Kitabı oku: «De Koran»

Yazı tipi:

Verschillende Auteurs

De Koran

Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding / omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066086442

Inhoudsopgave

I.

Levensschets van Mahomet.

II.

De Koran.

Algemeen overzicht.

III.

De Islam.

Algemeen overzicht.

IV.

De Koran .

Eerste Hoofdstuk.

Inleiding .

Tweede Hoofdstuk.

De Koe .

Derde Hoofdstuk.

De familie Imram .

Vierde Hoofdstuk.

De Vrouwen .

Vijfde Hoofdstuk.

De Tafel .

Zesde Hoofdstuk.

Het Vee .

Zevende Hoofdstuk.

Al Araf .

Achtste Hoofdstuk.

De Buit .

Negende Hoofdstuk.

De Verklaring van Vrijstelling .

Tiende Hoofdstuk.

Jonas .

Elfde Hoofdstuk.

Hoed .

Twaalfde Hoofdstuk.

Jozef .

Dertiende Hoofdstuk.

De Donder .

Veertiende Hoofdstuk.

Abraham .

Vijftiende Hoofdstuk.

Al Hedjr .

Zestiende Hoofdstuk.

De Bij .

Zeventiende Hoofdstuk.

De nachtelijke Reis .

Achttiende Hoofdstuk.

De Spelonk .

Negentiende Hoofdstuk.

Maria .

Twintigste Hoofdstuk.

T. H.

Een en Twintigste Hoofdstuk.

De Profeten .

Twee en Twintigste Hoofdstuk.

De Pelgrimstocht .

Drie en Twintigste Hoofdstuk.

De ware Geloovigen.

Vier en Twintigste Hoofdstuk.

Het Licht .

Vijf en Twintigste Hoofdstuk.

Al Forkan .

Zes en Twintigste Hoofdstuk.

De Dichters .

Zeven en Twintigste Hoofdstuk.

De Mier.

Acht en Twintigste Hoofdstuk.

De Geschiedenis (of de Lotgevallen) .

Negen en Twintigste Hoofdstuk.

De Spin .

Dertigste Hoofdstuk.

De Grieken .

Een en Dertigste Hoofdstuk.

Lokman.

Twee en Dertigste Hoofdstuk.

De Aanbidding .

Drie en Dertigste Hoofdstuk.

De Verbondenen .

Vier en Dertigste Hoofdstuk.

Saba .

Vijf en Dertigste Hoofdstuk.

De Engelen, of de Schepper.

Zes en Dertigste Hoofdstuk.

Y. S.

Zeven en Dertigste Hoofdstuk.

Zij die zich in orde scharen.

Acht en Dertigste Hoofdstuk.

S.

Negen en Dertigste Hoofdstuk.

De Scharen .

Veertigste Hoofdstuk.

De ware Geloovige .

Een en Veertigste Hoofdstuk.

De duidelijk Uitgelegden. .

Twee en Veertigste Hoofdstuk.

Overweging.

Drie en Veertigste Hoofdstuk.

De gouden Versierselen. .

Vier en Veertigste Hoofdstuk.

De Rook .

Vijf en Veertigste Hoofdstuk.

De Nederknieling.

Zes en Veertigste Hoofdstuk.

Alahkaf .

Zeven en Veertigste Hoofdstuk.

Mahomet .

Acht en Veertigste Hoofdstuk.

De Overwinning.

Negen en Veertigste Hoofdstuk.

De Binnen-vertrekken

Vijftigste Hoofdstuk.

K.

Een en Vijftigste Hoofdstuk.

De Verspreiding.

Twee en Vijftigste Hoofdstuk.

De Berg.

Drie en Vijftigste Hoofdstuk.

De Ster.

Vier en Vijftigste Hoofdstuk.

De Maan.

Vijf en Vijftigste Hoofdstuk.

De Barmhartige.

Zes en Vijftigste Hoofdstuk.

De Onvermijdelijke.

Zeven en Vijftigste Hoofdstuk.

Het IJzer .

Acht en Vijftigste Hoofdstuk.

De Klaagster .

Negen en Vijftigste Hoofdstuk.

De Landverhuizing .

Zestigste Hoofdstuk.

Zij die beproefd is .

Een en Zestigste Hoofdstuk.

Slagorde.

Twee en Zestigste Hoofdstuk.

De Vergadering.

Drie en Zestigste Hoofdstuk.

De Huichelaars.

Vier en Zestigste Hoofdstuk.

Wederzijdsche Teleurstelling.

Vijf en Zestigste Hoofdstuk.

De Echtscheiding.

Zes en Zestigste Hoofdstuk.

Het Verbod.

Zeven en Zestigste Hoofdstuk.

Het Koninkrijk .

Acht en Zestigste Hoofdstuk.

De Pen.

Negen en Zestigste Hoofdstuk.

De onvermijdelijke Dag.

Zeventigste Hoofdstuk.

De Trappen.

Een en Zevenstigste Hoofdstuk.

Noach.

Twee en Zeventigste Hoofdstuk.

De Geniussen.

Drie en Zeventigste Hoofdstuk.

De Omwikkelde.

Vier en Zeventigste Hoofdstuk.

De (met den mantel) Bedekte .

Vijf en Zeventigste Hoofdstuk.

De Opstanding.

Zes en Zeventigste Hoofdstuk.

De Mensch.

Zeven en Zeventigste Hoofdstuk.

De Gezanten.

Acht en Zeventigste Hoofdstuk.

Het Nieuws.

Negen en Zeventigste Hoofdstuk.

Zij die de zielen uitrukken.

Tachtigste Hoofdstuk.

Hij fronste het Voorhoofd.

Een en Tachtigste Hoofdstuk.

De opgevouwen Zon.

Twee en Tachtigste Hoofdstuk.

De gespleten Hemel.

Drie en Tachtigste Hoofdstuk.

De Bedriegers.

Vier en Tachtigste Hoofdstuk.

De geopende Hemel.

Vijf en Tachtigste Hoofdstuk.

De Hemelteekenen.

Zes en Tachtigste Hoofdstuk.

De Nachtster.

Zeven en Tachtigste Hoofdstuk.

De Verhevenste.

Acht en Tachtigste Hoofdstuk.

De Overvallende .

Negen en Tachtigste Hoofdstuk.

De Morgenschemering.

Negentigste Hoofdstuk.

Het Grondgebied.

Een en Negentigste Hoofdstuk.

De Zon.

Twee en Negentigste Hoofdstuk.

De Nacht.

Drie en Negentigste Hoofdstuk.

De Ochtendglans.

Vier en Negentigste Hoofdstuk.

Hebben wij niet geopend?

Vijf en Negentigste Hoofdstuk.

De Vijg.

Zes en Negentigste Hoofdstuk.

Het gestolde Bloed.

Zeven en Negentigste Hoofdstuk.

Al Kadr .

Acht en Negentigste Hoofdstuk.

Het duidelijke Teeken.

Negen en Negentigste Hoofdstuk.

De Aardbeving.

Honderdste Hoofdstuk.

De Oorlogspaarden.

Honderd en Eerste Hoofdstuk.

De Slag.

Honderd en Tweede Hoofdstuk.

De Begeerte om zich te Verrijken.

Honderd en derde hoofdstuk.

De Namiddag.

Honderd en Vierde Hoofdstuk.

De Lasteraar.

Honderd en Vijfde Hoofdstuk.

De Olifant.

Honderd en Zesde Hoofdstuk.

De Koreïshieten.

Honderd en Zevende Hoofdstuk.

De Aalmoes.

Honderd en Achtste Hoofdstuk.

Al Kauther.

Honderd en Negende Hoofdstuk.

De Ongeloovigen.

Honderd en Tiende Hoofdstuk.

De Hulp.

Honderd en Elfde Hoofdstuk.

Aboe Lahab.

Honderd en Twaalfde Hoofdstuk.

Gods Eenheid .

Honderd en Dertiende Hoofdstuk.

De Dageraad.

Honderd en Veertiende Hoofdstuk.

De Menschen.

V.

Algemeen register der voornaamste onderwerpen.

In dezen Koran behandelde, en de noten des betreffende.

A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

T

U

V

W

Y, IJ

Z

VI.

Kort Overzicht van de Geschiedenis der Turken, voornamelijk in hunne verhouding tot het overige Europa.

I. Inleiding.

II. De Opkomst en Bloei der Turksche macht in Europa.

III. De Achteruitgang der Turksche macht in Europa.

I.
Levensschets van Mahomet.

Inhoudsopgave

De Koran is eene onregelmatige en onsamenhangende verzameling van zedelijke, godsdienstige, burgerlijke en politieke voorschriften, gemengd met vermaningen, of beloften en bedreigingen, met het leven hier namaals in betrekking staande, zoowel als van verhalen, die nu eens getrouw en dan weêr op ongetrouwe wijze, aan de bijbelsche oudheid, aan de Arabische overleveringen, en zelfs aan de geschiedenis van de eerste eeuwen des Christendoms ontleend zijn. Evenzeer vindt men er toespelingen op zaken die gebeurd zijn ten tijde dat de Koran geschreven is, op pogingen door den nieuwen godsdienst aangewend, om overwicht te krijgen op den afgodendienst, of op de worstelingen die zij had te bestaan. Die toespelingen zijn echter, doorgaans, in zulke algemeene en onbepaalde uitdrukkingen vervat, dat zin en beteekenis ons dikwijls zouden ontsnappen, indien wij hier geen geleiders vonden in de uitleggers van den Koran en de historische verhalen ten opzichte der vestiging van den Islam of het Islamisme.

Niet meer dan drie van Mahomets tijdgenooten worden, in het voorbijgaan, door den Koran genoemd. Wat Mahomet zelven betreft, wordt deze alleen vermeld bij wijze van toespraak, die God verondersteld wordt tot hem te richten. Daaruit volgt, dat de Koran ons bijna geene narichten geeft omtrent het leven en den persoon van den profeet der Arabieren. Deze bijzonderheid is overigens in overeenstemming met het algemeene en erkende karakter van den Koran: deze toch stelt Gods woord voor, dat aan Mahomet geopenbaard en door diens mond aan het Arabische volk overgeleverd is. Als een muzelman een gezegde uit den Koran aanhaalt, dan zegt hij nooit: Mahomet heeft het gezegd; maar: God (of de Allerhoogste, het Opperwezen) heeft het gezegd; en het was daarom niet te wachten, dat God aan de medeburgers van Mahomet bijzonderheden omtrent diens verwanten, zijn’ oorsprong en zijne levensgevallen zou openbaren1. Dat stilzwijgen van den Koran wordt echter door de overlevering ruimschoots vergoed, en wij bezitten over Mahomet, ten minste van het oogenblik dat hij als Godsgezant optrad, historische bronnen, die, hoezeer met legenden vermengd, den beoefenaar tot een onbedriegelijk richtsnoer verstrekken, waaraan zijne openbaringen verbonden kunnen worden.

De gezellen van den profeet (de Ashab), zijne helpers (de Ansar), de aanhangers van den profeet die hun vaderland om de zaak van den nieuwen eeredienst hadden verlaten (de Moehadjirs), allen die Mahomet gevolgd zijn (de Tabi’, in het meervoud Tabi’in), en allen die dezen hebben opgevolgd, hadden het zich tot plicht gesteld, òok de minst beteekenende bijzonderheden uit het leven van hunnen apostel, wetgever en zoowel geestelijk als tijdelijk opperhoofd, met godsdienstigen eerbied te bewaren en aan hunne nazaten over te leveren. Die bijzonderheden zijn overgegaan in de eerste historische boeken, door de Muzelmannen2 samengesteld, en vormen heden ten dage een werkelijk en onmisbaar gedeelte van elk werk over de algemeene geschiedenis, en dus voorzeker van eene geschiedenis der Arabieren. Men bevroedt gemakkelijk, dat door de godsdienstige geestdrijverij onder een volk, hetwelk, over het algemeen, ongeletterd en van het overige gedeelte der wereld afgezonderd was, waarin menige twijfelachtige verhalen en verdachte overleveringen hebben moeten binnensluipen; dat de fictie en het wonderbaarlijke, voor zeker gedeelte, gemengd zijn in de geschiedenis van Mahomets zending, even als dit in de geschiedenis van de meeste andere godsdiensten plaats heeft. Misschien kan echter de geschiedenis van Mahomets zending, gemakkelijker dan eenige andere godsdienst uit het Oosten, van dat inmengsel van versiering en het wonderbaarlijke worden ontdaan, voor hetwelk slechts een Muzelman zich verplicht acht, met eerbiedigheid te blijven staan. Maar zelfs indien men er het karakter van heiligheid aan ontneemt, is zoowel het ontstaan als de voortplanting van het Islamisme desniettemin een der buitengewoonste gebeurtenissen in de jaarboeken des menschdoms.

Het is niet overbodig hier te doen opmerken, dat het groote Arabische schiereiland niet altijd door éen volk van hetzelfde ras en met dezelfde taal is bewoond geworden. De Arabische schrijvers onderscheiden er drie verschillende menschenrassen, die elkander in Arabië hebben opgevolgd en die allen Arabieren genoemd zijn geworden. Het eerste ras wordt er aangeduid door den naam van Arabieren, el-Ariba3 volbloed-Arabieren of van onvermengd ras, of met andere woorden, oorspronkelijke Arabieren. Dit ras bevat de volken, die langen tijd voor Mahomet uitgestorven of uitgeroeid waren. Dit zijn de Adieten, de Thémoedieten, de Amalika of Amalekieten, de bevolkingen van Tasm en Djadis, die, volgens de Arabische geschiedschrijvers, uit Sem of Cham, zonen van Noach, zijn gesproten. Het tweede ras is dat van de Arabieren, Moetéarriba (Arabieren die dat zijn geworden). Men beschouwt deze als voortgekomen uit Kaktan of Joktan, zoon van Heber; dezen hebben zich aanvankelijk in het gebied van Yemen (in Gelukkig Arabië) gevestigd, van waar zij zich naar alle overige gedeelten van Arabië hebben verbreid, door het uitzenden van volkplantingen, en nu eens door zich met de oorspronkelijke stammen te vermengen, of dan eens door hen te vervangen in het uitsluitende bezit van verschillende streken. De Himyarieten behooren tot de Moetéarriba-Arabieren, of, zoo als Caussin de Pergeval hen noemt, secondaire Arabieren. Het derde ras is dat van de Moesta’riba-Arabieren, (die met de andere Arabieren gelijk zijn gesteld); dit zijn de afstammelingen van Ismaël, den zoon van Abraham. Deze hebben zich in het gebied Hedjaz (woest Arabië) gevestigd en achtereenvolgens zich in al de andere gedeelten van Arabië verspreid: dit zijn de tertiaire, of Ismaëlitische Arabieren. Tot dat ras behooren de Arabieren, die sedert onheugelijke tijden rondom Mekka gevestigd zijn, en in het bijzonder het geslacht der Koreïshieten, waaruit Mahomet geboren werd. Alhoewel de Arabieren de grootste zorg hebben gedragen om hunne geslachtslijsten te bewaren, zijn toch al de pogingen der Arabische geschiedschrijvers, om de rechtstreeksche afstamming vast te stellen van Mahomet tot Ismaël, gedurende een tijdverloop van twintig eeuwen, vruchteloos geweest; maar over het algemeen komen zij wel overeen betrekkelijk zijne geslachtsrekening tot Adnan, die voor een’ afstammeling van Ismaël gehouden wordt. Neemt men drieëndertig jaren voor elk menschengeslacht aan, dan kan men het tijdvak van Adnan op omstreeks 130 jaren voor Chr. stellen, zoodat er dan alleen enkele namen overblijven van degenen, welke door de geschiedschrijvers vermeld worden, om de heele tijdruimte aan te vullen, die er verloopen is tusschen Ismaël, den zoon van Abraham, en Adnan, een’ persoon die meer nabij ons tijdvak heeft geleefd.

Hoe groot nu ook die gaping zij, zoo bestaat er toch geen eenige grond om het geslachtsregister van Mahomet in twijfel te trekken. Integendeel zijn er twee beschouwingen, die ten voordeele daarvan schijnen te pleiten. In de eerste plaats zijn dit onderscheiden gedeelten van den Bijbel, te beginnen met de boeken van Mozes tot aan de profeten4, die daarin overeenkomen, dat zij de Arabieren uit Woest Arabië (van Hedjaz en Mekka) als Ismaëlieten beschouwen, en voorts ook de eerbied dien zij voor de nagedachtenis van Abraham hebben bewaard. Inderdaad zou, volgens de overlevering uit den tijd voor Mahomet, de vermaarde tempel van Caaba, die ten doel strekte van de pelgrimstochten der Arabieren, en veel ouder is dan de stad Mekka zelve, door Abraham gedurende zijn verblijf in Arabië opgericht zijn; en eindelijk in dienzelfden tempel, welke eene soort van pantheon voor de Arabieren is geworden, zag men, ten tijde van Mahomet, een figuur, die Abraham, den stichter der eeredienst van den eenigen God, voorstelde en naast de Arabische godheden of de Christen heiligen geplaatst was. Moge nu die aaneenschakeling al of niet gegrond zijn, moge zij zeer oud wezen of nabij het tijdstip van den Islam liggen, zooveel is waar, dat die afkomst van Mahomet eene belangrijke rol in zijne zending speelt, en niet weinig tot zijn’ opgang bijgedragen moet hebben. Vooral in den aanvang van zijn apostelschap, toen het er nog op aankwam, de Arabieren van de afgodendienst los te maken, vond Mahomet in het voorbeeld van Abraham een grooten steun voor den door hem gepredikten godsdienst, en hij plaatste dien godsdienst onder de bescherming van een’ persoon, wiens nagedachtenis onder zijne landgenooten algemeen geëerbiedigd werd.

De stad Mekka is niet vroeger dan in de vijfde eeuw onzer jaartelling gesticht; maar de vallei van Mekka strekte sedert de vroegste tijden tot verblijf der Arabische stammen, die zich in den omtrek der overblijfsels van den Caaba-tempel nedersloegen, waarvan zij de bewaking en het bestuur als eene eer en als gevende aanspraak op den eersten rang, elkander onafgebroken betwistten. Omstreeks het jaar 200 der gewone jaartelling, werd een der afstammelingen van Adnan, Firh geheeten en El Koreïsh bijgenaamd, de stamvader van den vermaarden stad der Koreïshieten, die in het vervolg een’ grooten invloed te Mekka verkreeg. Kossaï, een van zijn afstammelingen in het vijfde geslacht, slaagde er niet alleen in, de Khozzaas, een andere Arabischen stam, als beheerders van Mekka uit den zadel te lichten, maar ten einde die belangrijke betrekking ten eeuwigen dage aan zijn geslacht te verzekeren, wist hij de Koreïshieten te belezen, rondom den Caaba-tempel eene stad te bouwen, waarvan de verschillende gedeelten door de leden van den uitgestrekten stam der Koreïshieten bewoond zouden worden. Voor zich zelven bouwde Kossaï een huis, dat aanzienlijker dan de andere was, en vestigde er den zetel van den raad (nadwa), waarin al de Koreïshieten toegang hadden en waarin alle zaken in het openbaar werden behandeld. In dat Raadhuis (Dar-ennadwa) ontvingen de Koreïshieten, als zij een’ anderen stam gingen bevechten, de banier uit handen van Kossaï. Op Kossaïs raad gaven de Koreïshieten hunne toestemming om zich aan eene belasting te onderwerpen, rifada (hulp) genaamd, welke zij, in het tijdvak van den pelgrimstocht, aan Kossaï betaalden, en die door dezen werd besteed om aan de behoeftige pelgrims, gedurende drie dagen dat zij te Mina, op eenigen afstand van Mekka, verbleven, kosteloos levensmiddelen te verschaffen. Kossaïs gezag vermeerderde nog, toen hij op zijnen persoon eenige andere posten wist te vereenigen, die met den dienst in den Caaba-tempel in verband stonden. Die ambten waren de volgenden: sikaïa, bestuurder van het water en de uitreiking daarvan, hidjaba, wachter van den Caaba-tempel en van den dienst in dezen. Bij dezen ambten dient men die te voegen van rifada, de ontvangst van de belasting der hulpverstrekking, van liwa, die het recht gaf eene kap van witte stof aan den standaard der Koreïshieten te hechten, als deze ten strijde gingen, en van nadwa, raad, zijnde het voorzitterschap van de vergadering Eenige mindere betrekkingen werden door Kossaï aan andere Arabische stammen overgelaten. Door het vorenstaande ziet men, dat de Koreïshieten, omstreeks twee honderd jaren voor Mahomet (tegen het jaar 440 na Chr.) niet alleen te Mekka in het bezit waren van een regelmatig gevestigd gezag, maar ook dat hun invloed en aanzien zich naar buiten verbreidden, en eindelijk dat de naam der Koreïshieten, door den toevloed van pelgrims naar de alouden tempel van Caaba, in al de gedeelten van Arabië bekend was. Door den handel dien zij met voortbrengsels van Gelukkig Arabië (Yemen) in Syrië, Mesopotamië en Egypte dreven, en van waar zij, in ruiling, stoffen, graan en andere voorwerpen5 terugbrachten, hadden zij een zekere gegoedheid, ja zelfs aanmerkelijke rijkdommen verkregen.

Kossaï of Koesseï had vier zonen. Abdeddar, Abdelozza, Abd en Abdmenaf. Wij zullen alleen over dezen laatsten tijd spreken, omdat hij in de rechte lijn de voorzaat van Mahomet is. Abdmenaf werd evenzeer vader van vier zonen, zijnde: Abdchams, Nowfal, Hachim, en Mottalib. Hachim, die de rijkste der broeders en, bijgevolg, het best in staat was, in de behoefte der pelgrims te voorzien en de zaken van Mekka te besturen, werd met de gewichtigste betrekking der vereeniging bekleed.

Deze voerde onder de Koreïshieten ’t gebruik in, jaarlijks twee karavanen uit te zenden: de eene des winters, naar Yemen en de andere, ’s zomers, naar Syrië, ook was hij het, die het eerst aan de behoeftige Koreïshieten eene soort soep uitdeelde, welke tharid genoemd werd en samengesteld was uit vleeschnat en tot kruim gewreven brood, hetgeen oorzaak was, dat zijn oorspronkelijke naam Amr in dien van Hachim—den kruimelaar—veranderd werd. En den naam van Hachmieten wordt aan den geheelen opgaanden zijtak van Mahomet gegeven.

Cheïba, de zoon van Hachim, werd ook Abdelmottalib genaamd, omdat hij door zijn oom Mottalib als zoon werd aangenomen. Hij volgde zijn vader te Mekka in diens gewichtigste ambten op, te weten in die van sikaïa en rifada. Zijne edelmoedigheid en zijn braaf gedrag hadden hem de algemeene achting doen winnen. Deze hoedanigheden scheen echter in de oogen zijner landgenooten het middel niet, te vergoeden, dat hij maar een’ eenigen zoon had; want evenals de Israëlieten, stelden de Arabieren den hoogsten prijs op een groot aantal mannelijke nakomelingen. Dat denkbeeld was bij de Arabieren zóó vast geworteld, dat Abdelmottalib op zekeren dag van een’ zijner landgenooten beleedigingen moest ondergaan, omdat hij maar één’ zoon had. In zijne ergernis zwoer hij, dat indien God hem tien mannelijke kinderen gaf, hij hem er één’ voor den Caaba van zou offeren. Abdelmottalibs wensch werd verhoord. Na de geboorte van zijn’ eersten zoon (528 na Chr.) tot het jaar 569 kreeg hij twaalf zonen en zes dochters. Op zekeren dag verzamelde hij, vast besloten zijn eed te vervullen, de tien oudste van zijne zonen; hij deelde hun den eertijds door hem gedane eed mede; een ieder van deze wilde er zich aan onderwerpen, het slachtoffer te worden, en allen begaven zich naar den Caaba voor den afgod Hobal om te loten. Het lot viel op Abdallah, die door zijn’ vader het meest werd bemind. Het offer stond op het punt volbracht te worden, op eene plaats die gewoonlijk bestemd was voor het slachten der offers, toen de Koreïshieten toesnelden, den arm van Abdelmottalib tegenhielden en hem rieden, eene waarzegster te raadplegen die zich te Kaïbar bevond, dat eene versterkte en door Israëlieten bewoonde Stad was. De waarzegster vroeg, wat de boete was, die voor een’ manslag werd betaald, en toen men haar antwoordde, dat de boete tien kameelen bedroeg, ried zij, Abdallah aan de eene zijde, en aan de andere tien kameelen te plaatsen; dat men daarna het lot zou raadplegen, en verklaarde zich dit tegen Abdallah, dat men wederom tien kameelen bij de eerste voegen en daarmede telkens voortgaan zou, tot het lot op de kameelen viel. Abdelmottalib onderwierp zich aan de uitspraak der waarzegster, en nademaal het lot tienmalen achtereen ten nadeel van Abdallah uitviel, kocht de vader zijn’ eed eerst tegen honderd kameelen los. Sedert dien tijd werd de bloedprijs onder de Arabieren op honderd kameelen bepaald. Dadelijk na deze gebeurtenis huwde Abdelbottalib zijnen zoon Abdallah uit aan Amina, de dochter van Wahb, een’ der afstammelingen van Abdmenaf. Uit dit huwelijk werd Mahomet geboren.6

Mahomets geboortejaar kan niet gemakkelijk worden vastgesteld. Er zijn echter drie gegevens, die dienen kunnen om het ten minste bij benadering te bepalen. Volgens de overlevering zou Mahomet gezegd hebben: “Ik ben geboren onder de regeering van den rechtvaardigen koning.” Die rechtvaardige koning was Kesra Anoechirvan (Kosroës de Groote), die zevenenveertig jaren en acht maanden heeft geregeerd. Neemt men nu met een’ Arabischen geschiedschrijver (Ibn El-athir) aan, dat Mahomet zeven jaren en acht maanden voor Anoechirvans dood ter wereld kwam, dan zou zijn geboortejaar in het jaar 570 n. Chr. vallen. Ten andere valt Mahomets geboorte, volgens de overlevering, in het jaar van den krijgstocht van den Æthiopischen koning Abraha tegen Mekka (zie de noot op hoofdstuk CV van den Koran). Deze krijgstocht eindigde door de volkomene vernieling van Abrahas leger; maar de Arabische geschiedschrijvers stemmen zoo weinig ten aanzien van dien krijgstocht overeen, dat Mahomets geboorte in het 34e of in het 40e of in het 41e, of in het 42e jaar der regeering van Kesra Anoechirvan zou vallen. Ook is algemeen de meening aangenomen, dat Mahomet, in 632, in den ouderdom van drie en zestig jaren gestorven zij, waardoor zijne geboorte in het jaar 569 zou vallen. Hierdoor ontstaat een nieuw vraagpunt, en wel dat, of het cijfer van die drie en zestig jaren, bij benadering, is opgegeven in maanjaren, gelijk die bij de Arabieren in gebruik zijn, of dat daarbij gerekend zij op de tusschenvoeging welke in 413 geschied is7.

De Muzelmansche godvruchtigheid bleef niet ten achter bij de ingeschapen neiging, die de wieg van buitengewone menschen door den glans van mirakelen en merkwaardige natuurverschijnsels doet omringen. Die godvruchtigheid is oorzaak, dat de verhalen daarvan volgaarne worden aangenomen, zonder bron of grondslag te onderzoeken; door diezelfde beweegoorzaak worden zij voortgeplant en als geloofspunt vastgesteld. Volgens die verhalen, welke wij niet met stilzwijgen zouden kunnen voorbijgaan, omdat zij den Muzelman altijd voor den geest zijn, zoude, op het oogenblik waarop de toekomstige profeet der Arabieren geboren werd, de geheele wereld in beweging geweest zijn. Het paleis van Cosroë te Clesiphon schudde, en veertien van zijne torens stortten in: het heilige vuur der pyreen ging uit, in weerwil van het onafgebroken toezicht der magiërs; het meer van Sawa droogde uit, de groot-moubed der Perzianen droomde, dat Perzië door de Arabische kameelen en paarden bezet zou worden, en Amina verhaalde haren schoonvader, dat zij gedurende hare zwangerschap had gedroomd, dat een buitengewoon licht zich uit haren boezem verspreidde om de wereld te verlichten; Abdelmottalib, eindelijk, die op zekeren dag zijn kleinzoon was komen zien, bemerkte tot zijne verwondering, dat hij besneden geboren was. Het kind, dat door zijnen grootvader Mahomet genaamd werd (en hij was de eerste die dezen naam onder de Arabieren droeg), werd door zijne moeder toevertrouwd aan eene Bedouinsche min, die Halima heette, en welke het naar heuren stam in de woestijn medenam. Na twee jaren werd hij gespeend, maar zijne aanwezigheid in Halimas gezin, had daar zoo veel geluk en overvloed in schijnen te brengen, dat zij Amina verzocht haar het kind te laten opvoeden. De overlevering verhaalt, dat het kind aan eene ziekte onderhevig was, waarvan men zich geene rekenschap wist te geven, maar welke men aan de werking des duivels toeschreef8. Toen Mahomet later een voorval verhaalde, dat grooten schrik aan zijne min had gebaard, zeide hij, dat, in zijne kinderjaren, toen hij met zijne jeugdige makkers in de vlakte speelde, twee in het wit gekleede mannen, dat engelen waren, hem op den grond geworpen, de borst geopend en het hart er uitgenomen hadden, om het te wasschen en te zuiveren.

Een hoofdstuk van de Koran (hoofdstuk XCIV) begint inderdaad met woorden die aldus vertaald kunnen worden; Openen wij niet den boezem, of zetten wij de borst niet uit, of wel; hebben wij de borst niet geopend. Terwijl nu zekere uitleggers daarin slechts een figuurlijke uitdrukking zien, voor een hart, dat door God geschikt is gemaakt om de wijsheid en de openbaring er in op te nemen, willen andere er eene toespeling in vinden op het voorval, dat door de overlevering vermeld wordt, en volgens hetwelk Mahomets hart werkelijk door de engelen gewasschen en gereinigd, en zoodoende sedert zijne kindsheid een uitverkoren vat zou zijn geworden. Overigens is dat niet het eenige gedeelte van den Koran, waarin een figuurlijke of overdrachtelijke uitdrukking, ingevolge de overlevering, eene gewrongen uitlegging en een’ bovennatuurlijken en wonderbaarlijken zin hebbe verkregen (zie Hoofdst. XVII, LIV). Op den ouderdom van zes jaren verloor Mahomet zijne moeder en werd door zijn’ grootvader Abdelmottalib opgenomen, die hem eene vaderlijke genegenheid toedroeg. Drie jaren later ontviel Mahomet ook die steun, daar Abdelmottalib in den ouderdom van meer dan tachtig jaren stierf. Toen belastte Aboe-Talib, zijn oom, zich met hem en nam hem later met zich naar Syrie, waarheen de karavaan der Koreïshieten Arabische voortbrengselen ging voeren. Toen zij te Bosra waren gekomen, ontmoetten zij een’ Arabischen christen monnik, welken de Arabieren Bahira en de Christenen Bjirdjis (George) of Serdjis (Sergius) noemden. Er wordt verhaald, dat Bahira door Mahomets uiterlijk getroffen zou zijn geweest en in diens gelaat zijne toekomstige bestemming hebben weten te lezen, en dat hij, bij het afscheid nemen van de Arabische karavaan, Aboe Talib aanbevolen zou hebben over Mahomet te waken en hem te bewaren voor de kunstenarijen der Joden, die het op zijn leven zouden toeleggen, indien zij tot de ontdekking kwamen, dat hij, Bahira, in dien knaap het zegelmerk der profetie had ontdekt. Dit zegelmerk van profetie was, naar men zegt, een teeken, dat Mahomet tusschen de schouders had, even als dit het geval met al de andere profeten en met al zijne voorzaten uit den stam Ismaël was, maar op eene veel duidelijker wijze dan bij deze allen.

₺111,65

Türler ve etiketler

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
10 ekim 2024
Hacim:
1252 s. 4 illüstrasyon
ISBN:
4064066086442
Yayıncı:
Editör:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar