Sadece Litres'te okuyun

Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.

Kitabı oku: «De nijlbruid», sayfa 38

Yazı tipi:

»Dat wil dus zeggen,” begon de Masdakiet weder, »dat het ook u niet onverschillig zal zijn, als Haschim mij terugroept?”

»Neen, Rustem, dat zou mij zeer leed doen.”

»O!” riep de ander, terwijl hij zijne hand streek over zijn groot hoofd, waarop het zware haar, dat men had afgesneden, weder begon langer te worden. »Ja, dan, Mandane, dan… Ik heb reeds gisteren willen spreken, doch het kwam er nog niet uit; maar nu: Waarom doet het u eigenlijk leed, dat ik vertrekken moet?”

»Omdat – ja wie kan dat zoo ineens zeggen – omdat gij altijd goed voor mij waart, en omdat gij mijn landsman zijt en ik met u Perzisch spreken kan, evenals met mijne moeder.”

»Zoo, daarom dus alleen?” vroeg de ander op gerekten toon, terwijl hij zich over het voorhoofd wreef.

»Neen, neen! Ook omdat… Als gij ons eenmaal verlaten hebt, dan zijt gij er ook al niet meer…”

»Ja, dat is het juist, dat is het! En als u dat leed doet, dan moet het u hier toch bevallen hebben – zoo samen met mij.”

»Waarom ook niet? Het was zeker heel prettig,” zeide zij, terwijl zij blozende zijn blik trachtte te ontwijken.

»Dat was het ook, en is het nog altijd!” zeide hij met de breede vuist in zijne linkerhand slaande. »En juist daarom moet het er eens uit, daarom moeten wij, als wij verstandig zijn, niet meer van elkander scheiden.”

»Maar uw heer zal u noodig hebben!” zeide zij, met toenemende ongerustheid, »en wij kunnen die goede menschen hier toch niet altijd tot last zijn. Ik mag nog niet weven, maar nu ik toch vrij ben en het geschrift in handen heb dat mij de vrijheid wedergeeft, moet ik naar werk omzien, en een krachtig, gezond man als gij zijt kan zich toch ook niet altijd laten verplegen.”

»Wat verplegen!” zeide de Masdakiet, terwijl hij vergenoegd lachte. »Er moet gewerkt worden, gewerkt en wel voor drie!”

»Bij uw kameelen: altijd op reis?”

»Dat moet dan ophouden,” antwoordde hij meesmuilend. »Wij gaan naar ons land terug, ik koop mij daar een goed stuk weiland, want mijn oudste broeder heeft ons goedje, en of ik de kameelfokkerij versta, dat kunt gij aan Haschim vragen.”

»Maar, Rustem, bedenk toch!”

»Bedenken! Denken voor en na! Willen en hebben daarop komt het aan! En als gij meent dat er geld noodig is om te koopen, en dat het haperen zal aan dat goedje, zoo kan ik u zeggen… Kunt gij lezen? – Neen? – Ik ook niet, maar hier in mijn taschje heb ik de afrekening van mijn heer, met zijne eigene hand geschreven. Elfduizend driehonderdzestig drachmen waren het aan loon, tot den laatsten termijn, verstaat ge, en aan winst, waarin de heer mij liet deelen sedert ik de karavaan leidde. Hij heeft bijna alles voor mij bewaard; want voor mijn onderhoud behoefde ik niet te zorgen; van de koopwaren viel altijd genoeg af om mij te dekken, en een slemper ben ik nooit geweest. Elfduizend driehonderdzestig drachmen! He, mijn duifje, zoo staat het; en wat zegt gij nu? Kan daarvoor ook iets gekocht worden? Ja of neen?”

Hij zag haar zegevierend aan, doch zij antwoordde met warmte: »Wis en zeker, en hij ons te lande, geloof ik, iets heel aardigs.”

»En wij – gij en ik – wij – er zal nu een geheel nieuw leventje beginnen. Ik was zeventien jaren oud, toen ik den meester volgde en bij de laatste zonnestilstand ben ik zes-en-twintig geworden. Hoe veel jaren was ik dus reizende?”

Beiden dachten een poosje na, waarop Mandane schuchter zeide: »Als ik mij niet vergis zijn het er acht.”

»Het zijn er reeds negen, geloof ik,” hernam hij met nadruk. »Laat eens zien; hier met het handje! Ziet ge met de zeventien begin ik – zoo oud was ik toen ik in dienst trad. De kleine vinger eerst – wat een lief fijn dingetje! – en nu de andere!”

Hij hield hare rechterhand vast en telde aan hare vingers verder, tot hij aan den laatste der linkerhand gekomen was. De uitkomst deed hem verbaasd opzien, en het hoofd schuddende zei hij: »Men heeft toch aan de twee handen tien vingers, en tien jaren kunnen het nog niet zijn, het zijn er hoogstens negen!”

En thans begon het tellen, dat hem zeer behaagde, van voren aan, doch de uitkomst bleef dezelfde; zij verzekerde nochtans, dat het maar negen waren; zij had het berekend, en hij gaf haar gelijk en meende, dat hare vingers betooverd waren. Ja, het spel zou nog lang hebben voortgeduurd, als zij niet op het denkbeeld was gekomen, dat men de zeventien niet mee mocht tellen, maar dadelijk met achttien beginnen moest. Rustem kon dat echter niet goed begrijpen, en toen hij niettemin toegaf, liet hij toch hare hand niet los en ging vroolijk voort: »Ziet gij, lief kind, deze kleine hand – gij moogt haar nu terugtrekken als ge wilt – deze hand wil ik behouden, en met haar het aardige meisje, en alles wat daartoe behoort. En ik neem u en de beide handen met de betooverde vingers mede naar mijn huisje. Daar kunnen zij vlijtig weven en borduren, en als man en vrouw zullen we nooit weer van elkander scheiden. Eén leven zullen wij leiden – éen leven – de vreugde van het Paradijs zal daarbij vergeleken zijn; als enkel slagen met een knuppel van olijvenhout op den schedel; daar weet ik van te praten!”

Daarbij greep hij weder naar hare hand, doch zij trok haar terug en zeide verlegen en met neergeslagen oogen: »Neen Rustem, ik heb reeds gisteren gevreesd, dat iets dergelijks zou komen, doch dit kan nooit gebeuren. Ik ben zoo dankbaar, o zoo dankbaar; maar neen, neen, dit mag niet, daar blijft het bij. Uwe vrouw kan ik niet worden, Rustem!”

»Niet?” vroeg hij op doffen toon, en op zijn vermagerd voorhoofd begonnen de aderen te zwellen. »Hebt gij mij dan vroeger voor den gek gehouden? En wat gij daar bazelt van dankbaarheid…”

Hevig ontsteld stond hij op, doch zij greep hem bij den arm, trok hem op de bank terug, waagde het hem met teederheid in de oogen te zien, die niet lang boos konden kijken, en zeide: »Wat vliegt gij dadelijk weer op! Het zal mij zeer stellig aan het hart gaan van u te scheiden, en kunt gij het mij dan niet aanzien, dat ik u goed gezind ben? Maar het gaat, waarlijk het gaat niet! Ik, ik… ach, kon ik maar weder naar mijn vaderland terug, met u, juist met u! En uwe vrouw. Wat eene verhevene, heerlijke gedachte is dat, en hoe gaarne zou ik voor ons beiden de handen roeren, die vlijtig en bekwaam genoeg zijn, maar…”

»Maar?” vroeg hij terwijl hij zijn groot, vuurrood gezicht naar haar toekeerde met eene uitdrukking, als wilde hij haar verslinden.

»Maar om uwentwil gaat het niet, en mag het niet gebeuren, neen, waarlijk niet, want zoo slecht wil ik u voor al uwe goedheid niet beloonen. Hebt gij dan geheel vergeten, wat ik was en wat ik ben? En gij? Als vrij man gaat gij weldra met een mooi kapitaal naar huis en kunt van iedereen achting en eerbied verlangen; doch dat alles wordt anders, geheel anders, wanneer gij eene vrouw als ik ben met u medesleept, eene, – al ware het maar alleen eene voormalige slavin!”

»Komt het dus daarop neer?” haastte hij zich te vragen, terwijl zijn gelaat weer ophelderde. »Is dat het wat u beangst, gij arm zieltje? Maar weet gij dan niet wie ik ben, heb ik u niet onlangs verklaard, wat een Masdakiet is? Wij Masdakieten gelooven en weten, dat alle menschen oorspronkelijk gelijk zijn, dat het er beter zou uitzien in deze oliedomme wereld, als er noch heeren, noch knechten waren; maar het gaat nu eenmaal op aarde toe zooals het gaat. De reine Hemelheer duldt het wellicht nog een poosje, maar eerlang, misschien spoedig reeds wordt het geheel anders, en het is onze taak, dien dag der gelijkheid voor te bereiden. Met dien dag komt het Paradijs op aarde, dan zal er onder de menschen geen hooger of lager zijn, maar zij zullen naast elkander en hand in hand gaan en staan. Krijg en ellende houden dan op, want wat er schoons en goeds op aarde is, dat wordt gemeenschappelijk eigendom, en ieder geeft en helpt den ander even gaarne, als hij hem thans alles ontneemt, hem benadeelt en onderdrukt. Wij sluiten ook geen huwelijken, zooals de andere menschen, maar de man, die eene vrouw liefheeft, zegt: ‘Wilt gij de mijne zijn?’ en als het hart haar dit ingeeft, volgt zij hem in zijn huis; doch de een mag echter den ander verlaten, als het uit is met de liefde, maar geen echtpaar onder Parsen en Christenen was inniger verbonden dan mijne ouders en grootouders; zoo willen ook wij bij elkaar blijven tot het einde, want onze liefde zal ons vast samenbinden met stevige koorden, die langer duren dan ons leven. – Nu kent gij de leer van onze meester Masdak, dien mijn vader en grootvader reeds volgden, en die mijne moeder mij heeft ingeprent, toen ik nog zeer klein was. Ons geheele dorp is die leer toegedaan, en daar zijn ook geen slaven, neen, het land dat bij het dorp behoort, dat bearbeiden allen te zamen en den oogst deelen zij met elkaar. Vreemden laten zij echter niet meer toe en ik moet mijn deel elders gaan zoeken. Ik blijf daarom toch Masdakiet16, en kies mij eene gewezene slavin tot vrouw, dan handel ik naar de leer van mijn meester en laat daaraan recht wedervaren. Maar u – u gaat dit alles eigenlijk niet aan, want gij zijt het kind van een vrijen, braven man, wien het geheele land acht; voor wie daar in het oosten wonen zijt gij eene gevangene, maar geene slavin. Zij zullen mij eeren als uw bevrijder. Maar had ik u zooals gij daar zijt, als de minste slavin van een zwijnenhoeder gevonden, ongetwijfeld zou ik dan terstond in den buidel getast, u losgekocht en u als mijn vrouw mede maar huis genomen hebben, en geen van de onzen, die u zag, zou het u hebben aangezien. Nu weet gij waar het op staat, en is het, hoop ik gedaan met dat tegenspartelen en uitvluchten zoeken.”

Doch Mandane gaf hem nog altijd geen gewonnen spel; zij zag hem droevig aan met een blik, die medelijden scheen te vragen, en wees naar de plaats van hare verminkte ooren. Hierbij haalde Rustem de schouders op en zeide lachende: »Natuurlijk, dat nu ook nog! Gij schijnt mij niets te willen schenken. Ja, had het de oogen gegolden, dan was het uitgeweest met het zien, en eene blinde vrouw kan een landman niet gebruiken; dan liet ik u ook waar gij zijt. Maar zoo – zeg zelf, mijn duifje hoort gij niet zoo scherp als een vogel? En de vogels – het zijn zulke aardige diertjes – hebt gij er ooit een met ooren gezien, behalve die leelijke vleermuizen en uilen? Dat is allemaal zottepraat. En wie kan u dan nog aanzien wat gij mist sedert jonkvrouw Pul u de haren zoo netjes naar voren gekamd heeft? En dan bij ons te lande! Hebt gij vergeten welk een hoofddeksel onze vrouwen dragen? Al had iemand lepels gelijk een haas, wat nood? Men ziet er toch niets van. Zooals gij zijt, gij lelie, die als een cypres zijt opgewasschen ziet gij er nog tienmaal schooner uit dan de aardigste ginds al hadt ge in plaats van twee, zelfs drie of vier ooren. Een meisje met drie ooren! Denk eens, Mandane: waar zou dat derde komen te staan?”

Hoe hartelijk lachte hij daarbij, hoe blijde was hij, die aardigheid bedacht, en wat haar gemakkelijk leed had kunnen doen, zoo schertsend terzijde geschoven te hebben. Doch zijne openhartige vroolijkheid miste hare uitwerking en plooide hare zwijgende lippen slechts tot een glimlach, en ook deze verdween snel, en in de plaats daarvan nam haar gelaat, terwijl haar schoon kopje laag op de borst zonk, zulk eene diep bezorgde, bekommerde, uitdrukking aan, dat hij noch met zijn scherts voortgaan, noch verder bij haar aandringen kon, maar medelijdend en even met het hoofd schuddend zeide: »Zoo moet ge mij niet aanzien, duifje, ik kan het niet verdragen. Wat ligt u verder dan nog op het hart? Moed, moed, mijn schatje; spreek het maar vrij uit! Maar wacht! Zwijg maar! Ja, dat kan ik u wel besparen. Arm lief meisje! – het is de oude geschiedenis met den zoon van den Mukaukas.”

Zij bevestigde dit door eene lichte beweging van het hoofd en met betraande oogen, maar hij slaakte een diepen zucht en zeide: »Dat heb ik wel gedacht, juist gedacht, arm hartje!”.

Hij nam hierop hare hand en ging trouwhartig voort: »Dat heeft ook mij kwade uren bezorgd, heeft mij daar binnen veel te doen gegeven, en bijna was het zoover gekomen, dat ik u daarom had laten zitten en ons beiden het geluk en de vreugde had ontroofd. Maar ter rechter tijd heb ik mij bezonnen. Niet omdat vrouw Johanna – en wat zij zegt moet wel waar zijn – mij eergisteren zeide dat het met – nu ja, dat weet gij wel – dat is alles weg en voorbij; neen, ditmaal is het verstand uit mijzelven gekomen; want ik heb bij mij zelven gedacht; zulk een engelachtig schoon, moederloos, weerloos slavinnetje, dat de jonge zoon van den heer zelven vasthoudt, hoe zal het zich verweren? Hoe gruwzaam werd dat arme lieve hartje gestraft! Ach meisjelief, meisjelief, huil maar uit! Mijne oogen schieten ook vol tranen, het heeft zoo moeten zijn, het was zoo over u beschoren. Gij en ik en de groote koning en alle hemelsche heerscharen, wie kan er iets tegen doen? Maar, ziet ge, ik arme gek, ik begrijp hoe dat gekomen is, en klaag u daarom niet aan en heb u ook niets te vergeven. Het is echter een groot onheil geweest. Maar het heeft, goddank, intijds een einde genomen, en ik kan het geheel en al vergeten, wanneer gij mij slechts zegt: ‘Dat alles is uit en voorbij, en ligt in het graf als iets dat dood is.’”

Nu bracht zij, voor hij het beletten kon, met onstuimige hartelijkheid zijne hand aan hare lippen en zeide snikkende: »Zoo goed, zoo goddelijk goed als gij zij, Rustem, zoo goed zijn er geen twee menschen op aarde, en daarvoor zal mijne moeder u zegenen. Doe met mij wat gij wilt! Weet dat alles voorbij is, weg en voorbij, en als ik er nog eens aan denken moet, dan gevoel ik een afkeer daarvan. Zoo, juist zooals gij zeidet, is het werkelijk gegaan. Moeder dood, en niemand om mij te waarschuwen en te beschermen! Ik was pas zestien jaren oud, een eenvoudig, onervaren ding, toen hij mij tot zich riep, en wat er met mij gebeurd is was als een droom, als men slaapt. En toen ik weder ontwaakte…”

»Nu zijn wij er,” zeide hij, haar in de rede vallende, waarbij hij de oogen afveegde en beproefde te lachen. »Toen lagen wij beide met wonden aan het hoofd naast elkander, en gelijk het bij mij te huis altijd op zijn fraaist is, wanneer de harde wintervorst voorbij en de sneeuw gesmolten is, en alle bloemen in het dal opeens beginnen te bloeien, zoo gaat het ten leste ook met ons, meisje. Het zal nu goed, wonderschoon worden! Ziet ge, eergisteren was ik het met mijzelven nog niet eens, want uw ongeval liet mij geen rust en zat mij in den weg; nu, dat kunt gij wel begrijpen. Toen ik later op mijne kamer te bed lag en de maan naar binnen scheen, toen” – en nu ging hij nadenkend voort met een droomerige uitdrukking, die zijn eenvoudig gelaat bijzonder goed stond – »toen moest ik vragen: heeft dan de maan daarboven heden avond niet weder goede verfrissching en fraai licht gebracht, hoewel zij toch in de vroegte nog in zee verzonken was? En kan zoo een menschenhart, dat eenmaal was ondergegaan, ook niet weder helder en blank opgaan, wanneer het zich gereinigd heeft en uitgerust is? En welk een hart! Men zou de liefde van zulk een hart wel voor zich alleen wenschen, maar die kan zich toch meer dan eenmaal weggeven. Want, zoo dacht ik bij mijzelven, wat is mijne moeder teeder voor mij geweest; en toen er nog een kindje kwam en weder een, heeft zij aan dezen ook het beste gegeven wat zij bezat; en ik ben daarom toch niet tekort gekomen, als zij mijn jongste zusje aan de borst hield, en ook dat zusje leed er geen schade bij, als moeder mij liefkoosde en mij kuste. Zoo moet het ook zijn! En zij, dacht ik verder, al heeft zij ook reeds eenmaal een ander liefgehad, er blijft toch voor mij nog een goed deel liefde over!”

»Ja, ja, Rustem, zeker!” zeide zij, hem met dankbare betraande oogen in het open gelaat ziende. »Wat er aan liefde en teederheid in mij is, dat zult gij, gij alleen hebben.”

»Nu,” riep hij vroolijk, »dat was een woord! Daar kan men zich aan vasthouden! Dat noem ik me eerst een morgen! Als een losgelaten landlooper heb ik mij hier onder de sykomore neergezet en als een toekomstig grondbezitter, wien het schoonste wijfje op aarde aan huis bindt, sta ik nu op.”

Zij bleven nog lang in de koele schaduw van het loofdak zitten en hij verlangde niets anders, dan haar aan te zien en op de oude vraag van geliefden met de lippen, de oogen en een zwijgend hoofdknikken het antwoord ontvangen. Hare handen brachten de naald niet meer in beweging; doch beiden zouden hen medelijdend hebben uitgelachen, die dezen voormiddag met zijne verzengende, alles verdrogende hitte onuitstaanbaar noemden. Een paar tortelduiven boven hunne hoofden was minder ongevoelig voor den zonnegloed, want het had de oogen gesloten, en de kop van het wijfje rustte slap tegen den donkeren ring aan den hals van het mannetje.

DERTIENDE HOOFDSTUK

Evenmin als het verliefde Perzische paartje, liet de zwarte Wekil Obada zich door de hitte van den dag in de uitvoering zijner plannen storen. Hij beschouwde het stadhouderlijk paleis als zijn eigendom en wat hij daarin vond wekte in hooge mate zijne belangstelling. Het was niet enkel hebzucht, die hem aandreef, want in de eerste plaats kwam het er op aan bewijsstukken te vinden, die zijn optreden tegen Orion en het in beslag nemen van diens bezittingen in Medina konden rechtvaardigen. Daar waren groote dingen op het getouw gezet en wanneer de samenzwering tegen den Kalief Omar gelukte, dan had hij weinig meer te vreezen en durfde hij des te zekerder op de goedkeuring van het nieuwe opperhoofd hopen, naarmate de sommen, die hij weldra naar Medina kon zenden, in omvang de grootste overtroffen, die zijn heer ooit in den schatkist van zijn vaderland had gestort.

Met de nieuwsgierigheid en de begeerlijkheid van een kind doorliep hij de eene kamer na de andere, betastte hij alles, onderzocht hij de zachtheid der kussens, gluurde hij in schriftrollen, die hij niet verstond, wierp hij ze weldra weer weg, rook hij in de kamer van de gestorvene aan de reukwaters en artsenijen, waarvan zij zich bediend had, knarste hij van genoegen met de tanden, toen hij in hare kist kostbare sieraden en gemunt goud vond, stak hij den schoonsten diamanten ring aan de reeds overladene vingers, en doorzocht hij ten laatste met den grootsten ijver de vertrekken, die Orion bewoond had. Zijn tolk, die Grieksch kon lezen, moest daarbij ieder geschrift dat gevonden werd overzetten, wanneer het geen gedichten bevatte. Onder het luisteren krabde en trok hij met geheel onkundige hand aan de snaren van ’s jonkmans lier, goot hij van den zalfolie, die de fijne jongeheer gebruikte, op zijne hand en besmeerde daarmede zijn baard. Voor den blanken, zilveren spiegel van Orion trok hij onophoudelijk allerlei gezichten.

Tot zijn verdriet kon hij onder al de grootere en kleinere zaken, die hier overal stonden, niets vinden wat grond tot verdenking kon geven. Reeds maakte hij zich gereed om heen te gaan, toen hij in eene mand bij de schrijftafel eenige weggeworpen schrijftafeltjes opmerkte. Terstond wees hij den tolk daarop, en hoe weinig leesbaars er ook op het diptychon17 stond, het was in het oog van den zwarte van het hoogste gewicht, want het luidde:

»Orion, zoon van Georg – aan Paula, de dochter van Thomas!”

»Gij hebt reeds vernomen, dat het mij onmogelijk is geworden aan de redding der nonnen deel te nemen. Beoordeel mij daarom niet verkeerd! Uw goede en maar al te billijke wensch, om uwe geloofsgenooten hulp te verleenen, zou voldoende zijn geweest…”

Van hier af waren de in was gegrifde teekens met opzet uitgewischt, en er was bijna geen enkel woord meer te ontcijferen, ja, er volgden nog maar zoo weinig regels, dat men moest aannemen, dat deze brief nooit voltooid was geworden. En zoo was het inderdaad. Ofschoon dit stuk den Wekil niets aan de hand deed, waarmede hij Orion zou kunnen belasten, zoo was er toch wel eene beschuldiging aan vast te knoopen. Want de dochter van Thomas had zeker deel gehad aan de onderneming, die zoovele wakkere muzelmannen het leven had gekost, en de zwarte wist door den wisselaars in Fostat, dat zij in nauwe betrekking stond tot den zoon van den Mukaukas, en hem het beheer over haar vermogen had toevertrouwd. Beiden moesten als verbondenen in deze zaak terecht gesteld worden, en Orion werd in elk geval door dit schrijven aangewezen als de persoon, die van het plan kennis had gedragen.

De bisschop Plotinos van Memphis, op wiens verlangen de vervolgers waren uitgezonden, moest aanvullen wat de jonkvrouw mocht verzwijgen. Hij was terstond, na het plan tot ontvoering te hebben aangegeven, den patriarch achterna gereisd en eerst gisteren ochtend uit Opper-Egypte teruggekeerd. Hier te Memphis had hij den Wekil twee aanklachten van den kerkvorst tegen Orion doen toekomen; de eene betrof de vlucht der nonnen, de andere het achterhouden van een kostbaren smaragd, die de kerk toekwam. Beide beschuldigingen hadden Obada den moed gegeven, om beslag te leggen op de bezittingen van den jonkman, daar de bittere vorm van de aanklacht des patriarchs hem deed inzien, dat hij in Benjamin een bondgenoot bezat. Paula moest dus gevangen genomen worden en hij twijfelde niet of hare verklaringen zouden Orion op eene of andere wijze bezwaren. Het liefst zou hij haar dadelijk verhoord hebben, maar hij had heden nog andere dingen te doen.

Het onderzoek van het rentmeesterskantoor nam den meesten tijd in beslag. Dit werd aangevangen onder leiding van Nilus, die daarvan aan het hoofd stond. Alles wat de beambte, als bewijzen van erfenis en eigendom, als koop- en pachtcontracten, kadasters en dergelijke aanwees, alsmede de groote voorhandene sommen in goud en zilver werden terstond op ossenwagens en op kameelen geladen en onder veilig geleide over den stroom gebracht. De akten en documenten uit vroeger tijd, het familie-archief en wat daarmede samenhing liet de zwarte daarentegen onaangeroerd. Hij was zeker een onvermoeid man, want ofschoon hij met dit werk den ganschen dag bezig was, gunde hij zich geene verademing, ja hij liet zich niet eens eene bete broods of een verfrisschenden dronk brengen. Hoe later het werd op den dag, des te meer vroeg hij naar den bisschop, en telkens op ongeduldiger en boozer toon. Hij had zich tot den patriarch moeten begeven, maar waar bleef Plotinos? Gevoelig als alle lieden, die van niets tot iets zijn geworden, beschouwde hij diens uitblijven als eene daad van persoonlijke minachting.

Doch de herder der gemeente van Memphis was geen hoogmoedig prelaat, maar een bescheiden, vroom man. Zijn opperhoofd, de patriarch, had hem in Opper-Egypte gewichtige boodschappen toevertrouwd aan den veldheer Amr of diens plaatsvervanger, en toch liet hij den Wekil tevergeefs op zich wachten, en zond hem ook geen boodschap. Zijne oude huishoudster zond in den namiddag echter den akoluth18, die hem persoonlijk diende, naar Philippus. Haar anders zoo sterke en wakkere heer had zich gisteren, terwijl het nog helderen dag was, naar bed begeven en was niet weder opgestaan. Zijn lichaam gloeide, hij had een hevige dorst en scheen niet recht te weten waar hij zich bevond en wat hem omgaf. Plotinos had altijd beweerd, dat het gebed de beste medicijn was voor den christen; toen echter zijn arm lichaam zoo schrikkelijk heet was geworden, had de huishoudster den arts ontboden, doch de bode was met het bericht teruggekomen, dat Philippus op reis was gegaan.

En zoo was het inderdaad: een brief van den ouden Haschim had hem genoopt Memphis te verlaten. De zoon van den koopman, wien het ongeluk had getroffen, werd maar niet beter. Het scheen dat inwendige deelen van het lichaam waren aangedaan, en dat zijn leven in gevaar verkeerde. De beangstigde vader bezwoer met vurige gebeden den arts, in wiens bekwaamheden hij het grootste vertrouwen had leeren stellen, naar Dschidda te komen, den kranke te onderzoeken en zijne genezing te beproeven. Bovendien liet hij den karavaanaanvoerder Rustem verzoeken weder tot hem te komen, zoodra zijne gezondheid het veroorloofde.

Dit schrijven, dat met een groet aan Paula sloot, wier vader hij met allen ijver liet opsporen, had Philippus diep geschokt. Hoe kon hij in dezen tijd van pest en ellende Memphis verlaten? En vrouw Johanna en hare dochter? Van den anderen kant wilde hij om Paula’s wil weg, ver van hier weg; en hoe gaarne zou hij alles beproeven om den zoon van dien wakkeren grijsaard te behouden! Desniettemin zou hij gebleven zijn, wanneer zijn oude vriend zich niet zeer onverwacht aan de zijde van Haschim gesteld en hem bezworen had de reis te ondernemen. Het was zijn plicht en ook zijn verlangen voor de vrouwen in het huis van Rufinus te waken. Philippus’ helper kon bij vele kranken zijne plaats vervangen en de anderen zouden ook zonder hem wel sterven, daar hij toch zelf verzekerd had, dat er geen deugdelijk middel tegen de pest bestond. Bovendien had Philippus nog de overtuiging uitgesproken, dat hij de verloren rust in Paula’s nabijheid niet weer kon vinden. Nu bood zich de gelegenheid aan, om op eene niet in het oog loopende wijze op de vlucht te gaan, en tegelijk een degelijk werk der barmhartigheid te verrichten. Philippus had zich laten gezeggen en was weinige uren later met zeer gemengde aandoeningen op reis gegaan.

De oude Horus Appollon deed al zeer weinig, om het zichzelven gemakkelijk te maken, doch in éen opzicht zorgde hij goed voor zijn persoon. Het loopen viel hem zwaar, en daar hij in de avondschemering gaarne de vrije lucht inademde en later nu en dan de sterrewacht bezocht, hield hij er voor zich een ezel op na, een best exemplaar van het edelst ras. Hij ontzag zich niet voor zulk een beest een hoogen prijs te betalen, als het maar in alle opzichten aan zijne wenschen voldeed, dat wilde zeggen sterk, niet nukkig, volgzaam en licht van kleur was. Zijn vader en grootvader, de Isispriesters, hadden steeds op witte ezels gereden, en daarom deed hij het ook. In de laatste heete weken was hij zelden buiten gekomen en ook heden wachtte hij het uur van zonsondergang af, om zijne belofte te houden. In sneeuwwit linnen gekleed, met nieuwe sandalen aan de voeten, frisch geschoren, op de wijze der vaderen door eene net geordende, lange pruik alsmede door een scherm voor de brandende stralen der ondergaande zon beschut, besteeg hij, overtuigd dat hij voor den uiterlijken mensch al het mogelijke gedaan had, den fraaien, witten ezel, en zijn Ethiopiër draafde te voet achter hem aan.

Het was nog helder toen hij voor het huis van Rufinus stil hield. Zoo gejaagd had zijn oud hart in lang niet geklopt. »’t Is of ik eene bruid ga zoeken,” zeide hij tot zichzelven met fijnen spot. Nu, het geldt dan ook een verbond te sluiten voor het nog overige deel des levens. »Men moest,” verweet hij zich, »althans de nieuwsgierigheid met de haren en tanden verliezen!” Maar zij was nog voorhanden, en hij kon zich niet verheelen, dat hij in spanning was over het uiterlijk van de vrouw, die hij haatte zonder haar ooit gezien te hebben, omdat zij de dochter was van een prefect en patriciër en zijn Philippus ongelukkig maakte.

Terwijl hij afsteeg geleidde een jong, sierlijk gekleed meisje eene oudere vrouw in kostbare, maar eenvoudige kleedij in den tuin. Dat moest het kwikstaartje en Orions Byzantijnsche vriendin zijn. Dat trof slecht, zooveel vrouwen tegelijk! Hare tegenwoordigheid kon den eenzamen onderzoeker, die het verkeer met vrouwen ontwend was, maar hinderen en zijn plannen verstoren. Doch wat kon hij er aan doen? Die bezoeksters zagen er bovendien zoo kwaad niet uit. Het kwikstaartje was een allersnoezigst, klein meisje, ook zonder hare millioenen veel te goed voor den onzinnigen stadhouderszoon. De matrone had een innemend, goed gezicht, juist zooals Philippus het beschreven had. Doch, en dit bedierf alles, in dit gezelschap kon hij niet spreken over den dood van den armen Rufinus en dus ook niet over hetgeen hij voor had, en zoo had hij dus voor niets, geheel voor niets zooveel stof geslikt en zooveel hitte verdragen. Morgen moest dit alles tot zijne ergernis voor de tweedemaal genoten worden!

De eersten, die hij ontmoette was een aardig jong paartje: de Masdakiet en Mandane. Hij behoefde niet te vragen, zij moesten het zijn, hij ging dus naar hen toe, deelde Rustem den wensch zijns meesters mede en bood hem in Philippus naam aan, hem het reisgeld voor te schieten; doch de karavaanaanvoerder sloeg op zijne mouw, waarin een aardig sommetje aan goudstukken geborgen was, en zeide vroolijk: »Alles reeds voorhanden, ook voor twee reizigers naar het oosten! – Mijne bruid, met uw welnemen! – De tijd is gekomen, mijn duifje, wij moeten weg, op reis naar het vaderland!”

De groote jonkman zeide dat met zijne basstem zoo gelukkig, zoo uitgelaten vroolijk, en het schoone meisje zag daarbij zoo blijmoedig, zoo verliefd, zoo innig dankbaar naar hem op, dat de grijsaard zelf recht vergenoegd gestemd werd. Hij die in elk verschijnsel een voorteeken zag, hield deze ontmoeting voor een goed »omen” bij zijne intrede in dit huis, dat misschien, zijn tehuis zou worden. En even gelukkig als zijn bezoek begonnen was, ging het nu verder, want de weduwe van Rufinus en hare dochter ontvingen hem uiterst vriendelijk. Pulcheria haalde dadelijk vaders leuningstoel voor hem naar voren en schoof hem een kussen in den rug. Dat alles ging zoo stil, zoo natuurlijk, zoo hartelijk in zijn werk, dat het zijn oud gemoed verkwikte, en hij erkennen moest, dat een mensch bijna te veel goeds genoot, wanneer hem dagelijks en uur aan uur zulke verrassingen werden aangeboden.

Hij zeide tot het meisje een vriendelijk, schertsend woordje over hare goede zorg, en de matrone uit Konstantinopel vatte die scherts dadelijk op. Zij had hem op zijn fraaien ezel zien zitten, roemde het dier en wilde niet gelooven, dat hij zelf al boven de tachtig was. Zijne mededeeling dat Philippus op reis was gegaan, vernamen allen met leedwezen; hem deed het genoegen waar te nemen, dat Pulcheria bij dit bericht niet weinig verschrikte en zich daarop verlegen terugtrok. Wat had dat meisje een lief, onschuldig, goed en daarbij bevallig gezicht! Dat zou, dat moest zijn dochtertje worden, en midden in het gesprek met anderen, onder de kleine aardigheden van Katharina en de vriendelijke vragen van de matrone en vrouw Johanna, zag hij in zijne verbeelding zijn Philippus en dat lieve schepseltje als man en vrouw, en bij en met hen aardige kleine kindertjes, die rondom hem speelden. Hij was gekomen, om te troosten en te beklagen, en nu viel hem hier zulk een vroolijke ure ten deel als hij in lang niet had genoten.

16.De Alexandrijnsche bisschop Eutychius (geb. 876 n. Chr.) omschrijft de communistische leer van Masdak aldus: »God heeft de mensch het zijne toebedeeld, opdat gij het gelijkmatig onder hen verdeelen zoudt, en den een niet meer zal hebben dan den ander. Wanneer een echter meer dan billijk is aan vermogen, vrouwen, slaven en roerende goederen mocht bezitten, dien willen wij het ontnemen, om hem aan de anderen gelijk te maken.”
17.Een dubbel schrijftafeltje, dat kon worden toegeslagen.
18.Een helper en dienaar van een priester.
Yaş sınırı:
12+
Litres'teki yayın tarihi:
11 ağustos 2017
Hacim:
880 s. 1 illüstrasyon
Telif hakkı:
Public Domain