Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.
Kitabı oku: «Niels Holgersson's Wonderbare Reis», sayfa 17
Grauwvel had vijf zomers op de plaats van den boschwachter geleefd, toen de fabrikant een brief van een zoölogischen tuin in het buitenland kreeg, met de vraag, of hij den eland wilde verkoopen. Hij vond het voorstel goed. De boschwachter werd bedroefd, maar hij kon er niets aan doen, en er werd besloten, dat de eland zou worden verkocht. Karr hoorde al gauw, wat er gaande was, en liep naar den eland om hem te vertellen, dat de bedoeling was hem weg te zenden. De hond was in den grootsten angst, dat hij hem zou moeten missen. Maar de eland nam de zaak kalm op, en scheen er niet blij en niet bedroefd om te wezen.
“Ben je van plan om je zonder verzet te laten wegbrengen?” vroeg Karr.
“Wat zou het helpen, als ik me verzette?” zei Grauwvel. “Ik zou ’t liefst blijven, waar ik ben, maar als ik verkocht ben, zal ik hier wel vandaan moeten.”
Karr stond hem aan te zien. ’t Was merkbaar, dat de eland nog niet volwassen was. Hij had nog niet zulke breede horens, noch zulk een hoogen bult op den rug en zoo steile manen als de oudere stieren onder de elanden, maar hij had wel kracht genoeg om voor zijn vrijheid te strijden.
“Je kunt wel merken, dat hij zijn leven lang gevangen is gehouden,” dacht Karr, maar hij zeide niets.
Karr kwam niet bij den eland terug voor na den middag, toen hij wist, dat Grauwvel goed uitgeslapen was, en zijn eersten maaltijd hield.
“Je hebt wel gelijk, Grauwvel, dat je je laat wegbrengen,” zei Karr, en scheen nu rustig en vergenoegd te zijn. “Je zult in een grooten tuin gevangen gezet worden, en een zorgeloos leven hebben. Ik vind alleen, dat het jammer is, dat je van hier zult weggaan, vóór je het bosch gezien hebt. Je weet, dat je stamgenooten tot lijfspreuk hebben, dat de eland één is met het bosch, maar je bent nog nooit in een bosch geweest.”
Grauwvel zag op van de klaver, waar hij van stond te eten.
“Ik zou het bosch wel willen zien, maar hoe zal ik over de heining komen?” zei hij met zijn gewone slapheid.
“Neen, dat zal wel onmogelijk zijn voor iemand, die zulke korte beenen heeft,” zei Karr.
De eland keek van onder zijn haren neer op Karr, die zoo klein als hij was, verscheiden keer per dag over de heining sprong.
Toen ging hij naar den slagboom, nam een sprong, en was buiten, bijna zonder dat hij wist, hoe het was toegegaan.
Karr en Grauwvel begaven zich nu het bosch in. ’t Was een mooie nacht met helderen maneschijn, tegen het eind van den zomer, maar onder de boomen was het donker, en de eland liep heel langzaam.
“’t Is misschien ’t beste, dat we teruggaan,” zei Karr. “Jij, die nog nooit in een woest bosch geloopen hebt, kon je beenen wel eens breken.”
Toen begon Grauwvel sneller en moediger te loopen. Karr bracht den eland naar een gedeelte van het bosch, waar geweldige dennen groeiden, die zoo dicht op elkaar stonden, dat de wind er niet doorheen dringen kon.
“Hier zoeken je stamgenooten gewoonlijk beschutting voor de kou en den storm,” zei Karr. “Hier staan zij onder den blooten hemel, den heelen winter. Jij zult het beter krijgen, waar je nu komt. Je krijgt een dak boven je hoofd, en moogt in den stal staan, als een os.”
Grauwvel antwoordde niet, maar stond stil, en ademde den sterken dennengeur in.
Toen ging Karr met hem naar een groot moeras, en wees hem de grasboschjes en het weeke moeras.
“Over dit moeras vluchten de elanden gewoonlijk, als ze in gevaar zijn,” zei Karr. “Ik weet niet hoe zij ’t aanleggen, maar zoo groot en zwaar als ze zijn, kunnen zij hier loopen zonder er in te zakken. Jij zoudt zeker niet over zulk een gevaarlijk veld kunnen komen, maar dat hoef je ook niet, want nooit zal een jager je vervolgen.”
Grauwvel antwoordde niet, maar met één grooten sprong was hij op ’t moeras. Hij was blij, toen hij voelde, hoe de grasboschjes onder hem op en neer gingen, hij draafde voort dwars over het moeras, en kwam bij Karr terug, zonder ergens in een modderpoel te zijn gezonken.
“Hebben wij nu het heele bosch gezien?” vroeg hij.
“Neen, nog niet,” antwoordde Karr.
Hij bracht nu den eland naar den zoom van het bosch, waar statige loofboomen groeiden: eiken, en abeelen, en linden.
“Hier eten je stamgenooten gewoonlijk loof en bast,” zei Karr. “Zij houden dat voor het beste voedsel, maar je zult wel beter voedsel krijgen in het buitenland.”
Grauwvel was verbaasd over de geweldige loofboomen, die hun groene koepels boven zijn hoofd welfden. Hij proefde van het eikenloof en de abeelenbast.
“Dat smaakt sterk en goed,” zei hij. “Dat is beter dan klaver.”
“’t Was goed, dat je dat nog eens te eten kreeg,” zei de hond.
Toen nam hij den eland meê naar een klein boschmeertje. Dat lag daar heel stil en blank, en weerspiegelde het strand, dat in dunne, lichte nevels gehuld lag. Toen Grauwvel dat zag, bleef hij onbewegelijk staan.
“Wat is dat, Karr?” vroeg hij. ’t Was voor ’t eerst, dat hij een meer zag.
“Dat is een groot water, dat is een meer,” zei Karr. “Je familie zwemt gewoonlijk van het eene strand naar het andere. Niemand kan verlangen, dat jij dat kunnen zult, maar je moest ten minste naar beneden gaan om een bad te nemen.”
Karr ging zelf in het water, en begon te zwemmen. Grauwvel bleef een heele poos op het land. Eindelijk kwam hij ook. Zijn adem stokte van welbehagen, toen het water zich zacht en koel om zijn leden sloot. Hij wilde het ook over den rug hebben, hij ging verder vooruit, voelde, dat het water hem droeg, en begon te zwemmen. Hij zwom om Karr heen, en was geheel thuis in het water. Toen ze weer op het strand stonden, vroeg de hond, of ze nu naar huis zouden gaan?
“’t Duurt nog lang eer het morgen is. We kunnen nog wel wat in het bosch rond blijven loopen,” zei Grauwvel.
Zij gingen weer terug in het naaldbosch. Al gauw kwamen ze aan een open plaats, die in den vollen maneschijn lag, met gras en bloemen, glinsterend van den dauw. Midden op die boschweide liepen eenige groote dieren te grazen. ’t Waren elanden, een stier, met verscheidene koeien en kalveren. Toen Grauwvel hen zag, bleef hij eensklaps staan. Hij zag nauwlijks naar de koeien en de jonge dieren. Hij staarde naar den ouden stier, die breede horens had met veel takken, een hooge bult boven de dijen, en een langharig stuk vel hangende onder den hals.
“Wat is dat voor een dier?” vroeg Grauwvel met een stem, die beefde van verwondering.
“Hij wordt Kroonhoorn genoemd, en hij is je stamgenoot. Je krijgt zeker ook eens zulke breede horens en zulke manen, en als je in ’t bosch bleef, zou je ook wel een kudde krijgen om te leiden.”
“Als hij daar mijn stamgenoot is, wil ik dichter bij hem komen en hem bekijken,” zei Grauwvel. “Ik wist niet, dat een dier zóó prachtig kon zijn.” Grauwvel ging op de elanden toe, maar kwam bijna dadelijk bij Karr terug, die aan den zoom van het bosch achtergebleven was.
“Je bent zeker niet vriendelijk ontvangen,” zei Karr.
“Ik zei hem, dat het voor ’t eerst was, dat ik stamgenooten ontmoette, en ik vroeg, of ik bij hen op de wei mocht loopen, maar hij wees me af, en dreigde me met zijn horens.”
“’t Was goed, dat je wegging,” zei Karr. “Een jonge stier, die nog maar takken aan zijn horens heeft, moet zich wachten voor een gevecht met oude elanden. Een ander zou een slechten naam in ’t heele bosch gekregen hebben, als hij was weggeloopen, zonder zich te verzetten, maar daar hoef jij je niet over te bekommeren, die toch naar het buitenland zult gaan.”
Karr had nauwlijks uitgesproken, of Grauwvel keerde om, en liep over het veld. De oude eland kwam hem tegemoet, en ze raakten dadelijk aan het vechten. Ze zetten de horens tegen elkaar, en stootten toe, en Grauwvel werd over ’t heele veld achteruit gedreven. Hij scheen zijn kracht niet te kunnen gebruiken. Maar toen hij aan den kant van het bosch kwam, zette hij de voeten vaster op den grond, stootte krachtig met de horens, en begon Kroonhoorn achteruit te drijven. Grauwvel vocht zwijgend, maar Kroonhoorn brieschte en snoof. De oude eland werd nu op zijn beurt over het heele veld teruggedrongen. Op eens hoorde Karr een sterk gekraak. Een tak van de horens van den ouden eland was gebarsten. Toen rukte hij zich heftig los van Grauwvel, en sprong het bosch in.
Karr stond nog aan den zoom van ’t bosch, toen Grauwvel terugkwam.
“Nu heb je gezien, wat er in het bosch was,” zei hij. “Wil je nu meê naar huis gaan?”
“Ja, nu zal het wel tijd zijn,” zei de eland.
Beiden waren stil op den terugweg. Karr zuchtte meermalen, alsof hem iets tegengevallen was, maar Grauwvel liep met opgeheven hoofd, en scheen van zijn avontuur genoten te hebben. Hij liep voort zonder de minste aarzeling, tot ze bij de ingeheinde plaats kwamen, waar hij tot nu toe geweest was. Maar toen bleef hij staan. Hij keek rond over de kleine ruimte, waar hij altijd geleefd had, zag den vastgetrapten grond, het verwelkte voer, het kleine bakje, waaruit hij water had gedronken, en de donkere schuur, waar hij had geslapen.
“De elanden zijn één met het bosch!” riep hij, wierp den kop achteruit, zoodat de nek op zijn rug lag, en stormde in wilde vaart het bosch in.
Helpmij
Diep in ’t groote Friedsbosch vertoonden zich elk jaar in Augustus in ’t lage dennenbosch een paar grijswitte nachtvlinders van dat soort, dat men “Nonvlinders” noemt. Ze waren klein, en er waren maar weinige, en er was bijna niemand, die op hen lette. Als ze diep in ’t bosch een paar nachten hadden rondgefladderd, legden ze een paar duizend eieren op de boomstammen, en kort daarna zonken ze levenloos op den grond.
Als de lente kwam, kropen kleine, gespikkelde larven uit de eieren, en begonnen denneschors te eten. Zij hadden goeden eetlust, maar deden nooit de boomen ernstige schade, omdat ze zoo sterk door de vogels werden vervolgd. Zelden ontkwamen er meer dan een paar honderd larven.
Die arme larven, die volwassen werden, kropen naar boven langs de takken, sponnen zich in witte draden in, en zaten zoo een paar weken als onbewegelijke poppen. In dien tijd werd gewoonlijk meer dan de helft van hen weggepikt. Als er een honderdtal vleugels kreeg, en klaar kwam in Augustus kon men rekenen, dat ze een goed jaar hadden.
Zulk een onzeker en onopgemerkt leven leidden de nonnen jaren lang in het Friedsbosch. Er was geen insectenvolk in de gansche streek, die zoo weinig in aantal was. En zoo machteloos en weinig gevaarlijk zouden ze gebleven zijn, als ze niet heel onverwacht een helper hadden gekregen.
Maar dat de nonnen een helper kregen, kwam door dat de eland uit de boschwachterswoning was gevlucht. Grauwvel had namelijk den heelen dag, na zijn vlucht, in ’t bosch rondgeloopen om te maken, dat hij er zich thuis zou gaan voelen.
In den middag drong hij door een dicht kreupelhout, en vond daarachter een open plaats, waar de grond modderig, los en moerassig was. Midden in lag een zwarte waterpoel, en daaromheen stonden allemaal hooge dennen, die bijna zonder naalden waren, omdat ze oud waren, en doordat ze niet tieren konden. Grauwvel vond die plaats akelig, en zou die gauw hebben verlaten, als hij niet een paar heldergroene callabladen in ’t oog had gekregen, die bij den poel groeiden.
Toen hij nu den kop over de callaplant boog, maakte hij een groote, zwarte slang wakker, die er onder lag te slapen. De eland had Karr hooren spreken over de vergiftige adders in het bosch, en toen de slang den kop ophief, zijn gespleten tong uitstak, en tegen hem siste, meende hij, dat hij een vreeselijk gevaarlijk dier had ontmoet. Hij schrikte, hief den voet op, sloeg met zijn hoef en verbrijzelde den kop van de slang. Daarop draafde hij haastig weg.
Zoodra Grauwvel weg was, dook een andere slang, even lang en zwart als de eerste, op uit den poel. Hij kroop naar de doode, en liet zijn tong over den verbrijzelden kop gaan.
“Is dat werkelijk mogelijk, dat je dood bent, oude Karnlösa?” siste de slang. “Wij hebben zooveel jaren samen geleefd! Wij hebben het zoo goed samen gehad, en we tierden zoo goed in dezen plas, dat we ouder zijn geworden dan alle andere slangen in het bosch. Dat was het ergste verdriet, dat me treffen kon.”
De slang was zoo bedroefd, dat zijn lang lichaam kronkelde, alsof het gewond was. Zelfs de kikvorschen, die in een voortdurenden angst voor hen leefden, hadden medelijden met hem.
“Wat moet hij toch slecht zijn, die een arme slang doodslaat, die zich niet kan verweren!” siste de slang, “hij verdient zeker een heel harde straf.” Hij lag nog een tijd lang te kronkelen van verdriet, maar op eens hief hij den kop op. “Ik zal me wreken, zoowaar ik Helpmij heet, en de oudste slang in ’t bosch ben! Ik zal niet rusten, voor die eland dood op ’t veld ligt, zooals mijn arme oude gezellin!”
Toen de slang die gelofte had gedaan, rolde hij zich op, en ging liggen nadenken. Maar er kan wel niets moeielijker zijn voor een arme slang, dan wraak te bedenken op een grooten, krachtigen eland, en de oude Helpmij peinsde dagen en nachten, zonder een uitweg te vinden.
Maar op een nacht, toen de slang in zijn wraakgedachten verdiept lag, en niet kon slapen, hoorde hij een licht geritsel boven zijn hoofd. Hij keek op, en onderscheidde een paar lichte nonvlindertjes, die tusschen de boomen speelden. Hij volgde ze lang met de oogen, toen begon hij luid in zichzelf te sissen, maar eindelijk sliep hij in, en scheen tevreden te zijn met wat hij had bedacht.
Den volgenden morgen ging de slang naar Krule, de adder, die in een steenachtige en hooggelegen streek van ’t Friedsbosch woonde. Aan hem vertelde hij nu van den dood van zijn oude gezellin, en vroeg hem, die zoo gevaarlijk bijten kon, de wraak op zich te nemen. Maar Krule was niet erg geneigd zich aan een strijd met de elanden te wagen.
“Als ik een eland aanviel,” zei hij, “zou hij me dadelijk doodslaan. Je oude vrouwtje is dood, en haar kunnen we niet meer levend maken. Waarom zou ik me voor haar een ongeluk op den hals halen?”
Toen de slang dit antwoord kreeg, hief hij den kop wel een voet hoog van het veld op, en siste allerverschrikkelijkst.
“Wisch, wasch! wisch, wasch!” zei hij. “’t Is jammer, dat jij zulke wapens hebt, jij, die zoo laf is, dat je ze niet gebruiken durft.”
Toen de adder dat hoorde, werd hij ook boos.
“Maak, dat je weg komt, ouwe Helpmij!” siste hij. “’t Vergif loopt me langs de tanden, maar ik wil iemand, die mijn stamgenoot heet, liefst sparen.”
De slang verroerde zich niet, en lang lagen ze daar allebei elkander hatelijkheden te zeggen. Maar toen Krule zóó boos werd, dat hij niet meer sissen kon, en alleen nog maar zijn tong inhaalde en uitstak, begon de slang gauw op een heel anderen toon te praten.
“Ik had eigenlijk nog een boodschap,” zei hij, en begon zacht te fluisteren; “maar nu heb ik je zeker zoo boos gemaakt, dat je me niet helpen wilt.”
“Als je me maar niet iets onzinnigs vraagt, wil ik je wel van dienst zijn.”
“In de dennen dicht bij mijn poel,” zei de slang, “woont een vlindervolk, dat in den nazomer ’s nachts rondvliegt.”
“Ik weet wel wie je meent,” zei Krule “wat wou je met hen?”
“’t Is het kleinste insectenvolk in het bosch,” zei Helpmij, “en de onschadelijkste van allen, omdat de larven zich met het eten van dennebast tevreden stellen.”
“Ja, dat weet ik,” zei Krule.
“Ik ben zoo bang, dat dit vlindervolk gauw heelemaal zal zijn uitgeroeid,” zei de slang. “Er zijn zooveel dieren, die de larven in de lente opeten.”
Nu meende Krule te begrijpen, dat de slang die larven voor eigen gebruik wilde houden, en hij antwoordde vriendelijk: “Wil je, dat ik aan de uilen zeg, dat ze die denneneters met rust zullen laten?”
“Ja, als jij, die wat invloed hebt hier in ’t bosch, daarvoor zorgen kon, zou het wel goed zijn.”
“Misschien zal ik ook een goed woord voor hen doen bij de lijsters,” zei de adder. “Ik wil je graag helpen, als je maar niet iets onmogelijks begeert.”
“Dat is een goede belofte, Krule,” zei Helpmij, “en ik ben blij, dat ik bij je gekomen ben.”
XXII. De nonnen
Verscheidene jaren later lag Karr op een morgen te slapen op de stoep. ’t Was in den voorzomer, in den tijd van de korte nachten, en ’t was helder dag, hoewel de zon nog niet op was. Toen werd Karr wakker, doordat iemand hem bij zijn naam riep.
“Ben jij het, Grauwvel?” vroeg Karr, want hij was gewoon, dat de eland hem bijna iederen nacht even kwam bezoeken. Hij kreeg geen antwoord, maar hij hoorde weer, dat iemand hem bij zijn naam riep. Hij meende de stem van Grauwvel te herkennen, en liep, zoo gauw hij kon, op het geluid af.
Karr hoorde, dat de eland voor hem uit sprong, maar hij kon hem niet inhalen. Hij rende het dennenbosch in, waar het ’t dichtste was, zonder zich aan pad of weg te storen. Karr had alle moeite om het spoor niet te verliezen.
“Karr, Karr,” hoorde hij roepen, en ’t was de stem van Grauwvel, maar met een klank, dien de hond er nooit in had gehoord.
“Ik kom, ik kom! Waar ben je?” antwoordde de hond.
“Karr, Karr, zie je niet, hoe alles valt, alles valt?” vroeg Grauwvel.
Karr zag toen, dat er onophoudelijk dennenaalden vielen, als een lichte regen.
“Ja, dat zie ik!” riep hij, maar liep tegelijk het bosch in om den eland te zoeken.
Grauwvel liep snel voor hem uit, dwars door het kreupelhout, en Karr was opnieuw bijna het spoor bijster.
“Karr, Karr!” schreeuwde Grauwvel, met angstig geloei, “merk je niet, hoe het ruikt in ’t bosch?” Karr bleef staan en snoof. Hij had er eerst niet opgelet, maar nu merkte hij, dat de dennen een veel sterker geur verspreidden, dan ze anders deden.
“Ja, ik merk, hoe het ruikt,” zei hij, maar gaf zich niet den tijd om na te gaan, hoe het kwam; hij liep door, Grauwvel achterna.
De eland sprong weer voort met zulk een vaart, dat de hond hem niet kon inhalen. “Karr, Karr!” riep hij een poos later, “hoor je niet hoe het knapt in de takken.” Nu klonk de stem zóó droevig, dat die steenen zou kunnen vermurwen. Karr bleef staan om te luisteren, en hoorde een zwak, maar duidelijk knappen boven in de boomen. Het klonk als het tikken van een horloge.
“Ja, ik hoor het knappen,” riep Karr, en ging nu niet verder. Hij begreep, dat de eland niet wilde, dat hij hem zou volgen, maar dat hij zou letten op iets, dat in het bosch gebeurde.
Karr stond onder een den met zware, slepende takken en grove, donkergroene naalden. Hij bekeek den boom nauwkeurig, en vond, dat het was, alsof de naalden zich bewogen. Toen hij nog dichter bij kwam, ontdekte hij een menigte grauwwitte larven, die zich voortwerkten langs de boomtakken, en van de naalden aten. Er waren een massa op elken tak, zij knaagden en aten. Het knapte voortdurend in den boom; dat waren al die werkende kaken. Afgebeten naalden vielen aanhoudend op den grond, en uit de arme takken stroomde een geur, zóó sterk, dat de hond er last van had.
“Die den daar zal niet veel naalden behouden,” dacht hij, en keerde zich naar den volgenden boom. Dat was ook een groote, statige den, maar die zag er ook zoo uit. “Wat kan dat wezen?” dacht Karr. “Dat is toch zonde van die mooie boomen. Die zullen gauw al hun schoonheid hebben verloren.”
Hij ging van den eenen boom naar den anderen, en probeerde er achter te komen, hoe ’t met hen was. “Dat daar is een spar, die hebben ze misschien niet aangedurfd,” dacht hij. Maar ze hadden ook de spar aangetast. “En daar een berk. Ja, daar ook, daar ook. Dat zal den boschwachter wel niet aanstaan,” dacht Karr.
Hij sprong het kreupelhout verder in, om te weten te komen, hoe ver de verwoesting al gegaan was. Waar hij kwam, hoorde hij hetzelfde tikken, rook dezelfde lucht, en overal viel dezelfde naaldenregen. Hij hoefde niet meer stil te staan, om te zien. De kleine larven waren overal. ’t Heele bosch zou al gauw door hen zijn kaalgegeten.
Plotseling kwam hij op een plek, waar geen geur te merken, en alles doodstil was.
“Hier is hun rijk uit,” dacht de hond, bleef staan, en keek rond.
Maar hier was het nog erger; hier hadden de larven hun werk al voltooid, en de boomen stonden zonder naalden. Ze waren als dood, en het eenige, wat er nog aan hen te zien was, was een massa verwarde draden, die de larven hadden gesponnen, om als bruggen en wegen te gebruiken.
Hier, tusschen de stervende boomen, stond Grauwvel op Karr te wachten. Hij was niet alleen; bij hem stonden vier oude elanden, de aanzienlijkste in ’t bosch. Karr kende hen. ’t Waren Kromrug, een kleine eland, maar die grooter bult had dan eenig ander, Kroonhoorn, de statigste van het elandenvolk, Ruigmaan, met zijn dikken pels, en een oude eland met hooge pooten, die Grootsterk heette, en vreeselijk driftig en strijdlustig geweest was, tot hij bij de laatste jacht in den herfst een kogel in de dij gekregen had.
“Wat in de wereld gebeurt er toch met het bosch?” vroeg Karr, toen hij bij de elanden kwam, die met hangende koppen en ver vooruitstekende bovenlip stonden te wachten, en er nadenkend uitzagen.
“Dat kan niemand zeggen,” antwoordde Grauwvel. “Dit insectenvolk hier is het meest machtelooze in ’t heele bosch geweest, en heeft vroeger nooit eenige schade gedaan, maar in de laatste jaren is het snel aangegroeid in aantal, en nu lijkt het wel, alsof ze het heele bosch zullen vernielen.”
“Ja, het ziet er leelijk uit,” zei Karr, “maar ik merk, dat de wijzen uit het bosch hier bijeen zijn, om te beraadslagen, en zij hebben er misschien iets op gevonden.”
Toen de hond dat zei, hief Kromrug plechtig zijn zwaren kop op, klapte met de lange ooren, en zei: “We hebben je hier geroepen, Karr, om te hooren, of de menschen iets weten van deze verwoesting.”
“Neen,” zei Karr, “zoover in ’t bosch komt immers geen mensch, wanneer de jacht niet geopend is. Zij weten niets van dit ongeluk.”
“Wij, die in ’t bosch oud geworden zijn,” zei toen Kroonhoorn, “gelooven niet, dat wij, dieren, ons alleen tegen dit insectenvolk kunnen verweren.”
“Wij vinden het eene bijna een even groot ongeluk als het andere,” zei Ruigmaan. “Met de rust in het bosch is het in ieder geval uit.”
“Maar we kunnen het heele bosch niet laten bederven,” zei Grootsterk. “We hebben geen keus.”
Karr begreep, dat het de elanden zwaar viel, voor den dag te komen met wat ze wilden zeggen, en hij probeerde hen te helpen.
“Is ’t misschien de bedoeling, dat ik de menschen zal laten weten, hoe het hier gaat?”
Toen begonnen alle vier de ouden met den kop te knikken.
“’t Is een groot ongeluk, hulp van de menschen te moeten vragen, maar we weten geen anderen raad.”
Kort daarna was Karr op weg naar huis. Terwijl hij haastig voortliep, diep bekommerd over alles, wat hij gezien en gehoord had, kwam hem een groote, zwarte slang te gemoet.
“Welkom in ’t bosch,” siste de slang.
“Goedendag,” blafte Karr, en liep voorbij zonder stil te staan. Maar de slang keerde om, en probeerde hem in te halen.
“Misschien is hij ook ongerust over ’t bosch,” dacht Karr, en bleef staan. De slang begon dadelijk over de groote verwoesting te spreken.
“Als de menschen hier komen, is ’t uit met onze rust en vrede,” zei hij.
“Daar ben ik ook bang voor,” zei Karr, “maar de oude elanden in ’t bosch weten wel, wat ze doen.”
“Ik geloof wel, dat ik een beter raad weet,” zei de slang, “als ik maar het loon kreeg, dat ik verlang.”
“Ben jij ’t soms, die ze Helpmij noemen?” vroeg de hond verachtelijk.
“Ik ben al een oude boschbewoner,” zei de slang. “Ik weet, hoe je dat ongedierte wegkrijgen kunt.”
“Als je ’t maar wegkrijgen kunt,” zei Karr, “denk ik wel, dat niemand je weigeren zal, wat je ook begeert.”
Toen Karr dat zei, glipte de slang onder een boomwortel, en zette het gesprek niet voort, voor hij veilig in een nauw gat lag.
“Groet dan Grauwvel van mij,” zei hij, “en zeg hem, dat, als hij van het Friedsbosch weg wil trekken, en niet ophouden, voor hij zoo ver naar het noorden gekomen is, dat er geen eik meer in ’t bosch groeit, en hier niet terugkomen, vóór de slang Helpmij dood is, ik ziekte en dood zal zenden over al die larven, die langs de takken kruipen en er van eten.”
“Wat zeg je daar?” vroeg Karr, en de haren op zijn rug begonnen op te staan. “Wat heeft Grauwvel je voor kwaad gedaan?”
“Hij heeft haar doodgeslagen, die me het liefste was,” zei de slang. “En ik wil me op hem wreken.”
Eer de slang nog had uitgesproken, deed Karr een aanval op hem, maar hij lag veilig onder den boomwortel.
“Lig daar zoolang je wilt,” zei Karr eindelijk. “Wij zullen die denneneters zonder jou wel wegkrijgen.”
Den volgenden dag gingen de ijzerfabrikant en de boschwachter langs het boschpad. Karr liep eerst naast hen, maar na een poosje verdween hij, en kort daarna klonk een luid blaffen uit het bosch.
“Dat is Karr, die weer aan ’t jagen is,” zei de ijzerfabrikant. De boschwachter wilde het niet gelooven.
“Karr heeft al jaren lang geen ongeoorloofde jacht gehouden,” zei hij. Hij liep het bosch in om te zien, wat voor een hond daar blafte, en de ijzerfabrikant volgde hem.
Zij volgden het blaffen, tot waar het bosch het dichtste was. Maar toen ze daar gekomen waren, hield het op. Zij bleven staan om te luisteren, en daar, in de stilte, hoorden zij de kaken van de larven werken, zagen ze, hoe de naalden naar beneden vielen als regen, en roken ze den sterken geur. Daar merkten ze ook, hoe alle boomen waren aangetast door de larven van de nonvlinders, de kleine boomvijanden, die mijlen in het rond de boomen kunnen vernielen.
De groote nonnenoorlog
Het volgend voorjaar kwam Karr op een morgen door het bosch. “Karr, Karr!” riep iemand hem na. Karr keerde zich om. Hij had goed gehoord. ’t Was een oude vos, die buiten zijn hol stond, en hem riep.
“Zeg me even, of de menschen wat voor het bosch doen!” zei de vos.
“Ja, wees daar maar zeker van,” zei Karr. “Zij werken er voor, zoo hard zij kunnen.”
“Ze hebben mijn heele familie vermoord,” zei de vos. “En zij zullen mij ook nog wel eens vermoorden. Maar dat alles zal hun vergeven worden, als zij het bosch maar helpen.”
Karr kon nooit door het kreupelhout loopen dat jaar, zonder dat iemand hem vroeg, of de menschen het bosch konden helpen. ’t Was niet zoo gemakkelijk voor hem hierop te antwoorden, want de menschen wisten zelf niet, of het hun zou gelukken de nonnen te overwinnen.
Als men er aan denkt hoe gevreesd en gehaat het oude Kolmarden2 was geweest, was het wonderlijk te zien hoe meer dan honderd man dagelijks het bosch introkken, en er werkten, om het van den ondergang te redden. Zij velden de boomen, die ’t meest beschadigd waren, kapten het onderhout weg, en sneden de laagste takken af, opdat de larven niet zoo gemakkelijk van boom tot boom zouden kruipen. Ze hieuwen breede paden om het aangetaste bosch heen, en legden met lijm bestreken stangen uit, opdat de larven daar ingesloten zouden worden, en geen nieuw grondgebied meer veroveren. Toen dat gedaan was, begonnen ze lijmringen aan te leggen om de boomen. ’t Was de bedoeling, dat men op die manier de larven zou verhinderen uit de boomen te komen, die ze al kaal gegeten hadden, en hen dwingen te blijven, waar ze waren, en daar dood te hongeren.
De menschen gingen met dit werk door, tot laat in de lente, ze waren vol hoop, en wachtten bijna met ongeduld den tijd af, dat de larven uit de eieren zouden komen. Ze waren er zeker van, dat ze hen zoo goed hadden ingesloten, dat de allermeeste van honger moesten sterven.
Toen kwamen de larven uit in het begin van den zomer, en er waren oneindig meer dan het vorige jaar. Maar dat deed er immers niet toe, als ze maar ingesloten waren, en geen voedsel genoeg konden vinden. Maar dat ging toch niet juist, zooals men had gehoopt. Wel waren er larven, die aan de lijmstaven vast raakten, en er waren massa’s, die door de lijmringen verhinderd waren uit de boomen naar beneden te komen, maar men kon niet zeggen, dat de larven ingesloten waren. Ze waren binnen en buiten de opsluitende ringen. Ze waren overal. Ze kropen over den weg, op de tuinheggen, langs de muren. Ze zwierven over de grenzen van het Friedsbosch naar andere gedeelten van Kolmarden.
“Ze houden niet op, voor al onze bosschen vernield zijn,” zeiden de menschen. Ze waren in den grootsten angst, en konden niet in het bosch komen, zonder tranen in de oogen te krijgen.
Karr walgde zoo van al dat kruipend en knagend gedierte, dat hij het bijna niet over zich verkrijgen kon de deur uit te gaan. Maar op een dag vond hij, dat hij eens moest gaan hooren, hoe Grauwvel het had. Hij sloeg den naasten weg in naar zijn velden, en liep haastig voort, met den neus langs den grond. Toen hij bij den boomwortel kwam, waar hij het vorige jaar Helpmij had ontmoet, lag die daar weer, en riep hem.
“Heb je met Grauwvel gesproken over wat ik je laatst gezegd heb?” vroeg de slang.
Karr blafte alleen maar, en probeerde bij hem te komen.
“Doe dat in ieder geval,” zei de slang. “Je ziet immers wel, dat de menschen geen raad weten voor deze verwoesting.”
“Ja, jij ook niet,” antwoordde Karr, en liep verder.
Karr vond Grauwvel; maar de eland was zóó somber gestemd, dat hij nauwlijks groette. Hij begon dadelijk over het bosch te praten. “Ik weet niet, wat ik er niet voor geven zou, als die ellende ophield,” zei hij.
“Dan zal ik je toch vertellen, dat je het bosch redden kunt,” zei Karr, en bracht nu de boodschap van de slang over.
“Als ’t iemand anders dan Helpmij was, die dat beloofde, zou ik dadelijk in ballingschap gaan,” zei de eland. “Maar hoe zou nu een arme slang zoo’n macht hebben?”
“’t Is natuurlijk maar pocherij,” zei Karr. “Slangen doen altijd, alsof ze meer weten dan andere dieren.”
Toen Karr naar huis zou gaan, bracht Grauwvel hem een eind weg. Karr hoorde toen hoe een lijster, die in een dennetop zat, begon te roepen: “Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield.”
Karr meende, dat hij het niet goed gehoord had, maar een oogenblik later kwam een haas aanrennen over het pad. Toen de haas hen zag, bleef hij stil staan, klapte met de ooren, en riep:
“Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield!” Toen rende hij weg, zoo hard hij kon.
“Wat bedoelen ze daarmeê?” vroeg Karr.
“Dat weet ik niet precies,” zei Grauwvel. “Ik denk, dat het kleine volkje in ’t bosch ontevreden over me is, omdat ik den raad gaf de hulp van de menschen in te roepen. Al hun schuilplaatsen en woningen zijn verwoest, toen het onderhout werd weggekapt.”
Ze liepen nog een poos samen voort, en Karr hoorde dat van alle kanten werd geroepen: “Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield.”
Grauwvel deed, alsof hij het niet hoorde, maar Karr, meende nu te begrijpen, waarom hij zoo gedrukt was.
