Sadece Litres'te okuyun

Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.

Kitabı oku: «Marathon», sayfa 5

Yazı tipi:

VII

De groote Dionysosfeesten, die in het voorjaar, de maand Elaphebolion, gevierd werden, naderden allengs en verschaften aan Simon heel wat drukte. Hij was volgens zijn wensch tot Aischylos’ choreeg benoemd en behoorde derhalve zorg te dragen voor betaling, kostumeering, huisvesting en onderhoud van de koristen voor de trilogie Prometheus, die overeenkomstig des dichters voornemen in de afgeloopen maanden was voltooid en welker drie deelen de namen droegen van Prometheus vuurbrenger, Prometheus geboeid en Prometheus verlost. Twee andere treurspeldichters, Phrynichos en Choirilos, zouden met Aischylos in het strijdperk treden. Simon spaarde naar zijne belofte moeite noch kosten voor de waardige uitrusting van het stuk; hij voorzag dat de uitgaven voor het koor wel drie duizend drachmen zouden beloopen doch betreurde die som niet; immers de opvoering van een treurspel was eene religieuse handeling en de Helleen, die gedurende de Dionysosfeesten eene tooneelvoorstelling bijwoonde, gevoelde zich met de godheid door een nauwen band vereenigd.

Terwijl de schilder Agatharchos zich met de vervaardiging der benoodigde decoratiën onledig hield, hadden de repetitiën van den Prometheus plaats in een groot, daartoe gehuurd lokaal. Men zou juist aanvangen met het tweede stuk der trilogie, den Prometheus geboeid, waarin de dichter zelf de rollen van Hephaistos en Prometheus vervulde, terwijl in die van Kracht, Okeanos, Io en Hermes, de tweede tooneelspeler Kleandros optrad. Aischylos was het vertrek binnengetreden waar Simon verdiept was in de beschouwing van een groot aantal op proef gezonden maskers; Kleandros, op den rug liggend, deed zijne stem ter oefening beurtelings tusschen de laagste en de hoogste tonen opklimmen en afdalen. De dichter trad op Simon toe en bezag met hem de maskers: grijsaardskoppen met glad geschoren gelaat en wit, sluik haar; andere grijsaardstypen met golvend haar en vollen baard; blonde, zwaar behaarde en gebaarde koppen, voor heldenrollen; baardelooze met dik, zwart haar, de grandes utilités der verzameling. «Ziehier het juiste masker voor Prometheus,» zeide Aischylos, er een te voorschijn halend dat een donkeren man, in de kracht van het leven, met vollen, korten baard en kroeshaar, voorstelde. Hij bond het zich om het hoofd en declameerde:

 
Die vroeger, schoon ze zagen, zagen slechts het niet;
En, hoorend, niets vernamen, maar, het droomenheir
Gelijk …
 

Geweldig, met bovenaardsch geluid, klonk de stem door de zware, gewelfde lippen van des maskers geopenden mond. «Ik deel in uw gevoelen, Aischylos,» zeide Simon; «dit voegt het best bij Prometheus’ persoonlijkheid, beter dan het donkerbruine dat wij gisteren kozen. Daarop was wel is waar de ernstige en weemoedige, maar niet de fiere trek aangebracht, die den lijdenden Titan behoort te kenmerken.» Het masker werd ter zijde gelegd en de beide mannen gingen voort met het onderzoeken van andere, toen plotseling de nog steeds op den rug liggende Kleandros eene chromatische gamma deed hooren, die in een niet geheel zuiveren toon eindigde en Aischylos dan ook onthutst deed omzien. «Neem u in acht, Kleandros,» merkte hij op; «het schijnt dat ge uwe stem in den laatsten tijd verwaarloosd hebt; ook bij de vorige repetitiën scheen zij mij minder zeker dan voorheen.» «Ik mijne stem verwaarloosd!» gaf Kleandros verbolgen ten antwoord, terwijl hij zich halverwege oprichtte, «sedert weken doe ik niets anders dan dieet houden, wandelen, mij volgens de regelen der kunst zalven en, wat het ergste is, standvastig spenen van het genot der liefde, ten einde mijn kostbaar orgaan geheel tot mijn dienst te hebben. Doch waartoe zouden de repetitiën strekken indien het niet ware om fouten te kunnen begaan, die bij de opvoering zelve vermeden behooren te worden? Gij beiden hebt het voorbeeld gegeven door gisteren, zooals ge zelf zeidet, voor den Prometheus geboeid een niet passend masker te kiezen.» Aischylos en Simon konden zich niet weerhouden om deze juiste opmerking te glimlachen, terwijl Kleandros, voldaan over zijn antwoord, zich wederom op den rug neervlijde en zijne zangoefeningen voortzette.

Simon had een bezwaar dat hij, alvorens de repetitie een aanvang nam, aan Aischylos wenschte mede te deelen. Hij had de trilogie met aandacht gelezen en herlezen van de papyrosbladen, waarop zij naar de wastafeltjes uit des dichters hand was overgebracht. En hoezeer hij, naarmate hij verder las, steeds meer onder den indruk was geraakt van den grootschen eenvoud en de ontzagwekkende majesteit der trilogie, van de prachtige verzen, waarin zij vervat was, en de verheven gedachten, die zij inhield, zoo was het hem toch voorgekomen dat althans het tweede harer deelen, de Prometheus geboeid, uit het oogpunt der handeling te wenschen zou overlaten. «De tragedie, Aischylos,» merkte hij op, «beoogt, naar ge mij zelf meermalen hebt medegedeeld, de nabootsing eener beteekenisvolle, geheel voleindigde, binnen bepaalde grenzen besloten handeling. Beantwoordt nu, zoo vroeg ik mij zelf gedurende de lezing meermalen af, de Prometheus geboeid aan deze vereischten? Kan men van handeling spreken waar de hoofdpersoon reeds terstond aan eene rots wordt geklonken en in den aanvang zelfs geheel sprakeloos blijft, om ten slotte met die rots te verzinken? Gaarne zag ik deze vraag, die mij gedurende de laatste dagen voortdurend heeft bezig gehouden, door u opgelost.»

Aischylos antwoordde: «Wanneer men onder handeling verstaat een onophoudelijk en rusteloos bezig zijn met de organen des lichaams, dan zou voorzeker, Simon, gezegd kunnen worden dat Prometheus in het tweede deel der trilogie niet handelend optreedt. En van dat standpunt uitgaande zou de dichter, die een aantal als mieren door elkander krioelende menschen op het tooneel bracht, het voortreffelijkst aan dezen eisch der tragedie voldoen. Doch naast die des lichaams bestaat er eene handeling des geestes, een in zich opnemen, verwerken en weergeven van indrukken; eene handeling, voorzeker niet minder des dichters aandacht waardig dan de andere. Heeft uw eigen geest niet vaak gehandeld terwijl het lichaam bewegingloos ter neer zat? En handelt Prometheus’ geest niet, verricht die geest gedurende den loop van het stuk geen reuzenarbeid, zwaarder dan die der Titanen, aan wier zijde hij niet heeft willen strijden? De vraag is dus uitsluitend of de dichter, die aan een treurspel Prometheus’ naam schonk, er al dan niet in geslaagd is die handeling zijns geestes aanschouwelijk voor te stellen. En daarover zult ge kunnen oordeelen wanneer ge, wat u tot nog toe de papyrosrol deed kennen, uit den mond der spelers in verband met de tooneelschikking zult hebben gehoord.»

Simon zweeg, niet overtuigd, doch erkennend dat de proefsteen van een dramatisch werk in de opvoering gelegen is. Hij wist bovendien dat het langdurige en hardnekkige zwijgen van Aischylos’ helden en heldinnen reeds meer tegen hun schepper was aangevoerd; al zijne stukken, zoo zeiden sommigen, vangen daarmede aan, dat de hoofdpersoon sprakeloos op eene tombe of urn zit te staren, een heelen tijd achtereen; de toeschouwers zitten in afwachting of zij iets zullen hooren en het stuk is intusschen een goed eind opgeschoten. Hij herinnerde zich tevens, dat hij zelf die methode des dichters steeds verdedigd had, er bijvoegend, dat de sprakeloosheid van Aischylos’ personen hem meer boeide dan de woordenrijkheid van vele andere tooneelhelden. Maar nu er nog een volslagen bewegingloosheid bij kwam, het gansche stuk door, vreesde hij toch dat ditmaal de grens overschreden was.

Een andere twijfel van Simon was daarentegen door de kennisneming der trilogie opgeheven. In zijn gesprek, met Aischylos op den voorlaatsten dag der Panathenaien ten vorigen jare gehouden, had hij het vermoeden uitgesproken, dat de wijze, waarop in den Prometheus Zeus’ wereldbestuur was voorgesteld, wellicht niet zou strooken met den eerbied voor de goden waarop de Atheners zich steeds hadden laten voorstaan. Dit evenwel was hem gebleken niet het geval te zijn, althans wanneer men van de trilogie in haar geheel kennis nam. De Prometheus vuurbrenger loste het vraagstuk niet op. De Prometheus geboeid scheen Simons eerste opvatting te bevestigen, waar dat stuk den oppergod schilderde, uitsluitend heerschend krachtens het recht van den sterkste en alle verzet tegen zijne regeering, ook waar het strekt tot heil der door hem misdeelde stervelingen, met grimmig geweld ten onder brengend. Doch zijn religieus gemoed was gerustgesteld toen hij de lezing van den Prometheus verlost had voltooid; hij bespeurde met voldoening dat de woorden: «Elk opstaan tegen de goddelijke wereldordening, ook waar het uit de edelste beweegredenen voortspruit, kan slechts op kortzichtigheid berusten,» bij diezelfde gelegenheid door den dichter gesproken, in laatstgenoemd stuk volkomen tot hun recht kwamen. Niet Prometheus maar Zeus overwon ten slotte en toonde daarbij, een oneindig hooger en edeler wezen te bezitten dan de onbuigzame Titan; hij was het, die alles ten goede schikt, die Io’s lijden verzacht door haar aan te wijzen tot stammoeder van Herakles, wiens moeitevolle aardsche werkzaamheid op hare beurt zal vergoed worden door zijne opneming in der zaligen woning aan de zijde van Hebe. «Mijn vrees was ijdel,» moest de choreeg bekennen. «Neen, Aischylos, gij zijt niet afgeweken van het geloof der vaderen. Ook bij u is Zeus gebleven de geweldige, de eenige, doch tevens de rechtvaardige heerscher. Prometheus is hier de godsvijand, de zelfgenoegzame, die de wereldorde verstoort, den menschen ten gevalle, der godheid ten trots. Het was kortzichtigheid toen de Titan den stervelingen een dienst bewees en daardoor in den weg trad aan de plannen van Zeus, die de menschen wilde verdelgen niet uit haat, maar wegens hun eigen onvolmaaktheid, en een slechte dienst werd hun bewezen toen Zeus’ voornemen, een voortreffelijker geslacht voor hen in de plaats te stellen, met roekelooze, zij het ook welmeenende hand werd verijdeld. En Prometheus, die in het tweede stuk den raad van Okeanos, om zich voor de godheid te verootmoedigen, hooghartig versmaadt, hij is ten slotte verplicht den trotschen nek te buigen en aan Zeus’ voeten de boete neder te leggen, die hij eens hoopte den god te ontwringen.»

Zóó was Titan Prometheus door den dichter opgevat en Simon kon niet genoeg bewonderen de geheel eenige zelfstandigheid waarmede de figuur in de drie verschillende stukken was voorgesteld. In het eerste de welwillende menschenvriend, tevens vriend van Zeus, onbewust van de verschrikkelijke gevolgen zijner ondoordachte daad en vreugdevol zijn bruiloft vierend met de Okeanide Hesione; in het tweede de fiere godsbekamper, onwrikbaar het hoofd verheffend te midden van duldelooze smart, van smeekbeden en bedreigingen; in het derde de eindelijk gebroken strijder, maar gebroken tot eigen bestwil, want op het oogenblik waarop hij zich neder buigt voor Zeus’ majesteit, doodt Herakles’ pijl den gier, die hem met wreeden snavel de telkens weder aangroeiende lever, den zetel der hartstochten, afknaagt, en vallen hem de boeien van het lichaam. Aldus vermocht het slechts de dichter door gods genade, wien, toen hij als knaap den wijngaard zijns vaders bewaakte, Dionysos zelf verschenen was om hem den weg te wijzen dien hij volgen moest en steeds volgen zou, vol heiligen eerbied vervuld voor de oude sagen, toch deze niet slaafs overnemend maar ze adelend door de wijze waarop hij ze opvatte en weergaf.

Intusschen was het koor binnengetreden, twaalf personen, goede zangers en meest alle van flinke gestalte. Een paar minder bedeelden zouden in het midden geplaatst worden wanneer het koor, in drie rijen van vier man, van ter zijde optrad; overigens kon het gebrekkige der gestalte door masker, kostuum en kothurnen grootendeels verholpen worden. Zij waren vergezeld van een fluitspeler, die met een dubbele fluit de koorzangen te begeleiden en met een bijzonder daarvoor vervaardigd schoeisel de maat aan te geven had, terwijl het recitatief werd gesteund door akkoorden der lyra. Men repeteerde voorloopig alleen met het masker, doch ongekostumeerd en zonder decoratief; een der wanden van het vertrek werd verondersteld de rotsige streek, met de zee ter zijde, voor te stellen, waar Prometheus zou worden vastgeklonken. Aischylos, als Hephaistos gemaskerd, trad op, begeleid door Kleandros als de verpersoonlijking der kracht, terwijl de stomme rol van zijn tweeden metgezel, Geweld, door een figurant werd vertolkt. Zij heetten, als bij de opvoering zou plaats hebben, met zich te voeren een ledepop, Prometheus voorstellend, die door hen tegen de rots zou geklonken worden en door wier gapenden mond, met eene opening in de decoratie verband houdend, Aischylos, na als Hephaistos afgetreden te zijn, zou spreken. Kracht en Geweld plaatsten zich voor den wand met eene nagel in de eene, een moker in de andere hand en de eerste hief aan:

 
Het onverbidlijk scherp van harde nagelpunt
Laat ik hem dringen door de borst met volle macht.
 

«Laat vallen uw mokers!» riep Aischylos den beiden toe en twee hamerslagen, onmiddellijk op elkander volgend, weerklonken. En, in zijn Hephaistosrol terugkeerend, galmde de dichter met klagende stem:

 
Wee mij, Prometheus! Ach! ik zucht om ’t geen ge lijdt.
 

Zoo ging het geruimen tijd voort, telkens een tweetal verzen waarin het leedvermaak der willige beulen sprak, gevolgd door eene smartelijke verzuchting van Hephaistos, schier bezwijkend onder de onwelkome taak, hem door de godheid opgelegd. Daartusschen bonsden telkenmale met gelijke tusschenruimten de hamerslagen van het ijzingwekkend gemaskerde tweetal. En Simon bespeurde hoe hij zich wederom vergist had toen hij veronderstelde, dat het in dit gedeelte der trilogie, in den aanvang althans, aan handeling zou ontbreken. Hij liet zijne verbeelding werken ten einde bij het ontbreken der decoratie de tooneelspelers in eene passende omgeving te plaatsen en die verbeelding schiep hem denzelfden achtergrond, in Aischylos’ gezelschap ten vorigen jare van de akropolis aanschouwd, den rotsigen Lykabettos, door de ondergaande zon rozig gekleurd. Dáár had de marteling plaats; dáár werd hij vastgeklonken, hulpeloos en verlaten, in angstverwekkende eenzaamheid. En nauwelijks waren de eerste verzen gesproken of Simon gevoelde dat tusschen dien sprakeloozen lijder en hemzelf een keten gespannen werd, onverbreekbaar, zoolang het den dichter niet zou behagen haar los te maken. Elke mokerslag, die Prometheus trof, drong ook in Simons ziel en hij gevoelde wat die god in dat oogenblik moest gevoeld hebben, inniger en dieper, dan wanneer deze het in stroomende verzen had uitgestort. Ja! dat was de handeling waarvan Aischylos gesproken had, de handeling niet van de organen des lichaams maar van den geest; het in zich opnemen, verwerken en weergeven van indrukken; een arbeid niet minder geweldig dan die der godenbestrijdende Titanen. Hij gevoelde dat er een bewegingloos zwijgen kan zijn, welsprekender en dramatischer dan de meest welbespraakte bewegelijkheid, wanneer slechts de dichter er in slaagt ons te doen mede lijden wat de zwijgende lijdt.

Prometheus had zijn eersten monoloog gehouden; wat straks zijn zwijgen vertolkte, had thans zijn mond geuit:

 
Dewijl ’k den menschen heil
Te brengen dorst, dáárom lijd ik dit vreeslijk lot.
 

Daar verneemt hij geruisch in de lucht als van vogelen der wildernis. Hij meent, het zijn nieuwsgierigen, die zijne marteling komen aangapen. Maar hij vergist zich; het zijn de dochters van Okeanos, de zusters zijner gemalin Hesione, die op het gebeuk der felle mokerslagen tot hem zijn geijld. Op een gevleugelden wagen, die echter evenals de decoratie bij deze repetitie nog ontbrak, naderen zij. De koristen met hun leider, den koryphaios, in de middelste rij, zetten zich door den fluitspeler voorafgegaan in beweging, traden naar Aischylos, die in de rol van Prometheus zich tegen den wand geplaatst had en werden geacht zich rondom de thymele, het altaar in het midden der orchestra, te scharen. Doch hierin voldeden ze den dichter geenszins.

«Ge treedt veel te langzaam en te zwaarwichtig op,» riep hij ontevreden uit. «Het maakt den indruk als zag men eene afdeeling Spartaansche hopliten marcheeren. Bedenkt dat ge zeenimfen voorstelt die, een vreemd geluid hoorend, zich reppen naar de plaats vanwaar het komt. Herhaalt uwen parodos.»

Het koor gehoorzaamde, ditmaal vlugger, volgens door Aischylos zelf aangegeven dansbewegingen en hief aan:

 
Des hamers wijdklinkende slag drong door op den rotsgrond der zee.
 

Doch het duurde nog geruimen tijd eer koryphaios, koor en fluitspeler het Aischylos naar den zin gemaakt hadden. Telkens moest òf eene beweging gewijzigd, òf een stand veranderd, òf eene muziekwijs herhaald worden en Simon, wiens eer als choreeg bij het welslagen van het koor ten zeerste betrokken was, gevoelde zich niets op zijn gemak toen Aischylos hem ter zijde nam en zich ernstig over den koryphaios beklaagde. «De man gesticuleert bijna uitsluitend met het hoofd,» merkte de dichter op, «en vergeet, dat de bewegingen met de handen bijna even uitdrukkingsvol behooren te zijn als de woorden. Ik had gehoopt dat de archon mij Marpsias als koryphaios zou toebedeeld hebben, bij wien de handen niet minder dan de mond spreken, terwijl ze bij dezen houterig neerhangen, als ware hij gelijk Philemon in een lindeboom herschapen.» «Ook ik,» antwoordde Simon, «ben met dezen koryphaios niet bijster ingenomen. Maar hij is sedert den aanvang der repetitiën toch reeds vooruit gegaan en met herhaalde oefeningen geloof ik, dat wij tevreden over hem zullen zijn. Wat Marpsias betreft, deze is als koryphaios aan Phrynichos toebedeeld en ik meen, dat wij geene reden hebben om hem te betreuren. Immers hij gaat zich naar ik hoor in den laatsten tijd aan den wijn te buiten, zoodat hij dan ook telkens stoornis teweeg brengt in de voorbereiding der treurspelen, waaraan hij is toebedeeld. Ik geloof dus, dat wij ons over het gemis van den vroeger zoo voortreffelijken Marpsias niet hebben te beklagen.»

Deze mededeeling verzoende Aischylos eenigszins met zijn koryphaios en de repetitie werd voortgezet. Kleandros trad op in de rol van Okeanos, den vader der nimfen en trachtte, doch even vergeefs als zijne dochters, Prometheus’ stuggen zin te buigen. Ook hier had de dichter het een en ander aan te merken. «Gij vergeet, Kleandros,» zeide hij, «dat het niet geoorloofd is de hand boven de oogen te heffen of beneden de borst te laten zinken. Ook spreekt ge alle regels met evenveel nadruk uit, hetgeen ongewenscht is; men behoort sommige slechts even te doen hooren ten einde de volgende des te meer indruk te doen maken. Straks zag ik u, zij het slechts even, op den rechtervoet steunen, hetgeen een komisch, geen tragisch gebaar is.»

Kleandros gehoorzaamde, schoon aarzelend. Hij bezat van zichzelf als dienaar van Dionysos geen gering denkbeeld en voegde zich niet dan onwillig naar de wenken des dichters. Bereidvaardiger was de fluitspeler, wien in den daarop volgenden koorzang de dichter er op wees hoe de riem, welken hij om den mond droeg, niet geheel passend was, zoodat het doel, het niet doorlaten van bijtonen, verijdeld werd. De rampzalige Io, voorheen de beminde van Zeus, evenals Prometheus zijn vriend, verscheen daarop ten tooneele en de beide ongelukkigen twistten er over wie hunner wel de ellendigste moest genoemd worden: zij, half waanzinnig van smart; hij, onder het zwaarste lijden zijn zinnen zoo meester. Dan voorspelde Prometheus wat haar te wachten stond, omzwervingen zonder tal, tot ze de stammoeder zou worden van een knaapje, wiens heldendaden heel het aardrijk zou verkonden. Hij voegde er bij, dat de trots van Zeus zich eenmaal diep vernederen zou, wanneer hem een zoon geboren was die, machtiger dan de vader zelf, den onrechtvaardigen oppergod van den troon zou stooten. En als straks Hermes verschijnt om den gefolterden Titan te dwingen den naam van dien zoon te noemen, weigert hij en slingert een laatsten vloek op den Olympischen dwingeland, in wilde anapaesten die op het schokkende slot voorbereiden en het als het ware te voorschijn roepen, tot eindelijk te midden van aardbevingen en donderslagen Prometheus met de rots in den afgrond verzinkt.

De repetitie was afgeloopen. Men verpoosde zich van den inspannenden arbeid, nog velerlei besprekend wat gedurende de instudeering gebleken was wijziging of verbetering te behoeven. De fluitspeler, een jongmensch en revolutionair op muzikaal gebied, kwam aan met eene nieuwe theorie; hij bepleitte namelijk de wenschelijkheid in de koorzangen op sommige lettergrepen meer dan één noot aan te brengen, hetgeen zijns inziens een hoogst streelenden indruk op het gemoed der hoorders zou teweeg brengen. Doch deze afwijking van den strengen eenvoud, tot dusver bij de dramatische toonzetting in gebruik, werd door allen zóó nadrukkelijk afgekeurd, dat de fluitspeler zijne nieuwe denkbeelden ijlings terugnam. Aan Simon werd door Aischylos opgedragen, bijzondere zorg te besteden aan de kostumen van een tweetal koristen, door de natuur niet bovenmatig fraai bedacht. Den tengeren Kleandros, wiens gestalte zich uitstekend voor de rol van Io leende, werd ingescherpt zich als Okeanos vooral van een geschikt prosternidion en progastridion te voorzien, ten einde, door het verbreeden der borst en het verzwaren van den buik, als een waardige oude zeegod op te treden.

«Wat is de reden, Kleandros,» aldus richtte Simon zich tot den tooneelspeler, «dat u bij het vertolken eener tragische rol de tranen over het gelaat vlieten, ook nadat ge reeds het tooneel hebt verlaten? Toen ik u zoo straks als Io hoorde, bewonderde ik de door tranen gedempte stem, die zich uit uw masker hooren deed, doch toen ge u daarvan ontdaan hadt, bespeurde ik tot mijne verwondering, dat die stem niet geheel kunstmatig was maar ge wel degelijk, terwijl ge Io voorsteldet, geweend hadt en nog weendet.» «Gaarne beantwoord ik uwe vraag, Simon,» zeide Kleandros. «Zoodra ik eene tragische rol vervul, ben ik niet meer de Athener Kleandros, de zoon van Moschos, maar Io of Memnon of Bellerophon en men zou mijne verbazing in hooge mate opwekken wanneer men mij gedurende die oogenblikken mededeelde, dat zulks niet het geval is. Vandaar dan ook dat de aandoeningen der helden en heldinnen, welke ik vertolk, mij zoo machtig aangrijpen, dat de tranen mij onwillekeurig over het gelaat rollen. Ja zelfs, ik ga verder en verricht handelingen, in het stuk gansch en al niet aangegeven doch alleenlijk voortvloeiend uit de gemoedsstemming waarin ik door de bestudeering ervan gebracht ben. Ten vorigen jare was ik, als Atreus in de tragedie van Phrynichos, gedurende de repetitiën neder gezeten, toen een der koristen mij onverhoeds voorbijtrad. Ik gevoelde mij, geheel in mijne rol, zoozeer van moordgedachten vervuld, dat ik nauwelijks den niets kwaads vermoedenden man bespeurde of ik sprong in razernij van mijn zetel omhoog en bracht hem met mijn schepter een hevigen slag op het hoofd toe. Gelukkig was dat lichaamsdeel met een lederen kap bedekt, zoodat hij met eene lichte duizeling vrij kwam.» «Ikzelf heb een ernstiger geval vernomen,» liet Aischylos hierop volgen. «Bij de repetitiën van Choirilos’ Ajas, voor een tweetal jaren, ontstak de acteur Olympos, die Ajas voorstelde, na de uitspraak welke aan Odysseus Achilleus’ wapenen toekent, zoozeer in woede, dat hij met des fluitspelers instrument zijn bevoorrechten mededinger doodelijk wondde.» Ieder der aanwezigen bracht zijne persoonlijke herinneringen aan; zoo vernam men van een tooneelspeler, die als Elektra de gewaande asch van Orestes ontvangend, zich eene urn deed reiken met de asch zijns eigen zoons gevuld, ten einde maar recht in eene droeve stemming te geraken. Men scheidde ten slotte met de beste verwachtingen voor de toekomst en met het vaste voornemen eene uitvoering tot stand te brengen, het meesterstuk dat zij gold ten volle waardig.

Yaş sınırı:
12+
Litres'teki yayın tarihi:
25 haziran 2017
Hacim:
150 s. 1 illüstrasyon
Telif hakkı:
Public Domain