Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.
Kitabı oku: «Marathon», sayfa 4
Welke vader bezit twalef zonen en ieder der zonen
Kinderen dertigmaal twee, wislend van aanschijn en zweem?
Dertig hunner zijn wit en dertig zijn zwart om te aanschouwen;
Eeuwig leven zij voort; toch komt aan allen een eind.
En hij genoot dan ook de voldoening dat Simon zijn onvermogen erkende en gestraft werd. Doch Kynaigeiros, die toen aan de beurt kwam, was gelukkiger; de wijn oefende op zijn reusachtig lichaam voorloopig geen merkbaren invloed uit en, zich op den rechterarm steunend, terwijl hij de linkerhand naar het voorhoofd bracht, zeide hij na eenig bedenken: «Mij dunkt dat met den vader het jaar bedoeld is; met de twaalf zonen de twaalf maanden des jaars; met de tweemaal dertig kinderen, onderscheiden van uiterlijk, voor de helft wit en voor de helft zwart, de dagen en de nachten.» Men schonk den broeder van Aischylos luiden bijval, hoewel de teleurgestelde Straton, die een achterdochtigen dronk had, hem verdacht van raadsel en oplossing reeds vroeger gehoord en slechts geveinsd te hebben de laatste door eigen nadenken te vinden. Nog eenigen tijd ging men op dezelfde wijs voort, terwijl Straton telkens blikken naar de deur wierp, verlangend de danseressen en fluitspeelsters te zien verschijnen.
Maar Simon meende dat het tijd werd voor afwisseling te zorgen en men ging over tot het voordragen van skoliën, geïmproviseerde liederen, beurt om beurt ten beste gegeven. De symposiarch begon; hij nam de lyra, hem door een der slaven ter hand gesteld en hief aan:
Dat ge toch, o blinde Ploutos!
Menschenkweller, noch in ’t zeenat,
Noch op ’t vasteland verwijldet,
Maar den Tartaros bewoondet
En den Acheron. Van u toch
Komt den stervling alle kwaad.
Hij reikte de lyra aan Straton, die een lied ter eere der liefde stemde, beginnende met de woorden:
Hoe schoon glanst Eros’ licht op purperroode wang!
waarop de beurt aan Pheidippides en Kynaigeiros kwam. Men had langzamerhand, ook geprikkeld door het gebruik van met zout bestrooid gebak, veel gedronken en, hoezeer de zware Chiër door den lichteren wijn van Zakynthos vervangen was, begonnen de tongen verward te worden. Simon, die in zijne hoedanigheid van symposiarch den beker op bescheidener wijze behandeld had dan de overigen, achtte het oogenblik gekomen om het ernstiger onderhoud te doen staken. Doch vóór hij daartoe overging, nam hij nog eenmaal de lyra ter hand en begon:
Mijn zwaard wil ik hullen in mirteblaren,
Als Harmodios en Aristogeiton,
Toen ze den tiran ontlijfden en
Van ’t haatlijkst juk Atheen bevrijdden.
De uitdrukking op het gelaat der aanliggenden veranderde. Het lied, waarvan Simon den aanhef had gegeven, was gedicht ter eere van Harmodios en Aristogeiton, die voor drie-en-twintig jaar op het feest der Panathenaien den tiran Hipparchos, den zoon van Peisistratos en broeder van Hippias, vermoord en bij die gelegenheid het zwaard bevorens in een mirtekrans verborgen hadden. Het was een stuk geschiedenis, in dat lied vervat; het eerste sein tot de zoo moeizaam verworven, zoo naijverig bewaakte vrijheid; eene herinnering, des te heiliger, waar de verdediging van diezelfde vrijheid over luttele maanden wederom het zwaard uit de schede zou roepen. Een hooge, eene religieuse stemming beving dan ook de pretmakende drinkebroers van zooeven en met een vaste stem ging Pheidippides voort, de hem toegereikte lyra tokkelend:
Dierbre Harmodios, ge zijt niet gestorven;
Ge zijt, naar ’k verneem, in der zaligen eiland,
Waar ook snelvoetige Achilleus verblijft
En Diomedes, Tydeus’ zone.
De beurt was aan Straton:
Mijn zwaard wil ik hullen in mirteblaren,
Als Harmodios en Aristogeiton,
Toen ze op het heilige Athenafeest
Hipparchos den tiran vermoordden.
Ten slotte klonk het uit Kynaigeiros’ mond:
Steeds zal uw faam het aardrijk vervullen,
Dierbre Harmodios en Aristogeiton,
Daar ge den tiran ontlijfdet en
Van ’t haatlijkst juk Atheen bevrijddet.
Juist was het lied ten einde en het naspel der lyra deed zich nog hooren, toen de deur werd geopend en eenige fraai uitgedoste fluitspeelsters en danseressen binnentraden, die door muziek en mimische dansen de gasten vermaakten. Van dat oogenblik was het met den ernst en de ingetogenheid der meesten gedaan. Straton, wiens vurigst verlangen eindelijk vervuld was, had zich al spoedig met een bekoorlijk meisje in een hoek van het vertrek teruggetrokken en betuigde haar zijn bewondering door zijn skolion van daar straks eindeloos te herhalen:
Hoe schoon glanst Eros’ licht op purperroode wang!
steeds weder beginnend, niet verder komend dan den eersten regel. Pheidippides en Kynaigeiros hielden zich nog eenigen tijd bezig met het vermakelijk kottabosspel, daarin bestaande, dat men eene met water gevulde schaal op eenigen afstand vóór zich plaatste en door middel van een straal wijn, uit den mond of een beker geworpen, de daarin drijvende schoteltjes zocht te doen zinken. Hij, wien het gelukte, ontving het getroffen schoteltje ten geschenke. Kynaigeiros beweerde in dit spel bijzonder bedreven te zijn; hij bezat naar zijn zeggen tehuis eene heele verzameling van die schoteltjes, achtereenvolgens veroverd. Maar heden wilde het niet gelukken; de meeste stralen troffen niet eens de schaal en vielen er voor of achter op den grond. Pheidippides was gelukkiger en trad met een drietal zegeteekenen uit den wedstrijd. Weldra zochten ook zij het gezelschap der meisjes op en mochten het geluk smaken, ieder de wederhelft te vinden, met wie zij in vroeger tijden, toen de menschen nog vier armen en vier beenen bezaten, waarschijnlijk verbonden waren geweest. Simon, die allengs eveneens den invloed des wijns was gaan gevoelen, doch een ernstiger dronk had, hield beschouwingen over den besten regeeringsvorm en over de beteekenis van den Helleen als lid van het staatsverband, beschouwingen, die door de overigen met te meer bewondering werden aangehoord, naarmate zij er minder van begrepen.
Niemand herinnerde zich later duidelijk, hoe het feest was afgeloopen. Men had het gebruikelijke plengoffer aan Hermes gewijd en was toen naar buiten gegaan. Maar veel verder strekten de herinneringen niet. Wel wisten de feestvierenden dat men, in gezelschap van de danseressen en fluitspeelsters, was aangeland bij andere feestvierenden, óók met danseressen en fluitspeelsters en daar het festijn gezamenlijk nog eenigen tijd had voortgezet, met uitzondering van Straton, die met een der meisjes op geheimzinnige wijze was verdwenen. Wie die anderen echter geweest waren, bleek nimmer. Men bezat nog eene flauwe voorstelling, hoe de athletische Kynaigeiros gymnastische toeren had uitgevoerd met eene danseres onder iederen arm. Pheidippides was tehuis gekomen, ondersteund door eene fluitspeelster aan den rechter- en door Simon aan den linkerkant. Voor de deur was hij gestruikeld over het zuiltje, ter eere van Apollon haguieus aldaar aangebracht. En toen hij den volgenden morgen met een zwaar hoofd ontwaakte, bemerkte hij bij het weggaan de breede sandalen van Kynaigeiros in plaats van de zijne te hebben aangetrokken. Maar allen hadden zich kostelijk vermaakt, daarover was men het eens, al was er heel wat polei noodig, om de magen weer in orde te brengen.
VI
Simons huwelijk zou plaats hebben, volgens de meesttijds gevolgde gewoonte, in de maand Gamelion, aan het eind van den winter, bij volle maan. Hij had het druk met de toebereidselen voor den echt; zijne woning in den Kerameikos, de fraaiste wijk van Athene, behoorde voor de ontvangst zijner gade op waardige wijze te worden ingericht. Vooral sedert den vroolijken maaltijd bij Pheidippides was hij zich, meer dan vroeger, bewust van de ernstige taak, die hem wachtte. De schildering, bij die gelegenheid door Straton van de Atheensche vrouwen gegeven, was, hij moest het erkennen, maar al te waar en wat hij van Demetria’s eigen moeder, Kleitagora, vernomen had, volstond om hem te overtuigen, dat deze althans op den regel geene uitzondering had gemaakt. Een bijzonder tactvol optreden zou dus noodig wezen tot verwezenlijking van zijn voornemen om van Demetria eene echtgenoote te maken, anders en beter dan de meeste harer zusteren. Doch hij was vol goeden moed, te meer wijl hij steeds beter niet alleen haar eigen beminnelijk karakter begon te doorgronden, maar ook bespeurde dat Pheidippides aanving naar zijne welgemeende vermaningen te luisteren en op merkbare wijze zijn leven ging beteren. «Waartoe, Pheidippides,» had hij tot den jongeling gezegd, «leeft ge uitsluitend voor uw vermaak en vergeet zooveel u slechts mogelijk is dat ge ook staatsburger zijt? Weet ge dan niet dat het doel van den staat is, zijnen burgers de middelen te verschaffen gelukkig en waardig te leven, dit is, verstandig en zedelijk te handelen en dat zoowel de inwendige geschiktheid als de uitwendige voorwaarden daartoe slechts kunnen verkregen worden door en in den staat? Van nature behoort derhalve de mensch tot den staat en bevindt zich tot hem in geen andere verhouding, dan een deel tot zijn geheel. Ge zult toch niet beweren willen dat uw arm, of uw hoofd, of uw borst om zich zelfs wille zou bestaan? Neen! die allen zijn slechts geschapen met het doel om te zamen één ondeelbaar geheel te vormen. Zoo is het ook met den staat en even waar als het is dat het geheel hooger rang bekleedt dan de deelen, zoo ook is het onwederlegbaar dat de staat hooger is te stellen dan zijn afzonderlijke leden.»
In den aanvang had Pheidippides tegengestribbeld en gewezen op de vele lasten, die het staatsburgerschap op den mensch legde en op de daarmede samenhangende besnoeiing der persoonlijke vrijheid. Simon had verontwaardigd geantwoord: «Uwe woorden, Pheidippides, zou ik wellicht kunnen beamen wanneer ik in u een burger van Sparta zag, dat op zijne zonen van hunne geboort af de hand legt om ze slechts noode af te staan aan het graf. Doch het wekt mijn rechtmatigen toorn nu ik aldus hoor spreken door een burger van Athene, van den staat, die den zijnen vergunt zich geheel vrij en menschelijk te ontwikkelen, die niemands persoonlijken aanleg en neiging in strenge boeien slaat en een ieder vergunt te leven gelijk hij zelf wenscht, zoodat dan ook de Athener, die zich tot groote daden bekwaam gevoelt, naar waarheid kan getuigen: dit ben ik niet door tucht en dwang, maar door eigen aanleg en goddelijke gunst. Doch des te meer schande over hem, die, waar geen dwangmiddelen hem nopen, verzuimt tot zijne volle beteekenis te geraken in de goddelijke instelling, welke alleen bevrediging van hoogere behoeften, ontwikkeling van menschelijke geestvermogens, ruimte en middelen tot waardig handelen en waardig levensgenot aanbiedt.»
Zóó had Simon gesproken en zijne woorden hadden een diepen indruk op Pheidippides gemaakt. Deze nam zich dan ook ernstig voor, van dit oogenblik aan zijne beste krachten te wijden aan den met zoo verlokkende kleuren geschilderden staat. De gelegenheid daartoe zou zich waarschijnlijk spoedig voordoen, in den oorlog met Perzië, en Pheidippides hoopte van harte, dat die krijg eerst zou mogen uitbreken nadat hij zijn twintigsten verjaardag, in het begin van den aanstaanden zomer vallend, zou gevierd hebben. Immers vóór dien tijd, van zijn achttiende tot zijn twintigste jaar, was hij uitsluitend aangewezen niet voor den veld- maar voor den garnizoens- en patrouilledienst, waarmede weinig eer te behalen viel. En hij betreurde het diep dat er nog zooveel tijd moest verloopen vóór zijn dertigste jaar, als wanneer hij eerst voor openbare betrekkingen, raadslid en rechter zou kunnen in aanmerking komen. Ook was zijne levenswijze veel geregelder geworden; men sprak niet meer gelijk vroeger van de nachtelijke schandalen, door hem aangericht, en zoo hij nog steeds behagen bleef scheppen in het gezelschap der schoone Antheia, dit werd door Simon op lange na zoo streng niet meer gelaakt als vroeger. Immers hem was gebleken dat deze hetaire, die tal van Atheners aan haar zegekar geboeid hield, afkomstig was uit het stamverwante Ionische Miletos, het Athene van Klein-Azië, voor eenige jaren door de Perzen geplunderd en verbrand. De herinnering aan de toen gepleegde gruweldaden was bij haar nog even levendig als toen zij ze onder hare oogen zag plaats grijpen en de hooggestemde taal, waarin zij deze voor den blik harer bewonderaars deed herleven, was in niet geringe mate geschikt om Athenes weerbare mannen te vervullen met geestdriftvolle kloekhartigheid voor de bange dagen, die te wachten stonden.
Minder gelukkig was Simon in zijne pogingen tot hervorming van Pheidippides’ broertjes, Philoxenos en Amynias. Zij zaten vol ondeugende streken. Zoo vaak zij naar school gingen, hielden zij niet, als het behoort, het hoofd gebogen, de oogen ter aard gericht, de armen en handen in de plooien van hun kleed verborgen, maar zagen brutaal om zich heen, niet eens blozend wanneer een oudere hen aansprak. Bij de muziek- en zangles, wanneer zij de gewone liederen «Stedenverwoestende Pallas!» of «Wijdgalmende lyra-akkoorden» moesten aanheffen, waren zij met de eenvoudige, ouderwetsche toonzetting niet meer tevreden en vlochten allerlei roulades en andere wufte versierselen in den zang, hetgeen hun keer op keer eene gevoelige kastijding op den hals haalde van den onderwijzer, die op dit punt geen gekscheren verstond. Bij de oefeningen in de palaistra waren ze weigerachtig op de voorgeschreven welvoeglijke en kiesche wijze neder te zitten en bij het opstaan het zand, waarin zij gezeten hadden, saâm te vegen, opdat het afdruksel van hunne gedaante bij de toeschouwers geen onreine gedachten zou verwekken. Aan tafel was het reeds geschied dat zij zich van spijs hadden voorzien vóór de anderen en, niet tevreden met den voorvaderlijken groven kost, van de lekkernijen hadden medegeproefd, uitsluitend voor de volwassenen opgediend. Al die overtredingen nu pleegden zij niet zoozeer met booze bedoelingen, als uit een geest van verzet tegen het bestaande en overgeleverde, uit eene zenuwachtige prikkelbaarheid, die ook elders werd opgemerkt en als het ware in de lucht scheen te zitten, te voorschijn geroepen door de nadering der geweldige gebeurtenissen, in het Oosten voorbereid.
In afwachting dat het opkomende onweer losbarstte, ging het Atheensche leven zijn gewonen gang en zoo bewoog zich ook op een helderen avond de bruiloftsstoet, die Simon en Demetria naar hunne gemeenschappelijke woning zou voeren, door de straten. De verloofden hadden de vereischte verklaring afgelegd en de jonge vrouw was in het register der phratria van haren echtgenoot opgenomen. Gebeden en offers waren gebracht aan de godheden, wier zegen onmisbaar was voor het welzijn des huwelijks: aan Artemis, de schutsgodin der jonge meisjes, wie Demetria dan ook een fraai wijgeschenk vereerd had; aan Hera, die den echt beschermde en de geboorten begunstigde; aan Demeter, die over de opvoeding der kinderen waakte. Men had nauwlettend zorg gedragen dat bij het offer aan Hera de gal van het offerdier niet mede aan de vlammen prijsgegeven, maar begraven was geworden, als symbool van den wensch dat alle bitterheid van het jonge paar verwijderd mocht blijven. Vóórdat met de offers een aanvang werd gemaakt, hadden bruid en bruidegom het voorgeschreven bad genomen, waarvan het water uit een heilige bron in de nabijheid van Timotheos’ woning was verstrekt. Daarna was in het ouderlijke huis der bruid een maaltijd gehouden, waarbij als uitzondering ook vrouwelijke gasten, zij het aan afzonderlijke tafels, hadden aangelegen en de bekende Chiërwijn des vaders zijn vroegeren bijval had gevonden. Het feest was slechts een oogenblik verstoord door het ongevraagd binnentreden van een tammen aap, welken de jeugdige Philoxenos en Amynias zich op het voorbeeld van den Molossischen hond huns broeders sedert eenigen tijd hadden aangeschaft. Het beest had eene verbazende opschudding veroorzaakt, temeer daar Pheidippides, die het geval heel aardig vond, onder den schijn het dier te willen vangen, den aap steeds wilder had gemaakt. En de beide knaapjes hadden bij die gelegenheid bespeurd wat een slechte roep vermag; immers hoewel zij aan het voorval volmaakt onschuldig waren, had hun vader stijf en sterk beweerd, dat het door hun opzettelijk toedoen veroorzaakt was; hij had zelfs, tegenover zijne gasten een flinke houding wenschende aan te nemen, zijn zonen van den disch willen verwijderen en slechts op de krachtige voorspraak des bruidegoms van dit voornemen afgezien. Na afloop van den maaltijd was een wagen, bespannen met witte muildieren, verschenen, waarop nevens Simon en Demetria eene plaats was toegekend aan Aischylos, die bij de plechtigheid als bruidsleider was opgetreden. De gasten hadden fakkels ontstoken aan den haard van het ouderlijk huis, om daarmede volgens een lief gebruik straks het vuur in de woning van het jonggehuwde paar te doen ontvlammen; zwaaiend met de toortsen, welker rosse gloed den nachtelijken hemel verlichtte, omzwermden zij den wagen, die langzaam zijn schoonen last voortbewoog, terwijl de hymenaios, de huwelijkszang, eerst door enkele stemmen werd aangeheven:
Bruiloft vierden op deze wijs
Zeus, die van zijn hoogen troon
Heerscht over de goden en
Hera, die zijn rijksstoel deelt.
Als thans klonk er het bruidslied:
Waarop allen invielen:
Hymen! o Hymenaios!
Wederom verhieven zich de stemmen van zooeven:
Goudvleugelige Eros was ’t
Die als bruidsknaap, bloeiend schoon,
Zeus en Hera zat ter zij
En de bruidskarosse met
Rozenvingeren stuurde.
En wederom besloot het koor:
Hymen! o Hymenaios!
De optocht sloeg den hoek eener straat om. Daar, plotseling, kwam een windvlaag den feestvierenden tegemoet en drie, vier fakkels werden uitgebluscht. Het was een ongunstig voorteeken voor het huwelijksgeluk van Simon en Demetria en lang zoo opgewekt niet, als de vroegere, klonk het derde gedeelte van het bruiloftslied:
Volgt den bruidsstoet op zijn pad;
Volgt hem naar des bruigoms huis;
Strooit hun bloemen waar ze gaan;
Volgt hen, kransen om het hoofd;
Leidt hen op naar het bruidsbed,
Hymen! o Hymenaios!
Eenige weken waren voorbijgegaan en de jonge vrouw begon zich langzamerhand in hare nieuwe omgeving tehuis te gevoelen. Toen was het dat Simon op zekeren morgen met een ernstig gelaat tot haar zeide: «Demetria, volg mij naar het altaar van den haardbeschermenden Zeus, dat wij te zamen den god een offer brengen.» Demetria verliet het weefgetouw waarmede zij bezig was en volgde den echtgenoot met haar gewone zachte bereidwilligheid naar het aan de zijde van het peristyl geopende voorvertrek, waarin zich het bedoelde altaar bevond. Simon waschte zich eerst zorgvuldig de handen, welk voorbeeld door Demetria gevolgd werd, waarop zij gezamenlijk den god plengden en hij, rechtop staand, de armen omhoog geheven, de handen naar buiten gebogen, tot Zeus bad dat deze hem mocht vergunnen de juiste woorden tot zijne vrouw te richten en tevens dat die woorden bij haar in een vruchtbaren bodem mochten vallen. Vervolgens richtte op zijn verzoek Demetria haar gebed tot den oppergod, smeekende dat het haar steeds gegeven zou worden nimmer de plichten, die in haar nieuwen staat op haar rustten, te verzaken. En toen ving Simon het gesprek aan, reeds lang voorbereid, overtuigd dat wanneer de man zich zijne vrouw meer tot vertrouwelinge maakte, dan meestal het geval was; wanneer zij het bewustzijn erlangde dat haar aandeel in de gemeenschappelijke levenstaak, hoezeer verschillend, in werkelijkheid niet minder beteekenend was dan de zijne, de wederzijdsche verhouding niet anders dan gebaat zou kunnen worden.
«Demetria,» begon hij, «sedert wij gehuwd zijn behoort dit huis en alles wat zich daarin bevindt gemeenschappelijk aan ons beiden, zoodat het niet op onzen weg ligt na te gaan wie daarin het meest heeft aangebracht. Liever zou ik willen zeggen dat het gewichtigste aandeel behoort aan hem, die het verstandigst huishoudt.» Demetria zag bij deze tegenover eene Atheensche jonge vrouw ongewone woorden eenigszins schuchter op en vroeg: «Hoe kunt ge mijn aandeel in de huishouding met het uwe vergelijken? Alles gaat immers in de eerste plaats uzelf aan. Mijn vader heeft mij bij het sluiten des huwelijks alleen op het hart gedrukt, ingetogen en ordelijk te zijn.» «Dat zijn deugden, die mij eveneens moeten sieren als u. Doch vrouw en man behooren gelijkelijk de belangen van het huis waar te nemen en de goederen, die zij bezitten, niet alleen nauwlettend te beheeren, maar ook te vermeerderen.» «Gaat die zorg dan niet uitsluitend u aan?» «In geenen deele; slechts in zoover de goden die zorg mij hebben opgedragen. Immers de goden, toen zij den man een forscher lichaam en een krachtiger ziel schonken, gaven daarmede te kennen dat op hem aankomt alles wat buitenshuis plaats heeft: het staatsbeleid, de oorlog en de scheepvaart. En als zij der vrouw een teederder gestel en weeker gemoed gaven, wilden zij daarmede aanduiden, dat voor haar is weggelegd alles wat het huiselijk beheer en de opvoeding der kinderen in de eerste levensjaren betreft; zaken die waarlijk niet minder belangrijk zijn dan de zooeven genoemde.»
Zijne vrouw zag hem verbaasd in de oogen. Dat de werkkring van man en vrouw in waarde gelijk zou zijn, daarvan had zij noch in den huiselijken kring, noch door hare vriendinnen en bekenden ooit hooren gewagen. Doch zij voelde dat Simons woorden weldoordacht en welgemeend waren en een wijde horizon van geluk opende zich voor haar; dankbaar zag ze hem aan, terwijl ze zeide: «Ik dacht niet dat mijne huiselijke bezigheden u zoo belangrijk zouden voorkomen.» «Niet belangrijk? Dan zouden ook de bezigheden van de bijenkoningin niet belangrijk moeten genoemd worden.» «De bijenkoningin?» «Voorzeker. Ge hebt vooral in vroeger jaren, toen uw vader op het land woonde, vaak den arbeid der bijen gadegeslagen. Welnu! deel zelve mede waarin de taak der bijenkoningin bestaat.» «Zij bewaakt den korf en staat niet toe dat een enkele bij ledig blijve; zij zendt naar buiten die bestemd zijn in het veld te arbeiden; zij proeft en neemt in ontvangst al wat in den korf wordt aangebracht; zij bewaart en verdeelt naar gelang der behoefte den aanwezigen voorraad; zij zorgt dat de cellen ordelijk en regelmatig aangelegd worden; zij ziet toe dat de jonge bijen met beleid en verstand worden opgevoed en vormt ze, als ze volwassen zijn, tot volkplantingen, die elders worden heengezonden en nieuwe korven bevolken.» Naarmate Demetria deze verschillende bezigheden opsomde, bemerkte zij zelve hoe juist het door haren echtgenoot gekozen beeld was en vroolijk sloeg zij de handen ineen toen ze geëindigd had. «Bij Artemis!» ging zij voort, «dat is volkomen hetzelfde wat mij te wachten staat. Maar zulk eene bijenkoningin is een heel gewichtig personage; zonder haar zou de korf al zeer spoedig tot een droevigen staat vervallen.» «En hoe zoudt ge dan meenen dat de toestand van onzen korf zou wezen, wanneer gij dien mocht verlaten? Ik wil u nog ééne bezigheid opnoemen, welke niet tot de taak der bijenkoningin behoort en u wellicht de onaangenaamste zal toeschijnen: het verzorgen van diegenen onzer dienaren, die krank mochten worden.» «O neen! dat zal juist mijne aangenaamste bezigheid wezen. Want, erkentelijk voor mijne goede zorgen, zullen zij zich hoe langer zoo meer aan mij gaan hechten.»
Simon, op zijne beurt, zag haar dankbaar in de oogen en gevoelde, evenals zij daar straks, welk een schat hij in zijne wederhelft had gevonden; hij streek met de hand over haar rosbruin hoofdje waarop de krulletjes al heel aardig begonnen aan te groeien en vervolgde: «Hebt ge wel opgemerkt dat zoo vaak de bijenkoningin den korf verlaat, geen enkele bij tehuis blijft doch alle haar volgen? Welnu, Demetria, eene gelijke toegenegenheid, eene even groote liefde zal allen in deze woning aan u verbinden.» «Maar, wanneer ik in ontvangst te nemen, te bewaren en te verdeelen heb, dan moet gij ook zorg dragen dat er veel in den korf wordt gebracht; anders zou de taak der bijenkoningin weinig beteekenen.» «En waartoe zou mijn arbeid buiten den korf strekken, wanneer ik niet de wetenschap bezat, dat zich daarbinnen iemand bevond, die de vruchten daarvan wist te bewaken en te beheeren? Zou die arbeid niet te vergelijken zijn met dien der dochteren van Danaos, veroordeeld ten eeuwigen dage water in een bodemloos vat te gieten?» «Welk een vreeselijke arbeid zal dat wezen! Dus waarlijk, mijne taak is niet minder dan de uwe?» «De goden, die noch den man noch der vrouw de volmaaktheid schonken, hebben gewild dat beiden in wederzijdsche afhankelijkheid zouden leven en hunne vereeniging is des te inniger naarmate de een beter kan aanvullen wat den ander ontbreekt. Indien ge, waaraan ik niet twijfel, Demetria, den korf als eene goede koningin bewaakt en beheert, dan zult ge in mij steeds een liefhebbenden en zorgzamen echtgenoot vinden, die u zelfs hooger zal schatten dan zichzelven. En ge behoeft niet te vreezen dat met het klimmen der jaren mijne toegenegenheid voor u minder zal worden; neen! want juist naarmate ge mij eene trouwer gezellin en onzen kinderen eene beminnelijker verpleegster zult wezen, zullen de achting en de liefde, die ge allen inboezemt, grooter en inniger worden.»
Aldus spraken Simon en Demetria, en toen het gesprek geëindigd was, gevoelden beiden, dat er iets goeds en liefs zijne intrede in hun leven had gedaan.
