpen, waarbij na de bekeering der bewoners tot het Christendom (door Leifr Erikson omstreeks 990) verscheidene kerken verrezen, ontstonden langzamerhand. In jacht en visscherij en door talrijke kudden vond men overvloedige middelen van bestaan. Het verkeer met Noorwegen was levendig, de handel niet onbelangrijk; het schijnt zelfs dat de Groenlandsche kolonie schatting aan het moederland betaalde. En geen wonder! de volkplanting wist zich zelve te helpen en scheen door hare ondernemingszucht te toonen, dat zij levenskracht bezat. Immers niet alleen strekten zich de tochten der jeugdige Groenlandsche nederzetting ter walvischvangst hoog in het noorden door straat Davis tot in de Baffinsbaai uit, zóo zelfs dat zij in 1266 het eiland Disco bereikten, maar ook het verkeer met het Amerikaansche vasteland was levendig. Reeds spoedig na de aankomst in Groenland had Bjarni Herjulfrson toevallig de streek lands bij het tegenwoordige Boston ontdekt (986) en sinds het jaar 1000 was de verdere ontdekking van dit heerlijke gewest, dat men Vinland noemde, gevolgd: overwinteringen in het zachte klimaat waren niet zeldzaam geweest. Hoewel kolonisatie en zelfs handel door de vijandige houding der inboorlingen onmogelijk bleek, ondernamen de stoutmoedige Groenlanders eeuwenlang gedurig tochten naar het nieuwe land. Voornamelijk om de rijke ladingen hout, die zij daar vonden, was het te doen: hout was een artikel in het eigen land niet te vinden en toch bepaald onmisbaar.
[3] Volgens de vroeger algemeen heerschende meening was het Groenlands oostkust, die door IJslanders bevolkt werd. Het is hier de plaats niet, deze meening te wederleggen, die voornamelijk schijnt te steunen op den verkeerd begrepen naam Oosterbygd. Door de resultaten van Graahs expeditie naar Groenlands oostkust en het vinden der ruines van de Noorweegsche huizen op Groenlands westkust schijnt mij de zaak echter nu uitgemaakt.
En toch, niettegenstaande al de ontwikkelde energie ging de kolonie eindelijk te niet. Op den duur schijnt het klimaat, de grond van Groenland te bar geweest te zijn, dan dat de bewoners onafhankelijk van alle hulp uit Europa konden bestaan. Aanvankelijk was dan ook het verkeer vrij geregeld geweest: na den dood van den bisschop van Groenland was altijd dadelijk weder een opvolger derwaarts gezonden; ook tot het drijven van handel landden niet zelden schepen, die de Groenlanders van noodzakelijke levensbehoeften voorzagen. Toen echter in de eerste jaren der vijftiende eeuw de beroemde Margaretha van Denemarken in een oogenblik van ontevredenheid plotseling alle verkeer met de verafgelegene kolonie verbood, hielden natuurlijk alle berichten uit Groenland op. Langzamerhand vergat men in Europa de eens zoo bloeiende volkplanting, en toen jaren later de koningen van Denemarken hunne fout inziende expedities uitzonden om het verkeer te hernieuwen, was het te laat. De Noorsche nederzetting in Groenland was verdwenen en alle reizigers kwamen onverrichter zake terug.[4] Vele eeuwen duurde het eer men weder eenige geringe sporen vond, dat Groenlands westkust eertijds door eene beschaafde bevolking bewoond geweest was. Hoewel ons dus natuurlijk over den ondergang der kolonie alle berichten ontbreken, is het niet moeielijk te gissen, hoe eene nederzetting, die eeuwen bestaan had, zoo plotseling verdwenen is.
[4] Tot die expedities behooren o. a. die van Jan van Kolno (verkeerdelijk ook Szkolno en Anskoeld genoemd) in 1476 (Richardson, Polar regions. p. 33.—Asher, Hudson the Navigator, p. XCVIII),—van Walkendorp in 1521 en van Paulus Stygotus, Deensch landvoogd op IJsland, in 1564 (Berghaus, Wat men van de aarde weet. I p. 121.—Nicolai, Relation. Vorredt. p. 7),—van Henningson in 1578 (Barrow, Abrégé chronol. V p. 18),—van Olivier Brunel in de laatste jaren der zestiende eeuw (Megiser, Septentrio Novantiquus. p. 174),—van Lindenau en Hall in 1605 en 1606, van Richardson en Hall in 1607 (Barrow, Abrégé chronol. V p. 24-29.—Barrow, Voyages into the arctic regions. p. 169, 73)—en van Jens Munck in 1619, 20. (Richardson, Polar regions. p. 107, 8.—Barrow, Abr. chronol. V p. 55-69.)
Men weet, dat de pest, die onder den naam van de zwarte dood in de veertiende eeuw geheel Europa doorgetrokken was, ook de kleine bevolking van Groenland geweldig geteisterd had; men weet, dat een inval uit het zuiden, waarschijnlijk van Amerikaansche inboorlingen, de gedunde bevolking nog had doen verminderen; men weet eindelijk, dat de kustbewoners langen tijd veel te lijden hadden gehad van binnenlandsche vijanden. Het waren de reeds door de herhaalde tochten der Noormannen naar hun land verbitterde Amerikanen, die, toen in de veertiende eeuw eene volksverhuizing der tegenwoordige bewoners van Amerika, de roodkleurige Indianen, hen steeds meer naar het oosten drong, besloten hadden de gelegenheid aan te grijpen om zich op hunne oude vijanden te wreken. Zij waren straat Davis overgestoken en hadden zich weldra op Groenlands westkust gevestigd. Deze wilde horden, de tegenwoordige Eskimo’s, hadden sedert dien tijd jarenlang een bitteren krijg met de Europeesche bewoners gevoerd. In 1379 waren zij eindelijk aanvallend tegen de kleinste der beide volkplantingen, den Westerbygd, opgetreden. De hulp, den bedreigden kolonisten door hunne stamgenooten uit den Oosterbygd ijlings toegezonden, was te laat gekomen[5]: de troepen hadden slechts rookende puinhoopen gevonden en geen levend wezen was er sinds dien tijd in den eens zoo bloeienden Westerbygd gezien. Het kan bijna niet twijfelachtig zijn, of de bevolking van den Oosterbygd, door Denemarken aan zich zelve overgelaten, door herhaalde rampen gedund, onderging een gelijk lot. Eskimosche overleveringen wijzen nog de plaats aan, waar de laatste Noorman strijdende voor zijn land bezweek.[6]
[5] Aan het hoofd dezer expeditie stond Ivar Bere of Bardseu, die onder den naam van Iver Booty eene zekere vermaardheid heeft verkregen in de geschiedenis der ontdekkingsreizen door de vertaling, die Barendsz van zijne aanteekeningen over den weg naar Groenland maakte.
[6] Het verhaal dezer Noorsche tochten is voornamelijk ontleend aan: Richardson, The polar regions. p. 20-30.—Vgl. daarover en over de Noorsche ruines in Groenland ook: Hayes, The land of desolation. p. 45-72.—Berghaus, Wat men van de aarde weet. I p. 118-20.—Asher, Hudson the Navigator. p. LIX vlg. CLXIII.—Reeds in de vorige eeuw had men daarvan vrij nauwkeurige kennis. Zie het verhaal bij: Barrow, Abr. chronol. V p. 1-18. Ook: Mauricius, Naleesingen tot Weederlegging van ’t regt gepraetendeert by Noorwegen op de Noordelijke Landen. (R.-A.), die echter de geloofwaardigheid dezer verhalen zeer betwijfelt.—Alle berichten zijn oorspronkelijk ontleend aan IJslandsche kronieken, grootendeels uitgegeven in Rafn’s Antiquitates Americanae.
De geschiedenis dezer ontdekkingen—wanneer men ze zoo noemen mag, nu er nieuwe ontdekkingen op geographisch en historisch gebied noodig zijn geweest om zoowel het ontdekte land als de geschiedenis der ontdekkers zelven aan de beschaafde wereld bekend te maken,—ze is voor ons op het oogenblik van weinig belang. Zoo ik er desniettemin een paar bladzijden aan wijdde, dan is het omdat in een overzicht der vroegste reizen in de noordelijke IJszee de vermelding er van niet ontbreken mag, en vooral omdat het waarschijnlijk mag heeten, dat de beide ontdekkers van Amerika, Columbus en Cabot, bij hunne bezoeken aan IJsland juist door de verhalen over de Noorsche tochten het plan hebben opgevat tot hunne latere reizen. Zóo knoopt een dunne draad de Noorsche ontdekkingen aan die van het overige Europa vast.
Want niet lang nadat de Groenlandsche koloniën zoo ellendig waren te niet gegaan, verspreidde zich over geheel Europa de lust tot ontdekkingen, die eens de Scandinaviërs tot hunne avontuurlijke tochten had aangespoord. Aangevuurd door de schitterende uitkomsten der Portugeesche reizen, vooral door de wonderen, die van de door Columbus betreden landstreken verhaald werden, wenschten alle natiën in het aangewezen spoor te volgen. De Italianen, de ijverigsten van allen, die in hun eigen verbrokkeld land de middelen niet vonden om hun dorst naar avonturen te lesschen, verspreidden zich over de geheele wereld en velen boden aan vreemde vorsten hunne nuttige diensten aan. Zulk een man was Columbus zelf, zulk een man was ook Giovanni Cabot.
Elke geschiedenis van de ontdekkingsreizen naar het noorden behoort te beginnen met eene eervolle vermelding der namen van dezen genialen reiziger en zijnen uitnemenden zoon Sebastiaan. De Cabots zijn minder bekend dan Columbus, maar zij hebben bijna evenveel aanspraak op den dank van het nageslacht. Al volgden zij ook slechts op de baan die Columbus geopend had, toch zijn zij de eigenlijke ontdekkers van Amerika[7] en hunne meer veelzijdige werkzaamheid heeft hunnen naam ook op het gebied der noordpoolreizen met onverwelkbare lauweren omkransd[8]. Giovanni Cabot, een Venetiaan die zich te Bristol gevestigd had, verkreeg 5 Maart 1496 van Hendrik VII van Engeland eene akte om met zijne drie zonen ter ontdekking van onbekende streken te mogen uitvaren. De reis, die daarop door hem ondernomen werd, leverde de belangrijkste resultaten: den 24 Juni 1497 zette Cabot bij Newfoundland het eerst den voet op Amerikaanschen grond en zeilde van daar eenige weken zuidwaarts langs eene geheel onbekende kust. De koning was door de mededeeling hiervan zoo verrast, dat hij dadelijk een nieuw patent aan den reiziger verleende (13 Februari 1498). Weldra rustten de Cabots zich dan ook tot eene tweede ontdekkingsreis uit. Ditmaal was het Giovanni Cabots tweede zoon Sebastiaan, die den tocht ondernam. Zijn doel was echter niet het verder onderzoeken van het nieuwgevonden land: Amerika werd steeds door hem beschouwd als een hinderpaal voor het vinden van zijn ideaal, een korten weg naar Oost-Indië. Ook het resultaat van deze reis was allergewichtigst. Het moet ieder met bewondering voor Cabot vervullen, dat hij, de eerste die het plan om eene noordwestelijke doorvaart naar Oost-Indië te zoeken opwierp, de eerste die daarnaar zocht, reeds dadelijk de twee wegen vond, die ook nu nog als de eenige beschouwd worden, die kans op welslagen in het noordwesten bieden: de beide zeeëngten, die haren naam, met voorbijgaan van haren ontdekker, van de veel latere reizigers Davis en Hudson hebben ontvangen[9].