Kitabı oku: «Keur van Nederlandsche Synoniemen»
Teunis Pluim
Keur van Nederlandsche Synoniemen
Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066314293
Inhoudsopgave
VOORBERICHT
1. Draaglijk—draagbaar.
2. Kostbaar—kostelijk.
3. Geestelijk—geestig—geestrijk.
4. Zorgeloos—onbezorgd.
5. Geneigd—genegen.
6. Kinderachtig—kinderlijk—kindsch.
7. Buigbaar—buigzaam.
8. Lijdzaam—lijdelijk.
9. Openbaar—openlijk.
10. Ontrouw—trouweloos.
11. Innerlijk—inwendig—innig.
12. Wettig—wettelijk—wettisch.
13. Dagelijksch—alledaagsch—daagsch.
14. Ruiterlijk—ridderlijk.
15. Jong—jeugdig.
16. Zuinig—spaarzaam.
17. Klooven—klieven.
18. Stomp—bot.
19. Behandelen—bejegenen.
20. Toonen—wijzen.
21. Dompelen—doopen.
22. Zich vernederen—zich verlagen.
23. Danken—wijten.
24. Hoedanigheid—eigenschap.
25. Aanwezig—tegenwoordig.
26. Aansprakelijk—verantwoordelijk.
27. Opmerken—aanmerken.
28. Afgelegen—eenzaam.
29. Oorzaak—reden.
30. Naderen—genaken.
31. Ongerust—rusteloos—onrustig.
32. Ontwennen—afwennen.
33. Gehecht—verkleefd—verknocht.
34. Loochenen—ontkennen.
35. Onpartijdig—onzijdig.
36. Talmen—dralen.
37. Ontdekken—uitvinden.
38. Plagen—kwellen.
39. Overeenkomen—overeenstemmen.
40. Schaarsch—zeldzaam—zelden.
41. Nijgen—buigen.
42. Overdrijven—vergrooten.
43. Reis—tocht.
44. Stom—sprakeloos.
45. Vatbaar—geschikt.
46. Wijzigen—veranderen.
47. Verwelken—verdorren.
48. Verzamelen—vergaderen (of vergaren) .
49. Week—zacht.
50. Breed—ruim—wijd.
51. Zeggen—spreken.
52. Schrik—ontzetting.
53. Beloonen—vergelden.
54. Slot—einde.
55. Hooren—luisteren.
56. Frisch—versch.
57. Verwaarloozen—verzuimen.
58. Haast—spoed—ijl.
59. Verwisselen—verruilen (of ruilen) .
60. Nieuwsgierig—weetgierig—benieuwd.
61. Nalaten—achterlaten—overlaten.
62. Overtuigen—overreden—overhalen.
63. Achting—eerbied—ontzag.
64. Betuigen—betoonen—bewijzen.
65. Noodzaken—dwingen—dringen.
66. Tevreden—vergenoegd.
67. Misgunnen—benijden.
68. Voorbedachtelijk—opzettelijk.
69. Aangezicht—gezicht—gelaat.
70. Bepalen—vaststellen.
71. Edelmoedig—grootmoedig.
72. Zwoegen— sloven —slaven.
73. Plaats—plek—oord.
74. Deftig—plechtig—statig.
75. Gissen—veronderstellen—vermoeden.
76. Aanhouden—volharden—volhouden.
77. Dankbaarheid—erkentelijkheid—verplichting.
78. Deemoedig—nederig—ootmoedig.
79. Dwars—scheef—schuin.
80. Overwinning—zege—zegepraal.
81. Overrompelen—overvallen—verrassen.
82. Overtollig—overbodig—overdadig.
83. Mogelijk—misschien—wellicht.
84. Nauw—eng—bekrompen.
85. Lichtvaardig—lichtzinnig—luchthartig.
86. Duister—donker—somber.
87. Verlies—schade—afbreuk—nadeel.
88. Nadoen—navolgen—nabootsen—naäpen.
89. Bekoren—verrukken—vervoeren.
90. Gebieden—gelasten—bevelen.
91. Armzalig—ellendig—kommervol.
92. Mistrouwen—wantrouwen—verdenken.
93. Argwaan—achterdocht—kwaad vermoeden.
94. Arm—armoedig—behoeftig—nooddruftig.
95. Afnemen—afbeuren—aflichten—afzetten.
96. Pracht—praal—pronk—luister.
97. Barsch—stug—stuursch—norsch.
98. Afslaan—afhakken—afhouwen—afkappen.
99. Gooien—werpen—smijten.
100. Voorgeven—beweren—voorwenden.
101. Regeeren—besturen—heerschen.
102. Aandachtig—oplettend—opmerkzaam.
103. Bouwen—opslaan—oprichten—stichten.
104. Befaamd—beroemd—berucht—vermaard.
105. Bedriegen—misleiden—verschalken—foppen.
106. Babbelen—praten—kouten—snappen—kakelen.
107. Sterven—overlijden—doodgaan—ontslapen.
108. Vlijtig—ijverig—naarstig—nijver.
109. Afslaan—afweren.
110. Alom—overal—allerwegen.
111. Aankondigen—voorspellen—voorzeggen.
112. Buitenlandsch—uitheemsch—vreemd.
113. Bekennen—belijden.
114. Aanroepen—bidden—smeeken.
115. Afstand—verte—verwijdering.
116. Eeuwig—eindeloos—oneindig.
117. Begrijpen—beseffen—bevatten—verstaan.
118. Driftig—oploopend—opvliegend.
119. Bedroefd—droevig—treurig—bedrukt.
120. Aanvaarden—aannemen—op zich nemen—ontvangen.
121. Zwerven—dolen—dwalen.
122. Gemeen—laag—ruw—plat.
123. Neigen—hellen—overhellen—overhangen.
124. Durven—wagen—zich verstouten—zich vermeten.
125. Doorgaans—gewoonlijk—meestal.
126. Volledig—volkomen—volmaakt.
127. Vlieten—vloeien—stroomen.
128. Vleugel—vlerk—wiek.
129. Vernielen—verwoesten—vernietigen.
130. Overeenkomst—verdrag—verbond.
131. Uitdenken—verzinnen—verdichten.
132. Straffen—bestraffen—tuchtigen—kastijden.
133. Smart—verdriet—hartzeer—leed.
134. Behoedzaam—voorzichtig—omzichtig.
135. Altijd—altoos—steeds—immer—gedurig.
136. Intrekken—afschaffen—herroepen.
137. Achteloos—onachtzaam—onoplettend—slordig.
138. Afgunst—wangunst—nijd—naijver.
139. Laken—berispen—gispen—vitten—bedillen.
140. Bedaard—rustig—bezadigd—kalm.
141. Barst—scheur—spleet—kloof.
142. Ambacht—beroep—bedrijf—handwerk—nering.
143. Ambt—waardigheid—bediening—post.
144. Wachten—verwachten—afwachten—verbeiden.
145. Afkeeren—afleiden—afwenden—aftrekken.
146. Afschrijven—naschrijven—overschrijven—uitschrijven.
147. Aantreffen—ontmoeten—tegenkomen—vinden.
148. Aanstonds—dadelijk—terstond—weldra—spoedig—gauw.
149. Dom—onwetend—onkundig—onnoozel.
150. Dartel—speelsch—speelziek—uitgelaten.
151. Mat—moe—vermoeid—afgemat—loom.
152. Klimmen—klauteren—stijgen—rijzen.
153. Aandoen—treffen—roeren—schokken.
154. Verwonderen—verbazen—bevreemden—verrassen.
155. Beheerschen—betoomen—beteugelen—bedwingen.
156. Aanklagen—beschuldigen—betichten—aangeven—aanbrengen.
157. Gierig— vrekkig— karig—hebzuchtig—schraapzuchtig—inhalig.
158. Afkeer—afgrijzen—afschrik—afschuw—walg—tegenzin—weerzin.
159. Arglistig—listig—bedriegelijk—loos—slim—sluw.
160. Kracht—macht—sterkte—vermogen.
161. Bekomen—krijgen—ontvangen—behalen—verwerven.
162. Barmhartig—deelnemend—mededoogend—medelijdend.
163. Beven—trillen—sidderen—rillen—bibberen.
164. Zien—kijken—staren—gluren—turen.
165. Aangenaam—liefelijk—behaaglijk—bekoorlijk—bevallig.
166. Angst—bangheid—vrees—schroom—schrik.
167. Beducht—bevreesd—bekommerd—bezorgd—beangst.
168. Bewaren—behoeden—beschermen—beschutten—beveiligen.
169. Beletten—verhinderen—tegenhouden of weerhouden—afhouden—terughouden.
170. Bestendig—duurzaam—onveranderlijk—standvastig—langdurig.
171. Buit—prijs—prooi—roof—vangst.
172. Bedenkelijk—zorgelijk—hachelijk—gevaarlijk.
173. Dapper—moedig—stout—onbevreesd—onverschrokken—onversaagd.
174. Spijt—leedwezen—berouw—wroeging.
175. Eigenzinnig—stijfhoofdig—hoofdig—koppig—halsstarrig—hardnekkig.
176. Gedachtenis—nagedachtenis—aandenken—herinnering.
177. Bekwaam—geschikt—kundig—knap.
178. Draaien—keeren—wenden—wentelen.
179. Lomp—onbeleefd—onbeschoft—ongemanierd.
180. Ochtend—morgen—dageraad—het krieken van den dag.
181. Dalen—vallen—storten—zinken—zakken.
182. Hoogmoedig—hoovaardig—grootsch—trotsch—ijdel—fier—prat.
183. Eischen—vorderen—vergen—verlangen.
184. Aarzelen—schromen—weifelen—in twijfel staan—zich bedenken.
185. Blijdschap—vreugde—vroolijkheid—genoegen—verrukking.
186. Boosheid—drift—toorn—woede—razernij.
187. Omslachtig—breedvoerig—uitvoerig—omstandig—wijdloopig.
188. Beleedigen—bespotten—hoonen—krenken—kwetsen—verguizen—smalen—smaden.
AANHANGSEL. 2)
189. Opbeuren—troosten.
190. Oponthoud—vertraging.
191. Verlichten—beschaven.
191 bis . Geheim—heimelijk.
192. Achten—waardeeren.
193. Uitdeelen—verdeelen.
194. Vermeesteren—bemachtigen.
195. Bezitten—hebben.
196. Bloem—bloesem.
197. Eer—roem.
198. Ontberen—missen.
198 bis . Achterhalen—inhalen.
199. Ontwaken—wakker worden.
200. Vlieden—vluchten.
201. Kosten—gelden.
202. Leugen—onwaarheid.
203. Nazetten—vervolgen.
204. Rust—stilte.
205. Sturen—zenden.
206. Schuldeloos—onschuldig.
207. Verdraagzaam—vreedzaam.
208. Voorlooper—voorbode.
209. Getuige—zegsman.
210. Betreffen—raken—aangaan.
211. Aanprijzen—prijzen—aanbevelen.
212. Bevrijden—verlossen—redden.
213. Gedenkwaardig—merkwaardig—belangrijk.
214. Wildernis—woestijn—woestenij.
215. Zwoel—warm—heet.
216. Versagen—wanhopen—vertwijfelen.
217. Oud—bejaard—bedaagd—afgeleefd.
218. Aandeel—deel—gedeelte—stuk.
219. Bezigheid—arbeid—werk—werkzaamheid.
220. Uitvoeren—volvoeren—volbrengen—voleindigen.
221. Uitleggen—verklaren—verduidelijken—uiteenzetten.
222. Baan—weg—straat—pad.
223. Afnemen—vervallen—verminderen.
224. Uitstaan—doorstaan—verdragen—lijden—dulden.
225. Geven—mededeelen—schenken—vereeren—aanbieden—verleenen.
226. Ontvluchten—ontgaan—ontkomen—ontloopen—ontsnappen—ontwijken.
227. Gering—klein—weinig—nietig.
228. Bemiddeld—gegoed—vermogend—welgesteld—rijk.
229. Begeeren—verlangen—wenschen—smachten—haken—reikhalzen.
230. Bijdragen—helpen—bevorderen.
231. Afstamming—geslacht—afkomst—geboorte.
232. Omweg—zijweg—uitweg.
233. Aantal—getal—tal—menigte—hoeveelheid.
234. Branden—flikkeren—laaien—gloeien—glimmen.
235. Onstuimig—heftig—wild.
236. Vertalen—overzetten—vertolken.
REGISTER.
A.
B.
D.
E.
F.
G.
H.
I.
J.
K.
L.
M.
N.
O.
P.
R.
S.
T.
U.
V.
W.
IJ.
Z.
VOORBERICHT
Inhoudsopgave
BIJ DEN EERSTEN DRUK.
Er is geen betere „stijloefening” dan het bestudeeren van synoniemen; hierdoor toch raakt men intiemer bekend met den rijkdom van vormen, waarover onze taal beschikt, om allerlei schakeeringen van eenzelfde hoofdbegrip uit te drukken. Het is dus wel te verklaren, dat het behandelen van zinverwante woorden een veel voorkomende en hoogst practische examen-opgave vormt. Toch mag het zeker verwondering baren, dat het Nederlandsch slechts weinig werken over dit belangrijk onderdeel der levende taal bezit. Na het thans verouderde „Woordenboek” van Weiland en Landré (1821, 3 dln.) is slechts één werk verschenen, aan de studie der synoniemen gewijd. Dit gunstig bekende „Handboek van Ned. Synoniemen”, door J. V. Hendriks (D. Mijs, ƒ2.50), dat verre boven onzen lof verheven is, kan echter als eerste studieboek bezwaarlijk gebruikt worden: het geeft uit den aard der zaak te veel stof bij te weinig oefeningen. Het kwam mij daarom niet ondienstig voor, uit den rijken voorraad onzer synoniemen een keuze te doen, om zoo noodig een grondiger en uitvoeriger behandeling van dit onderwerp voor te bereiden.
Ik heb bij het schrijven van dit werkje een geleidelijke opklimming in het oog gehouden en zeer veel plaats aan oefeningen ter toepassing ingeruimd. Hierdoor vlei ik mij, dat dit boekje gebruikt kan worden op onze Normaal- en Hoogere Burgerscholen, op onze Gymnasia en misschien ook bij de studie voor de hoofdacte.
Welwillende opmerkingen, die de bruikbaarheid kunnen verhoogen, zullen mij steeds welkom zijn.
1904.
BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
De tweede druk is zoo goed als ongewijzigd gebleven.
Van geachte zijde werd mij er op gewezen, dat ik van Hendriks een wel wat al te ruim gebruik zou gemaakt hebben. Waar deze schrijver niet schroomde dikwijls Landré en Weiland woordelijk te volgen, meende ook ik daartoe het recht te mogen hebben. Bovendien heb ik, evenals hij, van het Woordenboek der Ned. Taal een ijverig gebruik gemaakt, terwijl ik verder nog raadpleegde: Kuypers Woordenboek, dr. Nassau's Geschriften en een paar Duitsche werken. Ik heb dus, als zoo menig compilator, toegepast: „Je prends mon bien où je le trouve”, daarbij steeds voor oogen houdende, dat mijn werkje vóór alles practisch moest zijn. Uit de gunstige recensies en uit het vrij spoedig verschijnen van den 2en druk, meen ik te mogen besluiten, dat het bruikbaar bevonden wordt voor het doel, dat ik beoogde.
1907.
BIJ DEN DERDEN DRUK.
De derde druk is vermeerderd met een „Aanhangsel”, waarin nog een groot aantal (± 50 reeksen) der voornaamste synoniemen op meer beknopte wijze zijn behandeld. Aan den gebruiker is het—bij wijze van oefening—overgelaten zelf de voorbeelden ter toepassing te zoeken. Ik mag mij vleien, dat daardoor de bruikbaarheid van het werkje nog is toegenomen. (De prijs is niet verhoogd.)
1909.
BIJ DEN VIERDEN DRUK.
Baarn, Maart 1912.
T. PLUIM.
1. Draaglijk—draagbaar.
Inhoudsopgave
Wat gedragen kan worden.
Draagbaar zegt dit in letterlijken zin; het wijst dus aan, dat iets niet zoo zwaar is, of het kan gedragen worden: Een last van 75 K.G. is voor velen niet meer draagbaar. Soms beteekent het: verplaatsbaar, niet-vastgemaakt (portatief): een draagbare gaskachel.
Draaglijk duidt meer in figuurlijken zin aan, dat iets te dragen valt, d.w.z. te verduren, te dulden: Een ondragelijke hitte.
De zieke leed on— pijn.
Voor zoo'n reus als hij is, is zoo'n zak meel wel —.
Je hebt daar eindelijk eens een — opstel geschreven.
Men heeft tegenwoordig ook — electrische lampen.
2. Kostbaar—kostelijk.
Inhoudsopgave
Wat veel kost en dus hooge waarde heeft.
Kostbaar wordt in letterlijke beteekenis gebruikt. De drooglegging der Zuiderzee is een kostbare onderneming.
Kostelijk komt slechts figuurlijk voor; het wijst alleen op de hooge waarde, de voortreffelijkheid, die iets bezit. Bij hevigen dorst is water geen kostbare, maar wel een kostelijke drank (d. i. een drank, die uitmunt door zijn voortreffelijkheid om den dorst te lesschen).
De koningin droeg een — snoer van diamanten.
Het is zonde, zulk — eten te laten bederven.
De — hofhouding van Lodewijk XIV verslond schatten.
Het was werkelijk een — ingeving, zich zoo te kunnen redden.
3. Geestelijk—geestig—geestrijk.
Inhoudsopgave
Deze woorden zijn geen synoniemen en hebben dus geen gemeenschappelijke beteekenis. Men treft ze evenwel vaak als examenopgave aan. (Men noemt dergelijke woorden, die hetzelfde grondwoord hebben, paroniemen = stamverwante woorden.)
Geestelijk is de tegenstelling van wereldlijk of lichamelijk: De geestelijke stand; de geestelijke ontwikkeling.
Geestig is synoniem met aardig, grappig, humoristisch: Een geestig gezegde. Een geestige voordracht.
Geestrijk wil zeggen: rijk aan geest (van alcohol): geestrijke dranken.
Deze kinderen staan — verre bij uw leerlingen ten achter.
Ik heb hem een — spotprent op zijn redevoering laten zien.
Pater van Meurs, de bekende —, is vaak in zijn kleine gedichten zeer —.
„Het — vocht der blonde druif
Maakt — op zijn tijd”,
zeide een dichter; maar, hij had er bij kunnen voegen, is vaak ook oorzaak, dat men — achteruit gaat.
4. Zorgeloos—onbezorgd.
Inhoudsopgave
Geen zorg hebbende.
Onbezorgd is hij, die niet bezorgd of bang voor gebrek of dreigende gevaren behoeft te zijn. Het woord heeft dus een gunstige beteekenis. Hij heeft zooveel gespaard, dat hij een onbezorgden ouden dag kan hebben.
Zorgeloos wijst aan, dat iemand de zaken, die aan zijn zorg zijn toevertrouwd, verwaarloost, of dat hij lichtzinnig voortleeft, zonder de noodige zorg voor zijn toekomst te hebben. Het woord heeft dus altijd een ongunstige bijgedachte. Ofschoon hij meermalen met ontslag bedreigd is, blijft hij nog altijd even zorgeloos.
Gij kunt — zijn: geen kwaad zal u deren.
Zou zij mij alleen getrouwd hebben, om een vroolijk en — leven te leiden? (Van Lennep.)
Het ergert mij altijd, dat hij zoo — en lichtzinnig voortleeft.
Hij deed alle moeite om een opgeruimd en — gelaat te vertoonen. (Van Lennep.)
Als gij zoo — met uw geldzaken omgaat, zult gij spoedig arm zijn.
Zonden, ofschoon gepleegd in — vroolijkheid, waarbij men zich zelve vergeet, ontgaan echter het oog van God niet. (Van der Palm.)
5. Geneigd—genegen.
Inhoudsopgave
Neiging tot iets hebbende.
Geneigd geeft te kennen, òf dat de neiging iemand van nature eigen is, dus tot zijn aard en karakter behoort, òf wel dat zij het gevolg is van redeneering, inzicht of oordeel, die iemand tot iets doen overhellen. (Neigen = overhellen.) De mensch is geneigd tot zonde: zijn aard brengt dat mede. Ik ben geneigd dit toe te stemmen: ik hel er toe over (daar ik er over nagedacht heb).
Genegen ziet meer op de neigingen, die uit lust of begeerte ontstaan: Men vraagt een keukenmeid, een burgerpot kunnende koken en tevens genegen eenig huiswerk te verrichten: die daar lust in heeft, er niet afkeerig van is. Bovendien kan genegen beteekenen: goedgunstig gezind, liefhebbend: De directeur is mij zeer genegen.
Mijn vriend is vroolijk van aard en altijd — tot schertsen.
Denkt gij, dat hij — is, mij te woord te staan?
Ik ben altijd —, het goede van iemand te denken.
Ik zou bijna — zijn, bij deze aanmerking nog een tweede te voegen. (Inzicht, oordeel.)
Niemand der aanwezigen scheen —, in het tekort der kas te willen bijdragen.
Het geluk is mij in deze onderneming niet —.
Indien hij niet zoo tot vadzigheid en luiheid — was, zou hij zeker de betrekking gekregen hebben.
Zoudt gij — zijn, het voorzitterschap onzer vereeniging te willen aanvaarden?
Niemand is dezen onvriendelijken postdirecteur —.