Sadece Litres'te okuyun

Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.

Kitabı oku: «De Drie Musketiers dl. I en II», sayfa 34

Yazı tipi:

HOOFDSTUK XI.
De Anjou-wijn

Na eenige zeer verontrustende tijdingen nopens de gezondheid des konings, begon eindelijk het gerucht zijner beterschap zich in het legerkamp te verspreiden, en daar hij zeer ongeduldig was het beleg bij te wonen, zeide men, dat, zoodra hij te paard kon stijgen, hij de reis zou aanvaarden. Onderwijl voerde Monsieur, die wist, dat hij alle oogenblikken in zijn bevelhebberschap zou kunnen vervangen worden, hetzij door den hertog van Angoulême, hetzij door Bassompierre of Schomberg, die het elkander betwistten, weinig of niets uit en verloor den tijd in verkenningen, niet een enkele groote onderneming durvende wagen, om de Engelschen van het eiland , uit hetwelk zij de citadel St. Martijn bestookten, en uit het fort de la Prée te verjagen, terwijl de Franschen van hun kant la Rochelle belegerden. D’Artagnan, zooals wij zeiden, was geruster geworden, zooals steeds het geval is, wanneer men een gevaar ontsnapt, en dat gevaar schijnt verdwenen te zijn.

Er bleef hem slechts een bekommering over, namelijk die, hoegenaamd geen tijding van zijn vrienden te ontvangen. Maar op zekeren ochtend werd hem alles opgehelderd door den volgenden brief, gedagteekend uit Villeroy.

„Mijnheer d’Artagnan!

De heeren Athos, Porthos en Aramis, na een groot feest bij mij gegeven en zich zeer vermaakt te hebben, zijn echter zoo luidruchtig geweest, dat de provoost van het kasteel, een zeer streng man, hen voor eenige dagen huis-arrest heeft gegeven. Ik vervul de bevelen, die zij mij hebben opgedragen, u een dozijn flesschen van mijn wijn van Anjou te zenden, waarvan zij groote liefhebbers schijnen te zijn; zij verlangen, dat gij hun geliefkoosden wijn op hun gezondheid drinkt.

Ik ben, mijnheer! met diepen eerbied, Uw zeer onderdanige en zeer gehoorzame dienaar,

Godeau,
Kastelein der H.H. Musketiers.”

„Bravo!” riep d’Artagnan, „zij herinneren zich mijner in hun vermaken, zooals ik aan hen in mijn verdriet denk; welzeker zal ik op hun gezondheid drinken, met veel pleizier, maar niet alleen.” – En d’Artagnan begaf zich tot twee gardes, met wie hij meer vriendschap dan met de overige onderhield, om hen uit te noodigen bij hem den heerlijken wijn van Anjou te komen drinken, dien hij van Villeroy had ontvangen.

Een der gardes was voor dienzelfden avond elders genoodigd, en de andere voor den volgenden dag, de samenkomst werd dus op twee dagen later bepaald.

D’Artagnan zond zijn twaalf flesschen naar de gelagkamer der gardes, met aanbeveling er goede zorg voor te dragen. Vervolgens, toen de dag van het feest dáár was, terwijl het maal tegen twaalf uur des middags was bepaald, zond d’Artagnan reeds te negen uur Planchet, om alles in orde te brengen.

Planchet, trotsch tot de waardigheid van hofmeester te zijn verheven, peinsde er over, hoe zijn last op een waardige wijze te vervullen. Tot dat einde vereenigde hij zich met den knecht van een der genoodigden zijns meesters, Fourreau genaamd, en ook met Brisemont, dien gewaanden soldaat, welke onzen held had willen vermoorden, maar die, tot geen corps behoorende, in dienst van d’Artagnan was gegaan, of liever in dien van Planchet, sedert d’Artagnan hem het leven had gered.

Toen het uur van den maaltijd had geslagen, verschenen beide genoodigden, die plaats namen, terwijl de gerechten op tafel werden gerangschikt; Planchet bediende, met het servet onder den arm, Fourreau trok de flesschen open, en Brisemont, bijna hersteld, goot in kristallen karaffen den wijn over, die, naar het scheen, door het hotsen op den weg troebel was geworden. Uit de eerste flesch van dien wijn goot Brisemont het bezinksel in een glas, hetwelk d’Artagnan hem veroorloofde te ledigen, want de arme duivel had al zijn krachten nog niet terug.

Na de soep te hebben gebruikt, wilden de genoodigden het eerste glas wijn aan hun lippen zetten, toen eensklaps kanonschoten van het fort Louis en het nieuwe fort weergalmden. Onmiddellijk grepen de gardes, meenende dat het een onverwachte aanval der belegerden of der Engelschen betrof, hun degens; d’Artagnan deed evenzoo, en alle drie verwijderden zich al loopende, om zich op hun posten te begeven. Maar nauwelijks waren zij uit de gelagkamer, of zij vernamen de oorzaak van dat gerucht. Het geroep „leve de koning! leve de kardinaal!” weergalmde van alle zijden, en de trommels roffelden in alle richtingen. En inderdaad, in zijn ongeduld had de koning twee pleisterplaatsen overgeslagen en kwam op dat oogenblik met geheel zijn huis en een versterking van tien duizend man aan.

Zijn musketiers gingen hem voor en volgden hem. D’Artagnan, met zijn kompagnie langs den weg geschaard, groette met een uitdrukkelijk gebaar zijn vrienden en den heer de Tréville, dien hij dadelijk ontwaarde. Nadat de plechtigheid der ontvangst afgeloopen was, waren de vier vrienden spoedig vereenigd.

Pardieu!” riep d’Artagnan, „gij kondt op geen beter oogenblik gekomen zijn, en het eten heeft den tijd nog niet gehad, koud te worden. Niet waar, heeren!” voegde de jongeling er bij, zich tot de beide gardes wendende, die hij aan zijn vrienden voorstelde. – „Ha! ha! het schijnt dat wij smullen,” zeide Porthos. – „Ik hoop,” zeide Aramis, „dat er geen vrouw aan tafel is?” – „Is er gebottelde wijn in uw kroeg?” vroeg Athos. – „Wel, de uwe, pardieu! beste vriend!” antwoordde d’Artagnan. – „Onze wijn?” liet Athos verwonderd hooren. – „Ja, dien gij mij gezonden hebt.” – „Hebben wij u wijn gezonden?” – „Wel ja, gij weet immers wel, dien lichten wijn van Anjou?” – „Ja, ik ken den wijn heel wel, dien gij bedoelt.” – „Het is die wijn, van welken gij zooveel houdt.” – „Zeker, als ik geen Chambertin of Champagne heb.” – „Welnu, bij gebrek aan Chambertin of Champagne zult gij u met dezen moeten tevreden stellen.” – „Gij hebt dus wijn van Anjou laten komen, gij lekkerbek?” vroeg Porthos. – „Wel neen, het is de wijn, die mij van uwentwege is gezonden.” – „Van onzentwege?” riepen de musketiers. – „Zijt gij het, Aramis,” vroeg Athos, „die wijn hebt gezonden?” – „Neen.” – „Indien gij het niet zijt, dan is het uw kastelein,” zeide d’Artagnan. – „Onze kastelein?” – „Wel zeker, uw kastelein: Godeau, kastelein der musketiers.” – „Zoo! laat hij zijn van wien hij wil, het doet er niet toe,” zeide Porthos, „proeven wij hem, en als hij goed is, laat ons hem drinken.” – „Neen,” zeide Athos, „drinken wij geen wijn van welken wij den oorsprong niet kennen.” – „Gij hebt gelijk, Athos,” zeide d’Artagnan. „Heeft niemand uwer den kastelein Godeau gelast mij wijn te zenden?” – „Neen, en heeft hij u nochtans uit onzen naam gezonden?” – „Ziehier den brief,” zeide d’Artagnan, en hij toonde het biljet aan zijn vrienden. – „Dat is zijn schrift niet,” zeide Athos. „Ik ken het, want ik ben het geweest, die voor ons vertrek de rekening der gemeenschappelijke vertering met hem heb vereffend.” – „Het is een valsche brief,” zeide Porthos, „wij hebben geen huis-arrest gehad.” – „D’Artagnan!” zeide Aramis op berispenden toon, „hoe hebt gij kunnen gelooven, dat wij gerucht zouden hebben gemaakt?”

D’Artagnan verbleekte, een stuipachtige beving schudde al zijn leden. – „Gij verschrikt mij,” zeide Athos, „wat is u toch gebeurd?” – „Haasten wij ons, mijn vrienden!” riep d’Artagnan, „een vreeselijk vermoeden verheft zich in mijn ziel; zou het wederom de wraak dier vrouw zijn?” – Nu verbleekte Athos op zijn beurt.

D’Artagnan snelde naar de gelagkamer, de drie musketiers en de twee gardes volgden hem. Het eerste voorwerp, dat den blik van d’Artagnan trof, toen hij de eetzaal binnentrad, was Brisemont, die zich in vreeselijke stuiptrekkingen op den grond wentelde. Planchet en Fourreau, bleek als lijken, waren bezig hem hulp te verleenen, maar het was blijkbaar, dat alle hulp vruchteloos was, het aangezicht van den stervende was door den doodsstrijd akelig misvormd.

„Ha!” riep hij, toen hij d’Artagnan bespeurde, „ha! dat is afgrijselijk, gij houdt u, alsof gij mij vergiffenis schenkt, en gij vergiftigt mij!” – „Ik?” riep d’Artagnan, „ik, rampzalige! maar wat durft gij zeggen?” – „Ik zeg, dat gij het zijt, die mij hebt gezegd, dien te willen drinken; ik zeg, dat gij u op mij hebt willen wreken; ik zeg, dat het afgrijselijk is.” – „Geloof dat niet, Brisemont!” zeide d’Artagnan. „Geloof het niet, ik bezweer u.” – „O! maar God is daar! God zal u straffen! Mijn God! dat hij eenmaal lijde, wat ik lijd.” – „Op het evangelie zweer ik u!” riep d’Artagnan, zich naast den stervende werpende, „dat ik niet wist, dat die wijn vergiftigd was, en ik zooals gij hem zou gedronken hebben.” – „Ik geloof u niet,” zeide de soldaat, en hij gaf den geest in een nieuwen, meer hevigen aanval van smarten. – „IJselijk! ijselijk!” mompelde Athos, terwijl Porthos de flesschen verbrak en Aramis, hoewel wat laat, het bevel gaf een biechtvader te gaan halen.

„Ach, mijn vrienden,” zeide d’Artagnan, „gij hebt mij wederom het leven gered; niet alleen het mijne, maar ook dat van die heeren. Mijne heeren!” ging hij voort, zich tot de gardes wendende, „ik verzoek u geheimhouding over het gebeurde: groote personages mochten in hetgeen gij hebt gezien betrokken zijn, en de kwade gevolgen er van zouden op ons neerkomen.” – „Ach, mijnheer!” stamelde Planchet, meer dood dan levend, „ach, mijnheer! wat ben ik het aardig ontsnapt.” – „Ha, knaap!” riep d’Artagnan, „gij wildet dus van mijn wijn drinken!” – „Op de gezondheid van den koning, mijnheer! was ik gereed een glas te ledigen, indien Fourreau mij niet had gezegd, dat ik geroepen werd.” – „Helaas!” zeide Fourreau, die van angst klappertandde, „ik wilde hem verwijderen om alleen te drinken.” – „Mijne heeren!” zeide d’Artagnan, zich tot de gardes wendende, „gij begrijpt, dat een dergelijk feestmaal, na hetgeen er gebeurd is, niet dan zeer treurig kan zijn, ik verzoek u dus mijn verontschuldigingen wel te willen aannemen, en bid u de partij tot een anderen dag uit te stellen.”

De twee gardes namen beleefdelijk deze verontschuldiging aan, en begrijpende dat de vier vrienden wenschten alleen te blijven, vertrokken zij.

Toen de jonge garde en de drie musketiers zonder getuigen waren, beschouwden zij elkander met een gebaar, dat te kennen gaf, dat zij het gevaarlijke van hun toestand beseften.

„Vooreerst,” zeide Athos, „verlaten wij dit vertrek, het gezelschap van een lijk is niet zeer aangenaam.” – „Planchet!” zeide d’Artagnan, „ik gelast u het lijk van dien armen duivel te bewaken en te zorgen, dat hij in gewijde aarde begraven wordt. Het is waar, hij heeft een misdaad bedreven, maar hij heeft er berouw over getoond.” – En de vier vrienden verlieten de kamer, Planchet en Fourreau de zorg overlatende aan Brisemont de laatste eer te bewijzen.

De kastelein gaf hun een andere kamer, waar men hun eieren in den dop voorzette, en bronwater, dat Athos in persoon ging putten. Eenige woorden waren genoeg om Porthos en Aramis met de gesteldheid van zaken bekend te maken.

„Ziet gij wel,” zeide d’Artagnan tot Athos, „mijn waarde vriend! dat het een strijd op leven en dood is.” – Athos schudde het hoofd. – „Ja, ik zie het wel, maar gelooft gij dat zij het is?” – „Ik ben er zeker van.” – „Ik moet u echter bekennen, dat ik nog twijfel.” – „Maar die lelie op den schouder?” – „Zij zal een Engelsche wezen, die men in Frankrijk wegens een door haar gepleegde misdaad zal hebben gebrandmerkt.” – „Athos! het is uw vrouw, zeg ik u,” antwoordde d’Artagnan, „herinnert gij u dan niet, hoe beide signalementen overeenkomen?” – „Ik meende echter, dat de andere dood was; ik had haar zoo goed opgehangen.”

Nu was het d’Artagnan, die op zijn beurt het hoofd schudde. – „Maar wat zullen wij eigenlijk beginnen?” vroeg hij. – „Inderdaad, wij kunnen niet eeuwig met het zwaard boven ons hoofd blijven,” zeide Athos, „wij moeten uit dien toestand zien te geraken. Maar hoe?”

„Luister,” antwoordde d’Artagnan, „tracht haar te ontmoeten, om een verklaring met haar te hebben. Zeg haar: ‚Oorlog of vrede. Ik geef u mijn woord van eer, nooit over u te spreken, nooit iets tegen u te doen. Zweer mij van uw kant plechtig, onzijdig jegens mij te blijven; zoo niet, dan vervoeg ik mij tot den kanselier, ik wend mij tot den koning, ik ga den beul een bezoek brengen; ik zal het hof tegen u ophitsen en u als een gebrandmerkte tentoonstellen; ik zal u doen veroordeelen; en mocht men u vrijspreken, dan, dat zweer ik u op mijn woord van edelman, dan zal ik u, achter den een of anderen straatpaal, als een razenden hond doodschieten.’”

„Dat middel bevalt mij tamelijk wel, maar hoe haar te ontmoeten?” – „De tijd, mijn waarde vriend, zal de gelegenheid medebrengen; de gelegenheid is het geluk van den speler, hoe meer men heeft verloren, des te meer wint men, wanneer men weet te wachten, omringd van moordenaars en giftmengers…” – „Och!” zeide Athos, „God heeft ons tot heden behoed, God zal ons nog langer behoeden.” – „Ja, wij, wij zijn in elk geval mannen, en alles wel beschouwd, is het ons beroep ons leven te wagen; maar zij…” voegde hij er half luid bij. – „Wie zij?” vroeg Athos. – „Constance.” – „Juffrouw Bonacieux? O! het is waar ook,” zeide Athos. „Arme vriend! ik vergat, dat gij verliefd zijt.”

„Wel, vrienden!” zeide Aramis; „hebt gij dan niet in den brief, die bij den gesneuvelden ellendeling is gevonden, gezien, dat zij zich in een klooster bevond? Men is zeer goed in een klooster, en zoodra het beleg van la Rochelle zal geëindigd zijn, beloof ik u, wat mij betreft…” – „Goed,” zeide Athos, „goed. Ja, wij weten, goede Aramis! wij weten, dat uw begeerten naar het godsdienstige haken.” – „Ik ben slechts musketier ad interim,” zeide Aramis nederig. – „Het schijnt, dat hij in langen tijd geen tijding van zijn minnares heeft ontvangen,” zeide Athos zacht; „maar let er niet op, wij kennen dat.” – „Welnu,” zeide Porthos, „ik geloof, dat er een zeer eenvoudig middel is.” – „Welk?” vroeg d’Artagnan. – „Zij is in een klooster, zooals gij zegt?” hernam Porthos. – „Ja.” – „Welnu, zoodra het beleg zal geëindigd zijn, zullen wij haar uit dat klooster ontvoeren.” – „Maar men moet eerst weten in welk klooster zij is.” – „Dat is waar,” zeide Porthos. – „Maar ik herinner mij,” zeide Athos, „meent gij niet, waarde d’Artagnan, dat het de koningin is, die dat klooster voor haar heeft gekozen?” – „Ja, ik geloof het althans.” – „Wel, dan zal Porthos ons hierin kunnen helpen.” – „Hoe dat, als ik u mag verzoeken?” – „Wel, door uw markiezin, uw hertogin, uw prinses; deze moet lange armen hebben.” – „Stil!” zeide Porthos, den vinger op zijn mond leggende; „ik geloof, dat zij kardinaalsgezind is, zij mag niets weten.” – „Dan,” zeide Aramis, „belast ik mij haar te vinden.” – „Gij, Aramis!” riepen de drie vrienden, „gij, en hoe dat?” – „Door den aalmoezenier der koningin, van wien ik een zeer goed vriend ben,” zeide Aramis blozende.

En op die verzekering scheidden de vier vrienden, die, na hun soberen maaltijd geëindigd te hebben, afspraken elkander denzelfden avond weer te zien. D’Artagnan keerde naar het Minderbroederklooster terug, en de drie musketiers naar het hoofdkwartier des konings, waar zij hun kwartieren hadden doen gereed maken.

HOOFDSTUK XII.
De herberg De Roode Duiventoren

Nauwelijks in het legerkamp gekomen, wilde de koning, in zijn ongeduld om zich in de tegenwoordigheid des vijands te bevinden, en den haat van den kardinaal tegen Buckingham deelende, al het vereischte aanwenden, vooreerst om de Engelschen van het eiland te verjagen, en ten tweede om het beleg van la Rochelle te bespoedigen, maar ondanks zich zelven werd hij hierin opgehouden door de oneenigheden, die er tusschen de heeren Bassompierre en Schomberg aan de eene en den hertog d’Angoulême aan de andere zijde uitbraken…

De heeren Bassompierre en Schomberg, als maarschalken van Frankrijk, eischten het recht, om onder het oog des konings het opperbevel des legers te voeren, maar de kardinaal, vreezende dat Bassompierre, die inwendig Hugenoot was, slechts flauwelijk de Engelschen en de inwoners van la Rochelle, zijn geloofsgenooten, zou bestoken, droeg daarentegen den hertog d’Angoulême voor, dien de koning, op zijn inblazing, tot luitenant-generaal had benoemd. Hieruit volgde, dat, wilde men de heeren Bassompierre en Schomberg het leger niet zien verlaten, men verplicht was, aan elk hunner een bijzonder bevelhebberschap te geven.

Bassompierre vestigde zijn hoofdkwartier ten noorden der stad, van af Laleu tot aan Dompierre, de hertog van Angoulême het zijne ten oosten van Dompierre tot aan Périgny, en de heer Schomberg ten zuiden van Périgny tot aan Angoulin.

Het kwartier van Monsieur was te Dompierre. Dat van den koning nu eens te Estré dan weer te la Jarrie. Eindelijk was het hoofdkwartier van den kardinaal op de duinen, bij de brug de la Pierre, in een eenvoudig huis zonder eenige verschansingen. Zoo was het, dat Monsieur Bassompierre gadesloeg, de koning den hertog d’Angoulême en de kardinaal den heer Schomberg. Eenmaal dit bepaald zijnde, hield men zich bezig de Engelschen van het eiland te verjagen.

De gelegenheid hiervoor was gunstig. De Engelschen, die vooral, om goede soldaten te zijn, goede levensmiddelen behoeven, aten niets dan pekelvleesch en slechte beschuit en hadden in hun legerkamp een aantal zieken; daarenboven vergingen dagelijks op zee – in dat jaargetijde langs geheel de westelijke kust zeer gevaarlijk – vele kleine vaartuigen, zoodat de kust, van de punt de l’Aiguillon tot aan de loopgraven, letterlijk bij elken vloed overdekt was met verbrijzelde pinken en andere kleine schepen. Het gevolg hiervan moest noodwendig zijn, dat, al hielden des konings troepen zich rustig in hun legerkamp, Buckingham, die slechts uit stijfhoofdigheid op het eiland bleef, genoodzaakt zou zijn het beleg op te breken.

Maar dewijl de heer de Toiras liet zeggen, dat in het vijandelijk legerkamp aanstalten tot een nieuwen aanval werden bespeurd, oordeelde de koning dat er een einde aan moest worden gemaakt, en hij gaf de noodige bevelen tot een beslissenden slag.

Daar het ons voornemen niet is een dagboek van de belegering te schrijven, maar integendeel slechts die gebeurtenissen aan te halen, welke in verband met ons verhaal staan, zullen wij ons bepalen met een paar woorden te zeggen, dat de onderneming tot groot genoegen van den koning en tot den meest mogelijken roem van den kardinaal gelukte. De Engelschen, voet voor voet teruggedreven, in al de gevechten geslagen, verplet bij den overgang van het eiland, werden genoodzaakt zich in te schepen, op het slagveld twee duizend man latende, waaronder vijf kolonels, drie luitenant-kolonels, tweehonderd vijftig kapiteins en twintig voorname edellieden, vier stukken geschut en zestig vlaggen, die door Claude de Saint Simon naar Parijs gebracht, met groote praal aan de gewelven van de Onze Lieve Vrouwekerk werden opgehangen. Te Deums werden gezongen en vonden weerklank door geheel Frankrijk. De kardinaal was dus in staat de belegering voort te zetten, zonder althans voor het oogenblik iets van de Engelschen te vreezen te hebben. Maar, zooals wij zeggen, die rust was slechts kortstondig.

Een zendeling van den hertog van Buckingham, genaamd Montaigu, was gevangen genomen, en men had het bewijs in handen van bondgenootschap tusschen Duitschland, Spanje, Engeland en Lotharingen tegen Frankrijk. Vervolgens had men in het hoofdkwartier van Buckingham, hetwelk hij genoodzaakt was geweest plotseling te verlaten, papieren gevonden, die dat bondgenootschap bevestigden en, naar hetgeen de kardinaal in zijn Gedenkschriften verklaart, mevrouw de Chevreuse, en bijgevolg de koningin, zeer verdacht maakten. Het was op den kardinaal dat de geheele verantwoordelijkheid rustte; want men is niet oppermachtig minister zonder verantwoordelijk te zijn.

De hulpmiddelen van zijn veelomvattenden geest waren dan ook dag en nacht werkzaam, en hij luisterde met inspanning naar de minste beweging, welke zich in een of ander der groote rijken van Europa verhief. De kardinaal kende de bedrijvigheid en den haat van Buckingham: indien het bondgenootschap, dat Frankrijk bedreigde, zegevierde, was Richelieu’s invloed vernietigd.

De Spaansche en Oostenrijksche staatkunde had haar vertegenwoordigers in het kabinet van het Louvre, waar zij tot hiertoe slechts partijgangers had gehad. Hij, Richelieu, de Fransche, de bij uitnemendheid nationale minister, was verloren; de koning, die, hem als een kind gehoorzamende, hem als een kind dat zijn meester verfoeit haatte, gaf hem aan de dubbele wraak van Monsieur en de koningin over. Hij was verloren, en misschien Frankrijk met hem; en dat alles moest worden voorkomen.

Men zag dan ook de koeriers alle oogenblikken talrijker worden en elkander dag en nacht in dat kleine huis aan de brug de la Pierre, waar de kardinaal zijn kwartier had gevestigd, opvolgen. Nu eens waren het monniken, die hun pij zoo slecht droegen, dat men gemakkelijk kon zien, dat zij vooral tot de strijdende kerk behoorden; dan weder vrouwen, min of meer gedwongen haar pagegewaad dragende, van hetwelk de breede poffen niet volkomen de fraaie ronding harer gestalte konden verbergen; eindelijk boeren met vuile handen, maar met welgevormde beenen, waaraan men den edelman op een uur afstands kon herkennen. Vervolgens nog andere, minder aangename bezoekers; want twee of drie malen verspreidde zich het gerucht, dat de kardinaal op het punt was geweest vermoord te worden. Het is waar, de vijanden Zijner Eminentie zeiden, dat de kardinaal op zich zelven onhandige moordenaars afzond, ten einde bij voorkomende gelegenheid het recht van wedervergelding te kunnen uitoefenen; maar men moet geen geloof slaan noch aan de gezegden der ministers, noch aan hetgeen hun vijanden zeggen.

Dit alles echter belette den kardinaal niet, aan wien zijn hevigste tegenstanders nooit persoonlijken moed hebben kunnen betwisten, nachtelijke tochten te doen; nu eens om den hertog van Angoulême gewichtige bevelen over te brengen, dan weder om zich met den koning te verstaan, een andermaal om zich met een of anderen bode, dien hij niet verkoos bij zich te ontvangen, te onderhouden.

Van hun kant leidden de musketiers, die bij de belegering niet veel te doen hadden en aan geen strenge krijgstucht onderworpen waren, een vroolijk leven. Dat was vooral voor onze drie vrienden des te gemakkelijker, daar zij, tot de vrienden van den heer de Tréville behoorende, zonder veel moeite van hem de vergunning verkregen, om na het sluiten van het legerkamp met bijzondere verlofpassen uit te blijven.

Op zekeren avond, dat d’Artagnan, die de wacht bij de loopgraven had, hen niet had kunnen vergezellen, kwamen Athos, Porthos en Aramis, op hun strijdpaarden gezeten en in hun krijgsmantels gewikkeld, een hand op den knop van hun pistool latende rusten, van een herberg terug, die Athos een paar dagen te voren had ontdekt op den weg van la Jarrie en die de Roode Duiventoren heette. Zij volgden den weg naar het legerkamp, zooals wij zeiden, met behoedzaamheid voortrijdende, uit vrees in een hinderlaag te vallen, toen zij op ongeveer een kwartieruurs afstands van het dorp Boisneau paardengetrappel hoorden, dat hen naderde. Dadelijk bleven alle drie, zich naast elkander scharende, op het midden van den weg staan. Na eenige oogenblikken, terwijl de maan van achter een wolk te voorschijn kwam, zagen zij om den hoek van een weg twee ruiters verschijnen, die, hen ontwarende, op hun beurt bleven staan en met elkander schenen te raadplegen, of zij hun weg zouden vervolgen of terugkeeren. Die aarzeling deed de drie vrienden iets kwaads vermoeden, en Athos, eenige schreden vooruitgaande, riep met vaste stem: „Werda!” – „Werda? vragen wij u,” antwoordde een der twee ruiters. – „Dat is geen antwoord,” hernam Athos. „Werda! antwoord, of wij vallen aan!” – „Wees er op bedacht wat gij wilt doen, mijne heeren!” zeide daarop een helderklinkende stem, die gewoon scheen het commando te voeren.

„Het is een of ander hoofdofficier, die zijn nachtronde doet,” zeide Athos, tot zijn vrienden terugkeerende. „Wat wilt gij doen, heeren?”

„Wie zijt gij?” vroeg dezelfde stem op denzelfden gebiedenden toon; „antwoord op uw beurt, of uw ongehoorzaamheid zou u kwalijk kunnen bekomen.” – „Musketiers des konings!” riep Athos, meer en meer overtuigd dat hij, die hem dit vroeg, er recht toe had. – „Welke kompagnie?” – „Kompagnie van Tréville.” – „Treedt voorwaarts en geeft rekenschap van wat gij hier ter plaatse zoo laat doet.”

De drie musketiers naderden, nu een weinig ootmoediger, want zij waren nu alle drie overtuigd, dat zij met machtiger dan zij waren te doen hadden. Men liet overigens aan Athos het woord over. Een der twee ruiters, hij die na den eersten het woord had opgenomen, was ongeveer tien schreden van zijn tochtgenoot verwijderd. Athos gaf aan Porthos en Aramis een teeken om ook achter te blijven en naderde alleen.

„Verontschuldig mij, mijn officier!” zeide Athos, „wij wisten niet met wien wij te doen hadden, en gij kunt zien, dat wij waakzaam zijn.” – „Uw naam!” zeide de officier, die met zijn mantel een gedeelte van zijn aangezicht bedekte. – „Maar, mijnheer!” hernam Athos, die zich tegen die soort van inquisitoriale ondervraging begon te verzetten, „ik verzoek eerst mij het bewijs te geven, dat gij het recht hebt mij te ondervragen.” – „Uw naam!” hernam voor de tweede, maal de ruiter, terwijl hij zijn mantel liet vallen, waardoor zijn gelaat werd ontbloot. – „Zijne Eminentie de kardinaal!” riep de musketier ontsteld. – „Uw naam!” herhaalde voor de derde maal Zijne Eminentie. – „Athos,” antwoordde de musketier.

De kardinaal wenkte zijn stalmeester, die nader trad. – „Die drie musketiers zullen ons volgen,” zeide hij zacht tot hem, „ik wil niet, dat men wete, dat ik het legerkamp heb verlaten, en ons volgende, zijn wij zeker dat zij het aan niemand zullen zeggen.”

„Wij zijn edellieden, Uwe Eminentie!” zeide Athos, „eisch dus ons woord van eer, en verontrust u over niets. Goddank! wij weten een geheim te bewaren.”

De kardinaal vestigde zijn doordringenden blik op den stoutmoedigen spreker. – „Gij hebt een scherp gehoor, mijnheer Athos!” zeide de kardinaal, „maar luister, het is niet uit wantrouwen, dat ik u verzoek mij te volgen, het is voor mijn zekerheid; zonder twijfel zijn uw twee gezellen de heeren Porthos en Aramis?” – „Ja, Uwe Eminentie!” zeide Athos, terwijl de twee musketiers, die waren achtergebleven, met den hoed in de hand naderden. – „Ik ken u, heeren! ik ken u! ik weet wel, dat gij juist niet tot mijn vrienden behoort, en dat doet mij leed; doch ik weet, dat gij moedige, trouwe edellieden zijt, en men zijn vertrouwen in u kan stellen. Mijnheer Athos! bewijs mij dus de eer mij te vergezellen, gij en uw twee vrienden, en ik zal een geleide hebben, waarop Zijne Majesteit zou afgunstig zijn, indien wij hem mochten ontmoeten.”

De drie musketiers bogen tot op den hals van hun paarden. – „Op mijn eer,” zeide Athos, „Uwe Eminentie heeft gelijk ons mede te nemen: wij hebben op den weg al zeer afzichtelijke lieden ontmoet, en zelfs met vier er van in de Roode Duiventoren twist gehad.” – „Twist! en waarom, mijne heeren?” zeide de kardinaal, „gij weet wel, dat ik van geen twistzoeken houd.” – „Het is juist uit dien hoofde dat ik de eer heb Uwe Eminentie van het gebeurde kennis te geven, want zij zou het door anderen dan door ons kunnen vernemen, en tengevolge van een kwalijk overgebracht verslag ons als de schuldigen beschouwen.” – „En wat zijn de gevolgen van dezen twist geweest?” vroeg de kardinaal, de wenkbrauwen fronsende. – „Wel, mijn vriend Aramis, die hier is, heeft een lichten degensteek in den arm ontvangen, hetgeen hem niet zal beletten, zooals Uwe Eminentie zal zien, morgen bij de bestorming tegenwoordig te zijn, indien Uwe Eminentie dit beveelt.” – „Maar gij zijt niet van die lieden, welke zich zoo gemakkelijk degensteken laten toebrengen,” zeide de kardinaal. „Spreekt! weest oprecht, heeren! gij hebt er wel eenige teruggegeven; biecht op, gij weet, dat ik de macht heb absolutie te geven.”

„Ik, Uwe Eminentie!” zeide Athos, „heb niet eens den degen in de hand gehad, maar hem, met wien ik te doen had, in mijn armen genomen en uit het venster geworpen; hij schijnt in zijn val,” ging Athos met eenige aarzeling voort, „het dijbeen te hebben gebroken.” – „Zoo, zoo!” riep de kardinaal, „en gij, mijnheer Porthos?”

„Ik, Uwe Eminentie! wetende dat het tweegevecht verboden is, heb een bank opgenomen en een dier bandieten daarmede een slag gegeven, die hem, geloof ik, den schouder heeft verbrijzeld.” – „Fraai!” zeide de kardinaal, „en gij, mijnheer Aramis?”

„Ik, Uwe Eminentie, die van een zeer vredelievenden en zachten aard ben, en bovendien, hetgeen Uwe Eminentie misschien niet weet, op het punt sta tot den geestelijken stand over te gaan, ik wilde mijn vrienden van die ellendelingen scheiden, toen een hunner mij verraderlijk in den linkerarm een degensteek toebracht; toen was mijn geduld ten einde en ik trok op mijn beurt den degen, en daar hij opnieuw mij aanviel, meende ik te voelen, dat hij zich zelven aan mijn degen reeg, alleen weet ik zeer goed dat hij gevallen is en men hem met zijn makkers heeft weggedragen.”

„Duivelsch, mijne heeren!” zeide de kardinaal, „drie mannen in een herbergtwist neervellen! dat is de handen roeren. Maar uit wat oorzaak ontstond die twist?” – „Die ellendelingen waren dronken,” zeide Athos… „bekend met de aankomst eener vrouw in die herberg, wilden zij de deuren openbreken.” – „En was die jonge vrouw jong en fraai?” vroeg de kardinaal met zekere ongerustheid. – „Wij hebben haar niet gezien, Uwe Eminentie!” antwoordde Athos. – „Hebt gij haar niet gezien? Ha! zeer goed!” hernam de kardinaal levendig; „gij hebt wèl gedaan de eer eener vrouw te verdedigen, en dewijl het naar de Roode Duiventoren is, dat ik mij begeef, zal ik dra weten of gij mij de waarheid hebt gezegd.”

„Mijnheer!” antwoordde Athos trotsch, „wij zijn edellieden, en al konden wij er ons hoofd door redden, zouden wij niet liegen.” – „Ook twijfel ik geen oogenblik aan hetgeen ge zegt, mijnheer Athos! geen oogenblik, maar,” ging hij voort, aan het gesprek een andere wending gevende, „was die dame dan alleen?” – „Die dame had zich met een cavalier in haar kamer opgesloten, maar dewijl die cavalier, ondanks het geweld, niet te voorschijn kwam, is het te veronderstellen dat hij een lafaard is.” – „Oordeel niet vermetel, zegt het Evangelie,” hernam de kardinaal. – Aramis boog het hoofd. – „En thans, mijne heeren, is het wel, ik weet, wat ik verlangde te weten,” ging Zijne Eminentie voort, „volgt mij nu.”

Yaş sınırı:
12+
Litres'teki yayın tarihi:
11 ağustos 2017
Hacim:
870 s. 1 illüstrasyon
Telif hakkı:
Public Domain