Kitabı oku: «Eens Weg», sayfa 12

Yazı tipi:

Hoofdstuk 24

Tegen de tijd dat Riley het stadje Glendive binnenreed, begon het al te schemeren. Het was een lange dag geweest en ze voelde zich radeloos. De tijd ging veel te snel voorbij en dus ook elke mogelijkheid om enige levensreddende aanwijzingen te vinden.

Glendive was het achtste stadje op haar route. Tot nu toe had Riley geen enkele winkel gevonden die speelgoed en poppen verkocht. Ze had iedereen ondervraagd die met haar wilde praten. Ze wist zeker dat ze de winkel waar ze naar op zoek was nog niet gevonden had.

In geen van de winkels kon iemand zich de vrouwen op de foto’s die ze hun had laten zien herinneren. Natuurlijk waren de vrouwen in kwestie ongeveer gelijk wat betreft leeftijd en uiterlijk, net als alle anderen die een winkelier in een week tegenkwam. Om het nog erger te maken leek geen van de poppen die Riley uitgestald zag een mogelijke inspiratie voor de keuze van de slachtoffers.

Toen ze Glendive binnenreed, kreeg Riley een vreemd gevoel van déjà vu. De hoofdstraat leek griezelig veel op die van de meeste andere stadjes, met aan één kant een stenen kerk en een bioscoop en aan de andere kant een drogisterij. In haar oververmoeide geest begonnen al deze stadjes samen te smelten. Wat dacht ik wel niet? vroeg ze aan zichzelf.

De vorige avond had ze wanhopig graag willen slapen en ze had haar voorgeschreven kalmeringsmiddel ingenomen. Dat was geen slecht idee geweest. Maar om daarna een paar glazen whisky te drinken was niet zo slim geweest. Nu had ze een enorme hoofdpijn, maar ze moest doorgaan.

Terwijl ze haar auto bij de winkel parkeerde die ze wilde bezoeken, zag ze dat het daglicht al afnam. Ze zuchtte, ontmoedigd. Ze moest vanavond nog één stad en één winkel bezoeken. Het zou nog minstens drie uur duren voordat ze naar Fredericksburg terug kon gaan om April bij het huis van Ryan op te pikken. Hoeveel avonden was het nu al laat geworden?

Ze pakte haar mobiel en belde het vaste nummer. Ze hoopte tegen beter weten in dat Gabriela zou opnemen. In plaats daarvan hoorde ze de stem van Ryan. “Wat is er, Riley?” vroeg hij.

“Ryan,” stamelde Riley, “het spijt me enorm, maar...”

“Je bent weer later,” maakte Ryan haar zin af.

“Ja,” zei Riley. “Het spijt me.”

Er viel een stilte.

“Luister, het is echt belangrijk,” zei Riley toen. “Er is een vrouw in levensgevaar. Ik moet afmaken waar ik mee bezig ben.”

“Dat heb ik eerder gehoord,” zei Ryan op afkeurende toon. “Het is altijd een zaak van leven en dood. Nou, ga je gang. Handel het af. Ik begin me alleen af te vragen waarom je de moeite nog neemt om April op te halen. Ze kan net zo goed hier blijven.”

Riley voelde haar keel dichtknijpen. Ryan klonk alsof hij zich voorbereidde op een gevecht over de voogdijschap, precies waar ze al bang voor was. En dat was niet vanwege een oprecht verlangen om April op te voeden. Hij was te druk met zijn eigen vrije leventje bezig om voor zijn dochter te zorgen. Het enige wat hij wilde was Riley kwetsen.

“Ik kom haar ophalen,” zei Riley en ze probeerde haar stem rustig te houden. “We kunnen hier later over praten.” Ze beëindigde het gesprek.

Toen stapte ze uit de auto en liep het kleine stukje naar de winkel: Debbies Poppenboetiek. Ze ging naar binnen en zag dat de naam een beetje deftig was voor een winkel die nogal standaard merkkoopwaar verkocht. Niets interessants of chics hier, realiseerde ze zich.

Het leek onwaarschijnlijk dat dit de plek was waar ze naar zocht. De winkel die ze in gedachte had, moest op zijn minst een klein beetje speciaal zijn, een plek die een goede reputatie had, en waarbij mond-tot-mondreclame klanten van omliggende dorpjes aantrok. Toch moest Riley deze winkel controleren om er absoluut zeker van te zijn.

Riley liep naar de toonbank, waar een lange, oudere vrouw met dikke brillenglazen en vogelachtige trekjes bij de kassa stond.

“Ik ben Special Agent Riley Paige, FBI,” zei ze en ze voelde zich wederom naakt zonder haar penning. Tot nu toe waren de andere medewerkers bereid om zonder penning met haar te praten. Ze hoopte dat deze vrouw dat ook wilde doen.

Riley pakte vier foto’s en legde ze op de toonbank. “Ik vraag me af of u een van deze vrouwen hebt gezien,” zei ze en ze wees achtereenvolgens naar de foto’s. “U herinnert zich waarschijnlijk Margaret Geraty niet; ze zou hier twee jaar geleden moeten zijn geweest. Maar Eileen Rogers was hier ongeveer zes maanden geleden en Reba Frye zou hier zes weken geleden een pop gekocht hebben. Deze laatste vrouw, Cindy MacKinnon, zou hier eind vorige week zijn geweest.”

De vrouw tuurde goed naar de foto’s. “O, jeetje,” zei ze. “Mijn ogen zijn niet meer zo goed als dat ze waren. Laat me ze beter bekijken.”

Ze pakte een vergrootglas en bestudeerde de foto’s. Ondertussen zag Riley dat er nog iemand in de winkel was. Het was een nogal huiselijk uitziende man van gemiddelde lengte en bouw. Hij droeg een T-shirt en versleten jeans. Riley had hem net zo goed over het hoofd kunnen zien, ware het niet dat er één belangrijk detail was.

Hij had een bos rozen bij zich.

Die rozen waren echt, maar de combinatie van rozen en poppen kon op de obsessie van de moordenaar duiden.

De man keek niet naar haar. Hij had vast en zeker gehoord dat ze zich als FBI had aangekondigd. Vermeed hij oogcontact?

Op dat moment klonk de stem van de vrouw. “Ik denk niet dat ik een van hen gezien heb,” zei ze. “Maar zoals ik al zei, ik zie niet zo best meer. En ik ben nooit goed met gezichten geweest. Het spijt me dat ik u niet kan helpen.”

“Geen probleem,” zei Riley en ze stopte de foto’s in haar tas terug. “Bedankt voor uw tijd.”

Ze keek weer naar de man, die nu een schap dichtbij doorzocht. Haar hartslag versnelde. Het zou hem zeker kunnen zijn, dacht ze. Als hij een pop koopt, weet ik dat hij het is. Maar ze kon hier niet blijven staan en hem bekijken. Als hij schuldig was, zou hij zichzelf niet zomaar blootstellen. Hij kon haar ontglippen. Ze glimlachte naar de winkelierster en vertrok.

Buiten liep Riley een kort stukje de straat af en ging staan wachten. Al na een paar minuten ging de winkeldeur open en kwam de man naar buiten. Hij hield de rozen nog steeds in één hand vast. In de andere had hij een tas met nieuw gekochte spullen. Hij draaide zich om en begon te lopen, bij Riley vandaan.

Met lange stappen liep Riley achter hem aan. Ze schatte zijn omvang en bouw in. Ze was iets langer dan hem en waarschijnlijk een stuk sterker. Zij was waarschijnlijk beter getraind. Ze zou hem niet laten ontkomen.

Net toen hij langs een smal steegje liep, moest de man voetstappen achter hem gehoord hebben. Hij draaide zich plotseling om en staarde haar aan. Hij stapte opzij, alsof hij haar uit de weg ging.

Riley duwde hem het steegje in. Ze duwde hem hard en ruw. De steeg was smal, vies en schemerig.

Geschrokken liet de man de tas en de rozen vallen. De bloemen lagen verspreid over het trottoir. Hij hief zijn arm alsof hij haar wilde afweren.

Ze pakte die arm vast en draaide hem achter zijn rug, duwde hem met zijn gezicht tegen een stenen muur. “Ik ben Special Agent Riley Paige, FBI,” snauwde ze. “Waar hou je Cindy MacKinnon vast? Leeft ze nog?”

De man trilde van top tot teen. “Wie?” vroeg hij met trillende stem. “Ik weet niet wat u bedoelt.”

“Speel geen spelletjes met me,” snauwde Riley. Ze voelde zich naakter dan ooit zonder haar penning, en al helemaal zonder haar wapen. Hoe moest ze deze man aanhouden zonder een wapen te trekken? Ze was een eind bij Quantico vandaan en ze had geen partner om haar te helpen.

“Dame, ik weet niet waar dit allemaal over gaat,” zei de man en hij barstte in tranen uit.

“Waar zijn die rozen voor?” blafte Riley. “Voor wíé zijn ze?”

“Mijn dochter!” riep de man. “Morgen is haar eerste pianovoorstelling.”

Riley hield hem nog steeds aan zijn rechterarm vast. De linkerhand van de man zat plat tegen de muur aan. Plotseling zag Riley iets wat ze nog niet eerder had gezien.

De man droeg een trouwring. Ze was er zeker van dat de moordenaar niet getrouwd was.

“Pianovoorstelling?” zei ze.

“De studenten van mevrouw Tully,” riep hij. “U kunt het aan iedereen in deze stad vragen.”

Riley liet haar greep een beetje losser.

De man ging door: “Ik heb rozen voor haar gekocht om het te vieren. Voor wanneer ze haar buiging maakt. Ik heb ook een pop voor haar gekocht.”

Riley liet de arm van de man los en liep naar waar hij de tas had laten vallen. Ze raapte hem op en trok de inhoud eruit.

Het was inderdaad een pop; zo’n tienerpop die haar altijd beledigd en verontrust had, met volle lippen en overvloedige boezem helemaal sexy gemaakt. Maar hoe eng het ook was, het leek in niets op het soort pop dat ze bij Daggett gezien had. Die pop was van een klein meisje. De pop die ze op de foto van Cindy MacKinnon en haar nichtje gezien had ook: vol met ruches en gouden haren en in het roze gekleed.

Ze had de verkeerde. Ze snakte naar adem. “Het spijt me,” zei ze tegen de man. “Ik zat fout. Het spijt me zo enorm.”

Nog steeds trillend van de schrik en verwarring begon de man zijn rozen te verzamelen. Riley boog voorover om hem te helpen.

“Nee! Nee!” riep de man uit. “Niet helpen! Wegwezen! Ga... ga gewoon weg!”

Riley draaide zich om en liep het steegje uit, ze liet de arme man achter om de rozen en de pop voor zijn dochter op te rapen. Hoe kon ze dit laten gebeuren? Waarom ging ze zo ver? Hoe kon het dat ze de trouwring over het hoofd had gezien?

Het antwoord was simpel. Ze was uitgeput en ze had barstende hoofdpijn. Ze dacht niet meer helder na.

Terwijl ze verslagen op de stoep liep, viel haar de neonverlichting aan de gevel van een bar op. Ze wilde wat drinken. Ze had een drankje nodig. Ze liep de slecht verlichte zaak in en ging aan de bar zitten. De barkeeper was druk met een andere klant bezig. Riley vroeg zich af wat de man die ze net had lastiggevallen nu aan het doen was. Belde hij de politie? Stond ze op het punt om zelf gearresteerd te worden? Dat zou wel heel ironisch zijn.

Maar ze dacht dat de man waarschijnlijk de politie niet zou bellen. Uiteindelijk zou hij er moeite mee hebben om uit te leggen wat er gebeurd was. Hij kon zich zelfs schamen voor het feit dat hij door een vrouw was aangevallen.

Hoe dan ook, als hij de politie gebeld had en ze waren onderweg om haar op te pakken, dan zou het geen zin hebben om de benen te nemen. Als het nodig was, zou ze de gevolgen van haar acties onder ogen zien. En misschien had ze het wel verdiend om gearresteerd te worden. Ze dacht aan haar gesprek met Mike Nevins, hoe hij haar gevoelens van waardeloosheid onder de aandacht gebracht had.

Misschien is het wel terecht dat ik me waardeloos voel, dacht ze. Misschien was het beter geweest als Peterson me gewoon gedood had.

De barkeeper kwam naar haar toe. “Wat wilt u hebben, mevrouw?” vroeg hij.

“Een whisky met ijs,” zei Riley. “Maak er een dubbele van.”

“Komt eraan,” zei de barkeeper.

Ze herinnerde zichzelf eraan dat het niets voor haar was om tijdens het werk te drinken. Haar pijnlijke herstel van de posttraumatische stress werd gekenmerkt door vlagen van hevig drinken, maar ze had gedacht dat dat achter haar lag.

Ze nam een slokje. De sterkedrank voelde prettig aan.

Ze had nog één dorp te bezoeken en minstens één persoon te ondervragen. Maar ze had iets nodig om haar zenuwen te kalmeren. Nou, dacht ze met een bittere glimlach, ik ben tenminste niet officieel aan het werk.

Ze dronk snel haar drankje op en overtuigde zichzelf om er nog een te nemen. De speelgoedwinkel in het volgende dorp zou al snel sluiten en ze moest er meteen naartoe. De tijd raakte op voor Cindy MacKinnon, als het al niet voorbij was.

Toen ze de bar verliet, voelde Riley dat ze op het randje van de bekende afgrond liep. Ze dacht dat ze al die angst, pijn en zelfhaat ver achter zich had gelaten. Haalde het haar weer in?

Hoe lang, vroeg ze zich af, zou ze deze dodelijke aantrekkingskracht nog kunnen ontlopen?

Hoofdstuk 25

Rileys mobiel trilde de volgende ochtend vroeg. Ze zat bij haar salontafel de route op de kaart te bekijken die ze de vorige dag gevolgd had en plande een nieuwe route voor vandaag. Toen ze zag dat Bill haar belde, stonden haar zenuwen op scherp. Zou dit goed of slecht nieuws zijn?

“Bill, wat is er?”

Ze hoorde haar voormalig partner ongelukkig zuchten. “Riley, zit je?”

Rileys hart zonk. Ze was blij dat ze inderdaad zat. Ze wist nu dat de toon van Bills stem maar één vreselijk ding kon betekenen en haar spieren verslapten van angst.

“Ze hebben Cindy MacKinnon gevonden,” zei Bill.

“En ze is dood, zeker?” zei Riley met een snik.

Bill bleef even stil. Maar zijn zwijgen beantwoordde Rileys vraag. Riley voelde tranen opkomen, tranen van schrik en hulpeloosheid. Ze vocht ertegen, vastbesloten om niet te huilen. Waar hebben ze haar gevonden?” vroeg ze.

“Vrij ver ten westen van de andere slachtoffers, in het bos, bijna tegen de grens van West Virginia aan.”

Ze keek naar haar kaart. “Wat is de dichtstbijzijnde stad?” Hij vertelde het haar en ze vond de locatie. Die lag niet binnen de driehoek die de andere drie plekken waar de lichamen gevonden waren vormden. Maar toch moest er een of andere relatie met die locaties zijn. Ze kon er haar vinger niet op leggen wat het was.

Bill ging verder met het omschrijven van de ontdekking. “Hij heeft haar naast een klif op een open terrein neergelegd, geen bomen eromheen. Ik ben nu ter plaatse. Het is verschrikkelijk. Hij wordt brutaler, Riley.”

En hij handelt sneller, dacht Riley wanhopig. Hij hield zijn slachtoffer nog maar een paar dagen in leven.

“Dus Darrell Gumm is echt de verkeerde man,” zei Riley.

“Jij was de enige die dat gezegd heeft,” antwoordde Bill. “Je had gelijk.”

Riley had moeite om de situatie te begrijpen. “Dus Gumm is vrijgelaten?” vroeg ze.

Bill gromde geërgerd. “Zeker niet,” zei hij. “Er wordt hem belemmering ten laste gelegd. Hij heeft een hoop te verantwoorden. Niet dat het hem wat kan schelen. Maar we proberen zoveel mogelijk zijn naam uit het nieuws te houden. Die immorele lul verdient geen publiciteit.”

Er viel een stilte.

“Verdomme, Riley,” zei Bill toen, “als Walder nou maar naar je geluisterd had, misschien hadden we haar dan kunnen redden.”

Riley betwijfelde het. Niet dat ze zelf gedegen aanwijzingen had; maar misschien hadden ze met al die extra mankracht in die kostbare uren wat naar boven kunnen halen.

“Heb je foto’s?” vroeg ze. Haar hart bonkte.

“Ja, Riley, maar...”

“Ik weet dat je ze niet aan mij mag laten zien. Maar ik moet ze zien. Kun je ze naar me toe sturen?”

Na een stilte zei Bill: “Gedaan.”

Even later keek Riley naar een serie huiveringwekkende beelden op haar mobiel. De eerste was een close-up van het gezicht dat ze slechts een paar dagen geleden op een foto had gezien. Toen straalde de vrouw van liefde voor een gelukkig klein meisje en haar spiksplinternieuwe pop. Maar nu was het gezicht spierwit, de ogen open genaaid, een afschuwelijke glimlach op de lippen geverfd.

Terwijl ze nog meer foto’s bekeek, zag ze dat de presentatie gelijk was aan die van het lijk van Reba Frye. Alle details waren aanwezig. Het naakte lichaam was zorgvuldig gepositioneerd, stijf rechtop zittend als een pop. Tussen haar gespreide benen lag een neproos op de grond.

Dit was de echte handtekening van de moordenaar, zijn boodschap. Dit was het effect dat hij al die tijd wilde bereiken. Hij had met zijn slachtoffers nummer drie en vier meesterschap bereikt. Riley wist heel goed dat hij helemaal klaar was om weer toe te slaan.

Nadat ze de foto’s bekeken had, belde Riley Bill weer op. “Het spijt me,” zei ze, haar stem was van angst en verdriet gesmoord.

“Ja, mij ook,” zei hij. “Maar heb je een idee?”

Riley liet de beelden die ze net gezien had door haar hoofd gaan. “Ik neem aan dat de pruik en de roos hetzelfde zijn als bij de anderen,” zei ze. “Het lint ook.”

“Klopt. Ze zien er hetzelfde uit.”

Ze wachtte even. Welke aanwijzingen hoopte het team van Bill te vinden?

“Heb je het telefoontje vroeg genoeg gekregen om naar sporen en voetafdrukken te kunnen zoeken?” vroeg ze.

“De plek was dit keer vroeg beveiligd. Een boswachter heeft haar gevonden en hij heeft meteen het Bureau gebeld. Geen plaatselijke agenten die rond liepen te stampen. Maar we hebben niets bruikbaars gevonden. Deze man is voorzichtig.”

Riley dacht even hard na. De foto’s lieten een vrouw zien die in het gras zat, tegen de rotsen geleund. Vragen wervelden door haar hoofd. “Was het lichaam koud?” vroeg ze.

“Wel tegen de tijd dat wij er waren.”

“Hoe lang denk je dat het daar al was?”

Ze hoorde Bill door zijn aantekenboekje bladeren.

“Ik weet het niet zeker, maar ze is vlak na haar dood in deze houding neergezet. Afgaande op de verkleuring binnen een paar uur. We weten meer zodra de lijkschouwer klaar is.”

Riley voelde haar bekende ongeduld opkomen. Ze wilde een duidelijker beeld van de tijdspanne van de moordenaar. Ze vroeg: “Zou hij haar in deze houding neergezet kunnen hebben op de plek waar hij haar heeft vermoord, en haar pas naar daarheen gebracht hebben nadat de lijkstijfheid optrad?”

“Waarschijnlijk niet,” zei Bill. “Ik zie niets vreemds aan de houding. Ik denk niet dat ze al stijf was voordat hij haar hierheen bracht. Waarom? Denk je dat hij haar hierheen gebracht heeft en daarna gedood?”

Riley sloot haar ogen en dacht hard na. Toen zei ze: “Nee.”

“Weet je het zeker?”

“Hij heeft haar gedood waar hij haar vasthield en haar daarna naar die plek gebracht. Hij zou haar daar niet levend naartoe brengen. Hij zou niet met een mens in zijn auto of op die plek willen worstelen.”

Met haar ogen nog steeds gesloten reikte Riley diep binnen in haar om een gevoel van het brein van de moordenaar te krijgen. “Hij zou alleen maar de materialen willen meenemen om zijn boodschap over te brengen,” zei ze. “Zodra ze dood was, was ze materiaal voor hem. Als een kunstwerk, geen vrouw meer. Dus doodde hij haar, spoelde haar af, droogde haar, bereidde het lichaam voor zoals hij het precies wilde, helemaal bedekt met vaseline.”

Het plaatje begon zich tot in levendig detail in haar verbeelding af te spelen.

“Hij heeft haar naar de locatie gebracht toen de lijkstijfheid begon op te komen,” zei ze. “Hij heeft het perfect getimed. Nadat hij de andere drie vrouwen vermoord heeft, begreep hij exact hoe dat zou werken. Hij heeft het begin van lijkstijfheid als onderdeel van zijn creatief proces gebruikt. Terwijl ze stijver werd heeft hij haar in die houding gezet, beetje bij beetje. Hij heeft haar als klei gekneed.”

Het was moeilijk voor Riley om te zeggen wat er nu in haar hoofd gebeurde. Of in het hoofd van de moordenaar. De woorden kwamen er moeizaam en pijnlijk uit. “Tegen de tijd dat hij klaar was om de rest van haar lichaam te vormen, rustte haar kin nog op haar borst. Hij voelde aan de spieren van haar schouders en nek, voelde de precieze staat van resterende soepelheid en hij tilde het hoofd op. Hij hield het zo totdat het verstijfd was. Dat kon twee of drie minuten duren. Hij was geduldig. Toen stapte hij naar achteren om van zijn werk te genieten.”

“Jezus,” mompelde Bill met een gedempte, geschokte stem. “Je bent goed.”

Riley zuchtte bitter en gaf geen antwoord. Ze dacht niet dat ze goed was; niet meer. Het enige waar ze goed in was, was om een zieke geest binnen te dringen. Wat zei dat over haar? Wat had iemand daar nu aan? Het had Cindy MacKinnon in elk geval niet geholpen.

Bill vroeg: “Hoe ver weg denk je dat hij de slachtoffers vasthoudt terwijl ze nog leven?”

Riley deed wat vlotte rekensommetjes in haar hoofd en visualiseerde een kaart van het gebied in haar hoofd. “Niet erg ver van waar hij haar neergelegd heeft,” zei ze. “Waarschijnlijk niet verder dan twee uur.”

“Dat is nog steeds een erg groot gebied.”

Rileys energie ebde met iedere seconde verder weg. Bill had gelijk. Ze zei niets dat van hulp kon zijn.

“Riley, we hebben je weer op deze zaak nodig,” zei Bill.

Riley kreunde ingehouden. “Ik weet zeker dat Walder daar niet zo over denkt,” zei ze.

Ik denk het ook niet, dacht ze.

“Nou, Walder heeft het mis,” zei Bill. “En ik ga hem vertellen dat hij het mis heeft. Ik ga je terughalen op deze zaak.”

Riley liet Bills woorden even bezinken. “Het is een te groot risico voor je,” zei ze toen. “Walder kan jou ook ontslaan als je te veel problemen veroorzaakt.”

Bill stotterde: “Maar... maar Riley...”

“Geen gemaar, Bill. Als jij ontslagen wordt, dan wordt deze zaak nooit opgelost.”

Bill zuchtte. Zijn stem klonk vermoeid en gelaten. “Oké,” zei hij. “Maar heb je überhaupt ideeën?”

Riley dacht even na. De afgrond waar ze de laatste paar dagen in had gekeken, werd wijder en dieper. Ze voelde het weinige wat er van haar voornemen over was door haar vingers wegglippen. Ze had gefaald en er was een vrouw dood.

Maar er was misschien nog één ding dat ze kon doen.

“Ik heb een paar ideetjes,” zei ze. “Ik laat het je weten.”

Toen ze het gesprek beëindigd hadden, rook Riley de geur van koffie en gebakken bacon uit de keuken komen. April was daar. Ze was ontbijt aan het maken nadat Riley uit bed was gekomen.

Zelfs zonder dat ze het had hoeven vragen! dacht Riley.

Misschien waardeerde ze Riley meer, een beetje tenminste, doordat ze nu veel tijd met haar vader doorbracht. April was nooit graag bij haar vader. Wat de reden ook was, Riley was dankbaar voor zelfs het kleinste beetje troost op een ochtend als deze.

Ze zat na te denken over haar volgende stap. Ze was van plan geweest om vandaag naar het westen te rijden, via de nieuwe route die ze bepaald had. Maar ze voelde zich verslagen, totaal van slag door deze vreselijke ontwikkelingen. De vorige dag was ze niet op haar best geweest, en dat drankje in Glendive had haar de das omgedaan. Vandaag kon ze dat niet nog eens doen, niet in haar huidige gemoedstoestand. Ze zou zeker fouten maken. En er waren al te veel fouten gemaakt.

Maar de locatie van de winkel was nog steeds belangrijk, misschien belangrijker dan ooit. De moordenaar zou zijn volgende slachtoffer daar uitzoeken, als hij dat niet al gedaan had. Riley ging achter haar computer zitten en type een e-mail naar Bill, die ze samen met een kopie van haar kaart verstuurde.

Ze legde aan Bill uit welke dorpjes en welke winkels er bekeken moesten worden. Bill zelf zou zich waarschijnlijk moeten blijven focussen op het vinden van het huis van de moordenaar, schreef ze. Maar misschien kon hij Walder overhalen om iemand anders naar Rileys route te sturen; zolang Walder er maar niet achter kwam dat het háár idee was.

Ze zat maar naar de kaart te staren. Langzaamaan begon ze een patroon te zien dat haar nog niet eerder opgevallen was. Het was niet dat de locaties aan elkaar gerelateerd waren, maar dat ze als een waaier verspreid lagen in de richting van een ander punt op haar kaart: het gebied omringd door de adressen van de vier vrouwen. Terwijl ze het patroon bestudeerde, werd ze er steeds zekerder van dat de keuze van slachtoffers op een specifieke plek gericht was waar ze allemaal naartoe waren gegaan, een specifieke poppenwinkel. En waar de moordenaar zijn slachtoffers ook naartoe bracht, het was waarschijnlijk niet ver van de plek waar hij hen voor het laatst gezien had.

Maar waarom had zij de winkel niet kunnen vinden? Benaderde ze het verkeerd? Was ze zo met een enkel idee bezig dat ze andere aanknopingspunten niet zag? Verbeeldde ze zich gewoon een patroon dat haar op een compleet dwaalspoor leidde?

Riley maakte een scan van haar kaart en stuurde die samen met haar aantekeningen naar Bill.

“Ontbijt is klaar, mam.”

Toen ze bij haar dochter ging zitten, vocht Riley weer tegen haar tranen. “Dank je,” zei ze. Ze begon stilletjes te eten.

“Mam, wat is er?” vroeg April

Riley was verrast over de vraag. Hoorde ze bezorgdheid in de stem van haar dochter? Het meisje was meestal nog steeds behoorlijk gesloten bij Riley, maar ze was tenminste al een paar dagen niet openlijk onbeleefd geweest.

“Er is niets,” zei Riley.

“Dat is niet waar,” zei April.

Riley zweeg ten antwoord. Ze wilde April niet in de afschuwelijke realiteit van de zaak meeslepen. Haar dochter had al problemen genoeg.

“Was dat Bill aan de telefoon?” vroeg April.

Riley knikte stilletjes.

“Waar belde hij voor?” vroeg April.

“Ik kan er niet over praten.”

Er viel een lange stilte tussen hen. Ze bleven allebei eten.

Uiteindelijk zei April: “Je blijft proberen dat ik tegen je ga praten. Dat werkt twee kanten op, weet je. Je praat nooit met mij, niet echt. Praat je ooit wel nog eens tegen íémand?”

Riley stopte met eten en onderdrukte een snik die in haar keel omhoogkwam. Het was een goede vraag. En het antwoord was nee. Ze praatte met helemaal niemand, niet meer. Maar ze kon zichzelf niet zover brengen om dat te zeggen.

Ze herinnerde zichzelf eraan dat het zaterdag was. Ze hoefde April niet naar school te brengen en ze had geen plannen gemaakt om April naar haar vader te brengen. En hoewel Riley niet naar het westen ging om naar aanwijzingen te zoeken, was er wel iets wat ze moest doen.

“April, ik moet ergens naartoe,” zei ze. “Is het goed als je hier alleen blijft?”

“Natuurlijk,” zei April. Toen vroeg ze met een oprechte verdrietige stem: “Mam, kun je me in elk geval vertellen waar je naartoe gaat?”

“Ik ga naar een begrafenis.”

Metin, ses formatı mevcut