Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.
Kitabı oku: «De Ellendigen (Deel 3 van 5)», sayfa 11
Vierde hoofdstuk.
De heer Mabeuf
Denzelfden dag, toen de heer Mabeuf tot Marius zeide: „zekerlijk, ik keur politieke meeningen goed,” drukte hij den wezenlijken toestand van zijn geest uit. Alle politieke meeningen waren hem onverschillig, en hij keurde ze alle zonder onderscheid goed, mits zij hem met rust lieten, op dezelfde wijze als de Grieken de furiën, de schoonen, de goeden en bekoorlijken de Eumeniden noemden. De politieke meening van den heer Mabeuf was een hartstochtelijke liefde voor planten en bovenal voor boeken. Hij had, zooals iedereen, de lettergreep ist tot uitgang, zonder welke niemand in dien tijd kon leven, maar hij was royalist, bonapartist, chartist, orleanist, noch anarchist; hij was bouquinist (boekenliefhebber). Hij begreep niet, waarom de menschen wegens zulke nietigheden als de charte, de democratie, de legitimiteit, de monarchie, de republiek enz. elkander konden haten, terwijl er in de wereld zoo velerlei soorten van mos, kruiden en heesters waren die zij beschouwen, en stapels folianten die zij doorbladeren konden. Hij wilde niet nutteloos zijn; dat hij boeken had en botanicus was, belette hem niet te lezen en te tuinieren. Toen hij Pontmercy had leeren kennen, ontstond tusschen den kolonel en hem sympathie, wijl deze bloemen en de ander vruchten kweekte. De heer Mabeuf was er in geslaagd even uitmuntende peren als die van St. Germain te telen.
Hij ging veeleer ter mis uit gewoonte dan uit godsvrucht, en ook wijl hij, gaarne menschen ziende maar hun gewoel hatend, hen slechts in de kerk stil bijeen vond. Hij had, beseffende dat hij in den staat iets moest zijn, de loopbaan van kerkmeester gekozen. Overigens was ’t hem nooit gelukt zoo verliefd op een vrouw te worden als op een tulpbol, en was geen man hem zoo lief als een Elzevier. Hij was reeds lang over de zestig jaar toen iemand hem vroeg: „Zijt ge nooit gehuwd geweest?” – „Ik heb ’t vergeten,” antwoordde hij. Zoo ’t hem nu en dan gebeurde – en wien gebeurt dit niet? – te zeggen: „O, zoo ik rijk ware!” – was ’t niet terwijl hij een meisje begluurde, gelijk vader Gillenormand, maar alleen bij de beschouwing van een oud boek.
Hij leefde alleen met een oude huishoudster – en was min of meer jichtig; in den slaap kromden zich zijn oude door het rheumatisme verstijfde vingers over het beddelaken. Hij had een Flora over de omstreken van Cauteretz geschreven met gekleurde platen, een tamelijk goed werk, waarvan hij de koperplaten bezat, en dat hij zelf verkocht. Twee of driemaal daags kwam men daarom bij hem in de straat Mezières aanschellen. Dit bracht hem elk jaar een paar duizend francs op, en was ongeveer zijn geheele fortuin.
Hoewel hij arm was, had hij toch talent genoeg gehad, om door geduld, ontbering en tijd een kostbare verzameling van zeldzame, veelsoortige exemplaren bijeen te brengen. Nooit ging hij uit dan met een boek onder den arm en kwam er dikwerf met twee weder te huis. De eenige versieringen der vier benedenkamers, die met een kleinen tuin zijn woning vormden, waren herbariums en platen van oude meesters. Het gezicht van een sabel of geweer deed hem verstijven. In zijn gansche leven was hij geen kanon genaderd, zelfs niet in het Hôtel der Invaliden. Hij had een goede maag; een broeder, die pastoor was, met witte haren; geen tanden in den mond noch in den geest; een beving in al zijn leden; een picardischen tongval; een kinderlijken lach en een gezicht als een oud schaap.
Bij dat alles onder de levenden slechts één vriend, een ouden boekhandelaar, Royol, en één wensch: dat de indigo-bouw in Frankrijk ingevoerd mocht worden. Ook zijn dienstmeid was een rariteit van onschuld. De goede vrouw was nog vrijster. Sultan, haar kater, die het miserere van Allegri in de Sixtijnsche kapel had kunnen mauwen, vervulde haar hart en bevredigde de hoeveelheid hartstocht die in haar was. Geen harer wenschen had zich ooit tot een man verheven. De kater was haar alles. Zij had knevels gelijk hij. Zij stelde roem in een heldere muts. Zij vermaakte zich des zondags na de mis met haar lijnwaad in de kast te tellen en de lappen katoen op haar bed uit te spreiden, welke zij voor haar kleederen kocht, doch nooit liet maken. Zij kon lezen. Mijnheer Mabeuf had haar den bijnaam van „moeder Plutarchus” gegeven.
Mabeuf had genegenheid voor Marius gekregen, wijl Marius, jong en zacht van aard, zijn ouderdom verwarmde, zonder zijn bedeesdheid te verschrikken. Jeugd en zachtheid doen op grijsaards de uitwerking van een zonneschijn zonder wind. Toen Marius verzadigd was van militairen roem, buskruit, marschen en contra-marschen en van al de schoone veldslagen, waarin zijn vader sabelhouwen gegeven en ontvangen had, bezocht hij Mabeuf, en deze sprak hem van den held naar aanleiding zijner bloemen.
Omstreeks 1830 was zijn broeder de pastoor overleden, en schier eensklaps was, evenals wanneer de nacht daalt, voor den heer Mabeuf de geheele horizont verduisterd. Door een bankroet – van een notaris – verloor hij een som van tien duizend francs, hetgeen alles was wat hij en zijn broeder bezaten. De Juli-revolutie veroorzaakte een crisis in den boekhandel. In tijden van algemeenen nood worden zelden Floras verkocht. De Flora over de omstreken van Cauteretz ging volstrekt niet meer. Weken vervlogen zonder dat er een kooper kwam. Soms ontroerde de heer Mabeuf, wanneer hij de schel hoorde. – „Neen, mijnheer,” zeide moeder Plutarchus dan treurig, „’t is de waterdrager.” – Kortom, op zekeren dag verliet Mabeuf de straat Mezières, deed afstand van zijn kerkmeesterschap, verkocht een gedeelte, niet van zijn boeken, maar van zijn prenten – waaraan hij ’t minst gehecht was, – en betrok een huisje op den boulevard Mont-Parnasse, dat hij echter slechts twee maanden bewoonde, en wel om twee redenen: eerstens wijl het beneden-huis en de tuin driehonderd francs kostte, en hij niet meer dan tweehonderd francs huur kon betalen, en ten tweede wijl erin de buurt een schijfschieterij was en hij pistoolschoten hoorde, die hem ondragelijk waren.
Hij nam zijn Flora, zijn koperen platen, zijn herbariums, portefeuilles en boeken mede, en zette zich metterwoon neder bij la Salpétrière, in een soort hut van het dorp Austerlitz, waar hij voor honderdvijftig francs ’s jaars drie kamers en een omheinden tuin met een put had. Hij maakte van die verhuizing gebruik om bijna al zijn huisraad te verkoopen. Op den dag zijner komst in de nieuwe woning was hij zeer vroolijk; hij sloeg zelf de spijkers in den muur, om er zijn prenten en herbariums aan te hangen; en toen hij moeder Plutarchus des avonds treurig zag, klopte hij haar op den schouder, terwijl hij glimlachend zeide:
„Wij hebben de indigo!”
Slechts twee bezoekers, de boekhandelaar en Marius, werden er toegelaten in zijn hut te Austerlitz, welke oorlogzuchtige naam hem vrij onaangenaam was.
Hersenen, – zooals wij hebben aangewezen – die met wijsheid of dwaasheid zijn gevuld, of, ’t geen vaak gebeurt, door beide tegelijk, zijn overigens tamelijk ongevoelig voor de werkelijke dingen des levens. Haar bestemming is ook anders. Hieruit echter ontstaat een lijdelijkheid, die, ware zij beredeneerd, op wijsbegeerte kon gelijken. Zulke lieden dalen, zinken, storten zelfs neêr, zonder er bijna iets van te bespeuren. Dit eindigt wel is waar met een ontwaking, maar dan is het te laat. Ondertusschen houden zij zich in het spel om hun geluk of ongeluk eenigermate onzijdig. Zij zijn wel de inzet, doch zien bij het spel onverschillig toe!
Alzoo had de heer Mabeuf, die allengs al zijn verwachtingen verdwijnen zag, bij al die donkerheid welke deze doofde, zijn vroolijkheid toch behouden, die, al was ze ook eenigszins kinderachtig, toch diep gevoeld was. De gewoonten van zijn geest slingerden gestadig van de eene naar de andere zijde, als de slinger van een klok. En die slingering, door een hersenschim veroorzaakt, hield lang aan, zelfs wanneer de schim reeds lang verdwenen was. Een horloge staat niet dadelijk stil op ’t oogenblik, dat men den sleutel er van verliest.
De genoegens van Mabeuf waren zeer onschuldig, goedkoop en onverwacht; het geringste toeval gaf ze hem. Op zekeren dag las moeder Plutarchus in een hoek der kamer een roman. Zij las luid, meenende het dan beter te zullen begrijpen. Het overluid lezen is eenigerwijs de bevestiging van ’t geen men leest. Er zijn zelfs lieden die zeer luid lezen, alsof zij hun woord van eer willen geven, dàt zij lezen.
Met die kracht las moeder Plutarchus den roman, dien zij in de hand hield. Mabeuf hoorde zonder te luisteren.
Lezende kwam moeder Plutarchus aan deze zinsnede. Er was sprake van een dragonderofficier en een schoone.
„ … De schoone pruilde, en de dragonder…”6
Hier zweeg zij om haar bril schoon te maken.
„Bouddha en de draak,” zei Mabeuf halfluid. „Ja, ’t is waar, er was een draak die in zijn hol vlammen spuwde uit den muil en den hemel verbrandde. Verscheidene sterren waren reeds door dat monster verbrand, dat bovendien tijger-klauwen had. Bouddha ging zijn hol binnen en ’t gelukte hem den draak te bekeeren. ’t Is een goed boek, dat ge daar leest, moeder Plutarchus. Er is geen fraaier legende.”
En Mabeuf verdiepte zich weder in zijn aangename overpeinzingen.
Vijfde hoofdstuk.
Armoede is een goed gebuur voor ellende
Marius had genegenheid opgevat voor den goeden grijsaard, die langzamerhand tot behoeftigheid verviel en zich allengs verwonderde, zonder zich echter erg te bedroeven. Marius ontmoette Courfeyrac en zocht Mabeuf op. Zeer zelden evenwel; hoogstens een paar keeren in de maand.
Marius deed in zijn eenzaamheid gaarne groote wandelingen langs de buitenboulevards, op het Champ de Mars of in de minst bezochte lanen van het Luxemburg. Soms besteedde hij een halven dag met de beschouwing van een moestuin, van saladebedden, van kippen op een mesthoop en van een paard dat in den molen liep. De voorbijgangers zagen hem met verbaasden blik aan; sommigen vonden iets verdachts en gevaarlijks aan hem, hoewel hij niets dan een arm jongeling was, die zich aan zijn gedachten overgaf.
Op een dier wandelingen het huis Gorbeau ontdekkende, hadden de eenzaamheid en de geringe huurprijs hem verlokt, en huurde hij er een kamer. Men kende hem er alleen onder den naam van Marius.
Eenige oude generaals en krijgsmakkers van zijn vader hadden hem uitgenoodigd, toen zij hem leerden kennen, en Marius had niet geweigerd, want dit was hem een gelegenheid om over zijn vader te spreken. Nu en dan legde hij dus bij graaf Pajol, bij generaal Bellavesne, bij generaal Tririon en in het Hôtel der Invaliden bezoeken af. Men maakte er muziek en danste er. Voor deze bezoeken droeg Marius zijn beste kleêren. Maar nooit ging hij naar deze soirées of bals, dan wanneer het steendik vroor; want hij kon geen huurrijtuig betalen en wilde er niet verschijnen dan met laarzen, die als spiegels blonken.
Vaak zeide hij, doch zonder wrevel:
„Zoo zijn de menschen! men mag in gezelschap komen zoo beslijkt men wil, mits de schoenen zuiver zijn. Men vergt er alleen: onberispelijkheid – van geweten? – neen, van laarzen.”
Alle driften, behalve die van ’t hart, vervliegen bij den denker. Ook de politieke koorts van Marius was vervlogen. Daartoe had de revolutie van 1830, door hem te bevredigen en te bedaren, vooral medegewerkt. Op zijn toorn na was hij nog schier dezelfde. Hij had nog altijd dezelfde meeningen; maar zij waren eenigszins gewijzigd; eigenlijk gezegd, had hij geen meeningen meer, maar sympathieën. Tot welke partij behoorde hij? tot de partij der humaniteit. Deze koos Frankrijk tot haar doel; in de natie koos hij het volk, in het volk de vrouw. Met haar vooral had hij medelijden. Nu gaf hij de voorkeur aan een denkbeeld boven een feit, aan een dichter boven een held, en bewonderde meer een boek als dat van Job dan een gebeurtenis als die van Marengo. En dan weer, wanneer hij na een dag van bespiegeling des avonds langs den boulevard huiswaarts keerde, en door de takken van het geboomte het peilloos uitspansel, het onbeschrijfelijk licht, de diepte, de schaduw, de verborgenheid, aanschouwde, kwam al het menschelijke hem klein en nietig voor.
Hij geloofde zoo zeker, het ware in ’t leven en de wijsbegeerte gevonden te hebben, en had het misschien ook gevonden, dat hij eindelijk schier niets dan den hemel aanschouwde, het eenige wat men in den put der waarheid zien kan.
Dit belette hem echter niet allerlei plannen, ontwerpen en luchtkasteelen voor de toekomst te bouwen. Zoo men de droomerijen van Marius had kunnen doorzien, zou men door de reinheid zijner ziel als verblind zijn geweest. Immers, zoo onze lichamelijke oogen in het hart van anderen vermochten te staren, zou men een mensch zeker meer naar ’t geen hij droomt dan naar ’t geen hij denkt beoordeelen. In de gedachte ligt het willen, niet in den droom. De vrijwillige droom neemt, zelfs in het reusachtige en ideale, den vorm van onzen geest aan en behoudt dien. Niets vloeit meer rechtstreeks en oprecht uit onze ziel, dan ons onbedacht en buitensporig streven naar den glans van het lot. In dit streven, veel meer dan in samengestelde, beredeneerde en geregelde denkbeelden, kan men het wezenlijke karakter van ieder mensch wedervinden. Wat ons het meest gelijkt, zijn onze droomen. Ieder droomt naar zijn aard van het onbekende en onmogelijke.
In het midden van het jaar 1831 verhaalde de oude vrouw, Marius’ dienstbode, hem, dat men zijn buren, het arme huisgezin Jondrette, buiten de deur zou zetten. Marius, die bijna den geheelen dag uit was, wist nauwelijks dat hij buren had.
„Waarom?” vroeg hij.
„Wijl zij de huur niet betalen; zij zijn reeds twee termijnen schuldig.”
„Hoeveel bedraagt de som?”
„Twintig francs,” antwoordde de oude vrouw.
„Ziedaar,” sprak hij tot de oude vrouw, „hier hebt ge vijfentwintig francs. Betaal de huur voor die arme lieden en geef hun vijf francs, maar zeg niet dat het van mij komt.”
Zesde hoofdstuk.
De plaatsvervanger
Het toeval wilde, dat het regiment, waarbij de luitenant Theodule behoorde, te Parijs in garnizoen kwam. Dit gaf tante Gillenormand gelegenheid, ten tweedenmale een plan te vormen. Den eersten keer had zij verzonnen, om Marius door Theodule te laten bespieden; nu besloot zij Theodule in Marius’ plaats te stellen.
’t Was in alle opzichten, en ingeval grootvader eenigszins behoefte had een jeugdig gezicht in huis te hebben – het ochtendrood doet de bouwvallen soms genoegelijk aan – ’t was noodig, een anderen Marius te vinden. Welnu, dacht zij, wij kunnen ’t als een drukfout beschouwen en, met verschillende boeken, zeggen: Theodule, lees Marius.
Een achterneef is genoegzaam kleinzoon; bij gebrek aan een advocaat neemt men een lansier.
Op zekeren ochtend was de heer Gillenormand juist bezig met het lezen van een blad, de Quotidienne, toen zijn dochter binnentrad en op den vleiendsten toon – want het gold haar gunsteling – zeide:
„Vader, Theodule komt u dezen morgen een bezoek brengen.”
„Welke Theodule?”
„Uw achterneef.”
„Zoo,” zei de grootvader.
Toen hervatte hij zijn lectuur, zonder verder aan zijn achterneef te denken, en werd al spoedig gramstorig, zooals hem meestal gebeurde wanneer hij las. Het blad, dat hij las – natuurlijk koningsgezind – kondigde tegen den volgenden dag een dier kleine politieke gebeurtenissen aan, welke destijds te Parijs aan de orde van den dag waren: dat de studenten in de medicijnen en de rechtsgeleerdheid des middags op het plein van het Pantheon moesten bijeenkomen om te delibereeren. Het gold een kwestie van den dag: de artillerie der nationale garde, alsmede een conflict tusschen den minister van oorlog en de „burgerwacht,” ter zake van de op de binnenplaats van het Louvre geplaatste kanonnen. Daarover moesten de studenten „raadplegen.” Er was niet veel meer noodig om den heer Gillenormand op te winden.
Hij dacht aan Marius, die student was en, waarschijnlijk gelijk de anderen, des middags op het plein van het Pantheon zou gaan „delibereeren.”
Terwijl hij zich met deze onaangename gedachten bezig hield, werd luitenant Theodule, in burgerkleeding, ’t geen zeer slim overlegd was, door mejuffrouw Gillenormand binnengeleid. De lansier had geredeneerd als volgt: „De oude heeft niet alles op lijfrente geplaatst. Het is dus der moeite waard zich nu en dan eens als burger te kleeden.”
Mejuffrouw Gillenormand zeide luid tot haar vader: „Theodule, uw neef.”
En zacht tot den luitenant:
„Geef hem maar altijd gelijk.”
Toen verwijderde zij zich.
De luitenant, weinig gewoon aan zulke deftige bezoeken, stamelde eenigszins verlegen: „Goeden morgen, oom,” en groette werktuiglijk half als militair, half als burger.
„Ha, zijt gij ’t, goed; ga zitten,” sprak grootvader. En tegelijk vergat hij den officier weder geheel en al.
Theodule zette zich neêr en Gillenormand stond op. Met de handen in de zakken liep hij heên en weder, sprak luide met zich zelven en klemde de twee horloges, welke hij in zijn zakken had, vergramd in zijn oude vingers.
„Die kwâjongens! dat bescheidt elkander op het plein van het Pantheon! knapen, die nauwelijks de min ontloopen zijn! Zoo men hun in den neus kneep, zou er melk uit komen. En morgen middag delibereeren zij! Waar moet dat heen? waar moet dat heen? ’t Is duidelijk, dat men naar den afgrond gaat. Daar hebben ons de descamisados toe gebracht. Burger-artillerie! Onder den blooten hemel over de burger-artillerie gaan wauwelen! En wie zullen zij er vinden! Zie nu eens waar het jacobinisme toe leidt! Ik wed, om alles wat men wil, dat er geen andere lieden zullen zijn dan vrijgelaten galeiboeven en verdachte fielten. Republikeinen en galeiboeven behooren bij elkaar als een neus en een zakdoek. Carnot zeide: „Waar zal ik heen gaan, verrader?” En Fouché antwoordde: „Waarheen ge wilt, dwaas!” Dat zijn nu republikeinen!”
„’t Is waar,” zei Theodule.
De heer Gillenormand wendde het hoofd half om, zag Theodule en ging voort:
„Als ik er aan denk, dat die snaak fielterig genoeg was om carbonaro te worden! Waarom hebt ge mijn huis verlaten? Om republikein te worden. Pssst! Vooreerst wil het volk geen republiek, neen, het wil ze niet; het heeft gezond verstand; het weet wel, dat het altijd koningen heeft gehad en ze altijd hebben zal; het weet wel, dat het volk in allen geval niets dan het volk is; het walgt van de republiek, hoort ge. ’t Is afschuwelijk! Op vader Duchene verliefd te worden, de guillotine toe te lonken, romances te zingen met accompagnement van de guitar, onder het balkon van 93! ’t Is om te spuwen, zoo dom zijn die jongelieden! Zij zijn ’t allen: geen uitgezonderd. Men behoeft de lucht op straat slechts in te ademen, om zinneloos te worden, naar ’t schijnt. De negentiende eeuw is vergiftigd. De eerste straatjongen de beste laat zijn boksbaard groeien, meent al een kerel te zijn en loopt van zijn oude lui weg. ’t Is republikeinsch, romantisch. Wat is romantisch? Wees zoo goed mij nu eens te zeggen, wat dat is! Alle mogelijke gekheid. Een jaar geleden ging men naar Hernani. Nu vraag ik u! naar Hernani! Welke tegenstrijdigheden en schandelijkheden, die zelfs niet in goed Fransch zijn geschreven! En dan zet men nog kanonnen op het plein van het Louvre. Zulk bandietenwerk ziet men in dezen tijd!”
„Ge hebt gelijk, oom,” zei Theodule.
De heer Gillenormand hernam:
„Kanonnen op de plaats van het museum! Waarom? Wat doen die kanonnen daar? Wil men den Apollo van Belvedère stuk schieten? Wat hebben de blikken bussen met Venus van Medicis te maken? O! die jongelieden van dezen tijd, ’t zijn allen schoften! Welk een beweging met hun Benjamin Constant. En wie geen schurken zijn, zijn pap-eters. Zij doen al ’t mogelijke om leelijk te zijn; zij gaan slecht gekleed, zijn bang voor de vrouwen, en de deerns lachen hen uit om hun bedelaarsmanieren; op mijn woord van eer, ’t is alsof zij, als ’t op liefde aankomt, bedeelde armen zijn. Zij zijn wanstaltig en, wat meer is, dom; zij herhalen de woordspelingen van Tiercelin en Pothier, dragen jassen als zakken, palfreniersvesten, grove hemden, grove lakensche broeken, schoenen van dik leder, en hun gesnater is als hun vederen. Hun geraaskal is evenmin iets waard als hun sloffen. En dat dom rapalje wil politieke meeningen hebben! ’t moest streng verboden worden, politieke meeningen te hebben. Zij fabrieken stelsels, keeren de maatschappij om, breken de monarchie af, smijten alle wetten neêr, gooien den zolder naar den kelder, en maken mijn portier nog koning; zij keeren Europa het onderstboven, verbouwen de wereld, en alleen in ’t geniep durven zij naar de kuiten van hun waschvrouwen gluren! O, Marius! O, schoft! Op de openbare straat te gaan schreeuwen, bespreken en maatregelen nemen! gerechte goden! Dat noemen zij maatregelen! de wanorde kruipt in haar schulp en wordt kindsch. Ik heb een chaos gezien en nu zie ik een warboel. Dat schooljongens over de nationale garde delibereeren, men zou ’t niet eens bij de Ogibberra’s en de Cadodachen zien. De wilden, die naakt gaan en een kuif op ’t hoofd hebben als de pluim van een raket en een knots in de pooten, zijn nog minder verdierlijkt dan deze zonen van Minerva. De wereld loopt ten einde! ’t Is stellig het einde van dezen ellendigen ontwrichten aardbol. Er was een laatsten snik noodig, en Frankrijk zal dien geven. Delibereert maar, guiten! ’t Zal zoo ver gaan, dat zij de dagbladen onder de bogen van ’t Odéon zullen gaan lezen. ’t Kost hun alles maar een stuiver, maar ook hun gezond verstand, en hart, en ziel, en geest. Daar komt het van dat men van zijn familie wegloopt. Dagbladen zijn de pest; alle, zelfs de Drapeau blanc! Martainville was in den grond ook maar een Jakobijn. O! hemel, wel kunt ge u beroemen uw grootvader tot wanhoop te hebben gebracht!”
„Dat is duidelijk,” zei Theodule.
En van de gelegenheid gebruik makende, dat de heer Gillenormand zweeg, voegde de lansier er op hoogen toon bij:
„Er moest geen ander blad dan de Moniteur, en geen ander boek dan de militaire almanak zijn.”
De heer Gillenormand voer voort:
„Zij zijn even als Sieyès! een koningsmoorder, die senator wordt; want daarop loopt het altijd uit. Men begint elkander burger te noemen, om eindelijk mijnheer de graaf te heeten. Een graaf niet dikker dan de arm der doodslagers van September. De wijsgeer Sieyès! Ik beroem mij, aan de wijsbegeerte van al die wijsgeeren nooit meer waarde te hebben gehecht, dan aan den bril van den grappenmaker in Tivoli. Eens heb ik de senatoren op de kade Malaquais in violetkleurige, met bijen bezaaide fluweelen mantels en Henri-quatre hoeden gezien. Zij waren afschuwelijk! Zij geleken apen aan het hof van den tijger. Ik verklaar u, burgers, dat uw vooruitgang dwaasheid, dat uw humaniteit een droom, dat uw revolutie een misdaad, dat uw republiek een monster, dat uw maagdelijk jonge Frankrijk een hoer is. En dit houd ik staande voor allen, wie ze zijn, al waart ge publicisten, economisten, of legisten, en met vrijheid, gelijkheid en broederschap veel beter bekend dan met de bijl der guillotine! Dit, goede lieden, zeg ik u!”
„Parbleu!” riep de luitenant, „dat is meesterlijk en waar!”
De heer Gillenormand, die juist een gebaar wilde maken, keerde zich om, zag den lansier Theodule strak in de oogen en zeide:
„Gij zijt een ezel!”
