Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.
Kitabı oku: «De nijlbruid», sayfa 37
ELFDE HOOFDSTUK
Het was in de stadhouderlijke woning een ontzettende nacht. Vrouw Martina vroeg zich af welke zonde zij begaan had, dat zij juist uitverkoren was, getuige van zulk een ongeluk te zijn. En wat werd er nu van hare huwelijksplannen? Eene verhuizing in deze ontzettende hitte was zeker eene ware beproeving; maar zij had eenige malen uit het eene verblijf naar het andere willen trekken en zich als een bal heen en weer willen laten werpen, als zij daardoor haren lieven »grooten Sesostris” uit dit verschrikkelijk gevaar had kunnen redden. Dit alles was zeker het gevolg van die onzinnige, dolle geschiedenis met de nonnen. En deze Arabieren! Zij namen maar wat hun behaagde, en waren waarlijk in staat den zoon van den grooten Mukaukas uit te plunderen en tot een bedelaar te maken. Eene fraaie geschiedenis! Nu Heliodora had voor beiden genoeg, en zij en haar man behoefden haar in hun testament niet te vergeten. Doch hier was misschien sprake van geheel andere dingen: van leven of dood.
Bij deze gedachte voer eene rilling haar door de leden en hare vrees zweefde niet in de lucht. De zwarte Arabier, die tot haar gekomen was, om met haar te onderhandelen en haar ten slotte toe te staan tot morgen in de stadhouderlijke woning te blijven, had haar dit juist door den tolk doen weten. Een ongehoord, afgrijselijk onheil, waarvoor geen naam was te vinden! En zij daar midden in, gedwongen alles mede te beleven! En haar man, haar arme Justinus. Hoe moest hem dit alles ter harte gaan! Hare oogen werden niet droog, en voor zij insliep bad zij recht vurig, dat hare heilige en de goede moeder Gods dit alles tot een verblijdend einde mochten brengen. Met de gedachte: »Welk een ongeluk!” sloot zij de oogen en in den vroegen morgen ontwaakte zij daarmee weder.
Toch was het ontzettendste, wat er in dezen noodlottigen nacht had plaats gehad, niet tot hare ooren doorgedrongen. Eene schare Arabische krijgslieden was bij het aanbreken van den nacht te voet, te paard en in booten den Nijl overgestoken, en had, onder aanvoering van den Wekil Obada, het stadhouderlijk paleis omsingeld. Nadat het stellig gebleken was, dat Orion zich inderdaad op reis bevond, werd de rentmeester Nilus gevangen genomen. Vervolgens hadden de zwarten in last de weduwe van den Mukaukas van het gebeurde te onderrichten en haar aan te zeggen, dat zij reeds morgen het huis moest verlaten. Dit moest geschieden, omdat de Wekil met het eerwaardig verblijf van het oudste geslacht in den lande iets zeer bijzonders in den zin had.
Vrouw Neforis was nog wakker en hield zich in de fonteinzaal op, toen de tolk, als voorlooper van Obada, zich bij haar liet aandienen. Hij vond haar een weinig onthutst, want ofschoon zij niet meer in staat was regelmatig te denken, en haar de invallende gedachten als bliksemschichten door de hersens schoten, als zij haar geest moest inspannen, zoo had zij toch bemerkt, dat er iets bijzonders in hare woning plaats had. Maar zoowel de huismeester Sebek als hare kamenier hadden hare vragen ontweken en daarop in zooverre geantwoord, dat naar zij zeiden de plaatsvervanger van Amr gekomen was, om met den jongen heer te spreken. Het scheen eene belangrijke zaak te gelden, misschien eene valsche aanklacht.
Orion, zoo berichtte de hermeneut, was aangeklaagd van eene onderneming op het getouw te hebben gezet, die aan twaalf Arabische krijgers het leven had gekost, en reeds de aanval op een enkelen muzelman van de zijde eens Egyptenaars werd, gelijk zij wist, met den dood en de verbeurdverklaring van het vermogen gestraft. Verder was haar zoon van roof aangeklaagd. Aan het einde van zijne mededeeling, die vrouw Neforis met strakke blikken, verbaasd en ten laatste als verpletterd had aangehoord, vroeg de tolk gehoor voor den Wekil.
»Nog niet dadelijk, nog eenige oogenblikken,” luidde het met moeite uitgebracht antwoord van de weduwe, want zij moest zich eerst door het genot van haar arcanum versterken. Zoodra dit gebeurd was, toonde zij zich bereid Obada te ontvangen.
De zwarte vijand van haar zoon wenschte voor haar te verschijnen als een mild en grootmoedig man, en deelde haar met vleiende onderdanigheid mede, terwijl hij telkens zijne tanden liet glinsteren, dat zij in den loop van den volgenden dag het huis verlaten moest, waarin zij den langsten en gelukkigsten tijd haars levens doorgebracht had. Op zijne verklaring, dat haar eigen vermogen niet aangetast zou worden, en het haar vrijstond te Memphis te blijven of haar huis te Alexandrië te betrekken, antwoordde zij gelaten, dat dit wel terecht zou komen. Daarop vroeg zij, of de Arabieren haar zoon reeds in handen hadden?
»Dat juist niet,” antwoordde de Wekil, »doch wij weten waar hij schuilt, en morgen of overmorgen hebben wij den beklagenswaardigen jongeling in onze macht.”
Bij de laatste woorden bemerkte de weduwe een glans van vergenoegen in de oogen van den zwarte, die tot dusver getracht had zich medelijdend te toonen, en met een zacht hoofdknikken ging zij voort: »Dus is het hier een vraag van leven en dood?”
»Blijf bedaard, edele vrouw,” luidde het antwoord, »alleen van den dood.”
Zij sloeg den blik ten hemel, bleef eenige oogenblikken in die houding zitten, en vroeg dan verder: »En wie heeft hem van roof beschuldigd?”
»Het hoofd zijner eigen kerk…”
»Benjamin,” prevelde zij binnensmonds, en haar mond vertrok zich tot een eigenaardig lachje. Zij had gisteren haar testament opgesteld ten gunste van den patriarch en de kerk. »Wanneer Benjamin het gelezen heeft,” had zij tot zichzelve gezegd: »verandert hij misschien van gezindheid jegens u en de uwen, en laat hij ijverig voor ons bidden.”
Daar zij verder niets zeide, zag de Wekil haar vragend en met eenige verlegenheid aan, tot zij eindelijk opstond en niet zonder waardigheid afscheid van hem nam met de opmerking, dat de zaken hiermede afgehandeld waren en zij verder niets met hem te bespreken had.
Hiermede was dit onderhoud afgeloopen, en toen de Wekil de fonteinzaal verlaten had, mompelde hij bij zichzelven: »Welk eene vrouw! Zij is of van demonen bezeten en niet wel bij het hoofd, of eene buitengewone heldin!”
Vrouw Neforis liet zich naar haar slaapkamer brengen, en nadat zij zich te bed gelegd had, beval zij de kamenier zeker kastje uit hare kist te nemen en het op het artsenijtafeltje aan het hoofdeinde van haar legerstede te plaatsen. Toen zij alleen was haalde zij de beide brieven, die de Mukaukas Georg haar als bruidegom geschreven had, en een gedicht, dat Orion eens aan haar gericht had, daaruit te voorschijn en beproefde ze te lezen. Doch het schemerde haar voor de oogen, zoodat zij de bladen weer moest wegleggen. Daarop nam zij een pakje ter hand, dat de lokken bevatte, die zij van de verstijfde hoofden harer gestorven zonen en haars gemaals had gesneden. Met dweepachtige teederheid beschouwde zij deze dierbare voorwerpen, en nu begon het opium zijn uitwerking te doen. Met tastbare duidelijkheid traden de beeltenissen van de afgestorvenen voor hare verbeelding, en zij ging met hen om als stonden zij in vollen levenskracht aan haar bed. Met de lokken in de hand sloeg zij daarna den blik omhoog, en trachtte zich voor den geest te brengen wat heden had plaats gehad en wat haar wachtte. Zij moest dit vertrek, deze breede legerstede, dit huis, kortom alles verlaten, waaraan de dierbaarste herinneringen verbonden waren van hen, die zij zoo liefhad. Men wilde haar daartoe dwingen – maar voegde het haar zich te onderwerpen aan den wil van dien zwarte, dien vreemdeling, hier waar zij te gebieden had? Met een minachtend lachje schudde zij het hoofd en opende een glazen fleschje, hetwelk nog voor de helft met opiumpilletjes gevuld was, nam eenigen op den tong en sloeg den blik weer naar boven. Daar deed zich een nieuw visioen voor hare verbeelding op; zij zag hem, van wien ook de dood haar niet had kunnen scheiden, en hare gestorven zonen aan zijne voeten. En nu steeg Orion uit de wolken op, gelijk een duiker uit de golven van den stroom, en sprong op den oever van het eiland, waar haar gemaal stond met de jongelingen. Zijn vader opende voor hem de armen en drukte hem aan zijn hart, en zijzelve, of althans haar schim, voegde zich bij de anderen, en ieder ging haar teeder te gemoet, en ten laatste ook haar gemaal, aan wiens borst zij bleef rusten. Was zij reeds geruimen tijd en lang voor de Arabieren haar overvielen, half bewusteloos en als beneveld geweest, thans gevoelde zij eene aangename, de leden verlammende slaperigheid, waaraan zij zich geheel en al verlangde over te geven. Doch nauwelijks had zij de oogleden gesloten of de gedachte vloog haar weer door het hoofd aan hetgeen haar wachtte, en met inspanning van al haar wilskracht richtte zij zich op, nam het water dat steeds op het tafeltje bij haar stond, ten einde de rest van de pilletjes uit het fleschje er in te werpen en den beker tot den bodem te ledigen.
Bij dit alles was hare hand rustig gebleven, en uit het tevreden lachje om haar mond en den verlangenden blik van haar oog had men kunnen opmaken, dat zij dorst gevoelde en zich een smakelijke drank gereed maakte. Zij zag er allerminst uit als iemand, die in wanhoop de hand aan zichzelve slaat, en zij gevoelde ook geen berouw, geen doodsangst, geen drukkende last van een schuld, die zij op zich nam, maar eene zoete vermoeidheid en hoop, zalige hoop op een leven zonder einde, vereend met hare dierbaren. Maar nauwelijks had zij den doodelijken dronk genoten, of eene ijskoude rilling ging door hare leden, half opgericht riep zij de kamenier, die in het aangrenzend vertrek waakte, en toen deze haar angstig in de strakke oogen zag, stamelde zij tot haar: »Een priester, haastig – ik wil sterven!”
De dienares liep naar buiten en riep in het viridarium den huismeester Sebek toe, die met den Wekil voor het tablinum stond, wat er gebeurd was, en de zwarte stond hem toe aan het verlangen van zijne stervende meesteres te voldoen en bracht hem zelf tot aan de voorpoort. Pas buiten gekomen ontmoette de huismeester een diaconus, die zooeven aan een pestzieke den zegen der kerk gebracht had, en eenige oogenblikken later stonden zij aan de legerstede van de weduwe. Naast haar lagen de lokken harer zonen, hare handen waren saamgevouwen rondom een crucifix; doch hare oogen, die lang gestaard hadden op het aangezicht van den Verlosser, waren thans weder met een glans van zaligheid naar boven geslagen.
De priester riep haar bij den naam, doch zij vergiste zich in zijn persoon; zij hield hem voor haar zoon en stamelde hem liefderijk toe: »Orion, arm, arm kind! En gij, Maria, mijn hartje, mijn lieve kleine schatje! Vader – ja, lieve jongen – vader, kom maar; hij is weder goed en vergeeft u… Allen die ik heb liefgehad zijn weder bijeen, en niemand – wie kan ons nog scheiden? Weet gij, man? Hoor, Georg! – ”
De priester deed wat zijn ambt van hem vorderde, maar zij bleef in de hoogte staren, zonder hem op te merken, en hare lachende lippen bewogen zich daarbij onophoudelijk, hoewel het haar niet meer gelukte duidelijke geluiden voort te brengen. Eindelijk kwamen zij tot rust, de oogappels verdwenen achter de oogleden, de handen lieten het crucifix los, zacht beefden hare leden, waarna zij zich uitstrekte en haar mond opende, als om nog eens diep adem te halen. Maar hij sloot zich niet weder, en toen de trouwe huismeester de lippen tot elkaar bracht was haar gelaat reeds verstijfd en had haar hart opgehouden te slaan. – De trouwe man snikte luide, en toen hij de treurmare aan den Wekil overbracht, stiet deze een vloek uit en riep den onderbevelhebber, die naast hem stond toe te zien, terwijl men eenige kameelen belaadde met de schatten van het tablinum, spijtig toe: »Ik wilde die gekke, oude vrouw grootmoedig ontzien, en nu speelt zij mij deze poets, want die in Medina leggen mij haar dood ook nog ten laste als niet…”
Hier hield hij plotseling op, en terwijl hij zich weder tot de kameelen en hun last keerde dacht hij: »Bij zulk een hoog spel komt het op een paar goudstukken meer of minder niet aan. Er moeten nog eenige koppen van den romp – die van den schoonen Egyptenaar voor allen. – Als de saamgezworenen in Medina hun plicht maar doen! De ondergang van Omar brengt ook Amr ten val, en daarmede komt alles terecht!”
TWAALFDE HOOFDSTUK
Katharina had weinig geslapen en was volgens hare gewoonte zeer vroeg opgestaan, terwijl Heliodora de morgenuren gaarne versliep. Deze waren in zulk een gloeiend heeten tijd zeker de schoonste van den dag, en het kwikstaartje had ze vroeger vroolijk genoten. Maar hoewel eene groote Indische bloem in den afgeloopen nacht voor de eerste maal was opengegaan, en de tuinopzichter haar deze met zekeren trots toonde, kon zij er toch geen behagen in scheppen. De bloem mocht verdorren en met haar de geheele wereld!
In ’s buurmans tuin was nog geen beweging. Doch daar kwam de lange arts Philippus op de straat aanloopen, om de vrouwen hiernaast te bezoeken. Met enkele groote stappen ijlde zij naar de poort en riep hem aan. Zij wilde hem verzoeken over de ontmoeting van gisteren te zwijgen, doch hij bleef terstond staan en deelde haar mede, voor zij nog tijd had gevonden hem haar wensch te openbaren, dat de weduwe van den Mukaukas in dezen nacht, door schrik en ontzetting overmand haar gemaal gevolgd was.
Er was een tijd geweest, waarin het kwikstaartje aan vrouw Neforis als aan eene tweede moeder gehecht was, waarin het stadhouderlijk paleis in haar oog het kort begrip was geweest van al wat groot, eerwaardig en voornaam was; waarin zij er trotsch op was geweest en er zich gelukkig in had gevoeld, daar in en uit te mogen gaan; daar als een kind des huizes bemind te worden. De tranen, die bij dit bericht in hare oogen welden, waren dus niet geveinsd, en het was haar goed die vroolijke, trotsche en gelukkige houding te verlaten, die zij als een masker had aangenomen, sedert het er in hare ziel zoo duister, woest en ellendig uitzag.
De arts begreep hare droefheid, beloofde haar gaarne tegen ieder te zullen zwijgen, berispte haar niet, bracht haar echter nogmaals het gevaar onder de oogen, waaraan zij zich had blootgesteld, en herinnerde haar met nadruk, dat elk kleedingstuk, hetwelk zij en Heliodora gisteren gedragen hadden, moest worden weggedaan, daar de fijne aanstekelijke stofdeeltjes aan alles bleven hangen, en ieder kleedingstuk, dat een kranke had aangeraakt, zeer best in staat was om het pestgif op anderen over te dragen en verder te verbreiden. Angstig hoorde zij hem aan en zij kon hem gerust stellen, want alles wat zij en de jonge vrouw gisteren gedragen hadden, was in den badoven gestopt. De arts ging hierop verder, maar zij sloeg geen acht op de hitte en wandelde rusteloos rond in de paden van den tuin. Haar hart klopte met kleine, snelle, pijnigende slagen; een onzichtbare last drukte en verhinderde haar vrij adem te halen. Daarbij steeg er eene reeks kwellende gedachten ongeroepen bij haar op, die zich niet lieten onderdrukken en hare beklemdheid vermeerderden.
Vrouw Neforis dood, de stadhouderlijke woning in handen der Arabieren. Orion van al zijne goederen beroofd en aangeklaagd op leven of dood! En dat vreedzame huis daar achter de heg! Wat stond het te wachten, en zijn zilverharigen heer en diens onschuldige vrouw en dochter? Er pakte zich boven hunne hoofden een onweder samen, zij zag het naderen, en daarachter als eene nieuwe, donkere met den dood dreigende wolk de pest, de vreeselijke pest! – En al die schrikkelijke dingen had zij, zij, het kleine, zwakke meisje, het vlugge kwikstaartje te voorschijn geroepen; zij was het geweest, die de sluizen had geopend, waaruit thans het verderf links en rechts van haar zich uitstortte. Zij zag den vloed wassen en stijgen, zag dien reeds haar eigen huis, haar eigen voet begeerig omspoelen, en zij werd zoo bevreesd, dat de gedachte hieraan alleen haar het zweet op voorhoofd en handen deed uitbreken; en toch, toch! Al had zij werkelijk de macht gehad, om het onweder in zijne wolken, de vloed binnen zijne bedding terug te dringen, zij zou het toch niet gedaan hebben. Het laatste wat zij wenschte, wat zij als vrucht van het door haar gezaaide begeerde te zien opschieten en zich ontwikkelen, was nog niet gekomen. Om dat te beleven was het waard veel te dulden, ja als het zijn moest deze valsche, heete aarde vaarwel te zeggen, die alle aantrekkelijkheid voor haar verloren had.
Boven Orions hoofd hing het zwaard, en vóor het hem trof zou hij weten, wie het voor hem geslepen had. Misschien bracht hij er het leven af, maar de Arabier gaf niet terug wat hij eens bezat, en moest werkelijk de jonge, schitterende Kroisos als bedelaar uit de gevangenis in het leven terugkeeren, dan, dan… Maar Paula! Maar Heliodora! Hare kleine hand had aan den adelaar van Zeus nu eenmaal den bundel bliksemstralen ontwrongen, – dan vond zij ook voor deze een schicht! Het gevoel harer geweldige macht, die reeds het eene offer na het andere had doen vallen, bedwelmde haar. Zij wilde Orion, wilde hem die haar bedrogen had, in het verderf gestort en aan ellende prijs gegeven, als bedelaar aan hare voeten zien, en dat was het wat haar den moed gaf, om ook het uiterste te wagen; dat, en dat alleen! En wat haar dan zou lusten te doen, dat wilde zij zelve nog niet weten, dat lag in den schoot der toekomst verborgen, dat kon misschien teeder, barmhartig en liefderijk uitvallen.
Toen zij in huis terugkeerde waren angst en beklemming van haar geweken; een nieuwe lust om te handelen vervulde hare ziel, en de kleine luistervink en belaagster was in deze uren eene vreeselijke vrouw geworden die voor geene misdaad terug zou deinzen en zich volkomen bewust was van het doel, dat zij bereiken wilde.
»Arm schaapje!” dacht de arts Philippus, toen hij den tuin van Rufinus inliep, »de ongelukkige zal ook haar kleine hartje leed genoeg hebben gedaan!”
De tuin van zijn ouden vriend was ledig. Alleen onder de sykomore zaten twee menschen, de reuzengestalte van een jonkman en een schoone, teedere, wat bleeke, blondharige vrouw. De groote jonkman hield een breede streng wol met de kolossale handen uit elkander en het meisje naast hem wond den draad tot een kluwen. Het was de Masdakiet Rustem en de schoone Mandane; beiden waren van hunne wonden hersteld, terwijl de Perzische tot een nieuw, kalm, zelfbewust leven was ontwaakt.
Philippus had deze wonderbare herstelling met groote belangstelling en deelneming gevolgd. Hij schreef haar allereerst toe aan de sterke hoofdbloeding, vervolgens aan de goede lucht en de verpleging, die zij genoten had. Het kwam er nu op aan haar ook verder voor onrust en hevige gemoedsaandoeningen te bewaren. In den Masdakiet had zij een vriend en gehoorzamen vereerder gevonden, en Philippus verheugde zich in den aanblik van deze twee, met wie zijne kunst geen schande had ingelegd. De groet, die hij beiden toeriep, klonk vroolijk en hartelijk, en op Philippus’ »hoe gaat het?” antwoordde de Masdakiet blijmoedig: »Als een visch in het water!” en vervolgde, terwijl hij daarbij op Mandane wees: »Mijne landgenoote evenzoo.”
»Zijt gij het daarmee eens?” vroeg Philippus, en zij stemde toe met een levendig hoofdknikken.
Philippus stak dreigend zijn vinger tegen den Pers op en zeide: »Wikkel u hier niet vast, vriend! Wie weet hoe spoedig heer Haschim u vanhier roept!”
Terwijl hij het herstelde paar vervolgens den rug toekeerde, prevelde hij in zichzelven: »Toch altijd nog iets verkwikkends bij al de ellende, zij en de kleine Maria!”
Voor zijn vertrek had Rufinus de vergroeide kinderen, die hij bij zich had opgenomen, naar hunne ouders teruggezonden, en de arts vond dus niemand in de voorzaal. Waarschijnlijk waren de vrouwen aan het ontbijt in de spijszaal. Doch hij bedroog zich, want dit zou eerst later beginnen en Pulcheria was nog bezig met de tafel gereed te maken. Zij merkte hem, die binnentrad niet op, terwijl zij druiven en granaatappelen, vijgen en vruchten, die in bundels uit den stam der sykomoren ontspruiten en in smaak op moerbeziën gelijken, zorgvuldig schikte tusschen bladeren, die door den gloed der laatste weken half geel waren geworden. Het aardige bouwsel rondde zich reeds tot een sierlijken kegel in vele geledingen. Doch hare gedachten waren niet bij dezen arbeid, want herhaaldelijk biggelden haar tranen langs de wangen.
»Die gelden haar vader,” dacht Philippus, terwijl hij in de deur staande haar beschouwde. »Arm kind!” Hoe vaak had hij zijn vriend haar dus hooren noemen! En voor hem was zij tot nu toe ook een kind geweest. Heden moest hij haar echter met andere oogen aanzien, omdat haar eigen vader het aldus had gewild; ook stond hij werkelijk voor haar als voor een wonder. Wat was er uit die kleine Pul geworden? En waarom merkte hij dit eerst heden op? Eene schoone, volwassene jonkvrouw roerde daar voor hem de sneeuwwitte armen, en kort geleden zou hij hebben gezworen, dat zij nooit andere dan dunne kinderarmpjes had gehad, die zij hem zoo vaak om den hals had geslagen, wanneer zij op hem, haar »edelen ruiter”, in den tuin op en neder had gereden. Hoe lang was dat geleden? Tien jaren! Zij telden nu zeventien! En hoe teeder, slank en blank waren die handen geworden, waarover de moeder haar zoo vaak berispt had, als zij zandhuisjes had gebouwd en terstond daarop aan tafel was gaan zitten.
Nu legde zij een druiventros in sierlijke winding rondom eenige granaatappels, en daarbij bedacht hij, hoe zijn oude vriend gisteren hare huishoudelijkheid had geroemd. De gordijnen voor de vensters waren gesloten, toch vonden enkele zonnestralen den weg in het vertrek en vielen op hare goudblonde haren. Zulk een heerlijk gekleurde haartooi hadden zelfs de blonde Boeotische meisjes niet gehad, die hij als student van Athene uit in haar vaderland had bewonderd. Dat zij een aardig, lief gezichtje had, wist hij sedert lang; doch toen zij de oogen opsloeg, hem opmerkte en haar blik zoo maagdelijk schuchter, zoo aangenaam verrast en tevens zoo vriendelijk de zijne ontmoette, gevoelde hij dat hij eene kleur kreeg, en hij moest eerst eenige oogenblikken tot bezinning komen, eer hij haar groet met iets beters dan een gewonen wedergroet kon beantwoorden. En met welken veelbeteekenenden volzin begon hij zijne toespraak, waarop hij zich in deze pauze bedacht had?
»Ja, daar ben ik,” luidde het woordelijk. Waarlijk dit verdiende niet het hartelijk antwoord: »Goddank dat gij komt!”, en de met zulk een bevallige verlegenheid erbij gevoegde verklaring: »Al ware het enkel om moeders wil!”
Daar kleurde hij andermaal, de man, die van jeugdige bedeesdheid sedert lang niet meer wist, en vroeg naar den welstand van vrouw Johanna en hoe zij haar leed droeg, en zeide eindelijk ernstig: »Wat booze tijdingen bracht ik u gisteren, en heden kom ik weder als een ongeluksraaf in huis fladderen.”
»Gij?” vroeg zij vriendelijk, en in dit enkele woord lag zulk een lieftallige twijfel aan zijne bedoeling, om iets kwaad te brengen, dat hij erkennen moest, zijn vriend hem in dit kind, in deze jonkvrouw het beste had nagelaten wat de eene sterveling den ander vermaken kan: eene dierbare, trouwhartige, onschuldige dochter, neen, een zuster, zoo rein, zoo aanminnig en beminnenswaardig, als alleen het kind van zulke ouders zijn kon. En terwijl hij haar vervolgens vertelde, wat er in de stadhouderlijke woning gebeurd was en bemerkte hoe zeer haar om Paula’s en Maria’s wil de dood van de weduwe ter harte ging, die haar overigens vreemd was, besloot hij Pulcherias moeder zoo spoedig mogelijk met den wensch van haar overleden echtgenoot bekend te maken.
Doch dit alles stelde de vroegere gevoelens voor Paula in geenen deele in den schaduw, neen, zij kwelden hem heden meer dan ooit en brandden hem op het hart; maar hij erkende daarbij, dat zij hem ongelukkig maakten, dat hijzelf zich daarmede schade berokkende en beleedigde, daar zij niet beantwoord werden. Hij wist, dat hij in de nabijheid van de Damasceensche, veroordeeld om met haar samen te leven, nooit tot rust zou komen en leed op leed te verduren zou hebben. Alleen ver van haar en onder éen dak met Johanna en hare dochter kon het hem gegeven zijn een tevredener, gelukkiger mensch te worden. Toch waagde hij nog niet deze gedachte onder woorden te brengen.
Pulcheria bemerkte, dat hij iets voor haar verzweeg en vreesde dat hem opnieuw iets bekend was geworden, dat haar bedreigde, doch deze bezorgdheid kon hij wegnemen door te verzekeren, dat hij veeleer iets in het schild voerde, dat hem althans verblijdend toescheen. Maar haar bekommerd en zeer beangstigd gemoed kon daaraan nauwelijks gelooven en daarom smeekte hij haar de hoop op beter dagen niet te laten varen en vroeg haar, of zij goed en vast vertrouwen in hem stelde. Daarop antwoordde zij blijmoedig, dat hij dit wel voelen kon, en terwijl vrouw Johanna en de anderen de kamer binnenkwamen, en zij hare moeder, die zij reeds in de vroegte begroet had, toeknikte, reikte zij hem de hand, greep de zijne en schudde die hartelijk. Dat waren verkwikkende oogenblikken voor hem geweest, doch het zien van Paula en wat hij haar had mede te deelen, bracht hem weder in de oude, gedrukte, ongelukkige stemming.
De kleine Maria, die weder roode koonen had gekregen en er gezond uitzag, vloog bij de booze tijdingen, die hij overbracht, snikkende Paula om den hals. Deze hield zich echter bedaarder dan hij verwacht had en wist zich te beheerschen. Wel-is-waar was zij eerst doodsbleek geworden, doch weldra had zij rustig en kalm geluisterd en eindelijk hare vrije, opgerichte houding weder aangenomen. Philippus moest de hand aan het hart brengen toen hij haar zag, en zoodra het voegzaam geschieden kon vertrok hij. Het was als moest hem nog eens duidelijk en smartelijk voor oogen gesteld worden, wat hij in haar had kunnen bezitten, want als gedragen door een hooger gevoel schreed zij daarheen, en een fantastische glans verleende haar edel gelaat eene betoovering, die hem evenzeer pijn deed als ze hem in verrukking bracht.
Orion een van zijne goederen beroofde gevangene! Maar korten tijd had deze gedachte haar schrik aangejaagd; doch daarna was het haar geweest, als moest het juist zoo zijn, als ware datgene wat op het eerste gezicht een vreeselijk onheil scheen, haar toegezonden, om haar liefde geheel van het omhulsel te bevrijden, haar in al hare grootte en reinheid in het licht te stellen, en daaraan met hulp van den Algoede de rechte wijding te geven. Voor zijn leven was zij niet bevreesd, want hij had haar gezegd en geschreven, hoe de veldheer Amr hem met vaderlijke genegenheid tegemoet was gekomen, en alles wat thans gebeurde was zeker een streek van den Wekil, van wiens boosaardig en hatelijk voorkomen hij een afschrikwekkend beeld had geteekend, terwijl Rufinus de abdis was gaan waarschuwen.
Toen het huis van den vriend achter Philippus lag, haalde hij weer vrijer adem. Wat had hij die vrouwen geheel anders gevonden dan hij verwacht had! Zijn oude vriend kende de menschen! Uit kleine aanwijzingen was het den grijsaard gelukt zich een vollediger beeld van Pulcheria te vormen, dan hij door jaren lange vertrouwelijke omgang zou hebben kunnen verkrijgen. Ook dat had de oude vooruitgezien, dat de gevaren, die des stadhouders zoon bedreigden, Paulas gevoelens voor Orion als eene frissche koelte zouden aanwakkeren. En Johanna, de teedere zwakke Johanna, hoe droeg zij als eene heldin het verlies van hem, voor wien zij zoovele jaren in trouwe liefde had geleefd. Hij kwam er vanzelf toe haar met de ongelukkige Neforis te vergelijken, en wat was het, dat Johanna het zwaarste verlies zooveel waardiger deed dragen dan deze? Zeker dit, dat het teeder gemoed harer Pulcheria, hetwelk het leed zoo eenvoudig en stil met haar droeg, dat verlies zoo gaarne en verstandig met haar deelde. Zulk een hart had der weduwe van den Mukaukas ontbroken, en gelukkig wie zulk een hart het zijne kon noemen. Met gebogen hoofd liep hij den tuin door, ditmaal zonder ter zijde te zien.
De Masdakiet, die nog altijd met Mandane onder de sykomore zat en even weinig als zij letsel had van de steeds toenemende zonnehitte, keek hem na, wees op hem en zeide: »Daar gaat hij! Het was zeker voor de eerste maal, dat hij u of mij een norsch woord toesprak; of hebt gij het niet verstaan?”
»Wel zeker,” zeide zij zacht, zonder de oogen van haar handwerk op te slaan.
Zij spraken Perzisch met elkander; want zij hadden de taal nog niet verleerd, die hunne moeders tot het laatst met hen gesproken hadden. Het leven gelijkt soms op het wonderlijkste sprookje, en men kon het bijna een wonder noemen, dat juist deze twee in de ziekenkamer bij elkander gekomen waren, want zijn afgelegen vaderland was ook het hare, en hij kende ook haar oom, den broeder haars vaders, en de treurige geschiedenis van den laatste. Toen het Grieksche leger zich van zijne landstreek had meester gemaakt, waren de mannen met de kudden in de bosschen gevlucht, de vrouwen en kinderen in het vestingwerk, dat den landweg verdedigde. Dit had maar korten tijd tegen de Byzantijnen stand kunnen houden, en de vrouwen, waaronder ook Mandane en hare moeder, waren onder de soldaten verdeeld als een kostbare krijgsbuit. Haar vader had toen een gewapende bende rondom zich vereenigd, om de vrouwen te bevrijden, doch was daarbij met zijne gezellen om het leven gekomen. Men sprak nog heden ten dage in dien streek over het treurige einde van den moedigen man, en zijn jongeren broeder behoorde thans het goed en de heerlijke graslanden, die gene eens bezeten had.
Zoo hadden beide herstellenden elkander veel van vroeger te vertellen en het was merkwaardig, hoe vele herinneringen uit hare eerste kindschheid Mandane waren bijgebleven. Met benevelde hersens was haar gewond hoofd op het kussen in het ziekbed neergelegd, en gelijk een onweder, dat de verstikkende lucht van een drukkenden zomerdag zuivert, had het nieuwe leed den sluier weggenomen van de oogen harer ziel. Zij verwijlde gaarne bij hare kindschheid, den tijd toen zij hare moeder nog bezat, en bij het tegenwoordige; wat daar tusschen lag was voor haar als de nachtelijke hemel; donker, maar verhelderd door eene schrikwekkende komeet en schitterende sterren. Die komeet was Orion. Wat zij met hem genoten en door hem geleden had, rekende zij tot den tijd van haar waanzin; zij had zich gewend, dat alles toe te schrijven aan de zinsbegoocheling, waarin zij toen bevangen was geweest. Hare ziel was niet geschapen om te haten, en zij wilde en kon den zoon des stadhouders niet vijandig gezind zijn. Zij stelde zich hem voor als een die haar zonder boos opzet groot onrecht had aangedaan, en aan wien zij zelfs niet meer denken mocht, zonder zich aan gevaar bloot te stellen.
