Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.
Kitabı oku: «Niels Holgersson's Wonderbare Reis», sayfa 18
“Zeg, Grauwvel,” vroeg Karr snel, “wat meent de slang daarmeê, dat je iemand zoudt hebben doodgeslagen, van wie hij zooveel hield?”
“Hoe kan ik dat weten?” zei Grauwvel. “Je weet, dat ik nooit iemand doodsla.”
Kort daarna ontmoetten zij de vier oude elanden: Kromrug, Kroonhoorn, Ruigmaan en Grootsterk. Zij kwamen langzaam en bedachtzaam aanstappen, achter elkaar.
“Welkom in ’t bosch,” riep Grauwvel ze tegen.
“Goeden dag,” antwoordden de elanden. “We zochten je juist, Grauwvel, om met je over het bosch te spreken.”
“We hebben gehoord,” zei Kromrug, “dat er hier een misdaad in ’t bosch is gebeurd, en dat het heele bosch wordt verwoest, omdat die daad niet gestraft is.”
“Wat is dat voor een misdaad?”
“Er is iemand, die een onschadelijk dier heeft gedood, dat hij niet eten kon. Zooiets wordt hier in ’t Friedsbosch voor een misdaad gehouden.”
“Wie is dat, die zooiets schandelijks heeft gedaan?” vroeg Grauwvel.
“Het schijnt, dat het een eland is, en nu wilden we je vragen, of je weet, wie dat wezen kan.”
“Neen,” zei Grauwvel, “ik heb nooit over een eland hooren spreken, die een onschadelijk dier heeft gedood.”
Grauwvel nam afscheid van de oude elanden, en ging met Karr verder. Hij werd al stiller, en liep met gebogen kop. Zij kwamen voorbij Krule, de adder, die daar in zijn hol lag.
“Daar loopt Grauwvel, die het bosch heeft vernield,” siste Krule, zooals al de anderen. Nu verloor Grauwvel zijn geduld. Hij ging op de adder toe, en lichtte den voorpoot op.
“Ben je van plan mij dood te slaan, zooals je de oude slang hebt doodgeslagen?”
“Heb ik een slang doodgeslagen?” vroeg Grauwvel.
“De eerste dag, toen je in ’t bosch kwam, sloeg je de vrouw van de slang, Helpmij, dood,” zei Krule.
Grauwvel ging snel van Krule weg, en bleef met Karr doorloopen. Opeens stond hij stil:
“Karr, ik heb de misdaad begaan. Ik heb een onschadelijk dier doodgeslagen. Om mij wordt het bosch verwoest.”
“Wat zeg je toch?” viel Karr hem in de rede.
“Zeg jij maar aan de slang Helpmij, dat Grauwvel van nacht in ballingschap gaat.”
“Dat zeg ik nooit,” zei Karr. “’t Is een gevaarlijk land voor elanden, daar in ’t noorden.”
“Meen je, dat ik hier blijven wil, nu ik zoo’n ongeluk heb aangericht?” vroeg Grauwvel.
“Ga nu niet overhaast te werk; wacht nu tot morgen, vóór je iets doet.”
“Jij hebt me geleerd, dat de elanden één zijn met het bosch,” zei Grauwvel, en met die woorden ging hij van Karr weg.
Karr ging naar huis, maar dit gesprek had hem onrustig gemaakt, en al den volgenden dag ging hij opnieuw het bosch in, om den eland te ontmoeten. Toen was Grauwvel nergens te vinden, en de hond zocht ook niet lang naar hem. Hij begreep, dat Grauwvel de slang aan zijn woord had gehouden, en in ballingschap was gegaan.
Op den terugweg was Karr onbeschrijfelijk somber. Hij kon niet begrijpen, dat Grauwvel zich door dien stumper van een slang liet wegpraten. Hij had nooit van zoo’n dwaasheid gehoord. Wat kon die Helpmij nu voor macht hebben?
Toen Karr, in die gedachten verdiept, voortging, zag hij den boschwachter, die naar boven stond te wijzen bij een boom.
“Waar kijk je naar?” vroeg een man, die naast hem stond.
“Er is een ziekte onder de larven uitgebroken,” zei de boschwachter.
Karr was ongelooflijk verbaasd, maar hij ergerde zich er bijna nog meer over, dat de slang de macht had gehad zijn woord te houden. Nu zou Grauwvel wel een oneindig langen tijd moeten wegblijven, want die slang zou wel nooit sterven.
Maar juist toen Karr het bedroefdste was, viel hem een gedachte in, die hem een beetje troostte.
“De slang hoeft waarschijnlijk zoo oud niet te worden,” dacht hij. “Hij zal wel niet altijd veilig onder een boomwortel liggen. Als hij maar eerst de larven heeft weggemaakt, weet ik wel, wie hem doodbijten zal.”
Werkelijk was er een ziekte onder de larven uitgebroken, maar den eersten zomer was die niet erg verbreid. Nauwlijks was die uitgebroken, of de larven hadden zich verpopt. Uit de poppen kwamen millioenen vlinders. Zij vlogen ’s nachts rond als een sneeuwstorm tusschen de boomen, en legden een ontelbaar aantal eieren. Het volgend jaar kon men nog grooter verwoesting verwachten.
De verwoesting kwam, maar niet alleen over het bosch, maar ook over de larven zelf. De ziekte verspreidde zich snel van ’t eene bosch naar het andere. De zieke larven aten niet meer, kropen naar den top van den boom, en stierven daar. De vreugde onder de menschen was groot, toen zij hen zagen sterven, maar nog grooter onder de boschdieren.
Karr, de hond, liep dagelijks rond met een boosaardige vreugde in zijn hart, en dacht aan het oogenblik, dat hij Helpmij zou doodbijten.
Maar de larven hadden zich mijlenver over de dennenbosschen verspreid, en ook dezen zomer bereikte de ziekte hen allen nog niet. Velen bleven leven, tot ze poppen en vlinders werden.
Met de vogels kreeg Karr groeten van Grauwvel, en de boodschap, dat hij leefde, en het goed had. Maar de vogels vertelden Karr in vertrouwen, dat Grauwvel al verscheiden malen door wilddieven vervolgd was geworden, en dat hij maar met de grootste moeite was ontkomen.
Karr leefde in zorgen, verlangen en verdriet. En nog moest hij twee zomers wachten. Toen eerst waren alle larven weg.
Nauwlijks hoorde Karr den boschwachter zeggen, dat het bosch buiten gevaar was, of hij ging op jacht om Helpmij te zoeken. Maar toen hij in het kreupelhout kwam, ontdekte hij iets verschrikkelijks. Hij kon niet meer jagen, niet springen, zijn vijand niet meer opsporen, hij kon zelfs niet meer zien. Onder het lange wachten was de ouderdom over Karr gekomen. Hij was oud geworden, zonder dat hij het had gemerkt. Hij kon niet eens meer een slang doodbijten. Hij was niet in staat zijn vriend Grauwvel van zijn vijand te bevrijden.
De wraak
Op een middag streek Akka van Kebnekaise en haar troep neer aan den oever van een boschmeer. Ze waren nog in Kolmarden, maar ze hadden Oost-Göthland verlaten, en bevonden zich nu in Jonakker in Sörmland. De lente was uitgebleven, zooals vaak gebeurt in bergstreken, en het ijs dekte ’t geheele meer, op een strook open water langs de kust na. De ganzen vlogen dadelijk in het water, om te baden en naar voedsel te zoeken, maar Niels Holgersson had dien morgen zijn eene klomp verloren, en hij liep tusschen de elzen en berken door, die aan den oever groeiden, naar iets te zoeken, dat hij om den voet kon binden.
De jongen moest tamelijk ver loopen, eer hij iets bruikbaars vond, en hij keek onrustig rond, want hij hield niet van ’t bosch. “Neen, dan heb ik de vlakte en de zee liever,” dacht hij. “Daar kun je zien, waar je op afgaat. Als ’t nog een beukenbosch was, kon ’t er nog door, want daar is de grond bijna kaal, maar die berken- en dennenbosschen, die zoo woest en ongebaand zijn – ik begrijp niet, hoe de menschen het er in uithouden. Als ik hier de baas was, liet ik alles weghakken.”
Eindelijk kreeg hij een stuk berkebast in ’t oog, en stond dat juist om zijn voet te passen, toen hij een geritsel achter zich hoorde. Hij keerde zich om, en zag, dat een slang door de takken recht op hem aan kwam schieten. Hij was buitengewoon lang en dik, maar de jongen zag dadelijk, dat hij een witte vlek op iedere wang had, en bleef rustig staan. “Dat is maar een slang,” dacht hij. “Die kan mij toch niets doen.”
Maar ’t volgend oogenblik kreeg hij van de slang zoo’n sterken stoot voor de borst, dat hij omviel. De jongen kwam gauw weer op de been, en sprong weg, maar de slang vervolgde hem. De grond was vol takken en steenen; de jongen kwam niet heel gauw voort, en de slang was hem dicht op de hielen.
Op eens zag de jongen voor zich uit een grooten steen met steile kanten, en hij klauterde er op.
“Hier zal de slang toch wel niet bij me kunnen komen,” dacht hij, maar toen hij goed en wel boven gekomen was, en omkeek, zag hij, dat de slang probeerde achter hem aan te komen.
Dicht bij den jongen, op den top van het blok, lag een andere steen, bijna zoo rond en groot als het hoofd van een man. Die lag heelemaal los op een smallen kant. ’t Was onbegrijpelijk, hoe die daar zoo kon blijven liggen. Toen de slang dichterbij kwam, sprong de jongen achter dien ronden steen, en gaf hem een stoot. Hij rolde naar beneden, vlak op de slang, trok hem meê naar den grond, en bleef op den slangenkop liggen.
“Die heeft zijn werk netjes gedaan,” dacht de jongen, en haalde diep adem, toen hij zag, hoe de slang na een paar heftige rukken, stil bleef liggen.
“Ik geloof niet, dat ik op deze heele reis ooit in grooter gevaar ben geweest.”
Hij had nog maar pas tijd gehad, om tot zichzelf te komen, toen hij een geruisch boven zich hoorde, en een vogel op den grond, vlak naast de slang, zag neerstijken. Die was gebouwd als een kraai, en ook zoo groot, maar hij had een mooi gewaad van zwarte veeren aan, met een metaalachtigen glans er over. De jongen kroop voorzichtig weg in een spleet in den steen. Hij herinnerde zich nog levendig dat avontuur, toen de kraaien hem hadden weggeroofd, en wilde zich niet zonder noodzaak vertoonen.
De zwarte vogel liep met groote stappen heen en weer langs het lichaam van de slang, en keerde dat met den snavel om. Eindelijk klapte hij met de vleugels, en riep met een stem zóó schel, dat ze pijn deed in de ooren: “Dat is vast en zeker Helpmij, de slang, die hier dood ligt!” Hij liep nog eens langs hem, en toen bleef hij staan in diepe gedachten verzonken, en krabde zich met den voet in den nek.
“’t Is onmogelijk, dat er twee zulke groote slangen hier in ’t bosch kunnen zijn,” zei hij. “Hij is het zeker!”
Hij was juist van plan den snavel in de slang te steken, maar op eens hield hij zich in. “Je moet geen ezel zijn, Bataki,” zei hij. “Je kunt er toch niet aan denken de slang op te eten, voor je Karr hier geroepen hebt. Hij zou niet durven gelooven, dat Helpmij dood is, als hij hem niet zelf ziet.”
De jongen probeerde zich stil te houden, maar de vogel was zoo vermakelijk plechtig, zooals hij daar in zichzelf liep te praten, dat hij het lachen niet laten kon.
De vogel hoorde hem, en met één vleugelslag was hij boven op den steen. De jongen stond gauw op, en kwam hem tegemoet. “Ben jij niet Bataki, de raaf, een goede vriend van Akka van Kebnekaise?” vroeg de jongen.
De vogel keek hem aandachtig aan, en knikte toen drie keer met den kop.
“Jij bent toch niet de jongen, die met de wilde ganzen rondvliegt, en dien ze Duimelot noemen?”
“Ja, dat heb je niet zoo heelemaal mis,” zei de jongen.
“Dat is heerlijk, dat ik jou ontmoette. Kun je misschien zeggen, wie die slang heeft dood geslagen?”
“Dat deed de steen, die ik naar beneden op zijn kop liet rollen,” antwoordde de jongen, en vertelde, hoe alles was gegaan.
“Dat was flink voor zoo’n kleintje als jij,” zei de raaf.
“Ik heb hier een vriend in de buurt, die blij zal zijn, dat de slang dood is, en ik wou, dat ik ook eens wat voor jou kon doen.”
“Vertel me dan, waarom je zoo blij bent, dat die slang dood is,” zei de jongen.
“Och,” antwoordde de raaf, “dat is een lang verhaal. Je hebt toch geen geduld daarnaar te luisteren.”
Maar de jongen beweerde, dat hij dat wel had, en nu vertelde de raaf de heele geschiedenis van Karr en Grauwvel en de slang Helpmij. Toen hij klaar was, zat de jongen een poos stil voor zich uit te kijken.
“Ik dank je wel,” zei hij. “’t Is alsof ik het bosch beter begrijp, nu ik dat gehoord heb. Ik zou wel eens willen weten, of er nu nog iets van het groote Friedsbosch over is.”
“’t Meeste is al verwoest,” zei Bataki. “De boomen zien er uit, alsof ze in brand hebben gestaan. Ze moeten geveld worden, en het duurt veel jaren, eer het bosch wordt, wat het geweest is.”
“Die slang daar heeft zijn dood verdiend,” zei de jongen. “Maar hoe wist hij zoo zeker, dat hij de larven ziek kon maken?”
“Misschien wist hij, dat ze op die manier gewoonlijk ziek worden,” zei Bataki.
“Ja, dat kan wel wezen, maar ik moet zeggen, dat hij toch in ieder geval een heel verstandig dier was.”
De jongen zweeg. De raaf hoorde niet naar hem, maar zat met den kop afgewend te luisteren naar iets anders.
“Hoor,” zei hij. “Karr is hier in de buurt. Nu zal hij blij zijn, als hij hoort, dat Helpmij dood is.”
De jongen keek naar den kant, waarvan het geluid kwam.
“Hij spreekt met de wilde ganzen,” zei hij. “Ja, hij heeft zich zeker voortgesleept naar den oever van het meer, om wat van Grauwvel te hooren.”
De raaf en de jongen sprongen beiden van den steen, en liepen snel naar het meer. Al de ganzen waren uit het water gekomen, en stonden te praten met een ouden hond, die zoo gebrekkig en zwak was, dat men den indruk kreeg, dat hij ieder oogenblik dood neer kon vallen.
“Daar heb je Karr,” zei Bataki tegen den jongen.
“Laat hem nu maar eerst hooren, wat de wilde ganzen hem hebben te vertellen! Daarna zullen wij hem zeggen, dat de slang dood is.”
Ze hoorden Akka tegen Karr spreken:
“’t Gebeurde verleden jaar, toen we onze voorjaarsreis deden,” zei de gans. “We waren uitgevlogen: Yksi, Kaksi en ik, in den morgen, van Siljan in Dalecarlië, en we kwamen over de groote grenswouden tusschen Dalecarlië en Helsingland. We zagen niet anders onder ons, dan het zwart-groene naaldbosch. De sneeuw lag nog hoog tusschen de boomen, de rivieren waren bevroren; hier en daar zagen we een zwart wak, en aan de oevers van de rivieren was de sneeuw gedeeltelijk weg. We zagen bijna geen steden of hoeven, enkel grauwe herdershutten, die ’s winters leeg stonden. Hier en daar liepen smalle, kronkelende boschpaden, waar de menschen in den afgeloopen winter hout langs hadden gereden. Beneden bij de rivieren lag het hout opgestapeld.
Terwijl we daar vlogen, zagen we drie jagers, die beneden in het bosch wandelden. Ze liepen op sneeuwschoenen, ze hadden honden aan touwen, messen in den gordel, maar geen geweren. Er was een hard bevroren korst op de sneeuw, en zij keken niet naar de kronkelende boschpaden, maar liepen rechtuit.
Het scheen, dat ze wel wisten, waar ze heen moesten, om te vinden, wat ze zochten.
Wij, wilde ganzen, vlogen daar boven in de hoogte, en konden ’t heele bosch overzien. Toen we de jagers gezien hadden, wilden we ook graag het wild zien. We begonnen heen en weer te vliegen, en tusschen de takken te kijken. We zagen toen in een dicht kreupelhout iets, dat op groote, met mos begroeide steenen leek. Maar steenen konden het toch niet zijn, want er lag geen sneeuw op.
We daalden snel naar beneden, en streken midden in ’t kreupelhout neer. Toen bewogen de drie steenblokken zich. ’t Waren drie elanden, die daar in het donkere bosch lagen: een stier en twee koeien.
De elandstier stond op, toen we neerstreken, en kwam op ons af. ’t Was het grootste en mooiste dier, dat we ooit gezien hadden. Maar toen hij zag, dat het maar een paar armzalige wilde ganzen waren, die hem hadden wakker gemaakt, ging hij weer liggen.
“Neen, vadertje, ga niet liggen slapen,” zei ik toen tegen hem. “Vlucht, zoo gauw je kunt! Daar zijn jagers in ’t bosch, en ze komen recht op dit elandleger aan.”
“Dank je wel, ganzenmoedertje,” zei de eland, en het was, alsof hij weer insliep onder ’t praten, “maar je weet wel, dat wij, elanden, hier veilig zijn in dezen tijd. Ze mogen niet op ons jagen. Die jagers zijn zeker op de vossenjacht.”
“Er waren veel vossensporen in het bosch, maar die volgden de jagers niet. Geloof me nu, vadertje. Ze weten, dat jelui hier liggen. Ze komen hier om jelui neer te vellen. Ze hebben geen geweer bij zich, omdat ze geen schot in ’t bosch durven te lossen in dezen tijd van ’t jaar.”
De elandstier bleef even kalm liggen, maar de koeien werden onrustig, “’t Is misschien waar, wat de ganzen zeggen,” zeiden ze, en begonnen op te staan.
“Blijven jelui maar stil liggen,” zei de stier. “Er komen hier geen jagers in ’t kreupelbosch. Daar kun je zeker van zijn.”
Daar was niets aan te doen, en wij vlogen weer op, maar we bleven heen en weer vliegen over de zelfde plaats, om te zien, hoe het met de elanden zou gaan.
Nauwlijks waren wij op onze gewone hoogte gekomen, of we zagen, dat de elandstier uit het kreupelhout kwam. Hij snoof rond in alle richtingen, en ging toen regelrecht de jagers tegemoet. Terwijl hij voortliep, trapte hij op dorre takken, zoodat ze knapten met luid gekraak. Een groot kaal moeras lag in zijn weg. Daar liep hij heen, en ging midden op het open moeras staan, waar niets hem verborg.
Daar stond de eland tot de jagers te voorschijn kwamen, aan den zoom van ’t bosch. Toen zwenkte hij, en vluchtte naar een anderen kant, dan van waar hij gekomen was. De jagers lieten de honden los, en liepen zelf op hun sneeuwschoenen, zoo hard zij konden, achter hem aan.
De eland had den kop achteruit op den rug gelegd, en sprong in de snelst mogelijke vaart voort. Hij sloeg zooveel sneeuw op, dat die in een wolk om hem heen stond. Honden en jagers bleven ver achter hem. Nu en dan bleef hij staan, als om hen op te wachten, en als ze weer in ’t gezicht kwamen, stormde hij opnieuw voort. We begrepen, dat het zijn bedoeling was, de jagers weg te lokken van de plaats, waar de koeien lagen. We vonden, dat hij dapper was, omdat hij zelf in ’t gevaar ging, om de zijnen rust te geven. Geen van ons zou willen heengaan, voor we hadden gezien, hoe dit afliep.
De jacht duurde op die manier een paar uur. We verwonderden er ons over, dat de jagers de moeite namen, den eland te volgen, nu ze niet met geweren gewapend waren. Ze konden toch niet meenen, dat ze het tegen zulk een draver als hij konden volhouden.
Maar toen zagen we, dat de eland niet meer zoo hard liep als in ’t begin. Hij zette de pooten voorzichtiger in de sneeuw. En als hij ze optrok, zagen we bloed in het spoor.
Toen begrepen we, waarom de jagers zoo volhielden. Ze rekenden op de hulp van de sneeuw. De eland was zwaar, en bij elken stap, dien hij deed, zonk hij tot op den bodem van de sneeuwlaag. Maar de harde korst daar boven op schaafde zijn pooten stuk. Die schrapte het haar af, en maakte gaten in de huid, zoodat hij pijn had, telkens als hij de pooten neerzette.
De jagers en de honden, die zoo licht waren, dat ze over de ijskorst konden loopen, vervolgden hem voortdurend. Hij vluchtte en vluchtte telkens opnieuw, maar meer en meer werd zijn loop onzeker en struikelend. Hij blies heftig. ’t Was niet genoeg, dat hij zooveel pijn leed. Hij werd ook moe van het waden door de diepe sneeuw.
Eindelijk verloor hij zijn geduld. Hij bleef staan, om de jagers en honden bij zich te laten komen, en met hen te vechten. Terwijl hij daar stond te wachten, keek hij op, en toen hij ons zag, terwijl we boven hem zweefden, riep hij: “Blijf nu hier, wilde ganzen! tot alles voorbij is! En als je over Kolmarden vliegt, zoek dan Karr, den hond op, en zeg hem, dat zijn vriend, Grauwvel, een goeden dood gestorven is!””
Toen Akka zoover gekomen was, stond de oude hond op, en ging twee stappen naar haar toe. “Grauwvel heeft een goed leven geleid,” zei hij. “Hij kent mij. Hij weet, dat ik een dappere hond ben, en dat ik blij zou zijn, als ik hoorde, dat hij een goeden dood stierf. Vertel me nu hoe…”
Hij hief den staart en den kop op, als om een fiere, flinke houding aan te nemen, maar hij zonk weer neer.
“Karr, Karr!” riep nu een menschenstem uit het bosch. De oude hond stond haastig op. “Dat is de baas, die me roept,” zei hij, “en ik wil hem niet laten wachten. Ik zag hem zijn geweer laden, en nu zullen wij beiden voor het laatst het bosch ingaan. Ik dank je, wilde gans. Nu weet ik alles, wat ik noodig heb te weten, om tevreden den dood te gemoet te gaan.”
XXIII. In Närke
In Närke was er vroeger iets, zooals ze nergens anders hadden, en dat was een heks, die Ysätters-Kajsa heette.
Den naam Kajsa had ze gekregen, omdat ze veel met storm en wind te maken had, en omdat zulke windheksen altijd zoo genoemd worden, en den bijnaam, omdat ze van de Ysätterpoel in Asker gekomen was.
Men meent wel, dat ze eigenlijk haar thuis in Asker had, maar ze vertoonde zich gewoonlijk ook op andere plaatsen. Nergens in heel Närke kon men zeker wezen haar niet tegen te komen.
Ze was geen akelige, sombere heks, maar vroolijk en uitgelaten, en waar ze ’t allermeest van hield, was een flinke storm. Zoodra het maar hard genoeg waaide, trok ze uit om te dansen op de Närke-vlakte.
Närke bestaat eigenlijk alleen uit een vlakte, door met bosch begroeide bergen omgeven. Alleen in den noordoostelijken hoek, waar de Hjälmar uit het landschap komt, is er een gat in de lange bergenheining.
Als nu op een morgen de wind kracht heeft opgedaan op de Oostzee, en ’t land invliegt, gaat hij zonder tegenstand tusschen de stormlandsheuvels door, en komt zonder veel moeite in Närke door de Hjälmaropening. Dan rent hij voort over de vlakte, maar vlak in ’t westen bonst hij tegen den hoogen wand van den Kilsberg aan, en wordt teruggeworpen. Dan kronkelt de wind als een slang om, en schuift naar het zuiden. Maar daar staat weer een andere berg, en geeft hem een stoot, zoodat hij naar ’t oosten vliegt. En daar is er weer een, die hem naar ’t noorden stuurt. En zoo gaat het voort. De wind vliegt rond in al kleiner en kleiner kringen, en blijft eindelijk midden op de vlakte staan ronddraaien als een tol. Maar op zulke dagen, als de wervelwinden over de vlakte vlogen, had Ysätters-Kajsa pleizier. Dan stond ze midden in den wervelwind rond te tollen. Haar lange haren vlogen in ’t rond op de wolken van den hemel, haar sleep zwierde over den grond als een stofwolk, en de heele vlakte lag onder haar als één groote dansvloer.
’s Morgens zat Ysätters-Kajsa gewoonlijk boven in een of anderen hoogen spar, op den top van een rotsige berghelling, uit te kijken over de vlakte. Als het dan winter was, en de wegen begaanbaar waren, en ze zag veel wagens rijden, dan ging ze gauw een sneeuwstorm aanblazen, en torende de sneeuwhoopen zóó hoog op, dat de menschen maar met moeite ’s avonds konden thuiskomen. Als het zomer was en goed oogstweer, zat Ysätters-Kajsa stil, tot de eerste hooiwagens opgeladen waren, en dan kwam ze aanvliegen met een paar stortbuien, die voor dien dag een eind aan het werk maakten.
’t Was vast en zeker, dat ze maar zelden aan iets anders dacht, dan aan kattekwaad doen. De kolenbranders boven op de Kilsbergen durfden nauwlijks een dutje te doen, want, zoodra ze een onbewaakte kolenmijn zag, sloop ze er heen, en blies die aan, zoodat ze met hooge vlammen ging branden. En als de ertsrijders van de Laxå en de Svartå ’s avonds laat uit waren, hulde Ysätters-Kajsa de wegen en sporen in zulk een dichten mist, dat de menschen en paarden in de war kwamen, en de zware sleden in poelen en moerassen reden.
Als de vrouw van den proost in Glanshammar op een zomerschen zondag de koffietafel in den tuin had gedekt, en er kwam een windvlaag, die het tafelkleed optilde, en koppen en schalen omgooide, dan wist men wel, wie er weer aan ’t grappen maken was. Als de hoed den burgemeester in Örebro van ’t hoofd geblazen werd, zoodat hij hem over de heele markt moest naloopen, als de menschen van Vinön met hun groenteschuiten in den Hjälmar op den grond liepen, als het te drogen gehangen waschgoed wegvloog, of onder de stof kwam, als de rook ’s avonds de kamer insloeg, en de schoorsteen maar niet uit kon komen, dan was ’t niet moeilijk te raden, wie daar buiten aan ’t pret maken was.
Maar hoewel Ysätters-Kajsa veel hield van allerlei ergerlijke plagerijen, was er toch eigenlijk niets slechts in haar. Men kon wel merken, dat ze ’t meeste kwaad deed bij menschen, die kibbelachtig en gierig en boosaardig waren; maar betrouwbare menschen en kleine, arme kinderen nam ze dikwijls in bescherming. En oude menschen vertellen, dat eens, toen de kerk van Asker in brand stond, Ysätters-Kajsa kwam aanvliegen, door rook en vuur heen op het dak van de kerk neerstreek, en ’t gevaar afweerde.
In ieder geval waren de bewoners van Närke Ysätters-Kajsa dikwijls hartelijk moe. Maar zij werd nooit moe, hen met allerlei lawaai te plagen. Als ze op den kant van een wolk zat, en op Närke neerkeek, dat vriendelijk en welvarend tevreden daar lag, met prachtige boerenhoeven op de vlakte, en rijke mijnen en fabrieken tegen de bergen op, met de langzaam stroomende Svartå en de ondiepe vischrijke meren in de vlakte, met de goede stad Örebro, die zich uitstrekte om het ernstige, oude kasteel met den statigen hoektoren, dan moet ze zeker gedacht hebben: “Hier zouden de menschen het veel te goed hebben, als ik er niet was. Ze zouden maar slaperig en vervelend worden. Hier moet iemand zijn als ik, die ze wakker schudt, en ze in hun humeur houdt.”
En dan lachte ze luid en spottend, als een ekster, en stormde weg, dansend en rondzwaaiend van den eenen hoek van de vlakte naar den anderen. En als de bewoners van Närke zagen, hoe ze haar stofsleep over de vlakte liet gaan, konden ze niet laten te lachen. Want lastig en vervelend was ze, maar ze had een goed humeur. ’t Was even verfrisschend voor de boeren met Ysätters-Kajsa te doen te hebben, als voor ’t veld door den stormwind te worden gezweept.
Tegenwoordig beweert men, dat Ysätters-Kajsa dood en weg is, zij, even goed als alle andere heksen. Maar dat is bijna niet te gelooven. Dat klinkt, alsof iemand ons kwam vertellen, dat de lucht van nu af aan stil zal staan boven de vlakte, en de wind er nooit meer over heen zal dansen met ruischen en bruisen, en frissche lucht en stortregens.
Zij, die meenen, dat Ysätters-Kajsa dood en weg is, moeten toch maar hooren, hoe het in Närke ging in het jaar, toen Niels Holgersson over het landschap vloog, dan kunnen zij zelf zien, wat zij gelooven moeten.
De avond voor den marktdag
’t Was de dag voor de groote veemarkt in Örebro, en het regende, dat het goot.
’t Was een regen, die niet uit te houden was. Er vielen heele stroomen uit de wolken, en menigeen dacht: “’t Is precies, als in den tijd van Ysätters-Kajsa. Nooit maakte ze zooveel spektakel, als tegen de marktdagen. ’t Zou juist iets voor haar zijn, zoo’n stortregen te brengen op den avond vóór de groote markt.”
Hoe langer hoe erger werd de regen. Tegen den avond kwamen echte wolkbreuken, de wegen werden als rivieren, en de menschen, die met hun vee op weg waren, om vroeg in den morgen in Örebro te zijn, hadden het kwaad. Koeien en ossen werden zoo uitgeput, dat ze geen stap meer wilden doen, en veel van die arme dieren gingen midden op den weg liggen om te toonen, dat ze niet verder konden loopen. Allen, die aan den weg woonden, moesten de deuren openzetten voor de marktgangers, en ze zoo goed en kwaad, als ze konden, huisvesting geven.
’t Werd overvol, niet alleen in de woonkamers, maar ook in stallen en schuren.
Zij, die dat konden, probeerden intusschen voort te komen naar de herberg, maar toen ze daar kwamen, hadden ze bijna spijt, dat ze niet in een of andere kamer aan den weg gebleven waren. Alle hokken in de schuur, en alle vakken in den paardenstal waren al bezet. Er bleef niets anders over dan de paarden en koeien buiten in den regen te laten staan. ’t Was nog maar juist mogelijk, dat de eigenaars onder dak konden komen.
’t Was op de plaats een natte, vuile boel, en een gedrang, dat het verschrikkelijk was. Sommige dieren stonden in heele plassen, en konden niet gaan liggen. Er waren wel boeren, die hun dieren stroo gaven om op te liggen, en ze met dekken toedekten, maar er waren er ook, die in de herberg zaten te drinken en te spelen, en heelemaal vergaten, waar ze voor zorgen moesten.
De jongen en de wilde ganzen waren dien avond op een eilandje in den Hjälmar aangekomen. Dat was maar door een smal, ondiep watertje van het land gescheiden, en men kon wel begrijpen, dat men daar met droge voeten over kon komen, als het laag water was.
Op het eilandje regende het even erg als overal elders. De jongen kon niet slapen door de droppels, die aanhoudend op hem neervielen. Eindelijk begon hij op het eilandje rond te loopen. Hij vond, dat hij den regen minder voelde, als hij zich bewoog.
Nauwlijks was hij een keer rond geweest, of hij hoorde een geplas in het water, dat het eiland van het land scheidde, en dadelijk daarop zag hij een eenzaam paard tusschen de struiken aankomen. ’t Was een oude knol, zóó mager en ellendig, als de jongen nog nooit gezien had. Hij was als gebroken, had stijve pooten, en was zoo mager, dat alle botten onder het vel te zien waren. Hij was zonder toom of zadel, droeg een oud halster, waarvan een half verrot stuk touw afhing. ’t Was duidelijk, dat ’t hem niet moeilijk was gevallen om los te komen.
’t Paard liep regelrecht naar de plaats, waar de wilde ganzen stonden te slapen; en de jongen werd bang, dat hij op hen zou trappen.
“Waar moet je heen? Kijk toch uit!” riep hij.
“Zoo, ben jij daar,” zei het paard, en kwam op den jongen af. “Ik heb bijna een uur geloopen om je te vinden.”
“Heb je over mij hooren spreken?” vroeg de jongen verbaasd.
“Ik heb mijn ooren wel, al ben ik oud. Er wordt tegenwoordig veel over je gesproken.”
Hij had den kop onder het spreken neergebogen, om beter te kunnen zien, en de jongen merkte op, dat hij een kleinen kop met mooie oogen en een zachten fijnen neus had.
“Dat is zeker van huis uit een goed paard geweest, al is hij er nu, op zijn ouden dag, akelig aan toe,” dacht hij.
“Ik wou, dat je met me meê wou gaan en me helpen,” zei het paard. De jongen vond het moeilijk met iemand meê te gaan, die er zoo ellendig uitzag, en verontschuldigde zich om het slechte weer.
“Je hebt het hier niet beter, dan wanneer je op mijn rug zit,” zei het paard. “Maar je durft misschien niet met zoo’n schooier van een knol meê, als ik ben.”
“O ja, dat durf ik wel,” zei de jongen.
“Maak dan de ganzen wakker, zoodat we kunnen afspreken, waar ze je morgen zullen komen halen,” zei het paard.
Kort daarop zat de jongen op zijn rug. Het oude dier draafde weg, beter, dan de jongen van hem verwacht had. Toch werd het een lange tocht door den nacht en den storm, vóór ze stilhielden bij een groote herberg. Daar zag het er vreeselijk ongezellig uit. In den weg waren zulke diepe sporen ingereden, dat de jongen dacht, dat hij verdrinken zou, als hij daarin viel. Aan het hek, dat rond om de plaats liep, waren een dertig, veertig stuks paarden en rundvee gebonden, zonder eenige beschutting voor den regen, en in ’t midden van de plaats stonden karren, met hooge hokken, waarin schapen en kalveren, varkens en hoenders opgesloten zaten. ’t Paard ging naar het hek, en bleef daar staan. De jongen zat op zijn rug en met de scherpe oogen, die hij had, zag hij duidelijk, hoe zwaar de dieren het hadden.
