Sadece Litres'te okuyun

Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.

Kitabı oku: «De Ellendigen (Deel 3 van 5)», sayfa 12

Yazı tipi:

Boek VI.
De conjunctie van twee sterren

Eerste hoofdstuk.
Hoe familienamen ontstaan

Marius was omtrent dezen tijd een fraai jongeling van middelbare grootte, met weelderig zwart haar, een hoog schrander voorhoofd, hartstochtelijk gebogen neusvleugels en opene, rustige trekken, waarop een tevens trotsche, denkende en onschuldige uitdrukking lag. Zijn gelaat, schoon rond van lijnen, was niettemin krachtig en had die Duitsche zachtheid, welke uit den Elzas en Lotharingen in de Fransche physionomie is gekomen, bij dat volkomen gemis van hoeken, ’t welk de Sicambren onder de Romeinen zoo kenbaar maakte, en het leeuwenras van het adelaarsgeslacht onderscheidt. Hij was in den leeftijd, wanneer de geest van den denkenden mensch bijna in gelijke mate uit diepzinnigheid en naïeveteit is samengesteld. In gewichtige aangelegenheden had hij alle gegevens om dom te zijn; maar zoo men den sleutel nog eens omdraaide, kon hij verheven worden. Zijn manieren waren terughoudend, koel, beleefd, weinig voorkomend. Daar zijn mond bekoorlijk was, zijn lippen rood en zijn tanden schitterend wit waren, temperde zijn glimlach het strenge van zijn gelaat. Op zekere oogenblikken was zijn kuisch voorhoofd in zonderling contrast met zijn weelderigen glimlach. Zijn oog was klein, zijn blik groot.

In den tijd zijner grootste armoede merkte hij op, dat de meisjes omzagen wanneer hij voorbij ging, en met den dood in het hart snelde hij dan voort of verborg zich. Hij dacht, dat zij hem om zijn oude kleederen nawezen en uitlachten; maar werkelijk oogden zij hem om zijn bevalligheid na en droomden soms wel van hem.

Dit zwijgende misverstand tusschen hem en de schoonen, die hem voorbijgingen, had hem schuw gemaakt. Hij zocht zich geen meisje, om de goede reden dat hij allen ontvluchtte. Zoo leefde hij dom, besluiteloos voort, zooals Courfeyrac zei.

Maar deze zeide hem ook: Streef er naar om eerwaardig te zijn. Wil ik u een goeden raad geven? Lees niet zooveel in de boeken, maar kijk meer naar de meisjes. Die schepseltjes zijn zoo kwaad niet, Marius. Zoo ge haar blijft ontvluchten en steeds voor haar bloost, zult ge een wild dier worden.

Een andermaal ontmoette Courfeyrac hem en zeide: goeden dag, mijnheer de abt!

Wanneer Courfeyrac hem derwijze had toegesproken, vermeed Marius acht dagen lang meer dan ooit zoowel de oude als jonge vrouwen, en Courfeyrac op den koop toe.

Toch waren er in de gansche groote schepping twee vrouwen, welke Marius niet ontvluchtte en voor welke hij niet op zijn hoede was. ’t Is waar, dat hij zeer verwonderd zou geweest zijn, zoo men hem gezegd had, dat het vrouwen waren. De eene was de oude baardige, die zijne kamer schoon hield, en die Courfeyrac deed zeggen: Marius draagt geen baard, wijl hij ziet dat zijn dienstmaagd er een heeft. De andere was een jong meisje, dat hij dikwerf ontmoette, doch dat hij nooit aanzag.

Sinds langer dan een jaar zag Marius in een eenzame laan van het Luxemburg, de laan die langs de borstwering der kweekerij loopt, een man en een zeer jong meisje meestal naast elkander op een bank zitten, en wel aan het eenzaamste einde der laan, dicht bij de Westerstraat. Telkens wanneer het toeval, dat zich met de wandelingen bemoeit van hen die hun oogen naar binnen richten, Marius in deze laan bracht, ’t geen schier dagelijks het geval was, vond hij er dit paar. De man kon zestig jaar oud zijn en scheen treurig en ernstig; zijn geheele persoon toonde het forsche maar vermoeide voorkomen van een gepensioneerd krijgsman. Zoo hij een ridderorde gehad had, zou Marius hem voor een voormalig officier hebben gehouden. Hij had een goed, maar niet zeer innemend gezicht en liet nooit zijn blik op dien van een ander rusten. Hij droeg een blauwe broek, een blauwe jas en een hoed met breeden rand, die altijd nieuw schenen, en daarbij een zwarte das en een kwakershemd, dat sneeuwwit, schoon van grof linnen was. Een grisette die hem eens voorbij ging, zei: Dat is een zeer net weduwnaar! Hij had zeer witte haren.

De eerste maal dat het meisje, ’t welk hem vergezelde, met hem op de bank ging zitten, welke zij in pacht schenen te hebben, was zij een dertien- of veertienjarig kind, schier leelijk van magerheid, links en onbeduidend, maar wier oogen eens fraai beloofden te worden. Zij sloeg ze echter steeds met zekere onbevallige stoutmoedigheid op. Zij droeg de tevens oude en kinderachtige kleeding der kloosterscholieren, een leelijk gefatsoeneerde jurk van grove, zwarte merinos. ’t Was of zij vader en dochter waren.

Twee of drie dagen lang sloeg Marius dezen ouden man, die nog geen grijsaard, en het meisje, dat nog geen zelfstandig wezen was, gade, toen lette hij er niet meer op. Zij van hun zijde schenen hem zelfs niet te zien. Zij spraken bedaard en onverschillig met elkander. Het meisje babbelde onophoudelijk en vroolijk. De oude man sprak weinig en sloeg van tijd tot tijd blikken vol vaderlijke liefde op haar.

Ziehier, hoe zich de zaak toedroeg:

Marius kwam meestal de laan in, aan den tegenovergestelden kant hunner bank; hij wandelde dan de geheele laan door, kwam hen voorbij, ging dan weder terug naar den kant van waar hij gekomen was, en begon dan weder opnieuw. Hij kwam hen op deze wijze op zijn wandeling vijf of zesmaal voorbij, en deed deze wandeling vijf of zesmaal in de week, zonder dat hij of deze menschen er nog toe gekomen waren een groet met elkander te wisselen. Deze man en dit meisje, ofschoon, en misschien wel omdat, het scheen dat zij alle opzien wilden vermijden, hadden de aandacht van vijf of zes studenten getrokken, die nu en dan langs de boomkweekerij naar hun lessen, of hun biljartpartij wandelden. Courfeyrac, onder anderen, die tot deze laatsten behoorde, had het paar eenigen tijd gadegeslagen, maar daar hij het meisje leelijk vond, had hij het zorgvuldig vermeden. Hij was als een Parth gevlucht na een bijnaam op haar te hebben afgeschoten. Alleen door het kleedje van het meisje en het witte haar van den ouden man getroffen, noemde hij het kind „juffer Lanoire” (de zwarte) en den vader „mijnheer Leblanc” (den witte). En deze bijnamen behielden beiden, omdat men hun ware namen niet kende. De studenten zeiden dus: Ha, daar zit mijnheer Leblanc weêr op zijn bank! en Marius vond het evenals de anderen, gemakkelijk den onbekende maar mijnheer Leblanc te noemen.

Wij zullen hetzelfde doen en gemakshalve ook mijnheer Leblanc zeggen.

Gedurende het eerste jaar zag Marius hen daar schier alle dagen op hetzelfde uur. De man behaagde hem, maar het meisje vond hij onbevallig.

Tweede hoofdstuk.
En ’t werd licht

In het tweede jaar, juist op het punt, waar wij met onze geschiedenis gekomen zijn, liet Marius, zonder eigenlijk te weten waarom, zijn gewone wandeling in het Luxemburg varen, en had sinds bijna zes maanden geen voet meer in de laan gezet. Eindelijk ging hij er op een fraaien zomermorgen weêr heen. Marius verheugde zich in het fraaie weder. ’t Was hem, alsof de vogels die hij hoorde in zijn harte zongen en het vol was van den blauwen hemel, dien hij door het loover heen zien kon.

Regelrecht ging hij naar „zijn laan,” en zag, toen hij aan het einde ervan gekomen was, altijd op dezelfde bank, het hem bekende paar weder. Maar toen hij naderde was het wel dezelfde man, maar het meisje scheen anders te zijn geworden. Het meisje toch, dat hij thans vond, was een rijzig, schoon wezen met al die bekoorlijke vormen, welke de vrouw bezitten kan op het oogenblik, wanneer deze nog met de naïeve bevalligheden van het kind vereenigd zijn, het is dat vluchtige, reine oogenblik, dat slechts door deze twee woorden: vijftien jaar, kan uitgedrukt worden. Zij bezat wonderschoone, kastanjebruine lokken met gouden gloed, een als uit marmer gehouwen voorhoofd, wangen als een rozenblad, een lichten blos, een teedere blankheid, een schoonen mond, waaraan de glimlach als een schittering ontschiet, de woorden als muziek ontgloeien, een hoofd, dat Raphaël aan Maria zou hebben gegeven, en een hals dien Jean Goujon aan Venus zou hebben toebedeeld. Opdat niets aan deze bekoorlijke gestalte zou ontbreken, was de neus niet schoon, maar lief, niet recht, noch gebogen, niet Italiaansch, noch Grieksch; ’t was de Parijsche neus, namelijk zoo geestig en fijn, onregelmatig en zuiver, dat hij de schilders wanhopig maakt en de dichters verrukt.

Toen Marius haar voorbijging, kon hij haar oogen niet zien, die steeds waren neergeslagen. Hij zag alleen haar lange kastanjekleurige wimpers vol schaduw en kuischheid.

Dit belette het lieve kind echter niet te glimlachen, terwijl zij naar den man met het witte haar luisterde, die haar toesprak; en niets was bekoorlijker dan die frissche glimlach bij zulke nedergeslagen oogen.

Aanvankelijk dacht Marius dat het een andere dochter van denzelfden man was, een zuster, waarschijnlijk, der eerste. Maar toen de gewone wijze zijner wandeling hem ten tweeden male bij de bank bracht en hij haar nauwkeuriger had beschouwd, herkende hij haar. In zes maanden was het meisje jongedochter geworden; dat was alles. Niets is meer gewoon dan dit verschijnsel. Er is een tijd, waarin de meisjes eensklaps ontluiken; plotseling kunnen zij rozen worden. Gisteren heeft men ze nog als kinderen verlaten, heden vindt men ze om uw rust te benemen.

Deze was niet alleen grooter maar ook schooner geworden. Gelijk sommige boomen slechts drie Aprildagen behoeven om zich met bloesem te bedekken, had zij slechts zes maanden noodig gehad om zich in schoonheid te kleeden. Ook haar April was gekomen.

Men ziet soms lieden, die, arm en nietswaardig, plotseling schijnen te ontwaken, plotseling van armoede tot weelde overgaan, allerlei verteringen maken en schitterend, verspillend en rijk worden. Dan is er een rente, een vervallen wissel ontvangen. Het meisje scheen insgelijks haar verschenen kwartaal gebeurd te hebben.

Ook was zij niet meer de kloosterscholier met haar pluchen hoed, merinossen kleedje, rijglaarsjes en roode handen; met hare schoonheid was de goede smaak gekomen; rijk, eenvoudig en elegant tevens was haar gewaad. Zij droeg een zwart damasten kleed, een mantille van dezelfde stof en een wit krippen hoed. Haar witte handschoenen toonden de fijnheid harer hand, die met den chineeschen ivoren steel van een parasol speelde; haar zijden laarsje verried de kleinheid van haar voet. Haar geheel toilet ademde een jeugdigen geur, die den voorbijganger als doordrong.

De man was dezelfde gebleven.

Toen Marius haar den tweeden keer voorbijging, sloeg de jonge dame de oogen op, en hij zag haar donkere hemelsblauwe oogen, maar in dat omsluierd blauw lag slechts de blik van een kind. Onverschillig staarde zij Marius aan, alsof zij de marmeren vaas had aanschouwd, die op de bank haar schaduw wierp; en Marius zette zijnerzijds zijn wandeling voort, en dacht aan iets anders.

Nog vier of vijf malen ging hij de bank voorbij, waarop het meisje zat, doch zonder zijn oogen naar haar te richten.

De volgende dagen wandelde hij als gewoonlijk naar het Luxemburg, waar hij „vader en dochter” als gewoonlijk vond; doch hij lette niet op hen. Hij dacht evenmin aan dit meisje nu zij schoon was, als hij er aan gedacht had, toen zij nog leelijk was. Evenals vroeger ging hij dicht voorbij de bank, wijl ’t zoo zijn gewoonte was.

Derde hoofdstuk.
Werking der lente

Op zekeren zoelen dag was het Luxemburg met schaduw en zonneglans overstroomd; de hemel was zoo helder of de engelen hem des ochtends gereinigd hadden; de musschen tjilpten in de kastanjeboomen; Marius had zijn gansche ziel voor de natuur geopend; hij dacht aan niets; hij leefde slechts en ademde. Daar ging hij voorbij de bank; het jonge meisje sloeg haar oogen op hem, en beider blikken ontmoetten elkander.

Wat lag er thans in den blik der jonge maagd?

Marius zou ’t niet hebben kunnen zeggen. Er lag niets, en er lag alles in. ’t Was een wonderbaar weêrlicht.

Zij sloeg de oogen neder, en hij zette zijn wandeling voort.

Wat hij gezien had, was niet de onnoozele, onbevangen blik van een kind; het was een geheimzinnige diepte, die zich geopend en plotseling weder gesloten had.

Er komt een dag dat ieder meisje dien blik heeft, en wee hem, die haar dan nabij is.

Deze eerste blik eener ziel, die zich zelve nog niet kent, is als het morgenrood aan den hemel. ’t Is het ontwaken van iets schitterends en onbekends. Niets kan de gevaarlijke bekoorlijkheid beschrijven van dien onverwachten glans, die eensklaps een aanbiddelijke duisternis verlicht en uit al de onnoozelheid van het heden en al de hartstochtelijkheid der toekomst bestaat. ’t Is een zekere besluitelooze teederheid, die zich toevallig openbaart en wacht. ’t Is een valstrik, welke de onschuld argeloos spreidt en waarin zij onwillekeurig en zonder het te weten de harten vangt. ’t Is een maagd met den blik eener vrouw.

Zeldzaam is ’t, dat, waar deze blik treft, hij niet diep doet droomen en peinzen. Al wat rein, al wat onschuldig is, smelt in dien hemelschen, gevaarlijken blik samen, welke, meer dan de listigste lonken der coquetten, de toovermacht heeft plotseling in een ziel die donkere, giftige en geurige bloem te doen ontluiken, welke de liefde wordt genoemd.

Toen Marius des avonds te huis kwam, sloeg hij een blik op zijn kleeding en zag voor het eerst dat hij zoo lomp, onbetamelijk en ontzaggelijk dom was geweest, om in zijn daagsche kleederen in den tuin van het Luxemburg te wandelen; en wel met een valen hoed, grove laarzen, een aan de knieën afgesleten zwarten pantalon en een rok, die aan de ellebogen glimmend en grijs was geworden.

Vierde hoofdstuk.
Begin eener zware ziekte

Den volgenden dag nam Marius op het gewone uur zijn nieuwen rok, nieuwen pantalon en nieuwe laarzen uit de kast, kleedde zich, trok handschoenen aan – een ongekende weelde – en wandelde naar het Luxemburg.

Onderweg ontmoette hij Courfeyrac, maar veinsde hem niet te zien. Toen Courfeyrac echter bij zijn vrienden kwam, zei hij:

„Ik heb een nieuwen hoed en een nieuwen rok, met Marius er in, ontmoet. Hij ging waarschijnlijk een examen afleggen. Hij had een zeer dom voorkomen.”

Aan het Luxemburg gekomen wandelde Marius om den vijver en beschouwde de zwanen; toen bleef hij lang nadenkend voor een beeld staan, welks gelaat zwart verweerd was en waaraan een heup ontbrak. Bij den vijver bevond zich een veertigjarig gezet man, die tot een vijfjarig knaapje, dat hij aan de hand hield, zeide: „Vermijd overdrijving. Houd u evenzeer van het despotisme als van de anarchie verwijderd, mijn zoon.” Marius luisterde naar den man. Toen ging hij nogmaals om den vijver heên, en eindelijk naar „zijn laan,” maar langzaam en als met weerzin. ’t Was of hij tegelijk gedrongen en belemmerd werd daarheen te gaan. Hij wist het zich niet te verklaren en meende hetzelfde te doen, wat hij alle dagen deed.

Toen hij de laan intrad, zag hij aan het einde mijnheer Leblanc en de jonge dame „op hun bank.” Hij knoopte zijn rok tot bovenaan dicht, streek de plooien langs zijn lijf glad, beschouwde met eenig welgevallen den glans van zijn broek en trok naar de bank. Er was iets aanvallends in zijn tred, en zekerlijk eenige veroveringszucht. Hij trok dus naar de bank, evenals Hannibal naar Rome trok.

Zijn bewegingen waren overigens werktuiglijk en geen oogenblik werden de gewone werkzaamheid en gedachten van zijn geest afgebroken. Hij dacht op dat oogenblik welk een zot boek die „Manuel du Baccalaureat” toch was, en dat het geschreven moest zijn door zonderlinge brekebeenen, wijl men er, als meesterstukken van den menschelijken geest, drie treurspelen van Racine en slechts één comedie van Molière in ontleedde. Het suisde hem in de ooren. De bank naderende streek hij weder de plooien van zijn rok glad en richtte zijn oogen op het meisje. ’t Scheen hem, alsof zij het geheele einde der laan met een zacht blauw licht vulde.

Naarmate hij dichterbij trad, werden zijn schreden allengs langzamer. Toen hij op een zekeren afstand van de bank was, nog verre van ’t einde der laan, hield hij stil, en zonder dat hij zelf wist waarom, keerde hij plotseling terug zonder tot aan het einde te gaan. De jonge dame kon hem nauwelijks op dien afstand bespeuren en zien hoe fraai hem zijn nieuwe kleeding stond. Evenwel liep hij zeer rechtop, om een goed figuur te maken in geval iemand hem van achteren nastaarde.

Hij bereikte het tegenovergestelde einde, keerde terug en kwam dezen keer een weinig dichter bij de bank. Zoo zelfs dat hij er nog slechts een tusschenruimte van drie boomen van verwijderd was, doch toen gevoelde hij iets dat hem belette verder te gaan en hij aarzelde. Hij meende gezien te hebben, dat het meisje haar blik op hem had gericht. Hij deed echter een krachtige poging, onderdrukte zijn aarzeling en ging voort. Eenige seconden later ging hij, recht en stijf, schoon tot over de ooren blozende, de bank voorbij, zonder rechts noch links een blik te durven slaan, en evenals een staatsman met de hand in zijn rok. Op het oogenblik dat hij voorbijging – als onder het geschut der vesting – voelde hij een geweldige hartklopping. De jonge dame droeg evenals den vorigen dag, haar damasten kleed en krippen hoed. Hij hoorde een bekoorlijke stem, die de „hare” moest zijn. Zij sprak bedaard. Zij was zeer lief, dat gevoelde hij, hoewel hij geen moeite deed haar te zien.

Zij zou zeker achting en belangstelling voor mij hebben, dacht hij bij zich zelven, zoo zij wist dat ik de schrijver der verhandeling over Marcos Obregon de la Ronda ben, welke de heer François de Neufchateau als de zijne aan het hoofd zijner éditie van Gil-Blas heeft geplaatst.

Hij liep de bank voorbij tot aan het einde der laan, waar hij dicht bij was, keerde op zijn schreden terug, en ging nogmaals langs de jonge dame. Dezen keer was hij zeer bleek. Ook had hij slechts een zeer onpleizierig gevoel. Hij verwijderde zich van de bank en het jonge meisje, en terwijl hij met den rug naar haar gekeerd was, verbeeldde hij zich, dat zij naar hem keek, ’t geen hem deed struikelen.

Toen beproefde hij het niet weder om de bank te naderen, hij hield stil in het midden der laan, en ging zitten, ’t geen hij anders nooit deed, terwijl hij steeds op zijde gluurde, en in ’t diepst zijner ziel dacht, dat het toch zeer onwaarschijnlijk was, dat iemand, wier witten hoed en zwart kleedje hij bewonderde, geheel onverschillig zou zijn voor zijn glimmende broek en zijn nieuwen rok.

Na een kwartier stond hij op, als wilde hij de wandeling naar de bank hervatten, die voor hem door een stralenkrans omgeven was. Maar hij bleef besluiteloos staan. Voor het eerst sedert vijftien maanden zeide hij bij zich zelven, dat de heer, die ginds met zijn dochter dagelijks plaats nam, hem waarschijnlijk ook had opgemerkt en zijn gedrag wel wonderlijk moest vinden.

Ook gevoelde hij er voor het eerst iets onbetamelijks in, om dien man, zelfs in zijn gedachte, met den bijnaam van Leblanc te bestempelen.

Hij bleef dus eenige oogenblikken met gebogen hoofd staan en trok met zijn wandelstok figuren in het zand. Toen wendde hij zich plotseling in de tegenovergestelde richting der bank en ging huiswaarts.

Dien dag vergat hij den maaltijd te gebruiken. Dit merkte hij eerst op, toen het ’s avonds acht uren was, en vermits het toen te laat was om naar de straat St. Jacques te gaan eten, at hij maar een stuk brood.

Hij ging niet eer te bed dan na zijn rok geschuierd en netjes opgevouwen te hebben.

Vijfde hoofdstuk.
Juffrouw Bougon wordt door verscheidene bliksemstralen getroffen

Den volgenden dag zag juffrouw Bougon – zoo noemde Courfeyrac de oude portierster en huishoudster van het huis Gorbeau, ofschoon zij werkelijk juffrouw Burgon heette – met de uiterste verbazing, dat mijnheer Marius weder in zijn nieuwen rok uitging.

Hij wandelde weder naar het Luxemburg, doch ging zijn bank in het midden der laan niet voorbij. Hij ging er zich, gelijk den vorigen dag, nederzetten en zag van daar in het verschiet duidelijk den witten hoed, het zwarte kleed en voornamelijk den blauwen glans. Hij bewoog zich niet en ging eerst naar huis, toen de poort van den tuin gesloten werd. Hij zag den heer Leblanc en zijn dochter niet heengaan, en vermoedde dat zij door het hek in de Oosterstraat waren vertrokken. Eenige weken later wist hij zich niet te herinneren, waar hij dien avond gegeten had.

Den volgenden dag, namelijk den derden, werd juffrouw Bougon weder als door den bliksem getroffen. Marius ging weder in zijn nieuwen rok uit! – Drie dagen achtereen! riep zij, de handen inéénslaande.

Zij wilde hem volgen, maar Marius maakte zulke vlugge, groote schreden, dat hij een nijlpaard geleek, ’t welk op een gems jacht maakt. In een oogenblik had zij hem uit het gezicht verloren en kwam hijgende van kortademigheid, en schier van kwaadheid stikkende te huis. – Is dat verstandig, bromde zij, alle dagen zijn nieuwen rok aan te trekken en de menschen zóó te laten loopen!

Marius ging naar het Luxemburg.

De jonge dame was er met mijnheer Leblanc. Marius, veinzende een boek te lezen, naderde zoo dicht mogelijk; hij bleef echter op tamelijk verren afstand en zette zich weder op zijn bank, waar hij zich vier uren lang bezighield met naar de musschen te kijken, die in de laan huppelden en het voorkomen hadden hem voor den gek te houden.

Alzoo verstreken veertien dagen. Marius ging niet naar het Luxemburg om er te wandelen, maar om op dezelfde plaats te gaan zitten, zonder dat hij wist waarom. Eenmaal daar gezeten zijnde, bewoog hij zich niet meer. Iederen morgen borg hij zijn rok weg, maar trok hem iederen avond weder aan.

De jonge dame was ontegensprekelijk wonderschoon. De eenige aanmerking, die men als critiek kon maken, was deze, dat het verschil tusschen haar blik, die treurig, en haar glimlach, die vroolijk was, aan haar gezicht zoo iets verwards gaf, dat haar zacht gelaat, hoe bekoorlijk overigens, er een zonderlinge uitdrukking door kreeg.

Yaş sınırı:
12+
Litres'teki yayın tarihi:
28 eylül 2017
Hacim:
320 s. 1 illüstrasyon
Telif hakkı:
Public Domain