Kitabı oku: «Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst»
Willem Cornelis van Zijll
Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066403577
Inhoudsopgave
VOORBERIGT.
GEOLOGIE.
I.
DILUVIUM.
ALLUVIUM.
DE GESCHIEDENIS VAN DEN HOLLANDSCHEN IJSSEL.
MYTHOLOGIE.
II.
MYTHOLOGIE.
FEESTTIJDEN. FEESTEN. VOLKSGEBRUIKEN.
PLAATSNAMEN.
Naamsoorsprong van Haastrecht.
Heeswijk.
Montfoort
Wulverhorst
Linschoten
Roozendaal.
Vliet .
Benscop, Hoenkoop, Willeskop, Papekop, Reijerskop, Gerverskop, Teccop, enz.
Lopik
Cattenbroek, Diemerbroek en Polsbroek,
Ruige Weide
Hekendorp
Popelendam
WOUDENDIENST.
Barwoutswaarder, Schagen bij Linschoten, het Schakenbosch bij Oudewater.
Heilig Woud .
het Papenhoef
PLANTEN- EN BOOMENDIENST.
Weesboom,
Terpen, Wieren en Vlietbergen
Wijken of Wijkplaatsen
Go-plaatsen
Loo-plaatsen
WATERDIENST EN WATERBEVOLKING.
VUURDIENST.
DIERENDIENST.
VOGELVEREERING.
GEDROCHTEN.
AARDGEESTEN, DWERGEN, enz.
LUCHTGEESTEN.
WOUD- EN VELDGEESTEN.
HUISGEESTEN.
DRIETALLEN.
Sol.—Mond, Tyr, Lun.—Hertha, Frowa, Frau.
Wodan, Thora en Freija.
BEWIJZEN, DAT DE PLAATS EN OMTREK WAAR NU GROOTE KERK EN TOREN STAAN, WELLIGT EERTIJDS AAN HEIDENSCHE EERDIENST GEWIJD WAREN, ER ECHTER STELLIG EENE HEIDENSCHE BEGRAAFPLAATS WAS.
a. De ligging aan den IJssel.
b. In den omtrek der Groote kerk vertrouwden de heidenen hunne dooden.
c. Het Helletje.
d. De begraafplaats der heidenen wordt het kerkhof der Christenen.
BEGRAFENISPLEGTIGHEDEN VOORHEEN EN NU.
GESCHIEDENIS.
III.
NAMEN ONZER VOOROUDERS IN DEZE OORDEN.
a. Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.
b. Men moet zich eenigzins rekenschap vragen, wanneer ons land, en strenger het oord onzer beschrijving voor bewoning is geschikt geworden.
ZEDEN EN GEWOONTEN.
a. Zeden en gewoonten onzer voorouders vóor der Romeinen komst.
b. Onzer vaderen verkeer met de Romeinen.
c. De invloed van het Christendom op de zeden.
d. De handel en tegenwoordige communicatie in betrekking op zeden en beschaving.
OPKOMST EN ONTWIKKELING DER STAD.
Het oord onzer beschrijving tot aan de eerste bescheiden.
Het Markveld bij Oudewater.
VOORMALIGE EN TEGENWOORDIGE PUBLIEKE EN MERKWAARDIGE GEBOUWEN.
De groote of oude parochie-kerk met toren.
DE GEDAANTE EN DE KLOKKEN DES TORENS
OUDHEID DER KERK.
BEDIENING DER KERK.
PREDIKANTEN.
DE UITOEFENING DER R. C. EEREDIENST BINNEN OUDEWATER, NA 1575 TOT 1705–1709, EN DE GEESTELIJKEN DIE HIER LEERAARDEN.
ROOMSCH CATHOLIJKE ORDE-GEESTELIJKEN AAN HET HEILIG LEVEN.
GEESTELIJKEN DER BISSCHOPPELIJKE CLERIZIE DER KERK AAN DE MARKT.
De oude kerk der Roomsch Catholijken.
De tegenwoordige kerk der Roomsch Catholijken.
De kerk der Bisschoppelijke Clerezie.
Het voormalige klooster der zusteren van Sinte Lijsbeth of van St. Agnes in Oudewater.
Het voormalige St. Ursala-Convent, of het klooster der zusters naar den derden regel van St. Franciscus orde van penitentie.
De tegenwoordige huizinge voor zusters naar den derden regel van St. Franciscus orde te Oudewater.
Het voormalige Cellebroers en Zustershuis te Oudewater.
Het voormalige riddermatig verblijf der St. Jans Ridders te Oudewater.
Het Weeshuis.
voormalig Arm of Ziekenhuis
Het voormalige Gast- en Proveniershuis.
de voormalige IJssel of Veerpoort.
De voormalige Broekerpoort.
De voormalige Linschoterpoort.
De voormalige Waard of Utrechtsche poort.
de voormalige Romein of Gevangentoren.
de Hoofdwacht.
Het voormalig Casteel of Slot.
Het voormalig Arsenaal te Oudewater.
’s Lands voormalig Magazijn van Oorlog.
Het voormalig Kruidhuis.
De Barak of Caserne.
De schuttersdoele.
de voormalige latijnsche school.
Lombarden.
De Waag, ook gezegd de Heksenwaag.
Geboortehuis van Jacobus Arminius.
Het Stadhuis.
ONDERZOEK NAAR DE REDENEN WAAROM DE WAPENS DER DRIE STEDEN DELFT, OUDEWATER EN ALKMAAR IN EN AAN EENIGE PUBLIEKE GEBOUWEN ALDAAR GEVONDEN WORDEN.
Het Wapen van Oudewater.
Regeringsvorm en Regeringslieden.
Oudewaters voormalig regt,
BEROEMDE EN VERMAARDE MANNEN, GEBOREN TE OUDEWATER
DEN GODGELEERDEN JOHANNES PALAEONYDORUS.
DE LETTERKUNDIGE CORNELIUS VALERIUS.
DE GESCHIEDKUNDIGE GERARDUS DE ROO.
PROFESSOR RUDOLPHUS SNELLIUS VAN ROOIJEN.
PROFESSOR JACOBUS ARMINIUS.
Dr. ABRAHAM VAN STIPRIAAN LUÏSCIUS .
OUDEWATER EN HET LEVEN IN OUDEWATER.
Van 1265 tot 1860.
ALPHABETISCH ZAAKREGISTER DER GEOLOGISCHE SCHETS.
A.
B.
D.
G.
H.
I.
K.
N.
R.
S.
T.
V.
Y.
Z.
ALPHABETISCH ZAAKREGISTER DER MYTHOLOGISCHE SCHETS.
A.
B.
D.
E.
F.
G.
H.
I.
K.
L.
M.
N.
O.
P.
S.
T.
V.
W.
ALPHABETISCH ZAAKREGISTER DER GESCHIEDKUNDIGE SCHETS.
A.
B.
C.
D.
G.
H.
K.
L.
M.
N.
O.
P.
R.
S.
T.
U.
V.
W.
IJ.
Z.
ALGEMEENE INHOUD.
A.
B.
C.
D.
E.
F.
G.
H.
I.
K.
L.
M.
N.
O.
VOORBERIGT.
Inhoudsopgave
Het aanvaarden van den arbeid, dien wij hierachter de eer hebben, onzen geachten minnaars van plaatsbeschrijvingen aan te bieden, ontsproot uit verschillende redenen. De voornaamste was echter eene groote voorliefde voor het onderzoek en de studie van de geschiedenis des Vaderlands.
Het trof mij bij dat onderzoek den naam van mijne geboortestad Oudewater bijna niet in de historiebladen genoemd te zien; uitgenomen door de bloedige feiten des jaars 1575, vonden wij den naam van Oudewater daarin bijna niet en toch speelde het stedeke in de geschiedenis des vaderlands eene voorname rol. Wàt wij echter vonden aangeteekend, werd gretig verzameld, geschift, en voor zoo ver wij konden, tot een vloeijend en beredeneerd geheel gebragt.
De regtvaardigheid vordert van ons de verklaring, dat wij bij het verzamelen van de bouwstoffen, wat het geschiedkundige gedeelte aangaat, van de beschrijving van Oudewater door den gewezenen balluw dezer stede, den Heer G. R. van Kinschot, een ijverig gebruik hebben gemaakt, en ofschoon dit ten jare 1745 verschenen werk het minste op volledigheid mag aanspraak maken, zoo heeft hij door dien arbeid toch de eer, het eerste de spade in den onbewerktuigden akker te hebben gezet.
De namen der andere bronnen waaruit wij bij het vervaardigen van dit werk hebben geput, zijn naauwgezet in de noten aangeduid, echter rekenen wij het ons nog ten pligt, openlijk te berigten, dat het archief van Oudewater met zijnen inventaris ons goede diensten bewezen heeft, doordien de Edel Achtb. heer R. W. Haentjens Dekker, Burgemeester dezer stad, ons met de meeste bereidwilligheid het gebruik van een en ander vergunde; ook van de Heeren Prof. P. Harting en Dr. van Geuns, beiden te Utrecht, A. M. Montijn, Oud Burgemeester en Johannes Putman, te Oudewater, benevens J. van der Lee Az. te Monnikkendam gewerden ons mededeelingen.
Wat de titel aanbelangt, die wij aan het werk schonken, zij dit opgemerkt. Iedere vaderlandsche geschiedenis wordt begonnen met eene korte schets van de vroegere gesteldheid des bodems, wij volgden dit voorbeeld voor onze plaatsbeschrijving; maar werkten het opstel een weinig uit en aldus werd dit de geologische schets van dit oord.
Daarna werd de bodem ter bewoning geschikt en men bewoonde hem spoedig. Het waren echter heidenen die zich op denzelven hadden nedergezet, wij schetsten hunne godsdienstige vereeringen, verwezen op de sporen die daarvan zijn, of schijnen overgebleven te zijn, en dit is de mythologische schets.
En aldus naderden wij tot het 3e deel van dit werk de schets der beschreven geschiedenis.
De overgang van de eene schets tot de andere ging dus zeer geleidelijk. Wat het geschiedkundig gedeelte aangaat, dit was bij de menigvoudige oneenigheden, die hier dikwerf op verschillend gebied zijn voorgevallen, geen aangename taak; wij plaatsten ons echter op een onzijdig standpunt en hopen niemand in zijne begrippen te hebben gekwetst.
Nog iets. Buiten ons toedoen, door verschillende omstandigheden, is het verschijnen van het laatste gedeelte van dit werk eenigzins vertraagd, zoodat wij van pag. 531 tot 536 onze mededeelingen tot in het jaar 1861 hebben gedaan, die wij op pag. 368 ons voorgenomen hadden tot in 1860 te doen; maar nu het verschijnen toch die vertraging had ondergaan, konden wij het niet van ons verkrijgen, mededeelingen, als de spoedige voltooijing van de canalisatie van den Hollandschen IJssel enz. niet te vermelden.
Wat wij dus ten jare 1858 (het begin van het verschijnen van dit werk) in onze geologische schets van pag. 25 tot 30 over dit onderwerp schreven, is nu in 1861 bijna geheel voltooid.
De titelplaat, geteekend en op steen gebragt door onzen stadgenoot, den Heer E. C. Rahms, stelt voor een gezigt op de groote kerk en den toren in 1860, de in het jaar 1861 geamoveerde IJsselbrug en den IJssel voor zijne canalisatie; voorts het wapen der stad, omringd door allegorische voorstellingen, die geene opheldering behoeven.
En nu mijn lezer! zij u dit werk aangeboden met den wensch, dat de fouten die er zijn ingeslopen, door u goedgunstig mogen worden verschoond, en dat deze regelen iets mogen bijbrengen, tot meerderen luister van ons dierbaar vaderland en Oudewater en omtrek.
GEOLOGIE.
I.
Inhoudsopgave
OUDEWATER EN OMTREK,
GEOLOGISCH, MYTHOLOGISCH EN GESCHIEDKUNDIG GESCHETST.
Inhoudsopgave
„De oppervlakte der aarde, onze woonplaats, is bij lange na niet altijd in dien toestand geweest, waarin wij haar tegenwoordig kennen.”
Dr. W. C. H. Staring.
„Laat andren Holland plat en laag en leelijk noemen,
Mij lokt de rijke wei met witte en geele bloemen;
Ik min het vette rund, dat aan den waterkant
Een heldren spiegel vindt met loovers om den rand.
Ik roei graag door de vaart waar waterlelies groeijen,
’k Hoor graag des kiewits roep, of zie den kemphaan stoeijen;
Niet in een apentuin gekortwiekt en verminkt,
Maar op een biezenland naar ’s diertjes vrij instinkt,
Waar ’t zwarte waterhoen en de pleviertjes wonen,
Die schuilen aan den kant of zich ter noô vertoonen.
Zóó was heel Holland eens….”
Mr. J. P. Amersfoort.
Indien het waar is, dat beschaving, wetenschap en kunst hand aan hand gaan, dan zal meestal daar waar eene dezer drie aanwezig is, behoefte aan de andere bestaan; dan ook dragen de wetenschappelijke voortbrengselen—waaraan het ons tegenwoordig niet ontbreekt—het hunne bij tot de toenemende beschaving, alom merkbaar.
Was men vroeger gewoon, alles meer oppervlakkig en algemeen te beschouwen, thans dringt men niet zelden tot de mindere of liever, tot de onder-afdeelingen door, onverschillig van welken tak van wetenschap ze zijn; overtuigd als men is, dat deze het juist zijn, die aaneengehecht, de stoffen leveren voor een beter en meer volmaakt geheel.
Welnu, ook de wetenschap der geschiedenis heeft hare onderdeelen, en die zijn voornamelijk de plaatsbeschrijvingen. En wanneer dan deze laatste spreken van oude, van langvervlogen tijden, dan vooral is het dienstig, dat ook de grond geschetst worde waarop de te behandelen onderwerpen voorvielen. Dit staat met dusdanige beschrijving in naauw verband, gelijk blijken zal.
Hierom eerstens hebben wij ons voorgenomen iets te leveren over Oudewater’s bodem. Bovendien is die wetenschap (onder den naam van geologie of aardvorming bekend) ook van nut voor menig inwoner dier plaats, waarvan eene korte schets van den grond en deszelfs verschillende lagen bestaat.
Zoodanige schets daar te stellen is echter geene gemakkelijke taak.
Uitstekende geleerden, waaronder mannen als professor Harting—langen tijd onze geachte stadgenoot—de heer Staring en anderen, hebben tot de kennis der geologie van geheel ons vaderland zelfs, roemvol de hand geleend. Ondersteund door van ’s lands wege gedeeltelijk bekostigde, en op sommige plaatsen des rijks ondernomen putboringen, konden zij zich met volle teugen aan de bron dier edele wetenschap laven, en mogten zij zulke belangrijke resultaten bekomen, dat wij bij het lezen van hunnen arbeid, onze geringe ervarenheid met de kennis dier heeren vergelijkende, onwillekeurig terugdeinsden, om iets omtrent de geologie van Oudewater en omtrek in het licht te geven. Onze eerste drijfveer echter gevoegd bij de overtuiging, dat elke bijdrage, van hoe weinig oogenschijnlijk nut, hoe oppervlakkig ook daargesteld, den geleerden nogtans aanleiding kan geven tot het maken van gevolgtrekkingen, die tot de kennis van den vaderlandschen bodem van belang zijn, behaalden op deze vrees de overwinning.
Alvorens dan dezen arbeid te aanvaarden, gevoelen wij ons echter verpligt aan te merken, dat wij geene vergravingen of putboringen zagen bewerkstelligen; maar dat alleen de veeltijds onzamenhangende berigten van werklieden ons ten dienste stonden. Wat wij dus konden te weten komen van laatstgenoemden, zelf ontdekten en met de werken der geleerden eenigzins in toepassing bragten, zullen wij thans trachten uiteen te zetten.
Wanneer wij, goedgunstige lezer! den bouwgrond, of liever, de bovenste aardlaag in Oudewater bezien, dan ontwaren wij al dadelijk, dat die tot de klei-soorten behoort. Zet men echter den voet buiten het stadje, dan is de afwisseling van klei- met veenachtigen grond zeer in het oog loopend.
Doch deze bodem is niet altijd zóó geweest als hij zich thans aan onze blikken voordoet; neen, veranderingen, groote vervormingen hadden ook hier, even als elders, op en in dien grond plaats.
Die talrijke weiden, waarop in den liefelijken zomertijd, dartele runderen als op een donzig groen met bloemen doorweven tapijt, heen en weder huppelen of rustig grazen, waarop hagelwitte lammeren hun vreedzaam geblaat doen hooren, waren hier eertijds niet; en die menigvuldige bouwlanden, overvloedig getooid met graanhalmen, wier ontelbare airen, bij elke koelte zich wringende en buigende, als eene gouden korenzee aan ons voor natuurschoon gevoelig oog vertoonen, zou men vóór een aantal eeuwen er te vergeefs gezocht hebben. De weiden waren drassige gronden, doorzaaid met talrijke waterpoelen; de IJssel was in zijnen loop nog door geen dijken beperkt, en de treffende vergezigten van thans, werden toen belemmerd door eeuwenoude bosschen, die hunne reusachtige takken hemelhoog verhieven.
De mensch echter wist door zijn vernuft, waterachtig land tot weiding zijner runderen en het voortbrengen van veldvruchten bekwaam te maken: den IJsselstroom binnen zekere grenzen te beperken; hij alzoo heeft veel tot verandering van den bodem toegebragt. Maar ook nog vóór zijn voet de plaatsen betrad, die wij dagelijks bewandelen,—vóór deze streek zich vertoonde in de gedaante als waarvan wij zoo even eene schets gaven, ook toen was Oudewater’s bodem reeds aan menigvuldige verwisselingen onderworpen geweest. Trachten wij deze gesteldheden nu achtereenvolgend en zoo beknopt mogelijk na te gaan.
Zeer noodzakelijk oordeelen wij het, den lezer in de eerste plaats bekend te maken, dat de geologen bij het beschrijven van een bodem, dien voornamelijk, tot op eene zekere grens, in twee afdeelingen scheiden: in alluvium en diluvium. Wij volgen hun voorbeeld, en beginnen al dadelijk eenige verklaringen te geven van het
DILUVIUM.
Inhoudsopgave
Door bovenstaande benaming verstaat men voor ons bestek de zandige gronden, welke op eene zeer aanmerkelijke diepte worden aangetroffen: dien grond, ter verduidelijking, waarin men te dezer plaatse de wel aantreft. De beteekenis nu van het woord Diluvium is vloedvorming, en als van zelve komt men dus tot de gevolgtrekking, dat die thans onderaardsche zandlaag eenmaal ten bodem verstrekte aan eene ontzaggelijk groote watermassa.
Ook de heer Staring spreekt in zijn »Bodem van Nederland” van den niet te miskennen oorsprong der tot het diluvium behoorende gronden uit water. In alle gevallen dus, was het diluvium eenmaal onder het water bedolven, en zijn er reeds tal van eeuwen sedert zijne vorming verloopen. In dit tijdperk ontstonden door verschillende oorzaken vele golvingen in den bodem, zoodat de oppervlakte een zeer ongelijk aanzien verkreeg. Veronderstel, dat men de alluviale of later gevormde lagen onzer plaats eens kon verwijderen en het diluvium alzoo ontbloot werd, men zou die onregelmatigheid dadelijk bemerken, en het zou zich als ’t ware gelijk eene zandzee met monsterachtige baren aan ons vertoonen. Voorts kwam men hoogst waarschijnlijk tot de overtuiging, dat die bodemgolving zich in eene N.O. en Z.W. rigting uitstrekt, en bepaald zag men, dat zijne oppervlakkige bestanddeelen uit blaauw—soms echter ook uit rood zand bestonden. Alligt vond men ook hier en daar een boomstam in den grond uitstekende.
Bewijzen voor de onregelmatigheid dezes diluviums kan men vinden in de putboringen, hier en elders, in Oudewater’s omtrek gedaan. Hier toch was de wel (die, gelijk nu bekend is, zich in genoemde formatie bevindt) omstreeks 9,50 Ned. el, op andere plaatsen ongeveer 10, 15, ja zelfs 25 Ned. ellen van den beganen grond verwijderd.
De meening van sommigen—inzonderheid van werklieden die nu en dan met het maken van waterputten belast worden—dat de wellen met aderen, als de takken eens booms, door den grond loopen vervalt dus, nu wij weten, dat de plaats waar de wel wordt aangetroffen, zich op ongelijke diepte bevindt.
Gemiddeld bekwam men welwater:
| In Oudewater | op omstreeks | 12,50 | Ned. el. |
In deszelfs omtrek, als in:
| Williskop en | | op»omstreeks» | 11,— | Ned.»el.» |
| Snelrewaard | ||||
| Hekendorp en | | op»omstreeks» | 9,50 | Ned.»el.» |
| Roozendaal | ||||
| Papekop, | | op»omstreeks» | 7,75 | Ned.»el.» |
| Hoenkoop, | ||||
| Ruigeweide en | ||||
| Linschoten 1 |
Omtrent Papekop strookt dit ook vrij goed met het onderzoek van laatstgenoemden ervaren geoloog: „Er zijn aldus geene redenen—zegt hij, na over de boorputten van Gouda en Leiden gesproken te hebben—die niet mogen doen aannemen, dat in Zuid-Holland, op eene geringe diepte onder de alluviale klei en het lage veen het diluvium begint, en dat dit het zand is, hetwelk bij Utrecht op 2 el diepte wordt aangetroffen, bij Woerden op gelijke diepte, en ook, welligt in een voormaligen uitgeschuurden tak van den Rijn op 7 el; bij het station Papekop regelmatig op deze diepte; bij Gouda op 9 tot 12 el, en bij Rotterdam waar de Rijnspoorweg tegen den zeedijk oploopt, op 14,5 el onder de oppervlakte. Grondboringen langs deze rigting hebben zulks aan het licht gebragt.”2
Op een paar plaatsen evenwel hoorden wij van eene eenigzins meer aanmerkelijke diluviale diepte gewagen, dan die welke wij als gemiddeld opgaven; wij bedoelen bij het begin van Hoenkoop en Williskop. Om pompwater te verkrijgen moest men op eerstgenoemde plaats tot ruim 17 el boren, en ruim op 18,5 Ned. el bekwam men op de laatste welwater, hoewel van een onaangenamen smaak. Nog eenigen tijd heeft men daarna, wel is waar, doorgeboord; doch steeds even walgelijk vocht bekomende, heeft men thans den arbeid tot het verkrijgen van goed smakend drinkwater gestaakt. Zelfs schijnt het, dat men nog niet eens tot het eigenlijke diluvium was doorgedrongen, dewijl het bekomen water zijdelings aangestuwd werd; hetwelk men, naar ons werd medegedeeld, nog tijdig genoeg bemerkte om, gelijk men vreesde, te verhoeden dat het huis ondermijnd werd, daar de aandrang, van de zijde van het gebouw komende, tevens ook het zand medevoerde, waarop het gefondeerd zou zijn. Bij de boring bekwam men voornamelijk veen, derrie en ijzeroer, alsook boomstronken en schelpen.
De punten waarop deze twee putten geboord zijn, liggen hemelsbreedte circa ¼ uur gaans in N.O. en Z.W. rigting van elkander verwijderd, en al zoo vindt men hier, dunkt ons, op eene treffende wijze de diluviale bodemgolving, waarvan gehandeld is, bewaarheid.
Gaan wij thans over latere vormingen te behandelen, n.l. die van het: