Sadece Litres'te okuyun

Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.

Kitabı oku: «De Ellendigen (Deel 2 van 5)», sayfa 14

Yazı tipi:

Zesde hoofdstuk.
Begin van een raadsel

Jean Valjean bevond zich in een soort van zeer grooten tuin, die een zonderling aanzien had; een dier sombere tuinen, welke bestemd schijnen, om alleen des winters en bij den nacht gezien te worden. Deze tuin had een langwerpige oppervlakte, met een rij hooge populieren aan het einde, tamelijk hooge heesters in de hoeken en een schaduwlooze ruimte in het midden, waar men een enkelen zeer grooten boom, eenige kromme, lage vruchtboomen, moesbedden, een meloenenbed, welks klokken in den maneschijn blonken, en een ouden waterput zag. Hier en daar stonden steenen banken, die met mos waren bedekt. De paden waren met kleine, donkere struiken afgezet. De helft der paden was met gras begroeid, het overige was met groen-schimmel bedekt.

Naast zich zag Jean Valjean het gebouw, langs welks dak hij naar beneden was gekomen, een hoop takkebossen, en achter de takkebossen, dicht tegen den muur, een steenen beeld, welks geschonden gezicht nog slechts een vormloos masker vertoonde, dat in de duisternis onduidelijk te voorschijn kwam.

Dit gebouw was een soort van ruïne, waarin men vervallen kamers onderscheidde, van welke eene tot schuur of bergplaats scheen te dienen.

Het groote gebouw der straat Droit-Mur, dat in de kleine Picpus-straat uitkwam, had in den tuin twee gevels, die een rechten hoek vormden. Deze achtergevels waren nog ellendiger dan de buitengevel. Al de vensters waren met tralies. Men zag er volstrekt geen licht. Voor de vensters der bovenverdiepingen waren koekoeken, als aan de gevangenissen. De eene dier gevels wierp zijn schaduw op den anderen, die op den tuin terugviel als een groot, zwart laken.

Men zag geen andere huizen. De achtergrond van den tuin verloor zich in nevel en duisternis. Men onderscheidde echter onduidelijk muren, als van andere tuinen, en de lage daken der straat Polonceau.

Men kon zich niets somberder en eenzamer voorstellen dan dezen tuin. Er was niemand, ’t geen in dit uur niet vreemd was; maar de plaats zag er uit, alsof er nooit iemand kwam, zelfs niet op klaarlichten dag.

De eerste zorg van Jean Valjean was geweest zijn schoenen te zoeken en ze weder aan te trekken, en vervolgens met Cosette in de bergplaats te gaan. Een vluchteling acht zich nooit genoeg verborgen. Het kind dacht nog altijd aan vrouw Thénardier, en deelde dus in Jean Valjeans zucht om zich zoo goed mogelijk te verschuilen.

Cosette beefde en drong zich tegen hem aan. Men hoorde het gerucht der patrouille, die het slop en de straat doorzocht, het stooten der kolven op de straatsteenen, het geroep van Javert tot zijne op wacht gestelde lieden, en zijn vervloekingen, vermengd met woorden, welke men niet verstaan kon.

Na een kwartieruurs scheen dit onweder allengs af te trekken. Jean Valjean hield zijn adem in.

Zacht had hij zijn hand op den mond van Cosette gelegd.

De eenzaamheid, waarin hij zich bevond, was overigens zoo zonderling rustig, dat dit vreeselijke rumoer, zoo heftig en zoo nabij, er niet de minste stoornis bracht. Het scheen alsof deze muren gebouwd waren met de doove steenen, waarvan de bijbel spreekt.

Eensklaps, te midden dier diepe stilte, ontstond een nieuw geluid; een hemelsch, goddelijk, onbeschrijfelijk geluid, even verrukkelijk als het andere gruwelijk geweest was. ’t Was een gezang, dat uit de duisternis kwam, een verheven harmonisch gebed, in de schaduw en de vreeselijke stilte van den nacht; een gezang van vrouwenstemmen, die den reinen klank der maagden en den natuurlijken toon der kinderen hadden, stemmen, welke niet tot de aarde behooren, maar aan die gelijken, welke de pasgeborenen nog in de ooren klinken en de stervenden reeds beginnen te vernemen. Dit gezang kwam uit het sombere gebouw, ’t welk aan den tuin uitkwam. Juist toen het leven der duivelen verdween, scheen een engelenkoor in de schaduw te naderen.

Cosette en Jean Valjean knielden.

Zij wisten niet wat het was, zij wisten evenmin waar zij waren; maar beiden, de man en het kind, de boeteling en de onschuldige, gevoelden dat zij moesten knielen.

Het zonderlinge was, dat, in weerwil dezer stemmen, het gebouw eenzaam scheen. ’t Was als een bovennatuurlijk gezang in een onbewoond huis.

Terwijl deze stemmen zongen, dacht Jean Valjean aan niets meer. Hij zag geen nacht meer, maar een blauwen hemel. ’t Was hem, alsof die vleugels zich uitbreidden, welke wij allen in ons hebben.

Het gezang zweeg. Jean Valjean had niet kunnen zeggen, of het lang geduurd had. De uren van verrukking duren immer slechts één minuut.

Alles was weder stil geworden. Men hoorde niets meer in de straat, niets meer in den tuin. Zoowel wat hem bedreigde als wat hem geruststelde was verdwenen. De wind bewoog het dorre gras op den muur, dat een zacht, treurig geritsel voortbracht.

Zevende hoofdstuk.
Vervolg van het raadsel

De nachtwind verhief zich, ’t geen aanduidde, dat het tusschen één en twee uren des nachts was. De arme Cosette zeide niets. Daar zij naast Jean Valjean zat, met het hoofd tegen hem geleund, meende hij dat zij sliep. Hij boog zich en zag haar in ’t gezicht. Cosette had de oogen wijd open en een peinzend gelaat, ’t geen Jean Valjean leed deed.

Zij beefde nog altijd.

„Hebt ge slaap?” vroeg Jean Valjean.

„Ik ben koud,” antwoordde zij.

Een oogenblik later hernam zij:

„Is zij er nog?”

„Wie?” vroeg Jean Valjean.

„Madame Thénardier.”

Jean Valjean was reeds vergeten, welk middel hij aangewend had, om Cosette stil te doen zijn.

„O,” zeide hij, „zij is weg. Vrees niet meer.”

Het kind zuchtte, alsof een zware last van haar hart was genomen.

De grond was vochtig, de schuur aan alle zijden open, en de nachtwind werd met ieder oogenblik kouder. Valjean trok zijn jas uit en wikkelde er Cosette in.

„Voelt ge u nu minder koud?” vroeg hij.

„O, ja, vader.”

„Nu, wacht mij een oogenblik. Ik kom spoedig terug.”

Hij verliet de schuur en ging langs het groote gebouw, om een betere schuilplaats te vinden. Hij vond deuren, maar zij waren gesloten. Voor al de benedenvensters waren ijzeren tralies.

Toen hij voorbij den binnenhoek van het gebouw was, bespeurde hij boogvensters en een flauw lichtschijnsel. Hij verhief zich op de teenen en schouwde door een dier vensters. Door alle zag men in een zeer ruime zaal, die met groote zerken geplaveid en met bogen en pilaars voorzien was, en waarin men niets onderscheidde dan een flauw licht en breede schaduwen. Het licht kwam van een nachtlampje in een hoek. Deze zaal was eenzaam en niets bewoog er zich. Evenwel, na lang staren, meende Jean Valjean op den grond, op de zerken iets te zien, dat met een lijkkleed overdekt scheen en een menschelijk lichaam geleek. Het lag plat op den buik met het gezicht op de steenen, met uitgebreide armen, bewegingloos als een doode. Te oordeelen naar iets, dat een slang geleek en op den grond lag, zou men gezegd hebben dat deze akelige gestalte een touw om den hals had.

De geheele zaal was vervuld van dat nevelachtige van flauw verlichte ruimten, dat het schrikbarende verhoogt.

Jean Valjean heeft later dikwijls gezegd dat, hoeveel akeligs hem in zijn leven ook ontmoet was, hij nimmer iets vreeselijker en ijzingwekkender gezien had dan deze raadselachtige gestalte, in dit sombere oord en in deze nachtelijke duisternis. Schrikkelijk was de onderstelling, dat deze gestalte dood was, maar schrikkelijker nog dat zij leefde.

Hij had den moed zijn gezicht tegen de glasruiten te drukken en te bespieden of ’t geen hij zag zich bewegen zou. Hoewel hij, naar zijn meening, een geruime poos gewacht had, bewoog de op den grond liggende gestalte zich niet. Eensklaps voelde hij zich door een onuitsprekelijken schrik aangegrepen en hij vluchtte naar de schuur, zonder te durven omzien. ’t Scheen hem dat, zoo hij ’t hoofd omwendde, hij de gestalte met snelle schreden en de armen bewegende achter zich zou zien.

Hijgend kwam hij aan de schuur. Zijn knieën knikten; ’t zweet brak hem van alle kanten uit.

Waar was hij? Wie had zich ooit iets kunnen verbeelden, als dit soort van graf, te midden van Parijs? Wat was dit zonderlinge huis? dit gebouw vol nachtelijke verborgenheden, dat in de schaduw de zielen met engelenstemmen riep, en wanneer zij kwamen haar plotseling zulk een schrikbarend visioen vertoonde, haar de schitterende poorten des hemels beloofde te openen, maar de vreeselijke poort van het graf ontsloot. ’t Was wel degelijk een gebouw, een huis aan de straat met een nummer! ’t Was geen droombeeld! Hij moest de steenen betasten, om het te kunnen gelooven.

De koude, de angst, de ongerustheid, de vele aandoeningen van dien avond hadden hem koortsig gemaakt, en zijn gedachten vlogen verward door zijn hoofd.

Hij ging naar Cosette. Zij sliep.

Achtste hoofdstuk.
Het raadsel wordt duisterder

Het kind had haar hoofdje op een steen gelegd en was in slaap gevallen.

Valjean zette zich aan haar zijde en aanschouwde haar. Allengs, en hoe langer hij haar aanzag, werd hij rustiger en herkreeg zijn tegenwoordigheid van geest.

Duidelijk erkende hij deze waarheid, den grondslag van zijn toekomstig leven, dat zoolang zij er zou zijn en hij haar bij zich zou hebben, hij niets noodig had dan alleen voor haar, noch iets vreesde dan alleen om harentwille. Hij voelde zelfs niet dat hij zeer koud was, wijl hij zijn jas had uitgetrokken om er haar mede te dekken.

Hij hoorde intusschen, door zijn mijmering heen, sedert eenigen tijd een zonderling geluid. ’t Was als een schel, die van plaats verandert. Het klonk in den tuin. Men hoorde het duidelijk, hoewel flauw. Het geleek den zachten klank der bellen van koeien, die ’s nachts in de weide zijn.

Jean Valjean keerde zich om naar dat gerucht; hij zag dat iemand in den tuin was.

’t Scheen een man te zijn, die over het meloenbed tusschen de klokken ging, nu bukkende, dan zich oprichtende, dan weder stilstaande, met regelmatige bewegingen, alsof hij iets over den grond sleepte of uitlegde. De man scheen te hinken.

Jean Valjean schrikte met eene siddering, die ongelukkigen steeds eigen is. Alles is hun vijandig en verdacht. Zij mistrouwen den dag, omdat die hen in ’t licht stelt, en den nacht, omdat die behulpzaam is hen te verrassen. Straks huiverde hij, omdat de tuin eenzaam was; nu sidderde hij, omdat er iemand was.

Van een hersenschimmigen angst verviel hij in een wezenlijken. Hij vreesde, dat Javert en de verspieders zich misschien niet verwijderd hadden, dat zij waarschijnlijk lieden in de straat ter bewaking hadden achtergelaten, dat, zoo deze man hem nu in den tuin ontdekte, hij zeker hulp zou roepen en hem overleveren. Behoedzaam nam hij de slapende Cosette in zijn armen en droeg haar achter een hoop oud huisraad in den versten hoek der schuur. Cosette verroerde zich niet.

Van dáár sloeg hij de bewegingen van den persoon gade, die op het meloenbed was. Zonderling was het, dat de klank der schel al de bewegingen van dien man volgde. Kwam de man nader, dan naderde ook het geluid; verwijderde hij zich, dan verwijderde zich ook ’t geluid; ’t geluid verzelde regelmatig zijn bewegingen; hield hij stil, dan zweeg ook het geluid. ’t Scheen duidelijk, dat de schel aan den man bevestigd was, maar wat kon dit beteekenen? Wie was deze man, die een bel droeg als een ram of os?

Terwijl hij zich deze vragen deed, raakte hij Cosettes handen aan. Zij waren ijskoud.

„Mijn God!” zuchtte hij. Hij riep zacht: „Cosette!”

Zij opende de oogen niet.

Hij schudde haar.

Zij ontwaakte niet.

„Zou zij dood zijn!” zeide hij, en richtte zich op, van ’t hoofd tot de voeten bevende.

De vreeselijkste gedachten dwarlden verward door zijn geest. Er zijn oogenblikken, waarin afgrijselijke gissingen ons als een drom furiën bestormen en met geweld in onze hersens breken. Onze bezorgdheid bedenkt allerlei dwaasheden, wanneer het hen betreft, welke wij beminnen. Hij herinnerde zich, dat de slaap in een kouden nacht, onder den blooten hemel, doodelijk kan zijn.

Cosette lag bleek, bewegingloos op den grond, aan zijn voeten.

Hij luisterde naar haar ademhaling; zij ademde; maar, naar hij meende, flauw en op ’t punt van te bezwijken.

Hoe haar te verwarmen? Hoe haar te wekken?

Hij dacht op dit oogenblik aan niets dan aan dit. Geheel ontsteld ijlde hij uit de schuur.

Binnen een kwartier moest Cosette tot elken prijs bij een vuur en te bed zijn.

Negende hoofdstuk.
De man met de schel

Valjean ging rechtstreeks op den man af, dien hij in den tuin zag. Hij had de rol geld in de hand genomen, welke in zijn zak was.

De man boog het hoofd en zag hem niet naderen. Met een paar schreden was Jean Valjean bij hem en riep hem toe:

„Honderd francs!”

De man rilde van schrik en zag op.

„Honderd francs,” hernam Jean Valjean, „zoo ge mij voor dezen nacht huisvesting geeft.”

De maan verlichtte Valjeans ontsteld gelaat.

„Mijn Hemel! zijt gij ’t, mijnheer Madeleine?” zei de man.

Bij dezen naam, aldus, in dit nachtelijk uur, op deze onbekende plek, door dezen onbekenden man uitgesproken, deinsde Jean Valjean terug. Hij was op alles voorbereid geweest behalve hierop. Hij, die tot hem sprak, was een gebogen en kreupel grijsaard, genoegzaam als een boer gekleed, dragende aan het linkerbeen een lederen kniestuk, waaraan een tamelijk groote bel hing. Zijn gezicht, dat in de schaduw was, kon men niet onderscheiden.

De man had intusschen zijn pet afgenomen en riep bevend:

„Ach mijn God! hoe komt gij hier, vader Madeleine! hoe zijt ge hier binnengekomen, lieve Jezus! Ge zijt uit den hemel gevallen! Ja waarlijk, zoo ge ooit valt, zult ge uit den hemel moeten vallen. Hoe ziet ge er uit! Ge hebt geen das, noch hoed, noch jas! Weet ge wel, dat ge iemand, die u niet kende, zoudt verschrikt hebben? Geen jas! Heere God! worden de heiligen tegenwoordig krankzinnig? Maar hoe zijt ge toch hier gekomen?”

Zonder op antwoord te wachten, sprak de oude man met een ongekunstelde rederijkheid, waarin niets verontrustends lag. Onder ’t spreken toonde hij de grootste verbazing en de naïefste goedhartigheid.

„Wie zijt gij? en wat is dit huis?” vroeg Jean Valjean.

„Wel drommels, hoe is ’t mogelijk!” riep de grijsaard; „ik ben immers degeen dien ge hier geplaatst hebt, en dit huis is dat waarin ge mij een plaats bezorgd hebt. Hoe? herkent ge mij niet?”

„Neen,” zei Jean Valjean. „Maar van waar kent ge mij?”

„Ge hebt mij het leven gered,” zei de man.

Hij keerde zich om, het maanlicht bescheen zijn gelaat, en Jean Valjean herkende den ouden Fauchelevent.

„Ha!” zei Jean Valjean, „zijt gij ’t? ja, nu herken ik u.”

„’t Is wel gelukkig,” zei de oude man op verwijtenden toon.

„En wat doet ge hier?” hernam Jean Valjean.

„Wel, ik dek mijn meloenen.”

De oude Fauchelevent had werkelijk, toen Jean Valjean hem aansprak, het eind van een stroomat in de hand, welke hij bezig was over het meloenbed te spreiden. Hij had er reeds, sedert een uur, dat hij in den tuin was, meerdere op het bed gelegd.

’t Waren de eigenaardige bewegingen van dien arbeid, welke Jean Valjean van uit de schuur had opgemerkt.

De tuinman vervolgde:

„Ik dacht: de maan is helder, ’t zal vriezen. Ik zal mijn meloenen hun jas aandoen. En,” voegde hij er luid lachend bij, „gij hadt dit waarlijk ook wel mogen doen! Maar hoe komt ge toch hier?”

Daar Jean Valjean ontdekte, dat deze man hem kende, althans onder den naam van Madeleine, meende hij zooveel te voorzichtiger te moeten zijn. Hij deed een menigte vragen, en, zonderling, nu schenen de rollen omgekeerd: hij, de indringer, was ’t die vroeg:

„En wat beteekent de schel, die ge aan de knie hebt?”

„De schel,” antwoordde Fauchelevent, „dient opdat men mij uit den weg ga.”

„Hoe! opdat men u uit den weg ga?”

De oude Fauchelevent knipoogde op een onbeschrijfelijke wijze.

„Te drommel!” zeide hij, „in dit huis zijn niet anders dan vrouwen; veel jonge meisjes. ’t Schijnt gevaarlijk te zijn, dat ze mij zien. De schel waarschuwt haar. Als ik kom, gaan zij heen.”

„Wat is dit voor een huis?”

„Kom, dat weet ge immers wel?”

„Neen, ik weet het niet.”

„En ge hebt er mij als tuinier doen plaatsen.”

„Antwoord mij, alsof ik niets weet.”

„Welnu, ’t is het klooster van Petit-Picpus.”

Nu begon Jean Valjean zich te herinneren. Het toeval, dat wil zeggen de Voorzienigheid, had hem juist in dit klooster van de wijk St. Antoine gevoerd, waar de oude Fauchelevent, toen hij door ’t omvallen van zijn kar, voor twee jaren, kreupel was geworden, op zijn aanbeveling geplaatst was. Hij herhaalde, als tot zich zelven sprekende:

„Het klooster van Petit-Picpus!”

„Maar spreek,” hernam Fauchelevent, „hoe drommels is ’t u gelukt hier binnen te komen? Vader Madeleine, ge moogt een heilige zijn, maar ge zijt ook een man, en hier mogen geen mannen komen.”

„En gij zijt er!”

„Ik ben de eenige man.”

„Ik moet hier echter blijven,” hernam Jean Valjean.

„Ach, mijn God!” riep Fauchelevent.

Jean Valjean naderde den grijsaard en zeide hem met ernstige stem:

„Vader Fauchelevent, ik heb u ’t leven gered.”

„Ik heb hier eerder aan gedacht dan gij,” antwoordde Fauchelevent.

„Welnu, thans kunt ge voor mij doen, wat ik vroeger voor u deed.”

Fauchelevent nam de forsche handen van Valjean in zijn oude, gerimpelde en bevende handen, en scheen eenige oogenblikken niet te kunnen spreken. Eindelijk riep hij:

„O! ’t zou een zegen van den goeden God zijn, zoo ik u dit eenigszins vergelden kon; ik uw leven redden! mijnheer de maire, beschik over mij, ouden man.”

Een wonderbare blijdschap had den grijsaard als omgekeerd. Zijn gelaat scheen te schitteren.

„Wat wilt ge dat ik doen zal?” vroeg hij.

„Ik zal ’t u zeggen. Hebt ge een kamer?”

„Ik heb ginds, achter de bouwvallen van het oude klooster, in een hoek, dien niemand ziet, een afzonderlijke woning met drie kamers.”

Dit gebouwtje was inderdaad zoo goed achter den bouwval verborgen, en zoo geplaatst dat niemand het zien kon, zoodat ook Jean Valjean het niet had gezien.

„Goed,” zei Jean Valjean. „Nu heb ik u nog twee dingen te verzoeken.”

„Wat, mijnheer de maire?”

„Vooreerst, dat ge aan niemand zegt wat ge van mij weet. Ten tweede, dat ge niet meer van mij tracht uit te vorschen.”

„Zooals ge wilt. Ik weet dat ge niets kunt doen wat slecht is, en dat ge altijd een goed mensch zijt geweest. Bovendien hebt gij mij immers hier bezorgd. ’t Is uw zaak. Ik ben tot uw dienst.”

„Afgedaan. Volg mij nu. Wij willen het kind halen.”

„Zoo!” zei Fauchelevent. „Hebt ge een kind?”

Hij voegde er geen woord bij en volgde Jean Valjean gelijk een hond zijn meester.

Binnen een half uur sliep Cosette, die bij een goed vuur haar blos had herkregen, in het bed van den ouden tuinier. Jean Valjean had zijn das omgedaan en zijn jas aangetrokken; ook de over den muur geworpen hoed was wedergevonden en opgeraapt. Terwijl Jean Valjean zijn jas aantrok, had Fauchelevent zich van zijn kniestuk met de schel bevrijd, dat nu aan een spijker, naast een mand, den muur versierde. Beide mannen warmden zich, met hun ellebogen op de tafel rustende, waarop Fauchelevent een stuk kaas, brood, een flesch wijn en twee glazen had geplaatst, waarop de oude man zijn hand op de knie van Valjean leggende, tot dezen zeide:

„O vader Madeleine, ge hebt mij niet dadelijk herkend; ge redt het leven der menschen en vergeet hen? Dat is niet mooi! Maar zij vergeten u niet! Ge zijt een ondankbare!”

Tiende hoofdstuk.
Waarin verhaald wordt hoe Javert niets ontdekt

De gebeurtenissen, waarvan wij, om zoo te spreken, de rugzijde hebben gezien, hadden zich op de eenvoudigste wijze toegedragen.

Toen Jean Valjean – in denzelfden nacht dat Javert hem bij het sterfbed van Fantine in hechtenis nam – uit de stadsgevangenis van M. sur M. vluchtte, vermoedde de politie, dat de vluchteling naar Parijs zou zijn gegaan. Parijs is een maalstroom, waarin alles verloren gaat; alles verdwijnt in deze draaikolk der wereld, gelijk in de draaikolk der zee. Geen bosch verbergt iemand zoo goed, als deze van menschen wemelende stad. Dit weten vluchtelingen van allerlei soort. Zij gaan naar Parijs om daar te verdwijnen, want er zijn verdwijningen, die redden. Dit weet de politie ook en daarom zoekt zij te Parijs, wat zij elders verloren heeft. Zij zocht er den maire van M. sur M. Javert werd naar Parijs ontboden om er de opsporing te besturen. Javert hielp inderdaad krachtdadig om Valjean te vatten. Javerts ijver en schranderheid werden bij deze gelegenheid door den heer Chabouillet, secretaris der prefectuur onder den graaf Anglès, opgemerkt. Chabouillet, die Javert trouwens reeds vroeger beschermd had, plaatste den inspecteur van politie van M. sur M. bij de politie te Parijs. Dáár maakte Javert zich op verschillende, en, wij moeten zeggen, hoewel het woord voor dergelijke zaken ongepast schijnt, op eervolle wijze verdienstelijk.

Hij dacht niet meer aan Jean Valjean – de honden, die altijd ter jacht gaan, vergeten den wolf van gisteren voor dien van heden – toen hij in December 1823 een courant las, schoon hij zich anders niet met couranten ophield; maar Javert, een koningsgezinde, had de bijzonderheden willen weten van den zegevierenden intocht van den prins-generalissimus te Bayonne. Toen hij het artikel, waarin hij belang stelde, gelezen had, trok een naam, de naam van Jean Valjean, onder aan een bladzijde, zijn aandacht. Het blad berichtte, dat de tuchteling Jean Valjean gestorven was en wel in zulke bepaalde woorden, dat Javert er niet aan twijfelde. Hij sprak bij zich zelven: „Ja, de dood is de beste keten!” Toen wierp hij het blad ter zijde en dacht niet meer aan de zaak.

Eenigen tijd later werd door de prefectuur van het departement Seine en Oise aan de prefectuur van politie te Parijs een nota gezonden, betreffende de ontvoering van een kind, welke ontvoering, zoo men zeide, onder bijzondere omstandigheden in de gemeente Montfermeil had plaats gehad. Een zeven- of achtjarig meisje, zeide de nota, door haar moeder aan een herbergier in de gemeente toevertrouwd, was door een vreemdeling gestolen; het meisje heette Cosette en was het kind van een vrouw, Fantine genaamd, die, men wist niet wanneer of waar, in een hospitaal overleden was. Deze nota kwam onder de oogen van Javert en maakte hem nadenkend.

De naam Fantine was hem bekend. Hij herinnerde zich, dat Jean Valjean hem luide had doen lachen, toen hij drie dagen uitstel verzocht om het kind van dat schepsel te gaan halen. Hij herinnerde zich, dat Jean Valjean te Parijs aangehouden was, juist toen hij in den wagen naar Montfermeil steeg. Eenige aanwijzingen hadden hem zelfs toen reeds doen vermoeden, dat Valjean ten tweeden male in dat rijtuig plaats genomen en bereids den vorigen dag in de omstreken van dat dorp was geweest, want in het dorp zelf had men hem niet gezien. Wat hij in de omstreken van Montfermeil had gedaan, had men niet kunnen begrijpen. Nu begreep Javert het. Fantines dochtertje bevond er zich, en Jean Valjean ging het halen. Nu was dit kind door een onbekende gestolen? Wie kon deze onbekende zijn? Kon het Jean Valjean wezen? maar Jean Valjean was dood. – Javert nam, zonder iemand iets te zeggen, plaats in ’t rijtuig van „le Plat d’étain” in het slop van la Planchette en reed naar Montfermeil.

Hij verwachtte er licht te vinden, en vond er duisternis.

In de eerste dagen hadden de Thénardier’s in hun wrevel veel gebabbeld. De verdwijning van de Leeuwerik had opzien in ’t dorp verwekt. Onverwijld kwamen er verschillende lezingen van de zaak in omloop, dat deze eindelijk een kinderroof werd. Hiervan was een nota aan de politie het gevolg. Evenwel had Thénardier, met zijn bewonderenswaardig instinct, toen zijn kwade luim verdwenen was, spoedig begrepen, dat het nooit goed is mijnheer den procureur des konings in beweging te brengen, en dat zijn klachten ter zake van Cosettes „ontvoering” vooreerst het gevolg zouden hebben op hem, Thénardier, en op vele duistere zaken, hem betreffende, het scherpe oog der justitie te trekken. Vóór alles willen de uilen niet, dat men hen in ’t licht brenge. En hoe zou hij ’t maken met de vijftienhonderd francs, die hij ontvangen had? Hij sloeg spoedig een anderen weg in, legde zijn vrouw het zwijgen op en toonde zich verwonderd, zoo men hem van het „gestolen” kind sprak. Hij begreep er niets van; ’t is waar, aanvankelijk had hij zich beklaagd, dat men hem „de lieve kleine” zoo spoedig „ontnomen” had, welke hij uit liefde nog een paar dagen wilde behouden hebben, maar ’t was haar „grootvader,” die op de natuurlijkste wijs ter wereld gekomen was om haar te halen. Hij sprak van een grootvader, omdat dit goed klonk. Toen Javert te Montfermeil kwam, vernam hij deze geschiedenis. De grootvader deed Jean Valjean verdwijnen.

Evenwel deed Javert aan Thénardier eenige vragen, als om zijn geschiedenis te peilen. – „Wie was deze grootvader en hoe heette hij?” – Thénardier antwoordde onnoozel: „Een rijk landbouwer. Ik heb zijn pas gezien. Ik geloof, dat hij Guillaume Lambert heet.”

Lambert is een fatsoenlijke, geruststellende naam en Javert keerde naar Parijs terug.

„Jean Valjean is wel degelijk dood,” zeide hij, „en ik ben een uilskuiken.”

Hij begon deze geheele geschiedenis te vergeten, toen hij in Maart 1824 van een zonderling persoon hoorde spreken, die in de parochie St. Médard woonde en die men noemde den „bedelaar, die aalmoezen geeft.” Deze persoon was, zoo men zeide, een rentenier, wiens eigenlijken naam niemand kende, en die alleen met een achtjarig meisje woonde, dat zelf niets wist dan dat zij van Montfermeil kwam. Montfermeil! die naam kwam immer terug en deed Javert het oor spitsen. Een oude bedelaar, een stille verklikker, wien deze man aalmoezen gaf, voegde er nog eenige bijzonderheden bij. – De rentenier was zeer schuw – ging slechts ’s avonds uit – sprak met niemand – enkele keeren slechts met de armen – en liet zich niet naderen. Hij droeg een oude, leelijke bruine jas, die verscheidene millioenen waard moest wezen, wijl hij geheel en al met banknoten gevoerd was. – Dit prikkelde niet weinig Javerts nieuwsgierigheid. Ten einde dezen fantastischen rentenier van nabij te zien, zonder hem schuw te maken, leende hij op zekeren dag van den bedelaar-verklikker diens plunje en de plaats, waar hij alle avonden gebeden zat te prevelen en middelerwijl bespiedde.

De „verdachte” naderde werkelijk den verkleeden Javert en gaf hem een aalmoes: terzelfder tijd lichtte Javert het hoofd op, en Jean Valjean schrikte, daar hij Javert meende te herkennen, terwijl Javert niet minder getroffen was, daar hij meende Jean Valjean te zien.

Maar de duisternis had hem kunnen bedriegen; Jean Valjean’s dood was officiëel, Javert bleef in grooten twijfel, en deze nauwgezette man legde, wanneer hij twijfelde, op niemand de hand.

Hij volgde den man tot aan het huis-Gorbeau, en wist de oude vrouw uit te hooren, ’t geen niet moeilijk was. Zij bevestigde het feit van de met millioenen gevoerden jas, en verhaalde hem de episode van het bankbiljet van duizend francs. Zij had het gezien! Zij had het in de handen gehad! Javert huurde een kamer, welke hij denzelfden avond betrok. Hij ging aan de deur van den geheimzinnige luisteren, in de hoop den klank zijner stem te hooren; maar Jean Valjean zag zijn kaars door het sleutelgat en stelde den bespieder teleur door te zwijgen.

Den volgenden dag verliet Jean Valjean het huis. De oude vrouw had echter den klank van het vijffrancstuk, dat hij liet vallen, opgemerkt, en toen ze geld hoorde rammelen, dacht zij dat men ging verhuizen en haastte zich Javert te verwittigen.

Toen Jean Valjean tegen den avond uitging, wachtte Javert hem met twee mannen achter de boomen op den boulevard.

Javert had aan de prefectuur gewapende hulp gevraagd, maar den naam niet genoemd van den persoon, dien hij hoopte te vatten. Dit was zijn geheim; ’t geen hij om drie redenen bewaarde: vooreerst, wijl het minste gerucht Jean Valjean opmerkzaam kon maken; ten tweede, wijl het vatten van een ouden gevluchten galeislaaf, dien men dood waande, van een veroordeelde, wien de gerechtsstukken vroeger onder de „gevaarlijkste soort van boosdoeners” genoemd hadden, een schitterende zegepraal zou zijn, welke de oudgedienden der Parijsche politie zekerlijk een nieuweling, als Javert, niet zouden gunnen, en hij daarom vreesde dat men hem zijn galeislaaf zou ontnemen; eindelijk, wijl Javert, als kunstenaar, het onverwachte beminde. Hij haatte die vooraf aangekondigde overwinningen, welke haar bekoorlijkheid verliezen, zoo er te lang vooraf van gesproken is. Hij bereidde zijn meesterstukken liefst in het duister voor, om ze dan plotseling in ’t licht te onthullen.

Javert was Jean Valjean van boom tot boom, van den eenen hoek tot den anderen gevolgd, en had hem geen oogenblik uit het oog verloren; zelfs in de oogenblikken, dat Jean Valjean zich het meest veilig waande, was Javerts oog op hem gevestigd. Waarom vatte Javert Jean Valjean niet? Wijl hij van zijn zaak nog niet zeker was.

Men herinnere zich, dat in dien tijd de politie niet volkomen op haar gemak was, de vrije pers hinderde haar. Eenige, door de dagbladen publiek gemaakte, willekeurige inhechtenisnemingen hadden zelfs in de Kamers weerklank gevonden en de prefectuur angstvallig gemaakt. De aanranding der persoonlijke vrijheid was een zwaar vergrijp. De agenten vreesden zich te vergissen; de prefect wreekte zich op hen; een vergissing wordt door afzetting gevolgd. Men kan zich den indruk voorstellen, dien te Parijs dit berichtje, door twintig bladen herhaald, gemaakt zou hebben: – „Gisteren is een oud man met wit haar, een achtenswaardig rentenier, die met zijn achtjarig kleindochtertje wandelde, aangehouden en als ontvlucht tuchteling naar het dépôt der prefectuur overgebracht.” —

Wij moeten hier bijvoegen, dat Javert persoonlijke bezwaren had; de vermaningen van zijn geweten paarden zich bij die van den prefect. Hij twijfelde werkelijk.

Jean Valjean ging met den rug naar hem gekeerd, in de duisternis.

Zijn treurigheid, bekommering, angst, neerslachtigheid, de nieuwe ramp, die hem dwong des nachts de vlucht te nemen en op goed geluk af in Parijs voor Cosette en zichzelven een onderkomen te zoeken, de noodzakelijkheid om zijn tred naar dien van een kind te regelen, dit alles had, zelfs zonder dat hij er zich van bewust was, Jean Valjeans gang veranderd en aan zijn gewone houding iets zoo oudachtigs gegeven, dat zelfs de politie, in Javert vertegenwoordigd, zich er in kon bedriegen en zich werkelijk bedroog. De onmogelijkheid om hem te dicht te naderen, zijn kleeding als van een voormalig onderwijzer, de verklaring van Thénardier die een grootvader van hem maakte, eindelijk het geloof dat hij in ’t bagno gestorven was, vergrootten Javerts twijfel.

Yaş sınırı:
12+
Litres'teki yayın tarihi:
27 eylül 2017
Hacim:
371 s. 2 illüstrasyon
Telif hakkı:
Public Domain