Sadece Litres'te okuyun

Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.

Kitabı oku: «Niels Holgersson's Wonderbare Reis», sayfa 12

Yazı tipi:

“Dat duurt maar, tot de zomer voorbij is,” riep de jongen in ’t voorbijgaan.

“Wie ben jij?” riep de woerd.

“Ik heet, “door de kraaien gestolen”,” schreeuwde de jongen.

Tegen den middag sloegen de kraaien neer op een openbare weide. Ze liepen rond om eten te zoeken, maar niemand van hen dacht er aan den jongen wat te geven.

Toen kwam Haspel op den hoofdman toe met een tak van een doornstruik, waar een paar rozebottels aan zaten.

“Dat is voor jou, Windsnel,” zei hij. “Dat is lekker eten, dat goed voor je is.”

Windsnel blies verachtelijk. “Meen je, dat ik dorre, oude rozebottels eten wil?” zei hij.

“Ik dacht, dat je er blij meê wezen zou,” zei Haspel mismoedig, en gooide den tak met rozebottels weg. Maar die viel vlak voor den jongen neer, en hij pakte hem gauw, en at ervan, tot hij genoeg had.

Toen de kraaien gegeten hadden, begonnen zij te praten.

“Waar denk je aan, Windsnel? Je bent zoo stil vandaag,” zei een van hen tot den aanvoerder.

“Ik denk er aan, hoe hier in deze streek eens een kip leefde, die zooveel van haar meesteres hield, en om haar eens echt pleizier te doen, legde zij een massa eieren, die ze onder den vloer in de schuur verstopte. En al dien tijd, dat ze zat te broeien, dacht zij er aan, hoe blij de vrouw met die kuikentjes zou zijn. Haar meesteres was natuurlijk nieuwsgierig, waar zij al dien tijd bleef. Ze zocht haar, maar vond ze niet. Kun je raden, Langsnavel, wie haar en de eieren vond?”

“Ik geloof wel, dat ik het raden kan, Windsnel, maar nu je daarover spreekt, zal ik iets dergelijks vertellen. Herinner je je die groote zwarte kat wel, uit de pastorie van Hinneryd? Zij was ontevreden met haar volk, omdat die haar al haar pasgeboren jongen afnamen en die verdronken. Maar ééns gelukte het haar ze te verbergen, en dat was, toen zij ze in een stroobos buiten op het veld had gebracht. Ze was zoo blij met de jongen, maar ik geloof, dat ik meer pleizier van hen had, dan zij.”

Nu werden ze allemaal zoo opgewonden, dat ze elkaar voortdurend in de rede vielen:

“Wat is daar nu aan, om eieren en jongen te stelen,” zei de een. “Ik heb eens op een jongen haas gejaagd, die bijna volwassen was. Ik moest hem van den eenen struik naar den anderen jagen…”

Verder kwam ze niet, want een ander nam het woord: “’t Kan nu wel prettig zijn om kippen en katten te plagen, maar ik vind het nog merkwaardiger, dat een kraai een mensch ergeren kan. Ik heb eens een zilveren lepel gestolen…”

Maar nu achtte de jongen zich toch te goed om naar zulke praatjes te luisteren.

“Neen, hoor eens, jelui kraaien,” zei hij, “ik vind, dat jelui je schamen moest, om over al jelui leelijke streken te praten. Ik heb drie weken lang onder de wilde ganzen geleefd, maar ik heb niets anders dan goeds gehoord en gezien. Jelui moet wel een slechten aanvoerder hebben, die je laat rooven en moorden op die manier. Jelui moesten een ander leven beginnen, want ik kan jelui dit wel zeggen, dat de menschen zóó genoeg van jelui boosheid hebben, dat ze met alle macht probeeren je uit te roeien. En dan zal het wel gauw met jelui gedaan zijn.”

Toen Windsnel en de kraaien dat hoorden, werden ze zóó boos, dat ze van plan waren op den jongen aan te vliegen om hem te verscheuren. Maar Haspel kraste en schreeuwde, en ging voor hem staan.

“Neen, neen, neen!” riep hij, en zag er doodverschrikt uit. “Wat meen je wel, dat Windkara zeggen zal, als jelui Duimelot verscheurt, vóór hij ons het zilvergeld bezorgd heeft?”

“Wat ben jij bang voor vrouwvolk, Haspel!” zei Windsnel, maar hij liet hem toch met rust, en ook de anderen deden Duimelot niets.

Kort daarop trokken de kraaien verder. Tot nu toe had de jongen gedacht, dat Smaland niet zoo’n arm land was, als hij wel gedacht had. Wel was het met bosch begroeid en vol bergtoppen, maar langs de beken en meren lagen bebouwde velden, en werkelijk woesten grond had hij niet gezien. Maar hoe verder zij het land in kwamen, hoe zeldzamer de steden en hutjes werden. Eindelijk vond hij, dat hij over een echte woestenij heen vloog, waar hij niet anders zag dan moerassen, heiden en heuvels, met jeneverbessen begroeid.

De zon was ondergegaan, maar het was nog helder dag, toen de kraaien de groote heide bereikten. Windsnel zond een kraai vooruit, om te vertellen, dat het hem goed gegaan was, en toen dat bekend werd, vloog Windkara met honderd kraaien op van het kraaienveld, om de aankomenden te gemoet te gaan. Onder het oorverdoovend gekras, dat de kraaien aanhieven, toen ze elkaar ontmoetten, zei Haspel tegen den jongen: “Je bent zoo vroolijk en grappig geweest op reis, dat ik veel van je ben gaan houden. Daarom wil ik je een goeden raad geven. Zoodra we beneden komen, zullen ze je vragen een werkje te doen, dat je heel gemakkelijk zal voorkomen. Maar pas op, dat je het niet doet!”

Onmiddellijk daarna zette Haspel Niels Holgersson neer in een zandkuil. De jongen liet zich op den grond vallen, en bleef liggen, alsof hij doodaf van vermoeidheid was. Er vlogen zóóveel kraaien om hem heen, dat de lucht bruiste als door een storm, maar hij keek niet op.

“Duimelot,” zei Windsnel, “sta nu op! Je moet ons helpen met iets, wat je heel gemakkelijk doen kunt.”

Maar de jongen bewoog zich niet. Hij deed, alsof hij sliep. Toen nam Windsnel hem bij den arm, en sleepte hem voort over het zand, tot bij een aarden pot van een ouderwetsch model, die midden in den kuil stond.

“Sta op, Duimelot,” zei hij, “en doe dien pot open.”

“Waarom laat je me toch niet slapen?” zei de jongen. “Ik ben te moe om vanavond nog iets te doen. Wacht tot morgen.”

“Doe dien pot open!” zei Windsnel, en schudde hem heen en weer. De jongen ging toen recht overeind zitten, en bekeek den pot nauwkeurig: “Hoe kan ik, arm kind! zoo’n pot openkrijgen. Die is immers even groot als ik zelf.”

“Doe hem open!” beval Windsnel nog eens, “anders zal ’t je niet best gaan!”

De jongen stond op, ging wankelend naar den aarden pot, voelde aan het deksel, en liet de armen weer zinken.

“Ik ben toch anders zoo zwak niet,” zei hij. “Als jelui me maar tot morgen wilt laten slapen, denk ik wel, dat ik het met dat deksel klaar zal spelen.”

Maar Windsnel was ongeduldig; hij vloog vooruit, en pikte den jongen in het been. Maar zóó wou de jongen zich niet door een kraai laten behandelen. Hij rukte zich snel los, sprong een paar pas achteruit, trok zijn mes uit den gordel, en hield dat voor zich uit. “Pas op, jij!” riep hij Windsnel toe.

Maar die was zoo verbitterd, dat hij het gevaar niet telde. Alsof hij blind was, stoof hij op den jongen af, en kwam recht op het mes toe, zoodat het door zijn oog in zijn hersens drong. De jongen trok wel het mes terug, maar Windsnel sloeg nog even met de vleugels, en zonk toen dood neer.

“Windsnel is dood! De vreemdeling heeft Windsnel, onzen hoofdman, vermoord!” riepen de kraaien, die het dichtste bij stonden, en daarop ontstond een vervaarlijk rumoer.

Sommigen jammerden, anderen riepen om wraak! allen sprongen of fladderden op Duimelot af, met Haspel aan ’t hoofd. Maar die gedroeg zich, als naar gewoonte, averechts verkeerd. Hij fladderde maar met uitgespreide vleugels boven den jongen, en verhinderde de anderen hem met hun snavel te doorboren.

Nu vond de jongen toch, dat hij ’t erg voor zich had bedorven. Hij kon van de kraaien niet weg komen, en er was geen plaats, waar hij zich zou verbergen. Maar toen dacht hij op eens aan den pot.

Hij rukte hard aan het deksel, en kreeg dat er af. Toen sprong bij in den pot om zich daarin te verbergen. Maar dat was een slechte schuilhoek; want die was bijna tot den rand gevuld met zilveren penningen. De jongen kon er niet diep genoeg inkomen. Daarom boog hij zich neer, en begon de geldstukken er uit te gooien.

Tot nu toe hadden de kraaien in een dichten zwerm om hem heen gevlogen, en naar hem gepikt. Maar toen hij de geldstukken uit den pot gooide, vergaten ze op eens hun wraakzucht, en begonnen ’t zilver op te rapen. De jongen gooide het geld met handenvol weg, en alle kraaien, zelfs Windkara, vingen het op. En elk, die een muntje te pakken kreeg, vloog naar zijn nest om dat op te bergen.

Toen de jongen al het geld uit den pot had gegooid, keek hij op. Nog maar één kraai was er over in den zandkuil. Dat was Haspel met de witte veer in den vleugel, die hem op den rug had gedragen.

“Je hebt mij een grooter dienst bewezen, dan jezelf kunt begrijpen, Duimelot,” zei de kraai op een heel anderen toon dan vroeger, “en ik wil je leven redden. Ga op mijn rug zitten, dan zal ik je naar een schuilplaats brengen, waar je van nacht veilig zult zijn. Morgen zal ik er voor zorgen, dat je bij de wilde ganzen terugkomt.”

Het hutje

Den volgenden morgen, toen de jongen wakker werd, lag hij in een bed. Toen hij zag, dat hij in een huis was, met vier muren om hem heen en een zolder boven zijn hoofd, meende hij, dat hij thuis was.

“Zou Moeder niet gauw komen met de koffie?” mompelde hij, nog half dommelend. Maar toen herinnerde hij zich, dat hij in een verlaten hutje op het kraaienveld lag, en dat Haspel met de witte veer hem daar den vorigen avond had heengebracht.

De jongen had pijn in al zijn ledematen na den tocht van den vorigen dag, en hij vond het heerlijk stil te blijven liggen, terwijl hij op Haspel wachtte, die beloofd had hem te komen halen.

Er hingen gordijntjes van geruit katoen om het bed, en hij schoof ze op zij, om de kamer in te kijken.

Hij merkte al gauw, dat hij nooit een gebouwtje als dit had gezien. De wanden bestonden enkel uit een rij boomstammen; daarboven begon het dak, dat van binnen niet beschoten was: men zag dadelijk de nok van het dak. De heele kamer was zoo klein, dat ze eerder voor zulke kleintjes als hij, dan wel voor echte menschen scheen gebouwd, maar toch waren de haard en de muur voor den haard zóó ruim genomen, dat hij zich niet herinnerde die ooit zoo groot te hebben gezien. De deur was in den gevelmuur naast den haard gemaakt, en was zoo klein, dat ze wel een luikje leek. In den anderen gevelmuur zag hij een laag en breed venster met veel kleine ruitjes. In de kamer waren bijna geen losse meubels. De bank langs den eenen muur en de tafel onder het venster waren aan den wand vastgebouwd, en ook het groote bed, waarin hij lag, en de bonte kast aan den muur.

De jongen kon niet laten zich verwonderd af te vragen, van wien dit hutje wel wezen zou, en waarom het leeg stond. ’t Zag er wel uit, alsof de menschen, die daar hadden gewoond, van plan geweest waren weer terug te komen. De koffiekan en de breipan stonden nog op den haard, en er lag wat brandhout in een hoek. De pook en de kolenschop stonden ook in den hoek; het spinnewiel was op een bank gezet, op de plank boven het venster lagen werk en vlas, een paar strengen garen, een vetkaars en een bos zwavelstokken.

Ja, ’t zag er hier zeker uit, alsof zij, die de kamer bewoond hadden, van plan waren geweest terug te komen. Er lagen dekens en lakens in ’t bed, en aan den wand zaten nog repen doek, waarop drie mannen te paard: Kasper, Melchior en Balthasar waren geschilderd. Dezelfde paarden en ruiters waren er dikwijls afgebeeld. Zij reden om de heele kamer heen, en zetten hun tocht zelfs langs de dakbalken voort.

Maar aan het dak zag de jongen iets, wat hem in eens op de been bracht. Dat waren een paar oude sneedjes brood, die daar aan een spil hingen. Ze zagen er wel oud en duf uit, maar ’t was toch brood. Hij gaf ze een slag met de kolenschop, zoodat er een stuk op den grond viel. Hij at ervan, en stopte zijn zakken vol. ’t Was ongelooflijk hoe lekker dat brood toch altijd smaakte.

Hij keek nog eens rond in de kamer om te zien, of er niet nog wat bij was, dat hij gebruiken en meênemen kon.

“Ik mag zeker wel nemen, wat ik noodig heb, als niemand anders erom geeft,” dacht hij. Maar het meeste van al, wat hij daar zag, was te groot en te zwaar. Het eenige, wat hij meê kon nemen, zou hoogstens een paar stukjes lucifer kunnen zijn.

Hij klauterde op de tafel, en sprong later, met behulp van de gordijnen, met een zwaai in de vensterbank. Terwijl hij daar stond en de lucifers in zijn zak stopte, kwam de kraai met de witte veer door het venster binnen.

“Ziezoo, hier ben ik nu,” zei Haspel, en streek op de tafel neer. “Ik kon niet eerder komen, omdat wij kraaien een nieuwen aanvoerder hebben gekozen, als opvolger van Windsnel.”

“Wie hebben jelui gekozen?” vroeg de jongen.

“Wij hebben Garm Witteveer gekozen, die vroeger Haspel heette,” antwoordde hij, en rekte zich uit, zoodat hij er heel majestueus uitzag.

“Dat was een goede keus,” zei de jongen, en feliciteerde hem.

“Ja, je mag me wel feliciteeren,” zei Garm, en begon den jongen te vertellen, hoe akelig hij het vroeger met Windsnel en Kara had gehad.

Midden onder dit verhaal hoorde de jongen buiten een stem, die hij meende te herkennen.

“Is hij hier?” vroeg Smirre, de vos.

“Ja, hier is hij verstopt,” antwoordde een kraaienstem.

“Pas op, Duimelot!” riep Garm. “Windkara staat buiten met dien vos, die je wil opeten!”

Meer kon hij niet zeggen, want Smirre deed een sprong naar het venster. Het oude, vermolmde vensterkozijn gaf mêe, en Smirre stond een oogenblik later op de vensterbank. Garm Witteveer, die geen tijd had om weg te vliegen, beet hij meteen dood. Toen sprong hij op den vloer, en keek rond naar den jongen.

Die probeerde zich achter den grooten hoop werk te verstoppen, maar Smirre had hem al gezien, en kroop in elkaar om een sprong te doen. En het hutje was zoo klein, dat de vos hem zonder eenige moeite zou kunnen pakken. Maar op dit oogenblik was hij niet ongewapend. Haastig streek hij een lucifer aan, stak die in het werk en toen dat in brand vloog, gooide hij het op den vos. En toen ’t vuur hem raakte, werd de vos door een waanzinnigen schrik aangegrepen. Hij dacht niet meer aan den jongen, maar vloog half zinneloos van angst de kamer uit.

Maar het scheen, dat de jongen aan ’t eene gevaar ontsnapt was, door een nog grooter over zich te brengen. Van den prop werk, waarmeê hij Smirre had gegooid, had de vlam de bedgordijnen bereikt. Hij sprong op den grond, en trachtte het te dooven, maar het brandde al veel te fel. De heele hut was al gauw vol rook, en Smirre, die buiten het venster stond, begon te begrijpen, hoe het daar binnen gesteld was.

“Nu, Duimelot,” riep hij, “wat kies je nu? Gebraden te worden, of bij mij te komen? Ik zou je wel het allerliefst opeten, maar hoe de dood je ook te pakken krijgt, is ’t mij goed!”

De jongen dacht niet anders, of de vos had gelijk, want de brand nam met vliegende vaart toe. ’t Heele bed brandde al, uit den vloer kwam de rook op, en op de geschilderde houten latten kroop de vlam van den eenen ruiter naar den anderen. De jongen was op den haard gesprongen, en probeerde de deur van den oven open te krijgen, toen hij op eens een sleutel in het slot hoorde steken en zachtjes omdraaien. Dat moesten menschen zijn, die aankwamen, en in den nood, waarin hij nu verkeerde, werd hij niet bang, maar alleen blij. Hij stond al op den drempel, toen de deur eindelijk open ging. Hij zag een paar kinderen vóór zich, maar wat ze voor gezichten zetten, toen zij het hutje in brand vonden, hij had geen tijd, om er naar te kijken; hij vloog ze voorbij, naar buiten!

Hij durfde niet ver weg te loopen. Hij wist wel, dat Smirre, de vos, op hem loerde, en hij begreep, dat hij in de buurt van de kinderen moest blijven. Hij keek om, om te zien wat het voor kinderen waren, maar hij had ze nog geen seconde aangezien, voor hij ze tegemoet vloog, en riep: “Kijk eens hier! Dag Asa, dag Mads!”

Want toen de jongen die kinderen zag, vergat hij heelemaal, waar hij was. De kraaien, de brandende hut, de sprekende dieren verdwenen uit zijn herinnering. Hij liep op een stoppelveld in ’t westen van Vemmenhög, en hoedde de ganzen, en op het veld naast hem liepen die kinders uit Smaland met hùn ganzen. En zoodra hij ze zag, sprong hij op het steenen walletje, en riep. “Dag Asa, dag Mads!”

Maar toen de kinderen zoo’n klein dwergje op zich af zagen komen met uitgestrekte hand, hielden ze elkaar vast, deden een paar stappen achteruit, en zagen er doodverschrikt uit.

Toen de jongen hun schrik zag, kwam hij tot zichzelf, en herinnerde zich, wie hij was. En toen vond hij, dat hem niets ergers kon overkomen, dan dat juist die kinderen zouden zien, dat hij betooverd was. Schaamte en verdriet, omdat hij geen mensch meer was, overweldigden hem. Hij keerde zich om, en liep weg – hij wist zelf niet waarheen.

Maar een blijde ontmoeting wachtte den jongen, toen hij op de heide kwam. Want daar in het heikruid, kwam hem de witte ganzerik met Donsje tegemoet. Toen de witte den jongen zóó hard zag loopen, meende hij, dat gevaarlijke vijanden hem vervolgden. Hij gooide hem haastig op zijn rug, en vloog met hem weg.

XV. De oude boerin

Drie vermoeide reizigers zochten een nachtverblijf op den laten avond. Zij liepen wel door een armoedig woest gedeelte van Noord-Smaland, maar een rustplaats, zooals zij die verlangden, moesten zij toch kunnen vinden, want ze waren geen verwijfde wezens, die zachte bedden en mooi gemeubileerde kamers verlangden. “Als een van de lange bergruggen hier een top hadden, zóó sterk en hoog, dat een vos er op geen enkele manier kon opklauteren, hadden we een goede slaapplaats,” zei de een.

“Als maar een van de groote moerassen hier niet bevroren was, en zoo zacht en nat, dat een vos er niet over durfde, dan zou dat ook een best nachtverblijf zijn,” zei de andere.

“Als het ijs op een van de meren, waar we voorbij komen, maar los van ’t land was, zoodat een vos daar niet kon komen, dan hadden we juist gevonden, wat wij zoeken,” zei de derde.

’t Ergste was, dat toen de zon was ondergegaan, twee van de reizigers zóó slaperig werden, dat ze elk oogenblik op het punt waren op den grond te vallen. De derde, die wakker kon blijven, werd onrustiger, al naarmate de nacht naderde.

“’t Is toch ongelukkig,” dacht hij, “dat wij in een land zijn gekomen, waar de moerassen en meren bevroren zijn, zoodat de vos overal heen kan komen. Het ijs is immers op andere plaatsen al weggedooid, maar nu zijn we zeker in het allerkoudste gedeelte van Smaland, waar de lente nog niet gekomen is. Ik begrijp niet, wat ik beginnen moet om een goede slaapplaats te vinden. Als ik geen goed beschutte plaats vind, hebben we Smirre, den vos, op onze hielen, eer de morgen komt.”

Hij keek uit naar alle kanten, maar hij zag geen herberg, waar hij kon binnengaan. En ’t was een donkere, koude avond met wind en stofregen. ’t Werd steeds akeliger en griezeliger om hem heen.

’t Kan wel vreemd lijken, dat de reizigers er geen lust in schenen te hebben, op de een of andere hoeve om nachtverblijf te vragen. Ze waren al verscheiden dorpen doorgetrokken, zonder ergens aan te kloppen. Naar kleine hutjes aan den zoom van het woud, die alle arme reizigers zoo graag aantreffen, keken zij ook niet om. Men zou in de verzoeking komen te zeggen, dat ze verdienden het akelig te hebben, omdat ze de hulp, die hun ten dienste stond, niet wilden aannemen.

Maar later, toen het zóó donker was geworden, dat er nauwlijks een streepje daglicht onder den hemel achterbleef, en de twee, die aan slaap behoefte hadden, half in den slaap voortliepen, kwamen ze bij een boerderij, die eenzaam lag, ver van al haar buren. En niet alleen, dat ze er eenzaam uitzag, ze scheen in ’t geheel niet bewoond te zijn. Geen rook steeg uit den schoorsteen op, geen licht scheen uit de vensters, geen mensch bewoog zich op de plaats. Toen een van de drie, hij, die beloofd had wakker te blijven, die boerderij zag, dacht hij: “’t Mag gaan zooals het wil, maar in deze hoeve moeten we zien binnen te komen. Iets beters zullen we zeker niet vinden.”

Kort daarop stonden ze alle drie op de binnenplaats van de hoeve. Twee van hen sliepen dadelijk in, zoodra ze moesten blijven staan, maar de derde zag haastig rond, om te ontdekken, hoe hij onder dak komen kon. ’t Was geen kleine hoeve. Behalve ’t woonhuis, den stal en de schuur waren er lange bijgebouwen, met schuren en dorschvloeren, voorraadshuizen en bergplaatsen voor de werktuigen.

Maar alles zag er akelig arm en vervallen uit. De huizen hadden grauwe, met mos begroeide, scheeve muren, die op het punt schenen van om te vallen. In het dak waren groote gaten, en de deuren hingen schuin aan kapotte scharnieren. ’t Was duidelijk, dat al lang niemand de moeite had genomen een spijker in den wand te slaan op deze boerderij.

Intusschen had hij, die wakker was, uitgerekend welk gebouw de koestal was. Hij schudde zijn reisgezellen wakker, en bracht ze bij de schuurdeur. Die was gelukkig alleen gesloten met een haak, dien hij gemakkelijk kon oplichten met een stokje. Hij zuchtte van verlichting bij de gedachte, dat ze gauw in veiligheid zouden zijn. Maar toen de schuurdeur luid knarsend openging, hoorde hij, dat een koe begon te loeien.

“Kom je daar eindelijk, Vrouw,” zei de koe. “Ik dacht, dat ik vanavond niets te eten zou krijgen.”

De reiziger bleef heel verschrikt in de deur staan, toen hij merkte, dat de schuur niet leeg was. Maar hij zag al gauw, dat er niets meer dan één koe stond, en drie of vier kippen, en toen vatte hij weer moed.

“Wij zijn drie arme reizigers, die graag ergens wilden wezen, waar geen vos ons kan overvallen, en geen menschen ons kunnen vangen,” zei hij. “We zouden graag weten of er hier een geschikte plaats voor ons was.”

“Dat zou ik wel denken,” antwoordde de koe. “Wel zijn de muren slecht, maar een vos kan er nog niet door, en hier woont niemand dan een oude vrouw, die zeker niet in staat is iemand gevangen te nemen. Maar wie zijn jelui eigenlijk?” ging ze voort, terwijl ze zich in haar stal omkeerde, om de nieuwaangekomenen te zien.

“Ik ben Niels Holgersson van Wester Vemmenhög, die in een kabouter is veranderd,” antwoordde de eerste van hen, die binnenkwamen, “en ik heb een tamme gans bij me, waar ik op rijd, en een grijze gans.”

“Zulke rare gasten zijn nog nooit in mijn huis geweest,” zei de koe, “en jelui bent welkom. Maar ik wou toch liever, dat de vrouw gekomen was, om mij mijn avondvoer te brengen.”

De jongen bracht nu de ganzen in de schuur, die heel groot was, en zette ze in een leeg hok, waar ze oogenblikkelijk insliepen. Voor zichzelf maakte hij een bedje van stroo, en verwachtte, dat hij ook gauw in slaap zou vallen. Maar hier kwam niets van, want de arme koe, die nog geen avondvoer had gehad, hield zich geen oogenblik stil. Ze trok aan haar halster, schoof heen en weer in haar stal, en klaagde over den honger. De jongen kon geen oog dicht doen, maar lag wakker, en liet alles aan zich voorbijgaan, wat hem de laatste dagen was overkomen.

Hij dacht aan Asa, ’t kleine ganzenhoedstertje, en kleine Mads, die hij zoo onverwacht had ontmoet, en hij dacht er over, dat het hutje, dat hij in brand gestoken had, hun oud huis in Smaland moest zijn. Hij herinnerde zich immers wel, dat ze juist over zoo’n hutje hadden gesproken, en over de groote hei, die er omheen lag. Nu waren zij gekomen om hun huisje weer te zien, en toen ze er bij kwamen, sloegen de vlammen er uit. Dat was wel een groot verdriet, dat hij hun gedaan had, en dat speet hem heel erg. Als hij ooit weer een mensch werd, zou hij de schade en de teleurstelling kunnen vergoeden.

Toen dacht hij weer aan de kraaien, en als hij aan Haspel dacht, die hem had gered, en den dood had gevonden, zoo kort nadat hij als aanvoerder was gekozen, werd hij zóó bedroefd, dat hij de tranen in de oogen kreeg.

Hij had het wel heel moeilijk gehad de laatste dagen. Maar toch was ’t een groot geluk geweest, dat de ganzerik en Donsje hem gevonden hadden.

De ganzerik had hem verteld, dat de wilde ganzen, zoodra ze gemerkt hadden, dat Duimelot verdwenen was, bij de kleine dieren in ’t bosch naar hem hadden gevraagd. Ze hadden al gauw gehoord, dat een troep kraaien uit Smaland hem hadden meêgenomen. Om den jongen zoo gauw mogelijk te vinden, had Akka bevolen, dat de ganzen twee aan twee verschillende kanten uit zouden vliegen, om hem te zoeken. Maar nadat ze drie dagen hadden gezocht, moesten zij – of ze hem hadden gevonden of niet, – bij elkaar komen in Noord-west Smaland op een hoogen bergtop, die op een afgehouwen toren leek, en Taberg heette. En toen Akka hun de beste aanwijzingen had gegeven om den weg te vinden, en nauwkeurig beschreven, hoe zij Taberg zouden herkennen, gingen zij uiteen.

De witte ganzerik had Donsje uitgekozen als reisgezel, en ze hadden hier en daar rondgevlogen in de grootste onrust over Duimelot. Onder dat rondzwerven hadden ze een lijster gehoord, die, in een boomtop gezeten, riep en bromde over iemand, die zich “kraaienroof” had genoemd en hem voor den gek gehouden. Ze hadden met de lijster een gesprek aangeknoopt, en hij had hun gezegd, welken kant die kraaienroof was uitgegaan. Later hadden ze een doffer, een spreeuw en een eend ontmoet, alle klagend over een booswicht, die hen in hun gezang had gestoord, en “door de kraai gestolen,” “kraaienvangst” en “kraaienroof” geheeten had. Op die manier hadden zij Duimelot’s spoor gevonden, tot bij de heide van Sunnerbo.

Zoodra de ganzerik en Donsje Duimelot hadden gevonden, vlogen zij naar het noorden om naar Taberg te komen. Maar ze waren daar ver vandaan, en het donker was hen overvallen, eer ze den bergtop in het gezicht kregen.

“Als wij er morgen maar komen, zijn al onze zorgen voorbij,” dacht de jongen, en kroop diep onder het stroo om wat warmer te worden.

De koe had al dien tijd leven gemaakt in den stal. Nu begon zij op eens tegen den jongen te praten.

“Ik meende, dat een van hen, die hier binnenkwamen, vertelde, dat hij een kabouter was. Als dat zoo is, dan weet hij zeker wel, hoe hij een koe moet behandelen.”

“Wat scheelt je dan?” vroeg de jongen.

“Mij scheelt van alles,” zei de koe. “Ik ben niet gemolken en niet verzorgd. Ik heb geen nachtvoer in mijn krib gekregen en geen versch stroo onder me. De vrouw kwam hier om me te helpen, zooals gewoonlijk, maar ze was zoo ziek, dat ze dadelijk weer naar binnen moest gaan, en ze is niet meer terug gekomen.”

“’t Is toch akelig, dat ik zoo klein en zwak ben,” zei de jongen. “Ik geloof niet, dat ik je helpen kan.”

“Je moet me niet wijsmaken, dat je zwak ben, omdat je klein bent,” zei de koe. “Alle kabouters, waar ik van heb hooren spreken, waren zoo sterk, dat ze een voer hooi konden trekken en een koe met één vuistslag doodslaan.”

De jongen kon niet laten te lachen. “Dat waren zeker andere kabouters dan ik,” zei hij. “Maar ik zal je halster losmaken en de deur voor je opendoen, dan kun je naar buiten gaan en uit een van de plassen op de hoeve drinken, en dan zal ik probeeren op den hooizolder te klimmen en hooi in je krib te gooien.”

“Ja, dat zou altijd wel wat helpen,” zei de koe.

De jongen deed, zooals hij gezegd had, en toen de koe met een gevulde krib voor zich stond, meende hij eindelijk te kunnen slapen. Maar pas was hij in zijn bed gekropen, of de koe begon weer te praten:

“Je zult me wel heel vervelend vinden, als ik je nu weer wat vraag,” zei de koe.

“Neen, dat zal ik niet, als ’t maar iets is, wat ik doen kan,” zei de jongen.

“Dan zou ik je willen vragen in de kamer te gaan, en te zien, hoe het met de vrouw is. Ik ben zoo bang, dat haar een ongeluk overkomen is.”

“Neen, dat kan ik niet doen,” zei de jongen. “Ik durf me niet aan menschen te vertoonen.”

“Je kunt toch niet bang zijn voor een zieke, oude vrouw,” zei de koe. “Maar je hoeft ook niet in de kamer te gaan. Ga maar buiten de deur staan, en kijk door een kier.”

“Ja, als je niets anders van me verlangt, dan kan ik dat wel doen,” zei de jongen.

Toen deed hij de schuurdeur open, en ging de plaats op. ’t Was een vreeselijke nacht. Maan of sterren waren niet te zien, de wind huilde, en de regen stroomde neer. Maar het ergste was, dat zeven groote uilen op een rij op het dak van het woonhuis zaten. ’t Was akelig ze te hooren, zooals ze daar zaten te klagen over ’t weer. En nog erger was het te denken, dat – als maar één van hen hem in ’t oog kreeg, het met hem gedaan zou zijn.

“Die arme kleintjes,” zei de jongen, toen hij op de plaats kwam. En dat mocht hij wel zeggen. Hij woei twee keer om, eer hij bij het woonhuis was, en eens gooide de wind hem in een plas, die zoo diep was, dat hij bijna verdronk. Maar hij kwam er toch.

Hij klauterde een paar treden van de stoep op, kroop over een drempel, en kwam in de gang. De kamerdeur was dicht, maar in den eenen hoek was een gat voor de kat om er uit en in te gaan. ’t Was dus voor den jongen niet moeilijk te zien, hoe het in de kamer gesteld was. Nauwelijks had hij er even in gekeken, of hij trok verschrikt het hoofd weer terug. Een oude vrouw met grijs haar lag daar binnen op den vloer uitgestrekt. Ze bewoog zich niet, en klaagde niet, en haar gezicht was zoo wonderlijk wit. Het was, alsof een onzichtbare maan er een bleek licht over liet vallen.

De jongen herinnerde zich, dat toen zijn grootvader stierf, zijn gezicht ook zoo wonderlijk wit geworden was. En hij begreep dat het oude mensch, dat daar op den vloer in de kamer lag, dood wezen moest. De dood was zeker zoo haastig over haar gekomen, dat zij niet eens meer naar bed had kunnen gaan.

Hij werd vreeselijk bang, toen hij er aan dacht, dat hij in den donkeren nacht alleen met een doode was. Hij sprong halsoverkop de stoep af, en holde naar de schuur terug. Toen hij de koe vertelde, wat hij in de kamer gezien had, hield zij met eten op.

“O zoo! is de vrouw dood?” zei ze, “Dan is het ook gauw met mij gedaan?”

“Er zal wel iemand voor je zorgen,” zei de jongen troostend.

“Je weet niet,” zei de koe, “dat ik al ééns zoo oud ben, als een koe gewoonlijk wordt, eer ze op de slachtbank wordt gelegd. Maar ik geef er ook niet meer om, of ik leef, nu zij me niet meer kan komen verzorgen.”

Ze zei een poos lang niets meer, maar de jongen merkte wel, dat ze niet sliep en niet at. Het duurde niet lang, of ze begon weer te praten.

“Ligt ze op den grond?” vroeg ze.

“Ja, dat doet ze,” zei de jongen.

“Ze had de gewoonte in de schuur te komen,” ging de koe voort, “en over al haar zorgen te praten. Ik begreep, wat ze zei, al kon ik haar niet antwoorden. Deze laatste dagen sprak ze er telkens over, dat ze bang was, dat er niemand bij haar zou zijn, als ze stierf. Ze was er bang voor, dat niemand haar de oogen zou toedrukken, of de armen gekruist over de borst leggen, als ze dood was. Misschien wil jij dat wel gaan doen?”

Yaş sınırı:
12+
Litres'teki yayın tarihi:
28 eylül 2017
Hacim:
590 s. 1 illüstrasyon
Telif hakkı:
Public Domain