Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.
Kitabı oku: «De Ellendigen (Deel 3 van 5)», sayfa 13
Zesde hoofdstuk.
Gevangen gemaakt
In een der laatste dagen van de volgende week zat Marius als gewoonlijk op zijn bank met een open boek in de hand, waarvan hij sinds twee uren geen blad had omgeslagen. Eensklaps ontroerde hij. Er gebeurde iets aan het einde der laan. De heer Leblanc en zijn dochter hadden hun bank verlaten en beiden gingen langzaam naar het midden der laan, waar Marius zat. Marius sloeg zijn boek dicht, opende het weder en poogde te lezen. Hij beefde. De straalkrans kwam rechtstreeks op hem toe. Mijn hemel! dacht hij, ik weet niet welke houding ik aannemen moet. Intusschen naderden de man met het witte haar en de jonge dame steeds meer. Dit naderen scheen hem een eeuw, hoewel ’t slechts een seconde duurde. – Wat willen zij hier? vroeg hij bij zich zelven. Ha! zij zal hier voorbijgaan! Haar voeten zullen dit zand betreden, in deze laan op twee schreden van mij. Hij was in de grootste ontroering, hij wenschte zeer schoon te zijn, een ridderorde te hebben. Hij hoorde het zacht afgemeten gerucht van hun naderenden tred. Hij verbeeldde zich, dat mijnheer Leblanc een vergramden blik op hem sloeg. Zou mijnheer mij willen spreken? dacht hij. Hij boog het hoofd; toen hij het ophief, waren zij zeer dicht bij hem. De jonge dame ging voorbij, hem strak en met een zachten, peinzenden blik aanziende, die hem van ’t hoofd tot de voeten deed rillen. ’t Was alsof zij hem verweet in zoolangen tijd niet bij haar te zijn geweest, en of zij tot hem zeide: Nu kom ik. Marius was verbijsterd door haar diepe, schitterende oogen.
Hij voelde zijn hoofd gloeien. Zij was tot hem gekomen; welk een vreugd. En met welk een blik had zij hem aanschouwd. Hij vond haar schooner dan ooit, schoon, tegelijk als een vrouw en als een engel, zoo volmaakt schoon dat Petrarcha haar bezongen, Dante voor haar geknield zou hebben. ’t Was hem alsof hij in het azuur des hemels zweefde. Maar tegelijkertijd voelde hij zich vreeselijk ongelukkig, zijn laarzen waren bestoven.
Hij geloofde zeker, dat zij ook naar zijn laarzen had gezien.
Hij oogde haar na tot zij uit het gezicht verdwenen was. Toen liep hij als zinneloos door den tuin. Ongetwijfeld lachte hij tusschenbeide en sprak luide. Hij was zoo diep in gedachten, dat ieder kindermeisje, die hem zag, meende, dat hij op haar verliefd was.
Hij verliet het Luxemburg in de hoop haar op de straat te zullen vinden.
Onder de bogen van het Odéon ontmoette hij Courfeyrac en zeide tot hem: „Ga met mij dineeren.” Zij gingen naar Rousseau en verteerden zes francs. Marius at als een wolf. Hij gaf zes sous aan den knecht. Bij het dessert zeide hij tot Courfeyrac: „Hebt ge de courant gelezen? Welk een fraaie redevoering heeft Audry de Puyraveau gehouden!”
Hij was smoorlijk verliefd.
Na den maaltijd zeide hij tot Courfeyrac: „Ga mede naar den schouwburg; ik zal betalen.” Zij gingen naar de porte St. Martin om Frederick in de Auberge des Adrets te zien. Marius vermaakte zich ontzaggelijk.
Maar tegelijkertijd werd hij schuwer dan ooit. Toen hij den schouwburg verliet, durfde hij niet naar den kouseband eener modiste zien, die over een goot stapte, en hij vond Courfeyrac schier afschuwelijk toen deze zeide: „Ik zou dit meisje wel in mijn collectie willen opnemen.”
Courfeyrac had hem genoodigd om den volgenden dag in het café Voltaire te ontbijten. Marius ging er heen en at nog meer dan den vorigen dag. Hij was peinzend en zeer vroolijk. Hij scheen alle gelegenheden aan te grijpen om luidkeels te lachen. Hij omhelsde teederlijk iederen vreemde, die hem werd voorgesteld. Een kring studenten had zich om hun tafel geschaard en men sprak over de zotternijen, door den staat betaald, welke in de Sorbonne van den katheder worden voorgedragen, vervolgens viel het gesprek op de gebreken en leemten der woordenboeken en taalkundige werken. Marius stoorde het gesprek door plotseling uit te roepen: „’t Is toch wel heel aangenaam een ridderorde te hebben!”
„’t Is waarlijk kluchtig!” fluisterde Courfeyrac Jean Prouvaire toe.
„Neen,” antwoordde Jean Prouvaire, „’t is ernstig!”
’t Was inderdaad ernstig. Marius was in dit eerste machtige, bekoorlijke uur gekomen, waarin de groote hartstochten beginnen.
Een blik had dat alles bewerkt.
Wanneer de mijn geladen, de brand smeulende is, geschiedt dit zeer eenvoudig. Een blik is een vonk.
’t Was geschied. Marius beminde een vrouw. Zijn lot trad het onbekende in.
De blik der vrouw gelijkt aan schijnbaar zeer kalme, maar toch geduchte raderwerken. Men gaat ze dagelijks bedaard en ongedeerd voorbij, zonder iets te vreezen. Zelfs vergeet men soms, dat zij er zijn. Men gaat peinzend, schertsend, lachend heen en weder. Maar eensklaps voelt men zich gegrepen! ’t Is gedaan! Het rad houdt u, de blik heeft u gevangen. Het heeft u gevangen, om ’t even waar of hoe; ’t zij dat uw gedachte niet op haar hoede was, of uw geest afdwaalde. Men is verloren, en raakt geheel in ’t raderwerk beklemd. Een samenstel van geheime krachten beheerscht u. Vruchteloos biedt men weerstand. Menschelijke hulp is niet meer mogelijk. Men valt van het eene rad in het andere, van den eenen angst in den anderen, van de eene foltering in de andere, uw geest, uw fortuin, uw toekomst, uw ziel; en al naar gelang men in de macht van een slecht of een edel hart is, komt men uit dit schrikkelijk werktuig, óf door schande misvormd, óf door liefde veredeld.
Zevende hoofdstuk.
Gissingen nopens de letter U
De eenzaamheid, de volstrekte afzondering, de trots, de onafhankelijkheid, de liefde voor de natuur, gebrek aan dagelijkschen en stoffelijken arbeid, het inwendige leven, de geheime strijd der kuischheid, de verrukking over de geheele schepping hadden Marius tot de liefde voorbereid. De vereering van zijn vader was voor hem schier godsdienst geworden, en had zich gelijk alle godsdienst, tot diep in zijn ziel teruggetrokken. Er moest iets op den voorgrond zijn. De liefde kwam!
Gedurende een geheele maand ging Marius dagelijks naar het Luxemburg. Wanneer het uur kwam, kon niets hem terughouden. – Hij is in dienst, zei Courfeyrac. Marius leefde in verrukking. ’t Was zeker dat de jonge dame hem aanschouwde.
Eindelijk werd hij stoutmoediger en naderde de bank. Verder ging hij echter niet, evenzeer aan het instinct der bedeesdheid als aan dat der voorzichtigheid van minnaars gehoorzamende. Hij oordeelde het raadzaam de opmerkzaamheid van den vader niet te trekken. Hij berekende met diepe schranderheid zijn standplaatsen achter de boomen en voetstukken der standbeelden, zoodanig, dat hij zoo veel mogelijk door de jonge dame en zoo min mogelijk door den ouden heer kon gezien worden. Soms bleef hij halve uren lang bewegingloos in de schaduw van een Leonidas of Spartacus staan, met een boek in de hand, over ’t welk zijn oogen de schoone maagd zochten, terwijl deze van haar kant met een vluchtigen glimlach het bekoorlijk gelaat naar hem wendde.
Terwijl zij heel bedaard en op de natuurlijkste wijze met den ouden man sprak, rustte haar maagdelijke en hartstochtelijk droomende blik op Marius. ’t Was het oude eeuwenheugende spel, dat Eva reeds op den eersten dag der schepping kende en iedere vrouw den eersten dag des levens kent. Haar mond antwoordde den een, haar blik den ander.
Mijnheer Leblanc scheen eindelijk toch iets opgemerkt te hebben, want dikwerf stond hij op en wandelde verder, wanneer Marius kwam. Hij had hun gewone plaats verlaten en aan het andere eind der laan de bank bij den „Worstelaar” ingenomen, om te zien of Marius hen zou volgen. Marius begreep hier niets van, en beging deze fout. „De vader” was sinds niet meer zoo stipt, en bracht „zijne dochter” niet dagelijks meer mede. Soms kwam hij alleen. Dan bleef Marius niet. Wederom een fout.
Marius sloeg geen acht op deze verschijnselen. Uit het tijdperk van verlegenheid, was hij, bij natuurlijken en noodlottigen voortgang, het tijdperk van verblinding ingetreden. Zijn liefde groeide aan; alle nachten droomde hij ervan. Bovendien had hij een onverwacht geluk gehad – olie in het vuur, grootere verduistering der oogen. Op een avond had hij in de schemering op de bank, die mijnheer „Leblanc en zijn dochter” zoo even verlaten hadden, een eenvoudigen zakdoek gevonden, zonder borduursel, maar wit en fijn, en die hem onbeschrijfelijke geuren scheen uit te wademen. Hij nam dien met verrukking tot zich. Deze zakdoek was gemerkt U. F. Marius kende niets van het schoone meisje, noch haar familie, noch haar naam, noch haar woning; deze twee letters waren het eerste wat hij van haar bezat, dierbare letters, waarop hij dadelijk een geheel gebouw begon op te trekken.
U was ontwijfelbaar de voornaam. „Ursula!” dacht hij, een bekoorlijke naam! Hij kuste den zakdoek, ademde zijn geur in, legde des daags hem aan zijn hart, en des nachts op zijn lippen, om in te slapen.
„Ik gevoel er haar geheele ziel in!” riep hij.
Maar de doek was van den ouden heer, die hem eenvoudig uit zijn zak had laten vallen.
Hij vertoonde zich sinds dien avond niet in den tuin van het Luxemburg, dan met den zakdoek, dien hij kuste en aan zijn hart drukte. De schoone jonge dame begreep er niets van en deed dit door onmiskenbare teekenen blijken.
„O! onschuld!” zei Marius.
Achtste hoofdstuk.
Zelfs invaliden kunnen gelukkig zijn
Vermits wij het woord „onschuld” hebben genoemd en niets willen verzwijgen, moeten wij zeggen dat „zijn Ursula” hem eens, in weerwil van zijn vervoering, ernstig leed veroorzaakte. ’t Was op een dag, dat zij den heer Leblanc er toe overhaalde de bank te verlaten en in de laan te wandelen. Er woei een scherpe voorjaars-wind, die de twijgen der boomen deed ruischen. Arm in arm gingen vader en dochter voorbij de bank van Marius. Marius was achter hen opgestaan en oogde hen na, zooals in zulk een teederen zielstoestand gebruikelijk is.
Eensklaps kwam een windvlaag, die recht ondeugend en moedwillig om het meisje heen dwarlde, haar als een boschgod pakte, die eene nimf omarmt, en haar kleed, dit kleed heiliger dan dat van Isis, bijna tot aan den kouseband oplichtte. Een fraai gevormd been kwam te voorschijn. Marius zag het. Hij was woedend van toorn.
Het meisje had ijlings, met een hemelsch ontstelde beweging, haar kleed neergetrokken, maar desniettemin was hij verstoord. – Hij was wel is waar de eenige in de laan; maar er had iemand kunnen zijn. En zoo er iemand geweest ware! Kan men zich zoo iets voorstellen? ’t Was ontzettend wat zij gedaan had. – Helaas, het arme meisje had niets gedaan; de eenige schuldige was de wind; maar Marius, in wien onbestemd de Bartholo sidderde, die in Cherubijn is, wilde met geweld gestoord zijn, en was jaloersch op zijn schaduw. ’t Is inderdaad, dat zoo, zelfs zonder eenige reden, in het menschelijke hart de wrange, zonderlinge jaloezie des vleesches wordt opgewekt. Overigens, zelfs afgescheiden van deze jaloezie, had het gezicht van dat bekoorlijk been voor hem niets aangenaams; de witte kous van de eerste de beste vrouw zou hem meer pleizier hebben gedaan.
Toen „zijne Ursula” aan ’t einde der laan, met mijnheer Leblanc, terugkeerde en de bank voorbijging, waarop Marius zich weder neergezet had, sloeg hij een norschen wrevelen blik op haar.
De jonge dame wendde het hoofd eenigszins af en sloeg haar oog op, als wilde zij zeggen: Welnu, wat wil hij?
Dit was „hun eerste twist.”
Marius had haar nauwelijks dit standje met zijn oogen gemaakt, toen iemand door de laan ging. ’t Was een gebogen, gerimpelde, grijze invalide in de uniform van Lodewijk XV, met het ovaal lapje rood laken, waarop twee gekruiste degens, het kruis van St. Louis van den soldaat, op de borst, en bovendien versierd met een roksmouw zonder arm er in, met een zilveren kin en een houten been. Marius meende op te merken, dat deze man er bijzonder tevreden uitzag. ’t Scheen hem zelfs, dat deze oude synicus hem in ’t voorbijhinken een broederlijken, vroolijken lonk had toegeworpen, alsof een toeval veroorzaakt had, dat zij in verstandhouding waren gekomen en samen een gemeenschappelijk fortuintje hadden gehad. Waarom was dit fragment van Mars zoo tevreden? Wat was tusschen het houtenbeen en den andere gebeurd? Marius kwam tot den hoogsten graad van ijverzucht. – Hij was er misschien, dacht hij, hij heeft misschien iets gezien! – Hij had den invalide willen vernielen.
Maar de tijd verdooft alles. Ook de gramschap van Marius tegen „Ursula,” hoe billijk en rechtvaardig zij ook ware, trok over. Eindelijk schonk hij haar vergiffenis, maar ’t kostte veel moeite; hij was drie dagen kwaad op haar.
Bij dit alles, en in weerwil van dat alles, groeide evenwel zijn liefde schier tot waanzin aan.
Negende hoofdstuk.
Eclips
Men heeft gezien hoe Marius had ontdekt of meende ontdekt te hebben, dat zij Ursula heette.
Zijn nieuwsgierigheid nam met zijn liefde toe; ’t was veel, te weten dat zij Ursula heette; maar ’t was eigenlijk ook weinig. Marius had zich drie of vier weken met dit geluk verheugd. Hij wilde thans een ander. Hij wilde weten, waar zij woonde.
Hij had een eersten misslag begaan, door naar de bank van den Gladiator te gaan; een tweeden, door niet in den tuin van het Luxemburg te blijven, wanneer mijnheer Leblanc er alleen was. Hij beging een derden misslag, een grooten: hij volgde „Ursula.”
Zij woonde in de Westerstraat, in het minst bezochte gedeelte, in een nieuw huis, van bescheiden voorkomen en drie verdiepingen hoog.
Van dit oogenblik af voegde Marius bij het geluk van haar in het Luxemburg te zien, het geluk haar tot aan haar huis te volgen.
Zijn begeerte nam toe. Hij wist hoe zij heette, althans haar voornaam, den dierbaarsten, den eigenlijken naam der vrouw, hij wist waar zij woonde; nu wilde hij weten, wie zij was.
Zekeren avond, na hen tot hun woning gevolgd en hen in het huis te hebben zien verdwijnen, trad hij stout achter hen binnen en vroeg den portier:
„Is dit niet de heer der eerste verdieping, die zooeven te huis is gekomen?”
„Neen,” antwoordde de portier: „’t is de heer der derde verdieping.”
’t Was weder een stap verder. Dit geluk maakte Marius stoutmoediger.
„Aan de straat?” vroeg hij.
„Er zijn geen andere vertrekken dan aan de straat,” zei de portier.
„En wat doet deze heer?” hernam Marius.
„Hij is rentenier, mijnheer. Een zeer goed man, die veel goed aan ongelukkigen doet, hoewel hij niet rijk is.”
„Hoe heet hij?” vroeg Marius.
De portier richtte het hoofd op en zeide:
„Is mijnheer een stille verklikker?”
Marius sloop beschaamd heen, maar was overigens verblijd, want hij was iets gevorderd.
„Goed,” dacht hij. „Ik weet dat zij Ursula heet, dat zij de dochter van een rentenier is en hier in de Westerstraat op de derde verdieping woont.”
Den volgenden dag bleven mijnheer Leblanc en zijn dochter slechts zeer kort in het Luxemburg en verwijderden zich, lang vóór de avond viel.
Marius volgde hen, als gewoonlijk, tot in de Westerstraat. Aan de deur van het huis gekomen liet mijnheer Leblanc zijn dochter binnengaan, bleef op den drempel staan, keerde zich om en zag Marius met strakken blik aan.
Den volgenden dag kwamen zij niet in het Luxemburg. Vruchteloos wachtte Marius den geheelen dag.
Toen het donker werd, ging hij naar de Westerstraat en zag licht aan de vensters der derde verdieping. Hij wandelde onder die vensters, tot het licht werd uitgedaan.
Den volgenden dag was weder niemand in het Luxemburg. Marius wachtte den geheelen dag, en ging des avonds zijn post onder de vensters betrekken. Dat bracht hem tot tien uren. Aan eten dacht hij niet. De koorts voedt den zieke en de liefde den verliefde.
Op deze wijze verliepen acht dagen. Mijnheer Leblanc en zijn dochter lieten zich niet meer in het Luxemburg zien. Marius maakte treurige gissingen; des daags durfde hij de deur van het huis niet bespieden. Hij stelde zich tevreden met des avonds het roode schijnsel van het licht door de glasruiten te begluren. Nu en dan zag hij er schimmen langs zweven, en dan klopte zijn hart.
Toen hij den achtsten dag onder de vensters kwam, zag hij geen licht. – Hé, zeide hij, de lamp is nog niet opgestoken. ’t Is toch donker. Zouden zij uit zijn? Hij wachtte tot tien uren, tot middernacht; tot één ure ’s ochtends. Geen licht scheen door de vensters der derde verdieping, en niemand kwam te huis.
Treurig verwijderde hij zich.
Den volgenden dag, – want hij leefde van den eenen dag op den anderen, er was om zoo te spreken voor hem geen heden meer – den volgenden dag vond hij niemand in het Luxemburg; hij wachtte; met de schemering ging hij naar het huis. Geen licht aan de vensters; de jaloezieën waren dicht; alles was donker.
Marius klopte aan de deur, trad binnen en zeide tot den portier:
„De heer der derde verdieping?”
„Verhuisd,” antwoordde de portier.
Marius wankelde en zeide stamelend:
„Sinds wanneer?”
„Sinds gisteren.”
„Waar woont hij nu?”
„Ik weet er niets van.”
„Heeft hij zijn adres dan niet achtergelaten?”
„Neen.”
De portier, die nu opzag, herkende Marius, en voegde er bij: „Ha, zijt gij ’t! ge zijt dus werkelijk een verspieder?”
Boek VII.
Patron-Minette
Eerste hoofdstuk.
De mijnen en de mijnwerkers
De menschelijke maatschappijen hebben wat men in de schouwburgen een „onder het tooneel” noemt. De maatschappelijke bodem is overal ondermijnd, hier voor het goede, daar voor het kwade. Deze werken liggen boven elkander. Er zijn boven- en ondermijnen; er is een boven en een onder in dien donkeren grond, welke soms onder de beschaving instort, en die door onze onverschilligheid en onbezorgdheid onder den voet wordt getreden. In de vorige eeuw was de Encyclopédie schier een mijn onder den blooten hemel. De sombere holen, de kweekplaatsen van het eerste Christendom, wachtten onder de Cesars slechts een gelegenheid om open te breken en het menschelijk geslacht met licht te overstroomen. Want in de heilige duisternissen is een besloten licht. De vulkanen zijn vol van ontvlambare duisternis. De lava komt uit den nacht voort. De catacomben, waarin de eerste mis werd gelezen, waren niet alleen de kelders van Rome, zij waren de onderaardsche gewelven der wereld.
Onder het maatschappelijk gebouw, dit wonder uit een bouwval gevormd, zijn allerlei holen. Er zijn de godsdienstige, de philosophische, de politieke, de staathuishoudelijke, de revolutionaire mijn. Deze delft met de idee, gene met het cijfer, een ander met den toorn. Men roept elkander toe uit de eene naar de andere catacombe. De Utopieën doorkruisen deze gangen, en vertakken zich naar alle zijden. Soms ontmoeten zij er elkander en verbroederen zich. Jean Jacques leent zijn houweel aan Diogenes, die hem zijn lantaarn leent. Soms bestrijden zij elkander. Calvijn plukhaart met Socinus. Maar niets stuit of weerhoudt al deze krachten, die naar het doel streven, noch deze eenparige groote bedrijvigheid, die in deze duisternis heen en weder, op en neder gaat en langzaam de oppervlakte door het onderste, en het buitenste door het binnenste verandert; een verborgen ontzaggelijk gewoel. De maatschappij vermoedt nauwelijks deze ondermijning, welke haar oppervlakte ongeschonden laat, doch haar ingewanden verandert. Er zijn evenveel onderaardsche verdiepingen, als verschillende werken, en verschillende producten. Wat komt uit die diepe ondermijningen te voorschijn? De toekomst.
Hoe dieper men komt, des te geheimzinniger zijn de arbeiders. Tot op een hoogte, welke de sociale wijsgeer weet te erkennen, is de arbeid goed; voorbij die hoogte is hij twijfelachtig en gemengd; komt men lager, dan wordt hij vreeselijk. Op een zekere diepte zijn de holen niet meer bereikbaar voor den geest der beschaving, de grens, waarbinnen de mensch kan ademen is overschreden; een begin van monsters wordt hier mogelijk.
De nederdalende ladder is zonderling; elk harer sporten is met een verdieping in aanraking, waarop de philosophie den voet kan zetten, waar men een dezer soms goddelijke, soms wanstaltige arbeiders kan ontmoeten. Onder Jan Huss is Luther; onder Luther is Descartes, onder Descartes is Voltaire, onder Voltaire is Condorcet, onder Condorcet is Robespierre, onder Robespierre is Marat, onder Marat is Babeuf. En zoo gaat het voort. Lager, aan de grens, die het onduidelijke van het onzichtbare scheidt, ontwaart men onbestemd andere donkere mannen, die misschien nog niet bestaan. Die van gisteren zijn spoken, die van morgen zijn schimmen. Het oog van den geest onderscheidt ze onduidelijk. De baringsarbeid der toekomst is een der visioenen van den wijsgeer.
Een wereld in den toestand van wording. – Welk een ongezien beeld!
Saint Simon, Owen, Fourier vindt men ook in de zijgangen.
Hoewel een goddelijke, onzichtbare keten onderling al deze mijngravers, zonder dat zij ’t weten, verbindt, en zij zich steeds afgezonderd wanen, doch ’t niet zijn, is hun arbeid echter zeer verschillend en het licht van den eenen is in strijd met de vlam der anderen. Het eene is hemelsch, de andere is somber. Hoe groot echter de tegenstelling zij, al deze arbeiders, van den heldersten tot den donkersten, van den wijsten tot den dwaasten, komen met elkander overeen in: onbaatzuchtigheid. Marat vergeet zich zelven, evenzeer als Jezus. Zij stellen zich ter zijde, denken niet om zich zelven, verloochenen zich zelven. Zij hebben slechts één blik, en die blik zoekt het volkomene. De eerste heeft den geheelen hemel in ’t oog; de laatste, hoe raadselachtig hij zij, heeft toch onder den wenkbrauw den matten schijn van het oneindige. Vereer hem, die, wat hij doen moge, dien hemelschen blik bezit.
Het oog van den nacht is het andere teeken.
Bij dat oog begint het kwaad. Beef voor hem, die geen blik heeft. De maatschappelijke orde heeft haar zwarte mijnwerkers.
Er is een punt, waar delven begraven is en het licht uitgaat.
Onder al deze mijnen, welke wij hebben aangewezen, onder al deze galerijen, onder dit ontzaggelijk groot, geaderd, onderaardsch werk van den vooruitgang en der utopieën, is dieper in de aarde, lager dan Marat, veel lager dan Babeuf, lager, veel lager en zonder eenige gemeenschap met de hoogere galerijen, de laatste galerij. Dit is een vreeselijke plaats. Wij hebben haar de derde mijn genoemd. Het is de galerij der duisternissen, de kolder der blinden. Inferi.
Deze grenst aan den afgrond.
