Kitabı oku: «Moord met een hoger doel», sayfa 11
HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG
Avery parkeerde haar auto aan de oostelijke rand van Stony Brook Park en liep Mill Street in, naar de ingang van het park.
Het terrein van Stony Brook was een groot waterpretpark voor kinderen, met drie afzonderlijke speelpleinen en een groot houten fort. Het speelplein lag naast een bewaakt woonerf en was volledig door bomen en omheiningen afgesloten.
Een aantal auto’s van de politie van Belmont en wagens van verslaggevers stonden voor de toegangspoort geparkeerd. Buurtbewoners stonden nieuwsgierig toe te kijken.
“Daar is ze,” riep iemand.
Voordat Avery het goed en wel besefte werd ze omringd door nieuwsverslaggevers. Toen ze net ontslagen was bij de advocatenfirma had Avery gehoopt dat de camera’s, de lampen en de microfoons op een dag ooit uit haar leven zouden verdwijnen. Jammer genoeg was dat nooit zo geweest. In tijden waarin niet veel te beleven viel, was ze altijd wel in een of andere krant het mikpunt van flauwe grappen geweest.
Een kleine reporter met kortgeknipt zwart haar duwde een microfoon onder haar neus. “Mevrouw Black,“ zei ze, “hebt u een relatie met Howard Randall?”
“Wat?” riep Avery uit.
Ook een andere reporter stak haar een microfoon toe. “U hebt hem gisteren bezocht. Waar hadden jullie het over?”
“Waar haalt u die informatie vandaan?” vroeg Avery.
Een van de reporters stak haar een krant toe en toen Avery las wat er op de voorpagina stond en de krant opensloeg om het artikel te lezen, begonnen de camera’s te draaien en wachtte iedereen op een antwoord.
De krantenkop luidde: Twee meisjes vermoord en nog steeds geen aanwijzingen. Er stond een foto bij van de begraafplaats. Als ondertitel stond er te lezen: “Een agent en een moordenaar: een ontluikende liefde.” Avery zag een foto van zichzelf, huilend in haar auto, met op de achtergrond de gevangenis.
De bewakers, dacht ze. Zij hebben foto’s genomen.
Het artikel zelf stond op de derde pagina. “Wie leidt de afdeling Moordzaken bij de politie van Boston?” Woorden als ‘onbekwaam’, ‘verkeerde aanpak’ en ‘nonchalance’ sprongen haar in het oog. De eerste regel luidde: “Waarom laat de politie van Boston een voormalige advocaat met een omstreden verleden een onderzoek naar een seriemoordenaar leiden?”
Avery voelde een knoop in haar maag en gaf de krant terug.
“Hebt u hierop commentaar?” vroeg iemand.
In stilte ging Avery ervandoor.
“Agent Black! Agent Black?”
Een vrouw van nog geen vijftig kilo kwam op Avery toe lopen en gaf haar een duw tegen haar borst. “Jij zielig stuk ongeluk!” riep ze. “En voor jou soort betalen wij belastingen? Geen sprake van! Ik zorg ervoor dat je ontslagen wordt, jij moordend klerewijf.”
De mensenmassa werd steeds groter.
“Waarom zit jíj op deze zaak?” riep iemand anders.
“Hou haar uit de buurt van de kinderen.”
Avery kon eindelijk tot bij de toegangspoort komen, toonde haar badge en een agent duwde haar naar binnen.
“Wie heeft hier de leiding?” vroeg ze.
“Kom maar hierheen,” wenkte de agent. “Talbot Diggens. Inspecteur Diggens.”
Onder normale omstandigheden kon Avery zulke scheldpartijen makkelijk negeren, maar vandaag, na haar erbarmelijke ondervraging van John Lang, het nieuwe slachtoffer, het ontbreken van aanknopingspunten en al de rest, kostte het haar heel wat energie om sterk te blijven en gewoon door te lopen.
Eenmaal door de ingang kon ze nog steeds de menigte hun ongenoegen horen uitroepen, terwijl reporters hun camera’s door de omheining heen duwden.
De agenten op het speelplein draaiden zich om toen Avery voorbijkwam. Sommigen mompelden iets, anderen keken haar minachtend aan.
Zal dit ooit stoppen? dacht ze.
Talbot Diggens was een bijzonder grote, kale zwarte man. Hij had een zonnebril op en stond in de vroege ochtendzon al vreselijk te zweten. Over zijn witte T-shirt droeg hij een piekfijn grijs pak en het enige waaruit af te leiden was dat hij een agent was, was de badge rond zijn nek en het wapen dat onder zijn jasje uit piepte.
Hij wees naar haar. “Ben jij Black?” zei hij.
“Ja.”
“Volg mij maar.”
Het park zelf liepen ze voorbij. Achter het zwembad met een fontein die anders water in alle richtingen spoot, kwamen ze bij een speelplein voor peuters en gingen van daaruit meteen in de richting van een houten kasteel, compleet met bruggen, een slotgracht en een houten stad.
De camera van de politiefotograaf flitste in het houten bouwsel.
“Een tienjarig meisje heeft haar vanmorgen gevonden,” zei hij. “Ze wilde met haar spelen, maar het lichaam bewoog niet, dus raakte ze haar aan. IJskoud.”
Het houten gebouw had aan de voorzijde een opening van waaruit je het kasteel binnen kon.
Een dood meisje zat in de ingang, net alsof ze eventjes uitrustte. Ze was een jaar of achttien, negentien, gokte Avery. Blonde haren. Gekleed in een nauwsluitend shirt en een rokje. Ze had een bijna lachwekkende, grappige uitdrukking op haar gezicht. Ze hield haar armen omhoog en haar handen waren met bijna onzichtbare draadjes vastgemaakt aan een stok boven haar hoofd. In haar ogen lag, net zoals bij de anderen, een gedrogeerde en gekwelde uitdrukking.
“Weet je wie ze is?” vroeg Avery.
“Nog niet.”
Avery zag meteen dat het slachtoffer haar ondergoed nog aanhad. Misschien was het bij dat vorige meisje alleen maar toeval geweest, dacht ze.
Net zoals de andere meisjes keek ook dit slachtoffer naar iets in de verte. Avery volgde haar blik en kwam bij de speelplaats voor peuters terecht. Meteen wist ze waar hij het slachtoffer naar had laten kijken: een muurschildering met kinderen op een van de plastic wanden. De groep kinderen bestond uit zowel jongens als meisjes van alle rassen die elkaars hand vasthielden.
Talbot keek haar argwanend aan. “Is het waar?” vroeg hij.
“Is wat waar?”
“Jij en Randall. In de kranten staat dat jullie een koppel zijn. Is dat waar?”
“Dat is walgelijk,” zei ze.
“Misschien wel,” zei hij. “Maar is het waar?”
“Dat zijn jouw zaken niet,” zei ze.
“Man, jij helpt mijn dag wel naar de knoppen, weet je dat? Eerst krijg ik te maken met een seriemoordenaar omdat jij je werk niet goed doet en nu wil je niet eens een simpele vraag beantwoorden. Kom op, onze hele eenheid is met deze zaak bezig.”
“Je hoeft je hierover geen zorgen te maken,” zei Avery. “Mijn eenheid zal...”
“Nee, nee, nee,” mopperde hij, “dat zal zeker niet gebeuren. Dit is míjn plaats delict, begrijp je? Ik heb jouw eenheid alleen maar uit beleefdheid gebeld. Ik zal je dit niet geven,” zei hij, terwijl hij het lichaam aanwees. “Jullie hebben al twee dode meisjes in minder dan een week. Nu hebben wij een derde in Belmont. Weet je wat dat betekent? Samenwerken.”
“Maar we hoeven toch niet...”
“O, jawel,” zei hij, terwijl hij met zijn ogen rolde. “Wees nu eens eerlijk. Hoe ver sta je met deze zaak?”
“We hebben heel wat belangrijke aanwijzingen die...”
“Piep! Fout antwoord!” riep hij met een computerstem. “Daar geloof ik niets van,” zei hij iets rustiger. “Kijk jou nu toch eens. Je ziet er net zo vreselijk uit als ze in de kranten schrijven. En je weigert zelfs een collega-agent iets over je privéleven te vertellen. Wat is dat nu allemaal? Dus, weet je wat? Vanaf nu werken we samen en in Belmont lossen we de zaken snel op.”
“O ja?” zei Avery. “En hoeveel lichamen als dit hebben jullie al gezien?”
“Pfffff,” siste hij.
“Nee, even serieus nu.”
“Dat doet er niet toe.”
“Ik zal je eens precies uitleggen wat er wel toe doet,” zei ze. “Ik hou me nu minder dan een week met deze zaak bezig en ik weet waar de moordenaar ongeveer woont. Ik weet hoe groot hij is en ik weet hoe hij eruitziet. Ik weet dat hij van dieren houdt en met welke auto hij rijdt, en zoals de zaken er nu voor staan,” zei ze, terwijl ze naar het dode meisje wees, “weet ik dat hij er nog niet genoeg van heeft. Drie was zijn magische getal. Nu is dat veranderd. En ik weet een heleboel dingen meer,” spuwde ze uit. “Maar weet je wat? Je hebt gelijk. Dit is jouw rechtsbevoegdheid. Zoek het zelf maar uit.”
Ze draaide zich om en maakte aanstalten om ervandoor te gaan.
“Ho, ho, ho,” brulde Talbot. “Een ogenblikje, briesende leeuw!”
Toen Avery hem aankeek, was zijn houding helemaal veranderd. Hij hield zijn armen wijd gespreid en lachte zijn witte tanden bloot. “Eventjes dacht ik dat ik te maken had met een schattig katje, maar wat er werkelijk voor me staat is een briesende leeuw.” Hij kwam iets dichter bij Avery staan, die er naast hem bijzonder klein en nietig uitzag. “In een belangrijke zaak zoals deze kan ik niet tussen een inspecteur en een seriemoordenaar in komen te staan,” zei hij. “Er wordt al genoeg geluld in de pers. Ik moet je wel helpen, of ik dat nu leuk vind of niet. Neem gerust je tijd,” zei hij en hij gebaarde om zich heen. “Onderzoek zoveel je wilt.”
“Maar je zei net...”
“Niemand vindt jou leuk,” benadrukte hij ernstig. “Ik wil niet dat mijn mannen denken dat wij een team zijn. Als zwarte heb ik het hier al moeilijk genoeg. Wat denk je hiervan: ik geef mijn mannen de opdracht deze plaats delict te onderzoeken. We brengen het lichaam naar onze patholoog-anatoom, proberen te weten te komen wie ze is en laten onze forensische dienst het terrein uitkammen. Wat is je nummer? Fluister het. Fluister...”
Avery fluisterde haar nummer en Talbot trok een gemeen gezicht, net alsof hij het nummer noteerde van haar baas, zodat die haar kon aanpakken.
“Ik heb je net gebeld,” zei hij. “Ziezo... Dan heb je mijn nummer ook. Zodra ik alle gegevens heb van mijn team, stuur ik je een gedetailleerd rapport toe. Niet tevreden? Vertel het dan maar aan je baas, zodat die míjn baas op de hoogte kan brengen, maar laat één ding duidelijk zijn: deze shit is in mijn stad gebeurd en dit betekent dat de politie van Belmont erbij betrokken is. Wil je me helpen? Vertel me dan wat je weet.”
“Goed,” zei ze, “zo kunnen we het doen. Maar ik wil ook dat mijn team het lichaam te zien krijgt en overlegt met jouw patholoog-anatoom.”
“Geen enkel probleem.”
“En ik wil volledige toegang tot de plaats delict.”
“Prima. Hebben we een deal?”
“Ja,” zei ze fronsend. “Ik denk het wel.”
“Het interesseert me helemaal geen reet wat jij denkt!” schreeuwde Talbot zodat iedereen het kon horen. “Het is zo en niet anders, Black!”
HOOFDSTUK VIERENTWINTIG
Meteen na zijn praatje met Avery liep Talbot naar zijn agenten om hen in te lichten over wat hun te doen stond. De meesten schonken Avery een gemene blik of schudden afkeurend hun hoofd. Ze hoorde een van hen zeggen: “Waarom moeten wij onze informatie met haar delen? De misdaad werd hier in Belmont gepleegd.”
Avery nam uitgebreid de tijd om de plaats delict te verkennen. Vanuit verschillende hoeken bestudeerde ze het lichaam. De meesten negeerden haar, maar af en toe kon ze de verwijten van de moeders horen en de vragen die de reporters afvuurden.
De moordenaar beheerste haar gedachten. Al in Lederman Park en daarna op de begraafplaats had ze het gevoel gekregen dat ze zijn werkwijze doorhad. Hij had stille plekjes uitgekozen, plaatsen waar hij op een respectvolle manier zijn slachtoffers kon tentoonstellen. Deze plaats was echter anders. Hoewel hij dit meisje in een park en tussen de bomen had geplaatst, was dit een kinderspeelplaats en dus lang niet zo rustig als een begraafplaats of een bankje langs de rivier.
Waarom hier? vroeg ze zich af.
Ook het tafereel waar het meisje naar keek was helemaal anders: een groepje kinderen, zowel meisjes als jongens en van verschillende rassen.
Er is iets gebeurd, dacht ze.
Wat is er veranderd?
De verslagen van de forensische dienst en de patholoog-anatoom zouden uitwijzen of er verschillen waren met de andere meisjes of op de plaats delict, maar zelfs al zouden deze niets opleveren, toch vertrouwde Avery op haar intuïtie. Jarenlang had ze te maken gekregen met moordenaars en daarvoor, als advocaat, met de meest ongure types. Daardoor had ze heel wat ervaring opgedaan in het ontdekken van subtiele verschillen, zowel in de menselijke geest als op een plaats delict.
Helemaal alleen, zonder nieuwe aanknopingspunten en na de vreselijke ervaringen met opgehitste betogers, ouders en met de agenten van de politie van Belmont die haar als een onwelkome gast aanstaarden, liep ze met gebogen hoofd terug naar haar auto.
Haar aankomst op het politiebureau was zo mogelijk nog erger. Op het ogenblik dat ze uit de lift stapte viel alles stil. Vrijwel iedereen keek haar met een gemene blik aan. Jones schudde zijn hoofd en keek de andere kant op en Thompson draaide haar de rug toe. Geen enkele flauwe grap, geen enkele opmerking, en dat maakte alles alleen nog maar pijnlijker.
Finley zat aan zijn bureau. Iets vriendelijker dan de rest van zijn afdeling wierp hij haar een blik vol medelijden toe en boog zijn hoofd.
De ochtendkrant met het vreselijke artikel over haar bezoek aan Howard Randall lag op een paar bureaus en op enkele computerschermen stond dezelfde foto van Avery die op de parkeerplaats van de gevangenis in haar auto zat te huilen.
“Black,” riep iemand, “in mijn kantoor.” O’Malley gebaarde dat ze moest binnenkomen.
Connelly stond op.
“Nee. Nee,” zei O’Malley. “Jij niet. Alleen Black.”
“Maar dit is mijn zaak,” sprak Connelly hem tegen.
“Als je dat zo wilt houden, ga dan zitten en zwijg.”
Uitdagend keek Connelly hem aan en hij stak zijn borst vooruit.
“Zit ik in moeilijkheden?” vroeg Avery.
“Kom binnen,” gebaarde O’Malley en hij sloot de deur. “Waarom denk je dat je in moeilijkheden zit, Black? Zeg jij het maar.”
“Ik weet niet,” zei ze. “Ik ben op bezoek gegaan bij Howard Randall, op zoek naar aanknopingspunten. Hij gaf me iets, geen specifieke aanwijzing, maar een verband tussen beide meisjes. Hij wist iets.”
O’Malley zuchtte diep. “Wat kan Howard Randall nu in hemelsnaam weten over deze zaak?” vroeg hij. “Die kerel zit in de cel. Het enige wat hij over deze zaak kan weten, is wat hij in de kranten leest.”
“Hij heeft de geest van een moordenaar,” drong Avery aan. “Hij denkt zoals een moordenaar.”
O’Malley keek haar fronsend aan. “Hou toch op,” zei hij, “hou op, alsjeblieft. Luister naar me, Avery. Ik mag je graag. Ik weet dat je tot heel wat in staat bent: je kent geen angst, je bent eerlijk en misschien het allerbelangrijkste: je bent slim. En anderen weten dat ook. Misschien maken ze je het leven soms zuur, maar dat is omdat ze jaloers en bang zijn. Mensen zijn bang voor wat ze niet begrijpen, en ik begin deze angst te voelen.”
“Hoofdinspecteur, waar heb je het...”
Hij hief zijn hand op. “Alsjeblieft,” zei hij kalm en bijna gelaten, “laat me uitpraten. Dit is een ernstige zaak. Ernstiger dan ik eerst dacht. Tot nu toe hebben we drie lichamen in drie verschillende districten, drie vermoorde meisjes, geen verdere aanknopingspunten en heel veel woedende mensen. Je bent gedreven, Avery. Ik zie het. Ik zie het nu zelfs. Deze zaak vreet aan je. Je wilt deze kerel echt te pakken krijgen en je bent zo vastberaden dat je een paar domme beginnersfouten hebt gemaakt.” Hij stak een vinger op. “Ten eerste,” zei hij, “heb je vanochtend een burger lastiggevallen in Cambridge.”
“Ik had reden om te denken... “
“Het interesseert me niet wat je dacht,” riep hij. “Je hebt ten onrechte een man beschuldigd, iemand die bij de politie bekendstaat en die al talloze keren hard is aangepakt door wat er in zijn verleden is gebeurd. Nadat jij vertrokken bent, is hij volledig door het lint gegaan. Hij heeft geprobeerd zelfmoord te plegen in het toilet. Zijn baas heeft de deur eruit moeten trappen. De ambulance kwam erbij. Daarna heeft hij mij, de hoofdcommissaris en de burgemeester opgebeld. En weet je wat hij zei? Hij zei dat we een geestelijk gestoord iemand deze zaak laten leiden. We mogen van geluk spreken dat hij nog geen officiële klacht heeft ingediend.”
“Zelfmoord?” Avery staarde omlaag. Ze zag de doordringende blik van Wilson Kyle voor zich en herinnerde zich zijn hartstochtelijke woorden over Langs verleden. “Dat was een vergissing,” zei ze. “Dat is nooit mijn bedoeling geweest.”
“Ten tweede,” zei O’Malley, terwijl hij een tweede vinger opstak. “Je staat in de krant. Nu weet ik wel dat dat niet jouw fout is. Maar soms doe je net alsof je de enige persoon in dit hele universum bent. Ik vraag me soms af hoe je er nog in slaagt de dingen duidelijk te zien, maar je ziet ze. Wat je echter niet zag waren al die paparazzi-ratten die op de loer lagen om je in moeilijkheden te brengen. Met de foto in het park kan ik nog leven. Wat echt niet kan, is de foto op de parkeerplaats van de gevangenis. Je bent op bezoek gegaan bij de beroemdste seriemoordenaar in de hele geschiedenis van Boston, een kerel die jij vrijgepleit hebt, die dan later in jouw naam nog eens heeft gemoord, en je dacht er niet aan om dat aan mij te vragen? Of om na te gaan of er geen camera’s in de buurt waren? Of om dit toch tenminste met mij te bespreken zodat ik je had kunnen vertellen dat je gek was?”
“Ik wilde weten hoe hij het zag.”
“Dan licht je mij of Connelly in, of iemand anders die bij deze zaak betrokken is. Maar je gaat niet op eigen houtje een gevangenis binnen om een oude bekende te gaan opzoeken. Ik bedoel, in hemelsnaam, Avery, lees jij de kranten wel? Ze laten het lijken alsof ons hele bureau uit een stelletje nietsnutten bestaat en dat de enige aanknopingspunten die we tot nu toe hebben, moesten komen van een oude bekende van jou. Dat kan niet, Avery, dat kan echt niet.”
“Hoofdinspecteur, ik...”
“Ten derde,” zei hij, terwijl hij nog een vinger opstak, “je mannen zijn niet tevreden. Thompson en Jones klagen over het feit dat ze alle mogelijke camerabeelden moeten opvragen.”
“Gisteren hebben ze een hele dag verspild!”
O’Malley stak zijn hand op. “Connelly wil zelfs niet meer met jou spreken.”
“Dat is mijn fout niet.”
“Ik weet niet wat je met Finley hebt gedaan,” zei hij verrast, “maar die heeft de laatste tijd heel hard gewerkt en hij is echt van streek over alles.”
Opeens besefte Avery welke kant dit gesprek op ging. “Hoezo is hij van streek?” vroeg ze.
“Misschien heb ik te snel beslist om jou te promoveren,” mompelde O’Malley bij zichzelf.
“Hoofdinspecteur, wacht.”
Hij schudde zijn hoofd en keek haar strak aan. “Het is genoeg, Avery, alsjeblieft. Genoeg. Oké? De hoofdcommissaris is woedend. De burgemeester is ook razend. Er komen klachten van weet ik veel wie en ze gaan allemaal over jou. Maar echt het ergste in deze hele zaak,” zei hij met een bezorgde blik, “is dat het helemaal niet over jou gaat of over al deze problemen. We hebben drie vermoorde meisjes in minder dan een week. Er zijn er drie vermoord, Avery. We hebben geen enkel aanknopingspunt en we zitten op een dood spoor. Juist of niet?”
Avery zag weer hoe de moordenaar zich omdraaide naar de camera en een buiging maakte. “Ik zal hem vinden,” zei ze, “dat zweer ik.”
“Het is niet langer nodig om te zweren,” antwoordde O’Malley. “Ik haal je van de zaak. Nu meteen. Connelly neemt het van je over.”
“Hoofdinspecteur...”
“Ik wil er niets meer over horen, Black. Niets meer, want op dit ogenblik ben ik nog rustig, nietwaar? Ik blijf rustig omdat ik ook van streek ben, maar als je hier nu niet over ophoudt, word ik razend door alle druk die op mij wordt uitgeoefend in deze zaak. Je bent van de zaak gehaald. Ik wil dat je binnen het uur alle informatie die je hebt verzameld doorgeeft aan Connelly. En heb je al nieuws over het laatste slachtoffer in Belmont? Hoe ver staan we daarmee? Waar is het lichaam nu? Nee, je hoeft het me nu niet uit te leggen. Ik wil alles op papier, samen met de aanwijzingen die je tot nu toe al hebt. En wees volledig. Begrepen? Daarna mag je gaan. Neem de rest van de dag vrij. Kom maandag terug en dan zullen we het hebben over wat er nu verder moet gebeuren. Ik zal er dit weekend over nadenken.”
“Dus ik mag me niet langer met de zaak bezighouden,” zei ze.
“Nee,” zei hij.
“Voorgoed?”
“Voorgoed,” knikte hij.
“Ben ik nog in dienst bij Moordzaken?”
O’Malley gaf geen antwoord.




