Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.
Kitabı oku: «Niels Holgersson's Wonderbare Reis», sayfa 16
En nu stond hij daar, en vroeg zich af, of hier een bizondere bedoeling van God in lag, dat het Takermeer hem zijn zoon had afgenomen op den dag, vóór dien, waarop hij het contract over het droogmaken zou onderteekenen. Zijn vrouw behoefde niet veel te zeggen, voor hij antwoordde:
“Het kan zijn, dat God niet wil, dat we Zijn beschikkingen veranderen. Ik zal morgen met de anderen spreken, en ik denk wel, dat we zullen besluiten, dat alles zal blijven zooals het is.”
Terwijl de man en vrouw samen spraken, lag Caesar voor den haard. Hij hief het hoofd op, en luisterde heel oplettend. Toen hij meende zeker van zijn zaak te zijn, ging hij naar de vrouw, pakte haar rok beet, en trok haar naar de deur.
“Maar Caesar toch!” riep ze, en wilde zich losrukken. Maar toen barstte ze uit: “Weet je, waar Peer Ola is?”
Caesar blafte vroolijk, en sprong tegen de deur op. Ze deed die open, en Caesar holde weg naar het Takermeer. De vrouw was er zoo zeker van, dat hij wist waar Peer Ola was, dat ze hem dadelijk achterna liep. En nauwelijks waren zij aan den kant van ’t meer gekomen, of ze hoorden het schreien van een kind over ’t meer.
Peer Ola had den heerlijksten dag in zijn leven gehad met Duimelot en de vogels; maar nu begon hij te schreien, omdat hij honger had, en bang in het donker werd. En hij was blij, dat Vader en Moeder en Caesar hem kwamen halen.
XIX. De voorspelling
Op een nacht lag de jongen te slapen op een eilandje in ’t Takermeer, maar hij werd wakker van riemslagen. Nauwelijks had hij de oogen geopend, of er viel hem zoo’n schelle lichtgloed in ’t gezicht, dat hij ze weer dichtkneep.
Eerst kon hij niet begrijpen, wat het was, dat zoo helder scheen op ’t meer daarbuiten, maar al gauw zag hij, dat er tusschen ’t riet aan den kant een platte boot lag, met een groote brandende teerfakkel op een ijzeren stang op den achtersteven. De roode vlammen van de fakkel spiegelden zich helder in het, door nachtelijk duister, pikdonkere meer, en de prachtige gloed moest de visschen hebben aangelokt, want rondom de vlammen in de diepte waren een massa donkere plekken te zien, die zich aanhoudend bewogen, en van plaats verwisselden.
In de boot waren twee mannen. De eene zat bij de riemen, de andere stond bij de achterste roeibank, en hield een korte piek, met grove weerhaken voorzien, in de hand. Hij, die roeide, scheen een arme visscher te zijn. Hij was een klein, droog, verweerd mannetje, en had een dunne, versleten jas aan. Men kon zien, dat hij gewoon was in alle weer en wind buiten te zijn, en dat hij niet om de kou gaf. De andere was goed doorvoed en goed gekleed, en zag er uit als een flinke, van zijn waardigheid bewuste boer.
“Houd nu hier stil,” zei de boer, toen ze vlak voor het eilandje waren gekomen, waar de jongen lag. En meteen stootte hij met die piek in het water. Toen hij die terugtrok, kwam er een lange prachtige paling meê uit de diepte.
“Ziezoo!” zei hij, terwijl hij het dier van den palingsteker losmaakte. “Dat is er een, die er wezen mag. Nu geloof ik, dat we zooveel hebben, dat we wel naar huis kunnen gaan.”
Maar zijn metgezel hief de riemen niet op. Hij zat rond te kijken.
“’t Is zoo mooi hier op ’t meer vanavond,” zei hij. En dat was het ook. ’t Was heel stil, zoodat de heele waterspiegel in ongestoorde rust lag, behalve de streep, waardoor de boot was gekomen; die lag te glinsteren in den vuurgloed als een gulden weg. De heldere hemel was diep blauw, en dicht met sterren bezaaid. ’t Strand lag verscholen achter de rietbossen in ’t Westen. Daar verhief zich de Omberg, hoog en donker, veel kolossaler dan hij gewoonlijk was, en sneed een groot, driehoekig stuk uit het hemelgewelf.
De andere zag om, zoodat hij den vuurgloed uit de oogen kon houden, en keek rond.
“Ja, ’t is hier mooi in Östergyllen,” zei hij. “Maar het beste van het landschap is niet, dat het zoo mooi is.”
“Wat is het dan?” vroeg de roeier.
“Ja, – dat het een land is, dat in eer en aanzien staat.”
“Ja, dat kan wel zijn.”
“En dan, dat men weet, dat het altijd zoo blijven zal.”
“Hoe ter wereld kan men dat weten?” vroeg hij, die bij de riemen zat.
De boer richtte zich op, waar hij stond, en leunde op de piek.
“Er is een oud verhaal, dat in onze familie van vader op zoon is overgegaan, en daardoor kun je weten, hoe het met Oostgothland zal gaan,” zei hij.
“Dat kon je me wel eens vertellen,” zei de roeier.
“We zijn nu juist niet gewoon het aan iedereen te vertellen, maar voor een ouden kameraad wil ik het niet geheim houden.”
“Op Ulvasa, hier in Oostgothland,” ging hij voort, en nu was het aan zijn toon te hooren, dat hij over iets sprak, dat hij van anderen had gehoord, en dat hij van buiten kende, “woonde jaren geleden een vrouw, die de gave had in de toekomst te kunnen zien, en de menschen te kunnen zeggen, wat hun zou overkomen. En dat kon ze zóó zeker en nauwkeurig doen, alsof het al gebeurd was. Daardoor werd ze ver in ’t rond beroemd, en ’t is te begrijpen, dat de menschen van heinde en ver kwamen toestroomen, om haar te bezoeken, en te hooren, wat ze zouden moeten doormaken aan lief en leed.
Op een dag, dat de vrouw van Ulvasa in haar zaal zat te spinnen, zooals de vrouwen vroeger plachten te doen, kwam er een arme boer de kamer in, en ging op de bank heel dicht bij de deur zitten.
“Ik zou graag willen weten, waar u aan zit te denken, lieve Vrouwe,” zei de boer na een poosje.
“Ik zit aan verheven en heilige dingen te denken,” antwoordde zij.
“Dan gaat het zeker niet aan, dat ik u naar iets vraag, wat mij na aan ’t hart gaat,” zei de boer.
“Dat zal wel niet anders zijn, dan of je veel koren zult oogsten op je akker. Maar ik ben gewend vragen te krijgen van den keizer, hoe ’t met zijn kroon zal gaan, en van den paus, wat er van zijn sleutels worden zal.”
“Ja, zooiets is zeker niet gemakkelijk te beantwoorden,” zei de boer. “Ik heb ook gehoord, dat niemand van hier gaat, zonder ontevreden te zijn met wat hij moest hooren.”
Toen de boer dat zei, zag hij, dat de vrouw van Ulvasa zich op de lippen beet, en wat hooger op de bank ging zitten.
“Zoo,” zei ze, “heb je dat van me gehoord? Dan kun je nu eens probeeren mij te vragen naar wat je wilt weten, en dan kun je zien, of ik niet zoo kan antwoorden, dat je tevreden bent.”
Hierna aarzelde de boer niet met zijn vraag voor den dag te komen. Hij zei, dat hij gekomen was, om te vragen, hoe het in de toekomst met Oostgothland zou gaan. Er was niets, wat hij zóó liefhad als zijn geboortegrond, en hij meende, dat hij zelfs in zijn laatste ure nog gelukkig zou zijn, als hij op die vraag een goed antwoord kreeg.
“Is er niet anders, dat je weten wilt,” zei de wijze vrouw, “dan denk ik wel, dat je tevreden zult zijn. Want, zoowaar ik hier zit, kan ik je verzekeren, dat het met Oostgothland zoo zal gaan, dat het altijd iets zal hebben om zich op te beroemen boven alle andere landen.”
“Ja, dat is een goed antwoord, lieve Vrouwe,” zei de boer, “en ik zou nu volkomen tevreden zijn, als ik maar kon begrijpen hoe zooiets mogelijk wezen kon.”
“Waarom zou dat niet mogelijk zijn?” zei de vrouw van Ulvasa. “Weet je niet, dat Oostgothland nu al wijd beroemd is? Of meen je, dat er een landschap in Zweden is, dat zich beroemen kan op het bezit van twee kloosters tegelijk, als Alvastra en Vetra, en dat zoo’n mooie domkerk heeft als die in Linköping?”
“Dat kan wel zoo zijn,” zei de boer, “maar ik ben een oud man, en ik weet, dat er een tijd zal komen, dat ze ons niet zullen eeren, noch om Alvastra of Vetra, noch om de domkerk.”
“Daar kun je gelijk aan hebben,” zei de vrouw van Ulvasa, “maar daarom hoef je toch niet aan mijn voorspelling te twijfelen. Ik zal nu een nieuw klooster laten bouwen op Vadstena, en dat zou wel eens het meest beroemde in het Noorden kunnen worden. Daarheen zullen armen en rijken als pelgrims stroomen, en allen zullen dit land prijzen, dat zulk een heilige plaats binnen zijn grenzen heeft.”
De boer antwoordde, dat hij blij was dat te hooren, maar hij wist immers, dat alles vergankelijk was, en hij zou graag hooren wat het land in aanzien zou kunnen houden, als het klooster van Vadstena eens in discrediet kwam.
“’t Is niet gemakkelijk het je naar den zin te maken,” zei de vrouw van Ulvasa. “Maar zóó ver kan ik nog wel vooruit zien, dat ik je kan zeggen: eer het klooster van Vadstena zijn glans verliest, zal daarnaast een kasteel verrijzen, dat het prachtigste in zijn tijd zal wezen. Koningen en vorsten zullen het bezoeken, en het zal deze streek tot eer worden gerekend, zulk een sieraad te bezitten.”
“Daar ben ik ook heel blij om, dat ik dat hoor,” zei de boer. “Maar ik ben een oud man, en ik weet, hoe het gewoonlijk gaat met alle heerlijkheid van deze wereld. En als het slot vervallen is, wat zal dan de oogen van de menschen op dit land vestigen?”
“Het is geen kleinigheid, wat je wil weten,” zei de vrouw van Ulvasa, “maar ik kan wel zoover in de toekomst zien, dat ik merken kan, hoe er leven en beweging komt in de bosschen om Finspang heen. Ik zie, dat er hutten en smederijen verrijzen, en ik geloof, dat het heele land geëerd zal worden, omdat er nu ijzer bewerkt wordt.”
De boer kon niet ontkennen, dat hij verbazend blij was dat te hooren. Maar als het nu eens zoo ongelukkig ging, dat ook Finspangs fabriek in aanzien afnam, dan zou het toch niet mogelijk zijn, dat er iets níeuws kwam, waar Oostgothland zich op beroemen kon.
“Je bent niet gemakkelijk te voldoen,” zei de vrouw van Ulvasa, “maar ik kan nog wel zoover vooruit zien, dat ik merk, hoe er aan de oevers van het meer buitenhuizen als kasteelen worden opgebouwd, alsof ze van heeren waren, die oorlog hebben gevoerd in vreemde landen. Ik geloof, dat de heerenhoeven het land evenveel in aanzien zullen doen toenemen, als al het andere, waarover ik heb gesproken.”
“Maar als er nu een tijd komt, dat niemand die heerenhoeven meer prijst?” hield de boer aan.
“Je hoeft niet zoo bang te wezen,” zei de vrouw van Ulvasa. “Ik zie, hoe er geneeskrachtige bronnen opborrelen op de velden van Medevi, bij het Wettermeer. Ik geloof, dat de bronnen op Medevi het land zoo beroemd zullen maken, als je maar wenschen kunt.”
“Dat is een gewichtig ding om te hooren,” zei de boer. “Maar als er nu een tijd komt, dat de menschen hun genezing bij andere bronnen zoeken?”
“Daar moet je niet bezorgd over wezen,” antwoordde de vrouw van Ulvasa. “Ik zie, hoe de menschen door elkaar wemelen en werken, van Motala tot Mem. Zij graven een verkeersweg dwars door het land, en dan komt Oostgothlands roem weer op aller lippen.”
Maar de boer bleef er ongerust uitzien.
“Ik zie, dat de watervallen in de rivier van Motala wielen in beweging gaan zetten,” zei de vrouw van Ulvasa, en nu kwamen er een paar roode plekken op haar wangen, want ze begon ongeduldig te worden. “Ik hoor hamers dreunen in Motala, en weefstoelen slaan in Norrköping.”
“Ja, het is goed, dat ik dat weet,” zei de boer, “maar alles is veranderlijk. En ik ben bang, dat ook dat vergeten kan worden.”
Toen nu de boer nog niet tevreden was, liep het geduld van de vrouw van Ulvasa ten eind.
“Je zegt, dat alles vergankelijk is,” zei ze, “maar nu zal ik je toch iets noemen, dat altijd hetzelfde blijft. En dat is, dat zulke trotsche en hardnekkige boeren, als jij er een bent, hier in ’t land zullen zijn tot aan ’t eind van de wereld.”
Nauwelijks had de vrouw van Ulvasa dat gezegd, of de boer stond op, tevreden en blij, en dankte haar voor haar goed antwoord. Nu eindelijk was hij voldaan, zei hij.
“Nu begrijp ik volstrekt niet, wat je meent,” zei de vrouw van Ulvasa.
“Ja, ik meen dit, lieve Vrouwe,” zei de boer, “dat alles wat koningen en kloosterlingen, heeren en koopstadburgers oprichten of bouwen, – dat alles bestaat maar enkele jaren. Maar als u me zegt, dat er in Oostgothland altijd boeren zullen zijn, die hun eer liefhebben, en standvastig zijn, dan weet ik, dat het land zijn ouden roem zal behouden. Want alleen zij, die gebukt gaan onder den eeuwigen arbeid in de aarde, kunnen dit land in welstand en aanzien houden door alle tijden heen.”
XX. Het baaien kleed
De jongen was weer op weg hoog in de lucht. Hij had de groote vlakte van Oostgothland beneden zich, en telde de vele witte kerken, die boven kleine boschjes uitstaken.
Op de meeste hoeven stonden groote, witgeschilderde huizen met twee verdiepingen, die er zoo deftig uitzagen, dat de jongen er zich over verbaasde.
“Er moeten in dit land geen boeren wonen,” zei hij in zichzelf, “want ik zie nergens boerderijen.”
Toen riepen dadelijk alle wilde ganzen; “Hier wonen de boeren als heeren! Hier wonen de boeren als heeren!”
Op de vlakte waren ijs en sneeuw verdwenen, en het lentewerk was begonnen.
“Wat zijn dat voor lange kreeften, die daar over de akkers kruipen?” vroeg de jongen na een poos.
“Ossen en ploegen! ossen en ploegen!” antwoordden alle wilde ganzen.
De ossen bewogen zich zoo langzaam voort over de akkers, dat het haast niet merkbaar was, dat ze vooruit kwamen, en de ganzen riepen hun toe. “Jelui komt van ’t jaar niet klaar! Jelui komt van ’t jaar niet klaar!”
Maar de ossen bleven hun geen antwoord schuldig. Zij staken den bek hoog in lucht en loeiden: “Wij doen meer nut in één uur, dan jelui in ’t heele jaar!”
Op enkele plaatsen werden de ploegen door paarden getrokken. Die liepen veel vlijtiger en sneller dan de ossen, maar de ganzen konden niet laten ook hen te plagen.
“Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?” riepen zij de paarden toe. “Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?”
“Schaam jelui je niet zoo te luieren?” hinnikten de paarden terug.
Terwijl de paarden en ossen buiten aan ’t werk waren, liep de hamel op de boerenplaats rond. Hij was pas geschoren en prikkelbaar; hij stootte de kleine jongens ondersteboven, joeg den kettinghond in zijn hok, en liep dan fier rond, alsof hij alleen baas op de hoeve was.
“Hamel, hamel, wat heb je met je wol gedaan?” riepen de wilde ganzen, die boven in de lucht voorbij vlogen.
“Die heb ik naar de fabrieken van Drag in Norrköping gestuurd,” antwoordde de hamel met een lang geblaat.
“Hamel, hamel, wat heb je met je horens gedaan?” vroegen de ganzen.
Maar horens had de hamel tot zijn groote spijt nooit gehad, en men kon hem niet meer ergeren, dan door daarnaar te vragen. Hij sprong een heele poos rond, en stootte om zich heen in de lucht, zóó boos werd hij.
Op den grooten weg kwam een man aan, en dreef een troep Skaansche biggetjes voor zich uit, die nog maar een paar weken oud waren, en op het land verkocht moesten worden. Ze stapten er dapper op los, zoo klein als ze waren, en drukten zich dicht tegen elkaar aan om elkaar te beschermen.
“Knor, knor!” riepen de biggetjes. “Wij zijn te vroeg van Vader en Moeder weggenomen! Hoe zal het met ons, arme kinderen, gaan!”
Maar zelfs de wilde ganzen hadden het hart niet met zulke stakkers den gek te steken.
“’t Zal je beter gaan, dan je denkt,” riepen zij in ’t voorbijgaan.
De wilde ganzen waren nooit zoo opgeruimd, als wanneer ze over een vlakte kwamen. Dan haastten zij zich niet, maar vlogen van de eene hoeve naar de andere, en maakten gekheid met de tamme dieren.
Terwijl de jongen over de vlakte reed, viel hem een verhaal in, dat hij eens lang geleden had gehoord. Hij kon het zich niet goed meer herinneren, maar het was iets van een kleedingstuk, dat half van brokaat en half van baai gemaakt was. Maar zij, die dat kleedingstuk bezat, versierde het baaien gedeelte met zooveel paarlen en edelsteenen, dat het mooier en kostbaarder scheen dan het brokaat.
Hij dacht daaraan, toen hij Oostgothland zag, omdat het uit een groote vlakte bestond, tusschen twee bergachtige, boschachtige streken ingesloten, een in ’t noorden en een in ’t zuiden. De beide boschachtige strooken lagen in blauwachtig licht, en schitterden in het morgenrood, alsof ze met gulden sluiers waren bedekt, en de vlakte, waarop de eene kale winterakker naast den anderen lag, was op zichzelf niet mooier om te zien dan grijs baai.
Maar de menschen woonden zeker graag op die vlakte, omdat ze goed en mild was, en ze hadden geprobeerd haar zoo goed mogelijk te versieren. Toen de jongen daar zoo hoog door de lucht reed, vond hij, dat steden en hoeven, kerken en fabrieken, paleizen en stationsgebouwen als kleine en groote sieraden er over verspreid lagen. De pannedaken schitterden, en de vensterruiten blonken als juweelen. Gele landwegen, glanzende spoorrails en blauwe kanalen liepen door de verschillende plaatsjes als in zijde geborduurde guirlandes. Linköping lag om zijn domkerk heen, als een groep parels om een kostbaren steen, en de hoeven op het land waren als kleine borstspelden en knoopen. Er was niet veel orde en regel in ’t patroon, maar het was een pracht, waar je nooit genoeg naar kijken kon.
De ganzen hadden de streek bij Omberg verlaten, en vlogen naar het oosten langs het Götakanaal. Dat was ook bezig zich in orde te maken voor den zomer. De arbeiders maakten de kanten van het kanaal gelijk, en teerden de groote sluispoorten.
Ja, er werd overal gewerkt om de lente goed te ontvangen, ook in de steden. Daar stonden de schilders en de metselaars op de steigers voor de huizen, en maakten ze mooi, en de dienstmeisjes stonden in het open venster, en lapten de glazen. Beneden aan de haven werden zeil- en stoombooten in orde gemaakt.
Bij Norrköping verlieten de wilde ganzen de vlakte, en vlogen naar den kant van Kolmard. Ze hadden een poos langs een ouden heuvelachtigen landweg gevlogen, die langs diepe kloven en woeste rotswanden slingerde, toen de jongen plotseling een gil gaf. Hij had met de voeten heen en weer zitten zwaaien, en een van zijn klompen was gevallen.
“Ganzerik! ganzerik! ik heb mijn klomp laten vallen.”
De ganzerik keerde om, en wilde neerdalen op het veld. Maar toen zag de jongen, dat twee kinderen, die er juist aankwamen, zijn klomp hadden opgeraapt.
“Ganzerik, ganzerik! Vlieg weer naar boven! Het is te laat. Ik kan mijn klomp niet terug krijgen!”
Beneden op den weg stond Asa, het ganzenhoedstertje en haar broer, de kleine Mads, en bekeken een klompje, dat uit de lucht was komen vallen.
“De wilde ganzen lieten het vallen,” zei kleine Mads.
Asa, het ganzenhoedstertje stond lang over die vondst te peinzen. Eindelijk zei ze langzaam en peinzend: “Herinner jij je wel, Mads, dat we, toen we voorbij ’t Övedklooster liepen, er over hebben hooren praten, dat er in een boerderij een dwergje gezien was met een leeren broek aan, en met klompen aan de voeten als een werkman? En herinner je je, dat we, toen we in Vittskövle kwamen, een meisje hoorden vertellen, dat ze een Goa-dwerg met klompen aan had gezien, die op den rug van een gans vloog? En toen we zelf in ons huisje kwamen, Mads, zagen we immers een kaboutertje, dat precies zoo gekleed was, en ook op een gans klom en wegvloog. Misschien was hij het wel, die hier door de lucht reed op zijn gans, en de klomp verloor.”
“Ja, dat moet zeker zoo wezen,” antwoordde kleine Mads.
Zij keerden de klomp om, en bekeken die nauwkeurig, want het overkomt niet iedereen dwergeklompjes op den weg te vinden.
“Wacht! wacht eens, Mads,” zei Asa. “Hier staat iets op den eenen kant.”
“Ja, dat is zoo. Het zijn kleine letters.”
“Laat eens zien. Ja, daar staat… daar staat: Niels Holgersson, V. Vemmenhög.”
“Dat is wel ’t wonderlijkste, wat ik ooit gehoord heb,” zei Mads.
XXI. De geschiedenis van Karr en Grauwvel
Karr
Ongeveer twaalf jaar vóór Niels Holgersson op reis was gegaan met de wilde ganzen, was er een ijzerfabrikant op Kolmarden, die van een van zijn jachthonden af wou zijn. Hij liet zijn boschwachter roepen, zei hem, dat het onmogelijk was dien hond langer te houden, omdat men hem niet kon afwennen achter alle schapen en kippen te jagen, die hij maar zag, en vroeg den boschwachter den hond meê te nemen naar het bosch, en hem dood te schieten.
De boschwachter deed den hond aan den ketting om hem naar een plaats in het bosch te brengen, waar alle afgedankte honden van het landgoed gewoonlijk doodgeschoten en begraven werden. Hij was geen slechte man, maar hij was toch blij, dat hij dien hond dood mocht schieten, omdat hij wist, dat hij niet alleen schapen en honden najoeg. Hij liep maar al te dikwijls het bosch in, en snoepte een haasje of een jong korhoen.
De hond was klein en zwart, met gele borst en voorpooten. Hij heette Karr en was zoo slim, dat hij alles begreep, wat de menschen zeiden. Terwijl de boschwachter hem door ’t bosch bracht, wist hij heel goed, wat hem te wachten stond. Maar dat mocht niemand aan hem merken. Hij liet den kop en den staart niet hangen, maar zag er even zorgeloos uit als altijd. Het was, omdat zij door het bosch liepen, dat de hond zoo oppaste, niet te laten merken, dat hij bang was. Om het oude landgoed heen lag namelijk aan alle kanten een groot uitgestrekt bosch, berucht bij dieren en menschen, omdat de eigenaars er al sinds jaren zoo bezorgd voor waren geweest, dat ze ’t bijna niet over hun hart konden verkrijgen een boom voor brandhout te vellen. Ze hadden er ook niet toe kunnen komen het te hakken en in toom te houden. Het bosch had mogen doen, waar het lust in had. Maar het was natuurlijk, dat een bosch, dat zoo met rust gelaten werd, een heerlijke schuilplaats voor boschdieren moest worden, en die waren er dan ook bij massa’s. Ze noemden het onder elkaar het “Vrijbosch”, en waardeerden het als de beste schuilplaats in het heele land. Toen nu de hond door het bosch gebracht werd, dacht hij er aan, hoe hij de schrik was geweest van alle kleine dieren, die daar woonden.
“Wat zouden ze allemaal blij zijn, zij daar in het kreupelhout, als ze wisten wat me wachtte,” dacht hij. En hij kwispelde met den staart, en blafte blij, opdat ze toch niet zouden denken, dat hij bang of gedrukt was.
“Wat zou er aan ’t leven geweest zijn, als ik niet nu en dan eens had mogen jagen?” dacht hij. “Wie berouw hebben wil, mag dat voor mijn part. Ik doe niet meê!”
Maar juist toen de hond dat dacht, kwam er een zonderlinge verandering over hem. Hij stak den kop en den nek naar boven, alsof hij lust had te huilen. Hij sprong niet meer naast den boschwachter voort, maar liep stil achter hem. Het was duidelijk, dat hem iets onaangenaams in den zin gekomen was.
Het was vroeg in den zomer. De jonge elanden waren juist geboren, en den vorigen avond was het den hond gelukt een jong elandje, niet meer dan vijf dagen oud, van de moeder weg te jagen, en het op een moeras te drijven. Daar had hij het heen en weer gejaagd, eigenlijk niet om het diertje te vangen, maar alleen om zich met zijn angst te vermaken. De moeder wist wel, dat het moeras bodemloos was, zoo kort na het ontdooien van den grond, en dat het zoo’n groot dier, als zij was, nog niet dragen kon, en ze bleef zoo lang mogelijk aan den kant staan. Maar toen Karr het kalfje al verder en verder wegdreef, liep zij plotseling het moeras op, joeg den hond weg, nam haar kalfje meê, en keerde weer terug.
De elanden zijn veel meer dan andere dieren geschikt om op drassigen en gevaarlijken bodem te loopen, en het scheen, alsof ze behouden aan land komen zou. Maar toen ze heel dicht aan den kant was, zonk een kluitje, waar ze op stapte, opeens weg in de modder, en zij ging meê in de diepte. Ze probeerde weer vasten voet te krijgen, maar dat gelukte niet, – ze zonk al dieper weg. Karr stond er naar te kijken, en hield van angst den adem in, maar toen hij merkte, dat de eland zich niet zou kunnen redden, liep hij weg, zoo hard hij kon. Hij dacht aan al de slaag, die hij krijgen zou, als men merkte, dat hij een eland in ’t ongeluk had gelokt, en hij durfde niet stil te staan, vóór hij thuis was.
Dat was het, wat den hond in de gedachte gekomen was, en dat deed hem op een heel andere manier verdriet, dan al het kwaad, dat hij ooit bedreven had. Dat kwam misschien, doordat hij noch de eland, noch haar kalfje had willen dooden, maar ze heelemaal, zonder dat hij het wilde, om het leven had gebracht.
“Maar ze leven misschien nog,” dacht de hond op eens. “Ze waren immers niet dood, toen ik van hen wegliep. Misschien zijn ze er nog wel uitgeraakt.”
Hij kreeg een onweerstaanbaren lust om daar iets van te weten te komen. Hij zag, dat de boschwachter den koppel niet zoo heel stijf vasthield, deed een vluggen sprong opzij, en kwam werkelijk los. Toen rende hij met zulk een vaart het bosch in, naar het moeras toe, dat de boschwachter geen tijd had het geweer aan te leggen, voor hij verdwenen was.
De boschwachter kon niet anders doen dan hem naloopen, en toen hij bij het moeras kwam, zag hij, dat de hond op een kluitje grond een paar meter van het land, uit alle macht stond te huilen. De man vond, dat hij onderzoeken moest, wat dit te beduiden kon hebben; hij zette het geweer weg, en kroop op handen en voeten het moeras op. Hij was nog niet ver gekomen, toen hij een wijfjeseland dood in de modder zag liggen. Dicht naast haar lag een kalfje. Het leefde nog, maar was zóó zwak, dat het zich niet verroeren kon. Karr stond naast het kalfje. Nu eens boog hij zich neer, en likte het, dan weer huilde hij luid, alsof hij om hulp riep.
Toen nam de boschwachter het dier op, en begon het naar land te sleepen. Toen de hond begreep, dat het gered zou worden, was hij buiten zichzelf van blijdschap. Hij sprong om den boschwachter heen, likte hem de handen, en blafte van vreugd.
De boschwachter droeg het kalfje naar huis, en sloot het in een hokje in de schuur. Toen moest hij hulp halen, om de doode eland uit het moeras te slepen, en eerst toen dit gedaan was, herinnerde hij zich, dat hij Karr moest doodschieten. Hij lokte den hond, die hem al dien tijd was nageloopen, en ging opnieuw met hem het bosch in.
Eerst liep de boschwachter regelrecht naar het hondengraf; maar onderweg scheen hij op andere gedachten te komen, want op eens keerde hij om, en ging naar het landgoed terug.
Karr had hem heel rustig gevolgd, maar toen hij merkte, dat de boschwachter naar zijn vroeger tehuis terugging, werd hij onrustig. De boschwachter had zeker begrepen, dat hij de eland om het leven had gebracht, en nu moest hij naar huis terug, om gestraft te worden, vóór hij zou sterven.
Maar slaag te krijgen was het allerergste, en met dat vooruitzicht zag Karr geen kans moed te houden. Hij liet den kop hangen, en toen hij op het landgoed kwam, zag hij niet op, en deed alsof hij niemand kende.
De fabrikant stond op de stoep, toen de boschwachter er aan kwam.
“Wat in de wereld is dat voor een hond, waar de boschwachter meê aankomt?” zei hij. “Dat kan toch Karr niet zijn? Hij is toch al lang dood.”
Toen begon de boschwachter te vertellen van de elanden, en Karr maakte zich zoo klein, als hij maar kon, en kroop achter de beenen van den boschwachter weg om zich te verstoppen.
Maar de boschwachter sprak over het gebeurde op een heel andere manier, dan de hond verwachtte. Hij prees Karr. Hij zei, dat het duidelijk was, dat de hond wist, dat de elanden in nood verkeerden, en hen had willen redden.
“Meneer mag doen wat hij wil, maar dien hond kan ik niet doodschieten,” zei hij eindelijk.
De hond richtte zich op, en spitste de ooren. Hij kon bijna niet gelooven, dat hij goed gehoord had. Hoewel hij niet graag toonen wou, hoe bang hij was geweest, kon hij niet laten een beetje te blaffen. Zou het mogelijk zijn, dat hij mocht blijven leven, omdat hij ongerust over de elanden was geweest?
De fabrikant vond ook, dat Karr zich goed had gedragen, maar omdat hij in geen geval den hond terugnemen wou, wist hij eerst niet, wat hij doen moest.
“Als u hem wilt nemen, en er voor instaan, dat hij zich beter gedraagt, dan tot nu toe, mag hij wel blijven leven,” zei hij eindelijk.
Ja, dat wilde de boschwachter wel. En zoo kwam Karr in de boschwachterswoning.
De vlucht van Grauwvel
Van den dag af, dat Karr bij den boschwachter kwam, hield hij geheel op met zijn ongeoorloofde jacht in het bosch. Dat was niet alleen, omdat hij bang geworden was, maar ook omdat hij niet wilde, dat de boschwachter boos op hem zou worden. Want sinds hij zijn leven had gered, hield Karr het allermeeste op de wereld van den boschwachter. Hij dacht er alleen aan hem te volgen, en over hem te waken. Als hij van huis ging, sprong Karr vooruit, en onderzocht den weg, en als hij thuis was, lag Karr buiten voor de deur, en hield toezicht over allen, die binnenkwamen en weggingen.
Als het kalm was op de plaats van den boschwachter, als er geen voetstappen klonken op den weg, en de baas met zijn planten bezig was in den groentetuin, gebruikte Karr gewoonlijk zijn tijd om met het elandkalfje te spelen.
Eerst had Karr heelemaal geen lust gehad zich met hem te bemoeien. Maar doordat hij overal met zijn baas meêliep, kwam hij ook met hem in de schuur, als hij het kalfje melk gaf, en bleef meestal buiten het hok naar hem zitten kijken. De boschwachter noemde het dier Grauwvel, omdat hij niet vond, dat het een mooieren naam verdiende, en Karr was dat met hem eens. Telkens als hij het zag, vond hij, dat hij nooit zooiets leelijks en wanstaltigs had gezien. Het had lange dunne beenen, die als losse stelten onder het lichaam zaten. De kop was groot, oudachtig en gerimpeld, en hing altijd op zij. Het vel zat in plooien, en hing slap, alsof het een pels aanhad, die niet voor hem was gemaakt. Het zag er altijd bedroefd en mismoedig uit, maar, vreemd genoeg, het stond altijd haastig op, zoodra het Karr buiten het hok zag, alsof het er blij om was, dat hij kwam.
Het kalf werd iederen dag erger; het groeide niet, en kon op het laatst niet eens meer opstaan, als het Karr zag. Toen sprong de hond in zijn hok, en toen schitterden de oogen van den stumper even, alsof een groote wensch van hem was vervuld.
Van dien tijd af kwam Karr iederen dag bij het elandkalf, en bracht uren bij hem door, likte zijn pels, en stoeide met hem, en onderwees hem zoo’n beetje in alles, wat een boschdier noodig heeft te weten.
’t Was merkwaardig: van den dag af, dat Karr in het hok bij het elandkalf gesprongen was, begon het dier te tieren en te groeien. En toen het eenmaal aan het groeien was werd het in een paar weken zoo groot, dat het niet meer in het kleine hokje kon blijven, maar buiten in een omheining moest worden gezet. Toen het daar een paar maanden had geloopen, waren zijn beenen zoo lang geworden, dat het over de omheining kon stappen, als het dat wilde. Toen kreeg de boschwachter verlof van den fabrikant een hooge, groote omheining te zetten om het stuk land, waar het liep. Daar leefde de jonge eland verscheidene jaren, en werd een sterk en statig dier. Karr hield hem gezelschap zoo vaak hij kon; nu niet meer uit medelijden, maar omdat er tusschen hen een groote vriendschap was ontstaan. De eland was altijd treurig, en scheen traag en weinig ondernemend te zijn, maar Karr verstond de kunst hem blij te maken en aan het spelen te krijgen.
