Kitabı oku: «De Koopman van Venetië»
William Shakespeare
De Koopman van Venetië

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066402648
Inhoudsopgave
Eerste Bedrijf.
Eerste Tooneel.
Tweede Tooneel.
Derde Tooneel.
Tweede Bedrijf.
Eerste Tooneel.
Tweede Tooneel.
Derde Tooneel.
Vierde Tooneel.
Vijfde Tooneel.
Zesde Tooneel.
Zevende Tooneel.
Achtste Tooneel.
Negende Tooneel.
Derde Bedrijf.
Eerste Tooneel.
Tweede Tooneel.
Derde Tooneel.
Vierde Tooneel.
Vijfde Tooneel.
Vierde Bedrijf.
Eerste Tooneel.
Tweede Tooneel.
Vijfde Bedrijf.
Eerste Tooneel.
Personen:
De Doge van Venetië.
De Prins van Marocco,dingende naar Portia’s hand.De Prins van Arragon,
Antonio, de koopman van Venetië.
Bassanio, zijn vriend.
Solanio,vrienden van Antonio en Bassanio.Salarino,Gratiano,
Lorenzo, minnaar van Jessica.
Shylock, een rijke Jood.
Tubal, een Jood, zijn vriend.
Lancelot Gobbo, Shylocks knecht.
De oude Gobbo, vader van Lancelot.
Leonardo, bediende van Bassanio.
Balthazar,bedienden van Portia.Stefano,
Portia, een rijke erfgename.
Nerissa, haar kamerjuffer.
Jessica, dochter van Shylock.
Senatoren van Venetië, Beambten van het gerechtshof, een Gevangenbewaker, Bedienden en verder Gevolg.
Het stuk speelt gedeeltelijk te Venetië, gedeeltelijk te Belmont, het landgoed van Portia.
Eerste Bedrijf.
Inhoudsopgave
Eerste Tooneel.
Inhoudsopgave
Venetië. Een straat.
Antonio, Salarino en Solanio komen op.
Antonio.
’k Weet waarlijk niet, hoe ik zoo somber ben;
Ik ben het moe; gij zegt, dat zijt gij ook;
Maar hoe ’t mij aanwoei, hoe ik er aan kwam,
Van welken aard het is, en hoe ontstaan,
Dat is me een raadsel;
Die somberheid maakt mij tot zulk een zwakhoofd,
Dat ik te nauwernood mijzelf herken.
Salarino.
Uw geest wordt op den oceaan geslingerd,
Waar uw galjoenen, fier het zeil in top,
Als eed’len en grootburgers van de zee,
Door statigheid hun hoogen rang verkonden
En neerzien op de kleine handelsluî,
Die needrig buigend hem begroeten, als
Zij langs hen vliegen met geweven vleug’len.
Solanio.
Geloof mij, stond voor mij zoo veel op ’t spel,
Het beste deel van mijn gedachten waar’
Ginds met mijn hoop aan ’t dwalen. Telkens zou ik
Gras plukken om de windstreek na te gaan,
Op kaarten zien naar reeden, havens, hoofden;
En alles, wat mij onheil kon doen duchten
Voor schepen of voor lading, zou gewis
Mij somber maken.
Salarino.
Mijn blazen, dat mijn soep bekoelde, joeg
Me een koude koorts op ’t lijf, als ik bedacht,
Wat schade op zee een sterke wind kan doen.
Ik zag het zand niet loopen in het uurglas,
Of dacht ook reeds aan ondiepten en banken,
En zag mijn rijken Andries omgeslagen,
Den masttop lager dan de zijde in ’t zand,
Als om zijn graf te kussen. Ging ik op
Ter kerke, zou het heilig steengevaart’
Mij fluks niet denken doen aan booze rotsen,
Die, raken zij mijn ranke kiel slechts aan,
Haar specerijen op den vloed verstrooien,
Mijn zijde als mantels spreiden over ’t diep,
Kortom, wat pas nog schatten waard was, plotsling
Als niets doen zijn? Is ’t denkbaar, dat mijn geest
Dit denken zou, en dan niet zou gaan denken
Hoe zulk een ongeval mij leed zou doen?
Neen, zeg maar niets; ik weet, Antonio
Is somber, wijl hij aan zijn zaken denkt.
Antonio.
Geloof mij, neen, want, dank zij mijn geluk,
Ik heb mijn goed niet aan één schip vertrouwd,
Niet aan één plaats, en mijn vermogen hangt
Niet af van ’t slagen in een enkel jaar;
Daarom, ’t is niet mijn handel, die me ontstemt.
Salarino.
Nu, dan zijt gij verliefd.
Antonio.
Nu, dan zijt gij verliefd. Foei, foei!
Salarino.
Ook niet verliefd? Nu, dan, dan zijt ge treurig,
Wijl gij niet vroolijk zijt, en zóó kondt gij
Ook lachen, springen, zeggend: „ik ben vroolijk,
Wijl ik niet treurig ben.” Bij Janus’ dubb’len kop,
Natuur brengt soms toch rare snuiters voort:
Die knijpt voortdurend de oogen toe van ’t lachen,
Als bij een doedelzak een papegaai; 53
En de ander heeft zoo’n uitzicht van azijn,
Dat hij door lachen nooit zijn tanden toont,
Al deed een grap ook de’ ouden Nestor schaat’ren.
(Bassanio, Lorenzo en Gratiano komen op.)
Solanio.
Ziedaar Bassanio, uw eed’len neef,
Gratiano en Lorenzo; vaar nu wel;
Wij laten u in ’t best gezelschap achter.
Salarino.
’k Had willen blijven, tot ge monter waart,
Maar thans, nu beter komt, moog’ minder wijken.
Antonio.
Geloof me, heeren, ik waardeer u hoog,
Maar reken, dat uw zaken thans u roepen,
En gij nu vrijheid vindt om heen te gaan.
Salarino.
Vaartwel dan, eed’le heeren.
Bassanio.
Vaartwel dan, eed’le heeren. Vrienden, zegt,
Wanneer weer eens een prettig samenzijn?
Wij zien elkaar zoo weinig; waartoe dit?
Salarino.
Als ’t u gelegen komt, wij zijn bereid.
(Salarino en Solanio af.)
Lorenzo.
Daar gij Antonio nu gevonden hebt,
Bassanio, willen wij u thans verlaten;
Maar denk op ’t etensuur present te zijn.
Bassanio.
Daar kunt gij vast op reeknen.
Gratiano.
Gij ziet er niet goed uit, Antonio,
Gij trekt te veel u ’s werelds zaken aan;
Wie daar zijn hart op zet, verliest zijn rust.
Geloof me, uw uitzicht is geheel veranderd.
Antonio.
Ik acht de wereld, vriend, zooals zij is,
Een speeltooneel, waar elk zijn rol op speelt;
De mijne is somber.
Gratiano.
De mijne is somber. Ik speel dan den Nar.
’k Wacht dartlend, lachend, rimplige’ ouderdom,
En laat, al drinkend, eer mijn lever schudden,
Dan dat, door ach en wee, mijn hart verkilt.
Waarom, als ’t warme bloed nog stroomt, te zitten
Als grootvaârs marm’ren beeld? waartoe te slapen,
Als ’t wakenstijd is? en de geelzucht zich
Op ’t lijf te kniezen? Neen, Antonio, hoor,
Ik heb u lief en zoo spreekt nu mijn liefde:
Er is een slag van lieden, wier gelaat
Steeds ondoorschijnend is als stilstaand water,
Die eigenzinnig zwijgen altijd door,
Met doel om zich een dunk en roep te geven
Van wijsheid, waardigheid en diepen zin,
Als zeiden zij: „Ik ben ’t orakel zelf, 93
En open ik den mond, dan blaff’ geen hond”;
Die daarom slechts den naam van wijzen dragen,
Omdat zij nooit iets zeiden, doch voorwaar
Hun hoorders, als zij spraken, strafbaar maakten,
Wijl deez’ hun broeders „dwazen” zouden noemen.
Doch meer hiervan een ander maal; gij, hengel
Dus niet met uw droefgeestigheid als aas
Naar narren-katvisch, dezen wijsheidsschijn.
Kom mee, Lorenzo.—Houd zoolang u goed;
Na ’t eten krijgt gij ’t einde van mijn toespraak.
Lorenzo.
Ja, wij verlaten u tot na den noen;
Ik moet nu wel zoo’n wijze zwijger zijn,
Want Gratiano laat mij nooit aan ’t woord.
Gratiano.
Ja, klamp u vast aan mij twee jaren lang,
Dan kent gij zelfs uw eigen stem niet meer.
Antonio.
Vaarwel; op uw vermaan word ik een prater.
Gratiano.
Zeer goed, want weet, dat zwijgen nooit behaagt,
Dan van gerookte tong en van een schuchtre maagd.
(Gratiano en Lorenzo af.)
Antonio.
Heeft hij daar nu iets ter wereld gezegd?
Bassanio.
Gratiano praat oneindig veel, dat niets is, meer dan eenig mensch in geheel Venetië. Zijn verstandige gedachten zijn als twee tarwekorrels in twee schepels kaf; gij kunt er den geheelen dag naar zoeken, eer gij ze vindt; en als gij ze hebt, zijn ze de moeite van ’t zoeken niet waard.
Antonio.
Hoe ’t zij, vertel mij nu, naar welke jonkvrouw
Gij in ’t geheim die beêvaart zwoert te doen,
Waarvan gij mij vandaag vertellen zoudt?
Bassanio.
Antonio, ’t is u al te wel bekend,
Hoe zeer ik mijn vermogen heb verspild,
Door vrij wat weidscher, rijker staat te voeren,
Dan mijn gering fortuin verduren kon.
Maar ’k roep geen ach en wee, dat ik moet afzien
Van zulk een glans; mijn groote zorg is nu
Met eer die groote schulden af te doen,
Waarin mijn jeugd, die al te spilziek was,
Mij heeft verstrikt; Antonio, ’k ben aan u
Het meeste schuldig, geld niet slechts, maar liefde;
Diezelfde liefde is mij een borg, dat ik
U oop’ning doen mag van mijn plan, om al
Die schulden, die mij drukken, af te werpen.
Antonio.
Ik bid u, vriend Bassanio, deel het mee,
En kan het, even als gijzelf steeds doet,
Voor ’t oog der eer bestaan, wees dan verzekerd,
Ikzelf, mijn beurs en al wat ik vermag,
’t Is alles ’t uwe, voor uw dienst gereed. 139
Bassanio.
Verloor ik in mijn schooltijd soms een pijl,
Dan schoot ik hem een tweeden van die soort,
Denzelfden weg uit, na, gaf beter acht,
Tot waar hij vloog, en, beide wagend, vond ik
Ze beide vaak. Dit kindervoorbeeld past,
Omdat wat volgt, ook louter onschuld is.
Gij gaaft mij veel, en, als een wilde knaap,
Verloor ik wat gij gaaft, maar waagt gij ’t nu,
Een tweeden pijl denzelfden weg te schieten,
Den eersten achterna, ik maak mij sterk,
Daar ik zijn vlucht bespiê, ze beî te vinden,
Of breng, wat gij het laatste waagdet, weêr,
En blijf uw dankb’re schuldnaar voor het eerste.
Antonio.
Gij kent mij toch; wat spilt gij dan uw tijd,
En neemt een kronklende’ omweg tot uw vriend;
Gij grieft mij waarlijk dieper, als ge twijfelt,
Of ik voor u het uiterst wel zou doen,
Dan als gij heel mijn have hadt verspild.
Deel dus mij mee, wat gij van mij verlangt,
Wat gij vermeent, dat ik vermag te doen;
Ik ben bereid en daad’lijk; zeg het dus.
Bassanio.
In Belmont woont een jonkvrouw, rijk in goedren,
In schoonheid rijk, en, rijker nog dan dit,
Ook rijk in deugden; uit haar oogen ving ik
Reeds vroeger lieve stomme tijding op.
Haar naam is Portia; ze is wedergâ
Van Cato’s dochter, Brutus’ Portia.
De wereld door is reeds haar roem verbreid;
Van ’t uiterste eind der aard, van iedre kust,
Brengt iedre wind, om naar haar hand te dingen,
De bloem der jonglingschap. Haar zonnig haar
Golft om haar slapen als een gulden vlies;
En Belmont is een tweede Colchisch strand,
En menig Jason komt om haar te erlangen.
Antonio, vriend, o, had ik slechts de midd’len,
Om waardig mij met een van hen te meten,
Dan mocht ik,—onbedrieglijk spelt mij dit
Mijn hart, mijn ziel,—het hoogste heil verwachten.
Antonio.
Gij weet, mijn gansch vermogen is op zee;
Ik heb geen geld en ook geen koopmansgoedren,
Die ik verpanden kan; maar ga, beproef,
Wat in Venetië mijn krediet vermag;
Ik verg er ’t uiterst van, om u naar eisch
Voor Portia, naar Belmont, uit te rusten,
Vraag na, waar geld beschikbaar is; ook ik
Doe ’tzelfde, en ben geen oogenblik bezorgd,
Dat men niet gaarne, en op mijn woord, mij borgt.
(Beiden af.)
Tweede Tooneel.
Inhoudsopgave
Belmonte. Een kamer in Portia’s huis.
Portia en Nerissa komen op.
Portia.
Op mijn woord, Nerissa, mijn klein persoontje heeft van deze groote wereld meer dan genoeg.
Nerissa.
Dat mocht zoo wezen, lieve jonkvrouw, als uw ellende evenzoo bovenmatig was als thans uw geluk. Maar voor zoover ik zie, zijn zij, die zich overladen met te veel, al even ziek, als zij, die aan alles gebrek hebben. Het is daarom geen middelmatig geluk juist in de middelmaat te zijn; overvloed krijgt vroeger grijze haren, maar juist van pas leeft langer.
Portia.
Goede spreuken, en goed voorgedragen.
Nerissa.
Nog beter zouden zij wezen, als zij goed werden opgevolgd.
Portia.
Als doen even gemakkelijk was, als weten, wat goed is te doen, dan waren kapelletjes kerken, dagloonerswoningen vorstenpaleizen geworden. Het is een goed geestelijke, die zijn eigen voorschriften opvolgt; ik kan gemakkelijker aan twintig menschen leeren, wat zij moeten doen om goed te doen, dan een van de twintig zijn en mijn eigen lessen opvolgen. Het brein kan wel wetten voor het gestel uitdenken, maar een vurig bloed springt over een koel voorschrift heen; zulk een haas is de jongeling Onverstand, dat hij heenwipt over het net van Goeden Raad, den kreupele. Maar dit redeneeren helpt mij volstrekt niet bij het kiezen van een man.—O wee, dat woord kiezen! Ik mag niet kiezen, dien ik zou willen, en niet afwijzen dien ik niet mag lijden; en zoo is de wil van een levende dochter aan banden gelegd door den wil van een dooden vader.—Is het niet hard, Nerissa, dat ik niemand kiezen mag, en ook niemand afwijzen?
Nerissa.
Uw vader was een braaf man, en vrome menschen hebben bij hun dood goede ingevingen. Daarom zal bij de loterij, die hij uitgedacht heeft van die drie kastjes van goud, zilver en lood, (waardoor hij, die in zijn geest kiest, u kiest,) zonder eenigen twijfel door niemand de echte keus gedaan worden dan door een, die u echte liefde toedraagt. Maar hoe staat het met de warmte van uw genegenheid jegens een van de vorstelijke aanbidders, die alreeds gekomen zijn?
Portia.
O, wees zoo goed en noem ze op; als gij ze noemt, zal ik ze u beschrijven; en naar mijn beschrijving moogt ge mijn genegenheid afmeten.
Nerissa.
Vooreerst dan, de Napelsche prins.
Portia.
O, die is inderdaad een veulen, want hij doet niets dan van zijn paard spreken; en hij vindt het een belangrijk toevoegsel aan zijn begaafdheden, dat hij het zelf beslaan kan; ik vrees inderdaad, dat mevrouw zijn moeder valsch spel speelde met een hoefsmid.
Nerissa.
Dan verder de paltsgraaf. 49
Portia.
Die zet altijd een zuur gezicht, alsof hij zeggen wou: „Ben ik voor u niet goed genoeg, geen nood”. Hij hoort vroolijke kwinkslagen en vertrekt geen spier; ik vrees, dat, als hij oud wordt, hij de weenende philosoof zal wezen in eigen persoon, daar hij nu in zijn jeugd al zoo onhebbelijk somber is. Ik was liever getrouwd met een doodshoofd, zoo met twee gekruiste knoken er onder, dan met een van die beiden. God beware mij voor alle twee!
Nerissa.
Wat zegt gij dan van den Franschen heer, Monsieur Le Bon?
Portia.
God schiep hem, laat hem daarom voor een man doorgaan. Ik weet, dat het zonde is een spotter te zijn, maar hij! Hij heeft een paard, beter dan de Napolitaan, een beter slechte gewoonte van zuurkijken dan de paltsgraaf; hij is iedereen en niemand; als een lijster zingt, begint hij dadelijk kapriolen te maken; hij zou kunnen vechten met zijn eigen schaduw. Als ik hèm nam, nam ik vijftig mannen te gelijk. Als hij mij versmaadde, zou ik het hem vergeven; want al had hij mij lief tot razend wordens toe, ik zou niets van hem willen weten.
Nerissa.
Wat hebt ge dan te zeggen tegen Faulconbridge, den jongen Engelschen baron?
Portia.
Ge weet, ik zeg niets tegen hem, want hij verstaat mij niet en ik hem ook niet; hij kent geen Latijn of Fransch noch Italiaansch, en wat mijn Engelsch betreft, gij kunt gerust voor het gerecht een eed gaan doen, dat het geen armzaligen duit waard is. Hij is het afbeeldsel van een knap man, maar, ik bid u, wie kan omgaan met een stom beeld? En hoe bespottelijk kleedt hij zich! Ik geloof, dat hij zijn kamizool in Italië, zijn pof broek in Frankrijk, zijn muts in Duitschland en zijn manieren overal heeft opgedaan.
Nerissa.
Wat denkt ge van zijn buurman, den Schotschen lord?
Portia.
Dat hij wezenlijk wel christelijke liefde tot zijn naaste bezit, want hij borgde laatst een oorveeg van den Engelschman, en zwoer, dat hij hem dien terug zou betalen, zoodra hij in de gelegenheid zou wezen; ik denk, dat de Franschman zijn borg werd en voor den ander onderteekende.
Nerissa.
Hoe bevalt u de jonge Duitscher, de neef van den hertog van Saksen? 91
Portia.
Afschuwelijk in den morgen, als hij nuchter is, en allerafschuwelijkst in den middag, als hij beschonken is; als hij op zijn best is, is hij toch nog altijd iets minder dan een mensch, en als hij op zijn slechtst is, is hij nauwlijks meer dan een dier; als het ergste mocht gebeuren, dat gebeuren kan, hoop ik toch, dat ik wel een uitvlucht zal vinden om hem vrij te loopen.
Nerissa.
Als hij zich mocht aanmelden om te kiezen en het rechte kastje koos, dan zoudt ge toch weigeren uws vaders uitersten wil te volbrengen, als gij weigerdet hem te nemen.
Portia.
Daarom bid ik u, om het ergste te voorkomen, zet een flinken roemer Rijnwijn op het verkeerde kastje; want als de duivel er in was en deze verzoeking van buiten er bij, dan weet ik, dat hij het zou kiezen. Alles liever, Nerissa, dan met een spons te moeten trouwen.
Nerissa.
Gij behoeft niet beducht te wezen, mejonkvrouw, dat gij een van deze heeren zult krijgen, want zij hebben mij hun besluit meegedeeld, en dat is, waarlijk, naar huis te gaan en u niet verder met hun aanzoek lastig te vallen, tenzij gij op een andere wijze te winnen waart, dan door de bepaling van uw vader, ten opzichte van de kastjes.
Portia.
Al word ik zoo oud als Sibylla, wil ik toch zoo kuisch als Diana sterven, tenzij ik gewonnen word op de wijze van mijns vaders uitersten wil. Ik ben blij, dat dit partijtje vrijers zoo verstandig is, want er is er niet één bij of ik smacht naar zijn afzijn, en ik bid God, hun een voorspoedige heenreis te verleenen.
Nerissa.
Herinnert gij u niet, mejonkvrouw, uit den tijd dat uw vader nog leefde, een Venetiaan, die man van studie en krijgsman te gelijk was, en die hierheen kwam als metgezel van den markies van Montferrat?
Portia.
Ja, ja; het was Bassanio;—ik geloof ten minste, dat hij zoo heette.
Nerissa.
Juist, mejonkvrouw. Van alle mannen, die mijn dwaze oogen ooit gezien hebben, was hij wel het meest een schoone vrouw waard.
Portia.
Hij staat mij nog goed voor, en naar mijn herinnering is uw lof niet onverdiend.—Wel, wat is er?
(Een Bediende, komt op.)
Bediende.
Mejonkvrouw, de vreemde heeren vragen naar u om afscheid te nemen; en zoo even komt daar een voorrijder van een nieuwen, den prins van Marocco, die het bericht brengt, dat de prins, zijn meester, nog van avond hier zal zijn. 139
Portia.
Als ik dien nieuwen zoo van ganscher harte welkom kon heeten, als ik de anderen vaarwel zeg, zou ik verheugd wezen over zijn aankomst, als hij het binnenste heeft van een heilige en de huidkleur van een duivel,
Dan groette ik liever hem als boetgezant,
Dan dat ik hem mijn hand verpand.
Kom, Nerissa.—Knaap, ga voor, maak voort.—
Gaat één vrijer uit de poort,
Dan wordt weer de stap van een ander, die nadert, gehoord.
(Allen af.)
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.