Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.
Kitabı oku: «Niels Holgersson's Wonderbare Reis», sayfa 13
De jongen aarzelde. Hij herinnerde zich, dat toen Grootvader gestorven was, Moeder hem zorgvuldig neer had gelegd. Hij wist, dat dit gebeuren moest. Maar aan den anderen kant voelde hij, dat hij in dezen griezeligen nacht niet naar de doode durfde gaan. Hij zei niet: “neen”; maar hij deed ook geen stap naar de schuurdeur.
Een oogenblik bleef de oude koe zwijgend staan, alsof ze op antwoord wachtte. Maar toen de jongen niets zei, herhaalde ze haar verzoek niet. Ze zweeg een poos, en toen begon ze over de vrouw te spreken.
Er was veel van haar te vertellen. Allereerst van al de kinderen, die ze had grootgebracht. Ze waren immers elken dag in de schuur geweest, en ’s zomers gingen ze met het vee naar ’t moeras en langs de met boomen begroeide velden, zoodat de oude koe ze allen kende. Ze waren allen flink geweest en vroolijk en vlijtig. Een koe wist wel, of haar hoeders flinke menschen waren.
En ook was er veel van de boerderij te vertellen. Die was niet altijd zoo armoedig geweest, als ze nu was. Die was heel uitgestrekt, maar het grootste deel bestond uit moerassen en steenachtige velden. Er was niet veel plaats voor akkers, maar er waren overal uitmuntende weiden. Er was een tijd geweest, dat de stallen vol koeien stonden, en de ossenstal, die nu leeg stond, vol ossen. En in ’t huis en in de stallen woonden lust en vreugd. Als de vrouw de schuurdeur open deed, had ze geneuried en gezongen, en alle koeien hadden van genoegen geloeid, als zij haar hoorden komen.
Maar de boer was gestorven, toen de kinderen zoo klein waren, dat ze nog niet konden werken, en de vrouw had de hoeve, en al ’t werk, en de zorg moeten overnemen. Ze was sterk als een man geweest, en ze had geploegd en geoogst. ’s Avonds, als ze in den stal kwam om te melken, was ze nu en dan zóó moe, dat ze schreide. Maar als ze aan haar kinderen dacht, werd ze weer blij. Dan veegde zij de tranen uit de oogen, en zei: “Dat is niets. Ik zal ’t ook wel goed krijgen, als mijn kinderen groot worden. Ja, als ze maar eerst groot zijn!”
Maar zoodra de kinderen groot waren, kwam er een wonderlijk verlangen over hen. Zij wilden niet thuis blijven, maar ze trokken weg naar vreemde landen. Hun moeder kreeg nooit hulp van hen. Een paar van de kinderen waren getrouwd, eer ze op reis gingen, en zij hadden hun kindertjes thuis achtergelaten. En die kleintjes liepen nu met de vrouw meê door de schuur, zooals hun eigen ouders gedaan hadden. Zij hoedden de koeien, en ze werden beste, flinke menschen. En ’s avonds, als de vrouw zoo moe was, dat ze onder ’t melken bijna insliep, werd ze weer welgemoed, als ze aan hen dacht. “Ik zal ’t wel weer goed krijgen,” zei ze, en wreef zich den slaap uit de oogen, “als ze maar eerst groot zijn.”
Maar toen die kinderen groot waren, vertrokken ze naar hun ouders in ’t vreemde land. Geen van hen kwam terug, geen van hen bleef thuis. De oude vrouw bleef alleen op de hoeve achter. Zij vroeg hun ook nooit om bij haar te blijven.
“Vind je, Rödlina, dat ik hun moet vragen bij mij te blijven, als ze de wereld in kunnen gaan en het goed hebben?” placht zij te zeggen, als zij in de schuur bij de oude koe stond. “Hier in Smaland kunnen ze niet anders dan armoe verwachten.”
Maar toen haar laatste kleinkind vertrokken was, had de vrouw geen kracht meer. Ze werd op eens gebogen en grijs, en ze wankelde onder ’t loopen, alsof ze zich bijna niet meer verroeren kon. En ze werkte niet meer. Ze wilde de hoeve niet meer verzorgen, maar liet alles vervallen. Ze onderhield het huis niet meer, en ze verkocht de ossen en koeien. Het eenige, wat ze behield, was de oude koe, die nu met Duimelot stond te praten. Haar liet ze leven, omdat alle kinderen haar gekend hadden.
Zij had wel meisjes en jongens in haar dienst kunnen nemen, die haar met het werk hadden geholpen, maar ze kon geen vreemden om zich heen verdragen, nu haar eigen familieleden haar hadden verlaten. En misschien had ze maar ’t liefste, dat de hoeve achteruit ging, nu geen van de kinderen die overnemen zou. Zij gaf er niet om, of zij arm werd, doordat ze haar eigendom niet verzorgde. Maar ze was bang, dat haar kinderen zouden te weten komen, hoe moeilijk zij het had.
“Als de kinderen ’t maar niet hooren! Als de kinderen ’t maar nooit hooren!” zuchtte ze, als ze door de schuur strompelde.
De kinderen schreven dikwijls, en vroegen of ze bij hen wilde komen, maar dat wilde ze niet. Zij wilde het land niet zien, dat ze haar had afgenomen. Ze haatte het.
“’t Is wel dom van me, dat ik niet van dat land kan houden, dat zoo goed voor hen was,” zei ze. “Maar ik wil het niet zien.”
Ze dacht nooit aan iets anders, dan aan de kinderen, en dat ze waren weggegaan. Als het zomer was, bracht ze de koe naar buiten, om haar op het groote moeras te laten grazen. Zelf zat zij den heelen dag aan den kant van ’t moeras, met de handen in den schoot; en als ze naar huis ging, zei ze: “Zie je Rödlina, als hier groote, vette akkers waren in plaats van dit onvruchtbaar moeras, dan hadden ze niet hoeven weg te gaan.”
Ze kon boos op dat moeras zijn, dat zich zoo ver uitbreidde, en geen nut deed. Ze kon zitten praten, alsof dat moeras er schuld aan had, dat haar kinderen van haar waren weggegaan.
Den laatsten avond was ze zwakker geweest, en had meer gebeefd dan ooit te voren. Ze had het melken niet eens kunnen volhouden. Ze had tegen den muur geleund gestaan, en verteld, dat er twee boeren bij haar waren geweest om het moeras te koopen. Zij wilden het indijken, en dan bebouwen. Daar was ze bang en toch blij door geworden.
“Hoor je wel, Rödlina?” had ze gezegd, “hoor je, dat ze zeiden, dat er rogge op ’t moeras groeien kan? Nu zal ik de kinderen schrijven, dat ze thuis moeten komen. Nu hoeven ze niet langer weg te blijven. Nu kunnen ze hun brood hier thuis verdienen.”
Het was om dien brief te schrijven, dat ze naar huis was gegaan.
De jongen hoorde niet meer, wat de oude koe vertelde. Hij had de schuurdeur open gedaan, en was de plaats over geloopen naar de kamer met de doode, waar hij zoo pas zoo bang voor was geweest.
Eerst stond hij een poos stil rond te kijken.
De kamer zag er niet zoo armoedig uit, als hij verwacht had. Die was rijkelijk voorzien van allerlei, wat men gewoonlijk vindt bij menschen, die familie in Amerika hebben. In een hoek stond een Amerikaansche schommelstoel, op de tafel voor het venster lag een bont pluche kleed, een mooie sprei lag over het bed, aan de wanden hingen de portretten van de kinderen en kleinkinderen, in mooie uitgesneden lijsten, op de commode stonden hooge vazen en een paar kandelaars met dikke, gedraaide kaarsen.
De jongen zocht een lucifersdoos, en stak die kaarsen aan, niet omdat hij beter wilde zien, maar omdat hij dit een manier vond om de doode eer te bewijzen.
Toen ging hij naar haar toe, drukte haar oogen toe, legde haar handen gekruist over de borst, en streek het dunne grijze haar uit haar gezicht. Het kwam niet meer in hem op om bang voor haar te wezen. Hij was er zoo innig bedroefd om, dat ze haar ouderdom in eenzaamheid en verlangen had moeten doorbrengen. Nu zou hij ten minste dien nacht bij haar lijk waken.
Hij zocht in het gezangboek, en las een paar psalmen halfluid voor. Maar middenin hield hij op, hij dacht aan Vader en Moeder.
Dat wist hij niet, dat ouders zóó naar hun kinderen kunnen verlangen! Dat had hij nooit geweten. Stel je voor, dat het leven voor hen voorbij is, als de kinderen weg zijn. Stel je voor, dat ze thuis op dezelfde manier naar hem verlangden, als deze oude vrouw naar haar kinderen!
Hij werd blij bij die gedachte, maar hij durfde het niet gelooven. Hij was niet zoo geweest, dat iemand naar hem kon verlangen, maar wat hij niet geweest was, kon hij misschien worden.
Om zich heen zag hij de portretten van hen, die waren heengegaan. ’t Waren groote, sterke mannen en vrouwen met ernstige gezichten. ’t Waren bruiden in lange sluiers, en heeren in fijne kleeren, en kinderen met krulhaar en mooie witte kleertjes aan. En hij vond, dat ze allen als blinden voor zich uit keken, en niet wilden zien.
“Arme menschen!” zei de jongen tegen de portretten. “Jelui moeder is dood. Je kunt het niet meer goed maken, dat je van haar wegging. Maar mijn moeder leeft.”
Hier hield hij even op, en glimlachte.
“Mijn moeder leeft,” zei hij. “Vader en Moeder leven allebei!”
XVI. Van Taberg naar Huskvarna
De jongen zat bijna den heelen nacht klaar wakker, maar tegen den morgen sliep hij in, en droomde van Vader en Moeder. Hij kon ze bijna niet herkennen. Beiden hadden ze grijs haar en oude, gerimpelde gezichten gekregen. Hij vroeg waar dat van kwam, en zij antwoordden, dat ze zooveel ouder waren geworden, omdat ze zoo naar hem hadden verlangd. Hij was hierdoor bewogen en er over verbaasd, want hij had nooit anders gedacht, dan dat ze blij waren van hem af te zijn. Toen de jongen wakker werd, was de morgen aangebroken, met mooi helder weer. Hij at zelf eerst een stuk brood, dat hij in de kamer vond, gaf toen morgenvoer aan de ganzen en de koe, en deed de schuurdeur open, opdat de koe naar de naastbijliggende hoeve zou kunnen gaan. Als ze daar alleen aankwam, zouden de buren wel begrijpen, dat het slecht stond met haar eigenares. Ze zouden naar de verlaten hoeve gaan, om te zien, hoe het de oude ging, en dan zouden ze haar lijk vinden en haar begraven.
Nauwlijks hadden de jongen en de ganzen zich in de lucht verheven, of ze kregen een hoogen berg in ’t oog, met bijna loodrechte wanden en een recht afgebroken top, en ze begrepen, dat dit de Taberg moest wezen. En op den top van den Taberg stond Akka met IJksi en Kaksi, Kolme en Nelja, Viisi en Kuusi en alle zes de kleine gansjes hen op te wachten. Dat was me een blijdschap, en een gekakel, en een fladderen en roepen, dat niet te beschrijven was, toen zij zagen, dat het den ganzerik en Donsje gelukt was Duimelot te vinden.
Langs de zijden van den Taberg groeide tamelijk hoog hout, maar boven op was de top kaal, en van daar kon men naar alle kanten uitzien. Keek men naar het oosten, het zuiden en het westen, dan was er bijna niets anders te zien, dan een armoedig hoogland, met donkere dennenbosschen, bruine moerassen, met ijs bedekte meren, en blauwe bergtoppen. De jongen kon niet laten te denken, dat het waar was, dat hij, die dat geschapen had, zich niet veel moeite had gegeven bij zijn werk, maar het in haast had uitgehouwen. Keek men daarentegen naar het noorden, dan was het iets heel anders. Hier zag het toen eruit, alsof het met de grootste liefde en zorg was gevormd. Naar dien kant kwamen louter mooie bergen te voorschijn, zacht glooiende dalen, en kronkelende stroomen, heel tot aan het groote Wettermeer toe, dat vrij van ijs en stralend helder daar lag te glanzen, alsof ’t niet met water, maar met blauw licht was gevuld.
’t Was juist dat Wettermeer, dat het uitzicht naar het Noorden zoo mooi maakte, omdat het scheen, alsof een blauwe schijn uit het meer was opgestegen, en zich ook over het land had uitgespreid. Bosschen en heuvels, daken en torenspitsen in Jönköping, die flauw te zien waren aan de oevers van het Wettermeer, lagen in een lichtblauwen gloed gehuld, dat het oog streelde. Als er landen in den hemel waren, zouden ze ook wel zoo blauw zijn, dacht de jongen, en hij meende, dat hij er nu een indruk van had, hoe het er in ’t Paradijs uitzag.
Toen de ganzen verder op den dag hun reis voortzetten, vlogen ze naar dat blauwe dal. Ze waren in ’t allerbeste humeur, schreeuwden en waren rumoerig, zoodat ieder, die niet doof was, ze wel moest opmerken.
Nu was het toevallig de eerste echt mooie lentedag, dien men in die streek gehad had. Tot nu toe had de lente haar werk verricht onder regen en wind, en toen ’t nu op eens mooi weer werd, kwam er onder de menschen zulk een verlangen naar zomerwarmte en groene bosschen, dat ze moeite hadden aan hun werk te blijven. En als de wilde ganzen vrij en vroolijk hoog in de lucht voorbijvlogen, was er niet één, die niet ophield met wat hij deed, en ze nazag.
De eerste, die de wilde ganzen dien dag zagen, waren de mijnwerkers op Taberg, die erts braken uit den bergwand. Toen ze hen hoorden kakelen, hielden ze op met het boren van hun loopgraven, en een van hen riep de vogels toe:
“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?”
De ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen boog zich over den ganzerug, en antwoordde in hun plaats:
“Daarheen, waar geen houweel of hamer is!”
Toen de mijnwerkers die woorden hoorden, meenden ze, dat het hun eigen verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal.
“Neem ons meê, neem ons meê!” riepen ze.
“Van ’t jaar niet, van ’t jaar niet!” riep de jongen.
De wilde ganzen vlogen langs de Tabergbeek naar het Munkmeer, en altijd door maakten ze hetzelfde spektakel. Hier op de smalle strook land tusschen het Munkmeer en het Wettermeer lag Jönköping met zijn groote fabrieken. De wilde ganzen vlogen eerst over de papierfabriek van ’t Munkmeer. ’t Was juist na den middagschafttijd, en de groote scharen arbeiders stroomden naar de fabriekspoort. Toen zij de wilde ganzen hoorden, bleven ze een oogenblik staan om te luisteren.
“Waar ga jelui heen? waar ga jelui heen?” riep een arbeider. De wilde ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen antwoordde voor hen:
“Daarheen, waar noch machines, noch stoomketels zijn!”
Toen de arbeiders dat antwoord hoorden, meenden zij, dat het hun eigen verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal.
“Neem ons mee! Neem ons mee!” riepen ze.
“Van ’t jaar niet, van ’t jaar niet!” riep de jongen.
Daarna vlogen de ganzen over de wijdberoemde lucifersfabriek, die aan den oever van het Wettermeer ligt, groot als een vesting, en haar hooge schoorsteenen naar den hemel opsteekt. Geen mensch bewoog zich op de binnenplaatsen, maar in de groote zaal zaten jonge arbeidsters de lucifersdoosjes te vullen. Zij hadden een venster open, omdat het zulk mooi weer was, en daardoor hoorden zij het gekakel van de wilde ganzen. Zij, die het dichtst bij ’t venster zat, keek eruit met een lucifersdoosje in de hand, en riep:
“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?”
“Naar dat land, waar geen kaarsen of lucifers noodig zijn,” riep de jongen.
’t Meisje meende wel, dat wat ze gehoord had, enkel ganzengekakel was, maar ze antwoordde: “Neem me meê! Neem me meê!”
“Van ’t jaar niet! Van ’t jaar niet!” antwoordde de jongen.
Ten oosten van de fabrieken verheft Jönköping zich op de heerlijkste plek, waar een stad maar kan liggen. Het smalle Wettermeer heeft hooge, steile, zandige oevers ten oosten en ten westen, maar vlak in ’t zuiden zijn de zandmuren uitgebroken, als om plaats te maken voor een groote poort, waardoor men aan ’t meer komt. En midden in die poort, met bergen links en rechts, met het Munkmeer achter en ’t Wettermeer voor zich, ligt Jönköping.
De ganzen vlogen over de lange smalle stad, en maakten ’t zelfde spektakel daar als buiten op ’t land. Maar in de stad antwoordde hun niemand. ’t Was niet te verwachten, dat de stadsbewoners naar buiten zouden komen om de wilde ganzen na te roepen.
De tocht ging verder langs ’t Wettermeer en na een poosje kwamen de ganzen bij ’t Sanatorium van Sanna. Eenige van de zieken waren op een veranda gegaan, om van de lentelucht te genieten, en zoo hoorden zij het ganzengekakel.
“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?” vroeg een van hen met zulk een zwakke stem, dat het nauwlijks hoorbaar was.
“Naar het land, waar geen verdriet of ziekte is!” antwoordde de jongen.
“Neem ons mee!” zei de zieke.
“Van ’t jaar niet!” antwoordde de jongen. “Van ’t jaar niet!”
Toen ze nog een eind verder gevlogen waren, kwamen zij aan Huskvarna. Dat lag in een dal. De bergen stonden steil en fraai gevormd daarom heen. Een beek kwam van een hoogte naar beneden in lange smalle watervallen. Groote werkplaatsen en fabrieken lagen beneden aan de bergwanden; over den bodem van het dal lagen de arbeiderswoningen verspreid, door tuinen als bonte tapijten omgeven, en midden in het dal lag de school.
Juist toen de wilde ganzen aan kwamen vliegen, luidde een klok, en een menigte kinderen marcheerden naar buiten, rij aan rij. Er waren er zooveel, dat het heele schoolplein vol werd.
“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?” schreeuwden de kinderen.
“Daarheen, waar geen boeken of lessen zijn!” antwoordde de jongen.
“Neem ons meê!” schreeuwden de kinderen. “Neem ons meê!”
“Van ’t jaar niet! Van ’t jaar niet!” riep de jongen, “maar later!”
XVII. Een geschiedenis uit Halland
Tegen zonsondergang werden de ganzen moe en stil. Geen schertsend roepen werd meer gehoord. En de jongen zat, in herinneringen verdiept, op den rug van den ganzerik. Hij dacht aan een avond in Zuid-Halland.
De wilde ganzen waren neergedaald op akkers, die daar even uitgestrekt en goed bewerkt waren als in Skaane, en toen hoorde hij hoe een Hallander aan een man uit Skaane de volgende geschiedenis vertelde, waaruit hij zou kunnen zien met hoeveel moeilijkheden de Hallanders te strijden hadden, eer zij hun land tot een welgesteld land hadden kunnen maken.
Voor ongeveer honderd jaar lag in Zuid-Halland een oud landgoed, op een eenzame plaats, dicht bij de kust. Dat was met kleine, lage en ouderwetsche huizen bebouwd, met donkergrauwe rieten daken, en de groote kamer was zoo stokoud, dat ze dakvensters had.
Het landgoed heette Brendane. Er hoorden groote landerijen onder, maar alleen de naaste omgeving van de huizen kon bebouwd worden. Het andere gedeelte bestond uit onvruchtbaar stuifzand. Ouden van dagen wisten te vertellen, dat om dat eenzame landgoed vroeger een heele stad moest hebben gelegen. Dat was in den tijd geweest, toen er nog veel bosschen in Halland waren, toen er zich geweldig groote wouden van eiken en beuken van de kust af tot heel aan de grens van Smaland uitstrekten. In die dagen had de stad met haar landerijen op een opengehakte plaats in ’t bosch gelegen, en de boomen hadden er om heen gestaan en haar beschut. Maar toen was het bosch omgehakt, en niet alleen dat, wat het dichtste bij stond, maar de bosschen in de heele streek, ja in heel Halland waren vernield.
Men zei, dat de boeren in Brendane er eerst blij om waren, dat ze van dat bosch af waren. Nu konden zij hun akkers steeds verder uitbreiden en hun vee laten weiden op open velden, waar het gemakkelijk kon worden gehoed. Dezen en genen klaagden er wel over, dat het nooit meer stil weer was, nu de boomen niet langer den wind tegenhielden, en anderen jammerden er over, dat ze heel naar Smaland om brandhout moesten. Maar toch was er niemand, die in ernst ontevreden was. Niemand dacht, dat het gevaarlijk kon zijn, dat het bosch weg was.
Maar de stad Brendane lag, zooals hierboven gezegd is, vlak bij de zee, en de groote akkers strekten zich tot heel bij het water uit. En nu wordt er verteld, dat eenige jaren, nadat het bosch was omgehakt, de storm op een herfstdag een paar verdorde grasbosjes losrukte, beneden aan het strand. Onder ’t gras lag fijn, licht zeezand. Dat bestond bijna uit niets anders dan mosselschelpen en slakkenhuisjes, die tot ’t allerfijnste stof waren gemalen in den grooten molen van de zee. En ze werden door den wind opgenomen en begonnen rond te stuiven. Van dat oogenblik was het, alsof de wind het strand niet meer met rust kon laten. De grasbosjes droogden uit, nu het bosch de vocht niet meer vasthield, en ze werden, het eene na het andere door den wind weggerukt. Op die manier kwam er steeds meer zand voor den dag, dat meê ging met den storm. Het stoof op in de lucht, danste een poos rond, en viel neer in harde, witte wolken, ongeveer als fijne sneeuw.
Toen de boeren in Brendane dat spelletje voor ’t eerst zagen, vonden ze daar geen kwaad in. Maar het volgend voorjaar merkten ze, dat de akkers, die het dichtst bij de zee lagen, met zand waren bedekt.
’t Was maar een dun laagje zand, en het scheen aan de vruchtbaarheid niet erg te hinderen. Maar die heele zomer werd buitengewoon droog en winderig. ’t Koren kon niet groeien; ’t verdorde en verschrompelde. De aarde lag onder de planten, droog als zwam, en iederen dag dreef de wind heele wolken omhoog, en voerde ze weg. Maar onder die dunne aardlaag lag weer dat lichte zeezand, fijn als meel, klaar om met den wind rond te dansen. En toen de zomer voorbij was, had de storm heele groote velden om meê te spelen. In de stad Brendane zaten de boeren en zagen, hoe hij de zandmassa’s oplichtte, ze naar den hemel deed stuiven, ze rondwervelde en neergooide in hoopen en bergjes, die hij den anderen dag weer verplaatste en vervormde.
Elk jaar verzandde de wind meer velden, en de boeren kregen telkens minder grond te bebouwen. Ze streden wel met het zand; ze zetten schuttingen, en maakten dijken, maar niets scheen te helpen. Als ze ploegden en egden, was het alsof ze den wind hielpen het zand op te zweepen, en als zij den grond met rust lieten, verzandde die zóó, dat er geen grassprietje groeien kon.
En ’t was niet genoeg, dat het stuifzand de akkers bedierf; er kwam geen eind aan den last, dien het gaf. ’t Lag in hoopen op den drempel in den morgen, als men de huisdeur open deed; ’t striemde de menschen in ’t gezicht, als ze uitgingen, ’t stoof door den schoorsteen en viel in het eten, en ’t lag in zulke dikke lagen op wegen en paden, dat het rijden en loopen vreeselijk vermoeiend werd.
Spoedig konden de stadsbewoners het niet meer uithouden. Na een paar jaar braken een paar van hen hun huizen af, en bouwden ze verder op het land weer op. Ieder voorjaar verhuisden er zoo eenigen, en eindelijk bleef er maar één hoeve over van de heele stad. Nu verwachtte men natuurlijk, dat ook die hoeve niet lang midden in de velden met stuifzand zou blijven staan. Maar dat deed ze toch. De boer, die de hoeve bezat, was een van die menschen, die zich niet laten wegjagen. ’t Was niet, omdat hij de streek zoo liefhad, dat hij nergens anders zou kunnen aarden, dat hij niet van woonplaats wilde veranderen. Maar hij kon niet verdragen, dat hij gedwongen zou worden te verhuizen; hij wilde liever blijven, waar hij was, en het zand bestrijden.
Later ging het zoo, dat zijn zoon en allen, die na hem in het bezit van den tuin kwamen, denzelfden aard hadden. Ze wilden er niet van hooren, dat het zand hen zou dwingen de hoeve te verplaatsen, zoolang zij nog een spa konden opheffen om het weg te graven. En ’t was geen lichte strijd, dien zij te voeren hadden, vooral omdat niemand hun leerde, hoe zij dien voeren moesten. Niemand zei hun, hoe zij het zand moesten vastmaken, zoodat het stil bleef liggen. Zij vergenoegden zich met het zetten van omheiningen om de akkers heen, die het dichtst bij het woonhuis lagen, om ten minste die te kunnen bewaren.
De menschen daar bekommerden er zich niet om, dat zij ter wille van hun hardnekkigheid in armoede moesten leven. Zij stelden boven alles hun onwil om zich te laten verdrijven. In plaats van de groote kudden, die ze vroeger bezaten, hadden ze nog maar een paar koeien en een enkel paard. Maar zoolang ze die onderhouden konden, waren ze nog bij machte, stand te houden.
Wat hen steunde was het gevoel, dat zij in aanzien stegen door den strijd, dien ze voerden. De menschen vonden het flink, dat ze zich niet lieten verdrijven, en als de boer van Brendane zich op een volksbijeenkomst vertoonde, waren er altijd, die omkeken om den man te zien, die de kracht had het in het stuifzand vol te houden.
Maar honderd jaar geleden, toen de strijd tusschen het zand en de menschen op zijn hoogst was, scheen het op eens, alsof het zand het zou winnen. De boer van Brendane stierf plotseling in de kracht van zijn leven, en de zoon, dien hij naliet, was niet ouder dan vijftien jaar, en kwam onder voogdij van zijn moeder. Dus nu was zij het, die den strijd tegen het zand moest voortzetten, en hoewel zij zich tot dien tijd toe goed had gehouden, was er niemand, die geloofde, dat ze volharding genoeg zou hebben, om tegen zulk een vijand te strijden. De zoon heette Sigurd. Hij leek op zijn moeder, die blond en mooi was. Hij scheen opgeruimd te zijn van aard, evenals zij, maar zoo lang zijn vader leefde, had deze al zijn bekommeringen met hem gedeeld, zoodat hij wel wat heel gedrukt was geworden en te ernstig voor zijn leeftijd. Hij kon het goed met zijn moeder vinden. Zij waren het er over eens, dat zij zouden probeeren het op Brendane uit te houden, en zich niet minder te toonen dan de vorige eigenaars.
Toen de boer van Brendane een jaar dood was, kwam er een nieuwe knecht op de hoeve. Sigurd had hem niet gezien, voor hij in den herfst kwam. De huismoeder had hem op een bruiloft ontmoet, in den afgeloopen zomer, en zij had hem dadelijk gehuurd, zonder er met haar zoon over te spreken. De knecht heette Jan, hij was lang en tenger, zag bleek, en had sterk rood haar, en zwarte oogen. De moeder ontving hem bizonder vriendelijk. Toen hij kwam, was er groot feest aangericht: griesmeelkoek, versch brood, verschgekarnde boter, kaas, worst en brandewijn. Er lag een wit tafellaken op tafel, als op feestdagen. De jongen at akelig veel, en Sigurd vond het vreemd, dat hij toonen wou, dat hij hongerig op de hoeve kwam. Onder den maaltijd en daarna sprak hij onophoudelijk; zijn mond stond geen oogenblik stil. Hij was heel grappig, en de moeder en de dienstboden hadden allen zoo’n pleizier, dat ze soms slap van lachen waren.
Sigurd keek hem aanhoudend aan, dien heelen avond, maar hij lachte niet.
De knecht ging een oogenblik in den stal om het paard te verzorgen, en dat nam de moeder waar, om Sigurd te vragen, hoe hij den nieuwaangekomene vond. Sigurd wist, dat zijn moeder heel blij zou zijn, als hij antwoordde, dat hij met hem was ingenomen, maar dat kon hij niet over zich verkrijgen.
“Is hij niet een Tater?” vroeg hij.
“Hij!” antwoordde de moeder. “Waarom zou hij een Tater zijn? Weet je niet, dat de Taters donker zijn? En deze heeft immers rood haar.”
“Ja, maar hij heeft zilveren knoopen aan zijn vest.”
“Dat kan hij toch wel hebben, zonder een Tater te wezen,” zei de moeder, en scheen verdrietig te zijn.
De volgende dagen was Sigurd veel met den nieuwen knecht samen, en wat hij ook van zijn afkomst dacht, hij kon niet ontkennen, dat hij goed werkte. Hij was zoo flink, dat hij in één dag meer deed, dan de vorige knecht in vier. En hij was zoo gewillig, dat hij meer werk verrichtte, dan men van hem verwachtte. Niet alleen hakte hij brandhout klein in de schuur, maar hij bracht het ook in huis. Er was een luik in de schuur, dat jaren lang scheef aan een scharnier had gehangen, zonder dat iemand er op gelet had, maar nu werd het in orde gemaakt. Hij smeerde oude roestige sloten, zette ringen om het brouwvat, en stopte zorgvuldig de gaten in de schuttingen. En al ’t werk ging onder scherts en gebabbel. ’t Was niet te ontkennen, dat het veel gezelliger in huis was geworden, sinds hij gekomen was.
Er stond een oude koffieketel op een plank in de groote kamer in Brendane, die al jaren lang niet gebruikt had kunnen worden. Op een dag vroeg Sigurd aan Jan, of hij dien niet in orde kon maken.
“Ja, dat denk ik wel; laat hem mij maar eens zien,” zei Jan.
De huismoeder nam den ketel van de plank, en reikte dien Jan over, maar gaf hem meteen een wenk.
Jan nam den deksel van den ketel, keek er in, en zette hem haastig weer neer.
“Dien moeten we laten maken, als er eens Taters voorbij komen,” zei hij. “Er mankeert niets aan, dan dat hij vertind moet worden.”
Sigurd voelde een groote verlichting bij die woorden van Jan. Hij wist, dat alle Taters ketels en pannen konden vertinnen, en als Jan die kunst niet verstond, was hij zeker geen Tater. De jongen had niet kunnen laten zich aan den knecht te hechten, en hij was blij, dat Jan geen Tater was, zoodat hij op de hoeve kon blijven.
Maar een paar dagen later werd Sigurd weer ongerust, want toen begon Jan viool te spelen. De huismoeder had er over gesproken, hoe vaak en hoe mooi zij in haar jeugd viool had hooren spelen. En toen had Jan zijn viool gehaald, en was begonnen te spelen. Eerst had hij langzaam en onzeker gespeeld, alsof hij die kunst niet goed verstond, maar op eens had hij ’t hoofd achterover gebogen, zijn oogen waren begonnen te schitteren, en de strijkstok ging met kracht en vaart over de snaren. ’t Bleek, dat hij een meesterlijk speler was. Toen hij goed aan den gang was, konden de vrouwen niet stil blijven zitten, maar begonnen te dansen. Sigurd daarentegen zat onbewegelijk, en luisterde maar. Hij had nooit te voren goed hooren spelen, en hij genoot zóó van de muziek, dat hij niet wilde dansen, maar alleen de muziek in zich opnemen. Maar terwijl hij daar zat te luisteren, overkwam hem iets vreemds. Een duistere herinnering dook in hem op, en verstoorde zijn genot. Hij zag voor zich een Tatertroep, zooals die gewoonlijk door het land trok. Ze kwamen hun hoeve binnen rijden: een paar groote wagens, die alleen met een paar hoopen vodden schenen geladen te zijn, en door ellendige, uitgehongerde paarden werden getrokken; en met de wagens kwamen lange, magere mannen, met gezichten vol schrammen en litteekens, leelijke vrouwen met geel vel, en een eindeloos aantal kinderen met zwarte oogen, die overal rondsprongen, en om alles bedelden, wat ze zagen. Vader was niet thuis geweest, en ze hadden Moeder bang gemaakt, en haar gedwongen hun alles te geven, wat ze begeerden. Ze had hun eten, brandewijn, hooi, wol en kleeren moeten geven, zoodat – toen ze eindelijk weg waren, – het huis als uitgeplunderd was. En dat alles kwam hem nu weer voor den geest, nu Jan speelde. Hij zocht zich aan die herinnering te ontworstelen, maar er was iets in die muziek, wat hem aan de schelle schreeuwende vagebondenstemmen herinnerde.
Een paar dagen later kwam Sigurd haastig in de groote kamer, waar zijn moeder zat te spinnen.
“Nu moet ik u zeggen, dat Jan toch een Tater is,” zei hij.
De moeder boog zich wat meer voorover, maar hield niet op met spinnen.
“Neen, wat zeg je!” antwoordde zij. “Dat is een wonderlijk nieuwtje!”
Er was iets in haar toon, alsof ze hem voor den gek hield.
“Daar kwam zoo pas een wagen vol Taters voorbij, toen Jan en ik op de plaats stonden. Ze riepen Jan iets toe, en hij antwoordde hun.”
“’t Is toch zeker niet verboden met Taters te spreken,” zei de moeder, en scheen niet het minste belang in dat bericht te stellen.
