Kitabı oku: «Een Midzomernachtdroom»

Yazı tipi:

William Shakespeare

Een Midzomernachtdroom


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066313548

Inhoudsopgave

Eerste Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Tweede Tooneel.

Tweede Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Tweede Tooneel.

Derde Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Tweede Tooneel.

Vierde Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Tweede Tooneel.

Vijfde Bedrijf.

Eerste Tooneel.

 Personen:

 Theseus, hertog van Athene.

 Hippolyta, koningin der Amazonen, verloofd met Theseus.

 Egeus, vader van Hermia.

 Hermia, dochter van Egeus, verliefd op Lysander.

 Minnaars van Hermia.Lysander,Demetrius.

 Helena, verliefd op Demetrius.

 Philostratus, bestuurder der hoffeesten.

 Dissel, een timmerman.

 Schaaf, een schrijnwerker.

 Spoel, een wever.

 Wind, een blaasbalgmaker.

 Tuit, een ketellapper.

 Slokker, een snijder.

 Oberon, de koning der Elfen.

 Titania, de koningin der Elfen.

 Puck, een kabouter, Oberons dienaar.

 Elfen.Erwtebloesem,Spinrag,Mot,Mosterdzaad.

 Andere Elfen, in het Gevolg van hun koning en koningin.

 Gevolg van Theseus en Hippolyta.

Het tooneel is te Athene en in een nabijgelegen woud.

Eerste Bedrijf.

Inhoudsopgave

Eerste Tooneel.

Inhoudsopgave

Athene. Een Zaal in het paleis van Theseus.

Theseus, Hippolyta, Philostratus en Gevolg komen op.

Theseus.

Thans komt, Hippolyta, ons huwlijksuur

Met spoed nabij. Vier blijde dagen brengen

Een nieuwe maan; maar o! wat talmt die oude

Met af te nemen! Wat ik vurig wensch

Vertraagt ze, dralend als een weduw doet,

Die van haar stiefzoons renten ’t leven rekt.

Hippolyta.

Vier dagen, zij verzinken snel in nacht;

Vier nachten, zij verdroomen snel den tijd;

Dan wordt op nieuw de zilvren boog der maan

Gespannen aan den hemel, en beschouwt

De nacht van ons festijn. 12

Theseus.

De nacht van ons festijn. Philostratus,

Ga, wek Athene’s jeugd tot blij gejuich;

Roep op den vluggen, dartlen geest der vreugd;

Verban zwaarmoedigheid naar ’t huis van rouw;

Die bleeke gast past niet bij onzen trouw.—

(Philostratus af.)

Hippolyta, ik vroeg u met mijn zwaard,

En won uw liefde door u leed te doen;

Maar wil u huwen op een andre wijs,

Met pracht en praal en blijde feestlijkheid.

(Egeus, Hermia, Lysander en Demetrius komen op.)

Egeus.

Heil Theseus, onzen grooten hertog heil!

Theseus.

Dank, Egeus, dank!—Gij wilt iets vragen? Spreek!

Egeus.

Vol leedgevoel verschijn ik en verklaag

Mijn kind hier, mijne dochter Hermia.

Treê voor, Demetrius.—Mijn eedle Heer,

Aan dezen man beloofde ik hare hand;—

Treê voor, Lysander;—en, genadig vorst,

Hier deze heeft mijn dochters hart betooverd;—

Gij, gij, Lysander, schonkt haar teedre rijmpjes,

Gij ruildet minnepanden met mijn kind,

Zongt aan haar venster vaak bij maneschijn,

Met valsche stem, een lied van valsche min,

En prenttet haar ter sluik uw beeld in ’t brein

Door ringen, wissewasjes, vlokjes haar,

Door speeltuig, tuiltjes, lekkernijen,—boden

Van veel gewicht bij de onervaren jeugd;

Door list hebt gij mijn dochters hart gekaapt,

De volgzaamheid, die zij mij schuldig is,

In wreevle koppigheid verkeerd.—Mijn vorst,

Wanneer zij thans niet voor uw troon belooft

In de’ echt te treden met Demetrius,

Dan vraag ik, krachtens ’t oude Atheensche recht,

Volstrekte macht op haar, mijn eigendom;

Zij kieze: en neem’ deez’ man tot echtgenoot,

Of lijd’ de doodstraf, die naar onze wet

In dit geval onmidlijk volgen mag.

Theseus.

Wat zegt gij, Hermia? wees wijs, schoon kind; 46

Uw vader moet u gelden voor een god,

Die uwe schoonheid schiep; voor iemand, wien

Gij slechts een beeld van was zijt, dat door hem

Gevormd is en dat hij bewaren kan,

Maar dat hij ook de macht heeft te verbreken.

Demetrius is toch een waardig man.

Hermia.

Lysander is het ook.

Theseus.

Lysander is het ook. Ja, op zichzelf;

Maar hier, nu hij uws vaders stem niet heeft,

Is de ander hem in waardigheid vooruit.

Hermia.

O, waar’ ’t mijn oog, waarmeê mijn vader koos!

Theseus.

Wierd eer ùw oog door zijne keus geleid!

Hermia.

Ik smeek u om verschooning, edel vorst;

Ik weet niet, wat de kracht, den moed mij geeft,

Noch of het aan een zedig meisje past,

Dat ik in zulk een hoogen kring mij uit;

Maar toch, ik waag ’t, mijn vorst, de vraag te doen:

Wat is het ergste, dat mij treffen kan,

Als ik Demetrius mijn hand ontzeg?

Theseus.

Ziehier uw keus: gij sterft den dood, of zweert

’t Verkeer met mannen voor uw leven af.

Dus, schoone Hermia, beproef uzelf;

Denk aan uw jeugdig bloed; stel u de vraag,

Of,—als ge uws vaders wenschen wederstreeft,—

Gij ook der nonnen dracht verduren kunt,

En, steeds in ’t sombre klooster ingesperd,

Als kuische zuster levenslang den lof

Der koude maan met matte liedren zingen!

Driewerf gelukkig, wien ’t betoomde bloed

Aldus des levens pelgrimstocht vergunt;

Doch ’t roosje, dat zijn geur genieten doet,

Leeft zoeter leven, dan dat op zijn struik

Groeit, leeft en sterft in heilige eenzaamheid.

Hermia.

Zoo wil ik groeien, leven, sterven, Heer,

Eer dat mijn maagdeblos de heerschappij

Erkenn’ van hem, wiens opgedrongen juk

Mijn ziel versmaadt en nooit aanvaarden zal.

Theseus.

Bedenk u nog;—bij de eerste nieuwe maan,—

Den dag, die tusschen mijn geliefde en mij

Den eeuw’gen band van trouw bezeeglen zal,—

Wees dan bereid te sterven op dien dag,

Wijl gij den wil uws vaders niet wilt doen;

Of doe dien, reik Demetrius de hand;

Of wel, Diana’s outer hoore uw eed

Van streng en eenzaam leven voor altoos. 90

Demetrius.

Word, Hermia, verzacht!—Lysander, geef

Voor mijn goed recht uw krachtlooze aanspraak op!

Lysander.

Gij hebt haars vaders gunst, Demetrius;

Trouw dus met hem en laat mij Hermia.

Egeus.

’t Is waar, gij spotter, hij bezit mijn gunst;

En al het mijne schenkt mijn gunst aan hem;

Ook zij is mijn, en al mijn recht op haar

Verleent mijn gunst nu aan Demetrius.

Lysander.

’k Ben, Heer, van even edel bloed als hij;

Niet minder rijk; mijn liefde is grooter zelfs;

Zoo weegt mijn rang, mijn stand, kortom mijn staat

Den zijnen op, of overweegt dien nog;

En,—wat nog meer dan al dit roemen geldt,—

Mij schonk de schoone Hermia haar min;

Waarom dus zou ik op mijn recht niet staan?

Demetrius,—ik zeg ’t hem in ’t gezicht,—

Heeft Nedars dochter, schoone Helena,

Het hof gemaakt; het meisje kreeg hem lief,

Hem innig lief, ja meer, afgodisch lief,

Hem, dezen valschen, wisselzieken man.

Theseus.

’k Erken, dat ik ’t vernam, en ’k was van zins

Demetrius hierover aan te spreken;

Maar eigen zaken boeiden mij te zeer,

Het is me ontgaan.—Maar kom, Demetrius,

En Egeus ook; ik wil u onder ons

Eens zeggen, wat ik denk van deze zaak.—

Gij, schoone Hermia, houd u bereid

Uw hoofd te buigen voor uws vaders wil;

Want anders eischt Athene’s wet,—door ons

In ’t minst niet te verzwakken,—uwen dood,

Of doemt u tot den ongehuwden staat.—

Hippolyta, hoe is ’t, mijn lieve bruid?—

Komt, Egeus en Demetrius, wij gaan;

Ik heb u noodig voor ons huwlijksfeest,

Maar deel het een en ander bovendien

U meê, dat van nabij uzelf betreft.

Egeus.

Wij volgen u, naar plicht en eigen wensch.

(Theseus, Hippolyta, Egeus, Demetrius en Gevolg af.)

Lysander.

Hoe is ’t, mijn lief, hoe ziet uw wang zoo bleek?

Hoe zijn de rozen er zoo snel verwelkt?

Hermia.

Wellicht wijl regen haar ontbreekt, ofschoon

Mijn oogen rijk genoeg in tranen zijn.

Lysander.

Wee mij; naar alles wat ik las en ooit

Uit sagen of geschiedenis vernam,

Vloot nooit de stroom van ware liefde zacht;

Nù was zij te verschillend door geboort’,—

Hermia.

O ramp! voor needrig dienen al te hoog! 136

Lysander.

Dan weer, wat leeftijd aangaat, slecht geënt,—

Hermia.

O hoon! te oud voor een verbond met jeugd!

Lysander.

Dan hing zij van de keus van vrienden af,—

Hermia.

O hel! te kiezen met eens anders oog!

Lysander.

Of, was ook ziel met ziel aaneengesmeed,

Dan heeft haar ziekte, krijg of dood belaagd,

Voorbijgaand, vluchtig als een klank doen zijn,

Kort als een droombeeld, ijdel als een schim,

Snel als het weerlicht in koolzwarte nacht,

Dat plotsling aarde en hemel openbaart,

Maar, eer een mensch nog zeggen kan: “het licht!”

Weer door de duisternis verslonden wordt;

Zoo snel verdwijnt het schoonst en schitt’rendst heil.

Hermia.

Als leed dus altijd trouwe liefde trof,

Zoo blijkt het, dat het noodlot dit besloot,

En dan leer’ de beproeving ons geduld,

Wijl immer bij de liefde leed behoort,

Zooals ook mijmren, droomen, wenschen, zuchten

En tranen vaste mintrawanten zijn.

Lysander.

Een juist besluit. Dus hoor nu, Hermia;

Ik heb een moei, die weduwe is: zij woont

Op zeven mijlen afstands van Athene;

Zij is van groot vermogen, kinderloos,

En zij beschouwt mij als haar’ een’gen zoon.

Daar huw ik u, mijn lieve Hermia,

En daarheen kan de felle Atheensche wet

Ons niet vervolgen. Dus, hebt gij mij lief,

Sluip morgen nacht dan uit uws vaders huis;

En in het woud, een uurtje van de stad,—

Waar ik u ’s ochtends eens met Helena

Ter viering van het Meifeest heb ontmoet,—

Daar zal ik op u wachten.

Hermia.

Daar zal ik op u wachten. Mijn Lysander!

Ik zweer u bij Cupido’s strafsten boog,

En felste schicht met gouden punt, bij de onschuld

Van ’t duivenspan, dat Venus’ wagen trekt,

Bij al wat harten bindt en liefde wekt,

En bij de vlam, waar Dido zich den dood

Door bracht, toen de Trojaan haar valsch ontvlood,

Bij alle de eeden, die de man ooit brak,

In aantal meer dan die de vrouw ooit sprak;

Gij treft ter plaatse, die gij hebt bedacht,

Mij waarlijk morgen aan te middernacht.

Lysander.

Houd, liefste, woord!—Zie, daar komt Helena. 179

(Helena komt op.)

Hermia.

Wees welkom, schoone Helena! Waarheen?

Helena.

Gij noemt mij schoon? Herroep dat “schoon” toch. Neen,

Schoon noemt Demetrius u; hem is uw schoon,

Uw oog een leidstèr, uwer stemme toon

Veel zoeter dan den herder ’s leeuwriks lied,

Als ’t koren groent, de rooz’laar bloesems schiet.

Hoe meen’ge ziekte, die licht overslaat!

Waar ’t zoo met schoon, ik eigende uw gelaat,

Mijn oog stal uwen blik, mijn oor verslond

Uw zoet geluid en leerde ’t aan mijn mond.

Waar’ de aarde mijn, ik koos Demetrius uit,

En liet dan gaarne aan u de rest ten buit.

O, leer me uw blik; o zeg, wat tooverkracht

Schonk op zijn harteklop u zulk een macht?

Hermia.

Ik frons het voorhoofd, toch zoekt hij mijn gunst.

Helena.

Leerde uw gefrons mijn glimlach zulk een kunst!

Hermia.

Door bitse woorden blaas ik ’t vuur nog aan.

Helena.

Deed mijn gevlei bij hem die vlam ontstaan!

Hermia.

Hoe meer ik haat, te vuur’ger mint hij mij.

Helena.

Hoe meer ik min, te feller haat hij mij!

Hermia.

’k Heb aan zijn dwaasheid, Helena, geen schuld.

Helena.

Neen, maar uw schoonheid wel; had ik die schuld!

Hermia.

Ontvang als troost, dat hij mij nooit meer ziet,

Daar ik van hier met mijn Lysander vlied.—

O, vóór den tijd, dat ik Lysander zag,

Was mij Athene een Paradijs; maar, ach!

Sinds zijn betoovring mijn gemoed regeert,

Heeft die den hemel in een hel verkeerd!

Lysander.

Ons plan zij, Helena, u toevertrouwd,

Als morgen nacht zich Phoebe weer beschouwt,

Haar zilvren aanschijn spieglend in den vliet,

Dauwdruppels spreidend over gras en riet,

En duisternis de vlucht verbergen zal,

Verlaten wij ter sluik Athene’s wal.

Hermia.

En op dat bloemrijk plekje van het woud,

Waar gij en ik zoo vaak in zoeten kout

Neêrlagen en ons hart uitstortten, dáár

Ontmoeten nu mijn lief en ik elkaar;

Wij zoeken, nu Athene ons zoo verbant,

Ons nieuwe vrienden in het vreemde land.

Vriendin, vaarwel! Zend ons uw heilbeê na;

Schenke u ’t geluk Demetrius als gâ!—

Houd woord, Lysander! Ach, ons oog versmacht

Naar liefdes troost,—maar ’t moet,—tot morgen nacht! 223

Lysander.

Vertrouw op mij. (Hermia af.)—’t Ga, Helena, u goed:

Dra worde ùw min door wedermin begroet!

(Lysander af.)

Helena.

Wat oogst toch de eene liefde, de andre hoon!

Wij gelden in Athene als even schoon;

Wat helpt dit, vindt Demetrius het niet?

Die wil niet zien, wat ieder ander ziet;

En is hij dwaas, als hij voor Hermia gloeit,

’k Ben even dwaas, als mij zijn aanblik boeit.

Zelfs aan wat leelijk en nietswaardig is,

Leent liefde schoonheid en beteekenis.

Zij ziet niet met het oog, maar met het hart,

Van daar is ze in haar oordeel vaak verward,

En daarom heet de God der liefde blind,

En is zijn beeltnis een gevleugeld kind,

Dat onbesuisd, niet ziende, in ’t wilde vliegt

En in zijn keus zoo dikwijls zich bedriegt.

Zooals bij ’t spel een knaap geen eed ontziet,

Ontziet des noods de Liefde een meineed niet:

Eer Hermia Demetrius ontstak,

Werd eed op eed, als hagelslag op ’t dak,

Aan mij gedaan; die hagel, ach! verdween

En vloeide weg, toen hààr zon hem bescheen.—

Ik meld hem fluks de vlucht van Hermia,

Dan ijlt hij morgen nacht in ’t woud haar na;

O, dat hij voor ’t bericht mij dank bewijz’!

Dit wensch ik, doch ik koop ’t voor hoogen prijs.

Maar ’t smartlijk heil is niet te duur gekocht,

Als ik hem volg en zie op zijnen tocht.

(Helena af.)

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Türler ve etiketler

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
16 ocak 2025
Hacim:
80 s. 1 illüstrasyon
ISBN:
4064066313548
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi: